„Het spreekt, vriend Tower, dat wij verplicht zijn, u uw win

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 373 DE KRANKZINNIGE.

DE KRANKZINNIGE.

HOOFDSTUK I.

DE MAN BIJ DE PERISTYLE.

Het was omstreeks kwart voor achten in den avond.

De vroege herfst had zich op ruwe wijze ingezet, en een gure wind deed

de Londenaren, die niet voor hun vermaak of om een andere reden de

straat moesten opzoeken, snel huiswaarts gaan.

Sedert een half uur was het tot overmaat gaan regenen en een dier

verraderlijke Londensche misten scheen op komst te zijn.

Het asphalt glom in het schijnsel der tallooze lantaarns en dof klonken

de hoeven van de paarden der huurrijtuigen, die schouwburgbezoekers

naar hun plaats van bestemming moesten brengen. Voor het Garrick

Theater was het een onophoudelijk komen en gaan van voertuigen van

allerlei aard, ouderwetsche cabs, welke men bijna niet meer zag in de

Engelsche hoofdstad, vierwielige rijtuigen of broughams, huurauto’s,

glanzende equipages en prachtige eigen auto’s.

En het was geen wonder, want de aanplakbiljetten vermeldden voor dien

avond het optreden van een bekwame buitenlandsche actrice, die zelfs in

het kieskeurige land van den dollar grooten roem had geoogst.

Geen enkele Londenaar, die zichzelf respecteerde en die over voldoende

middelen beschikte om den zeer hoogen entrée-prijs te betalen, zou het

in den zin hebben gekregen, dien avond niet in het Garrick Theater

aanwezig te zijn.

Men wist, dat men daar de bekende premiere-gangers zou aantreffen, die

geen enkele eerste voorstelling overslaan, evenmin als het optreden van

een buitenlandsche ster, wier naam door de bladen reeds lang te voren

was verkondigd.

De voorgevel van den schouwburg glansde van licht.

Alle electrische lantaarns waren aangestoken en straalden hun licht uit

over den breeden verkeersweg.

Men zag telkens een auto stil houden en dan verdwenen de inzittenden al

spoedig onder het gewelf van de ruime peristyle, gedragen door een

tiental zuilen.

Een paar baliekluivers, oogluikend toegelaten omdat er oorlogsinvaliden

onder bleken te zijn, schoten dan haastig toe om het portier van het

voorrijdend rijtuig te openen in de hoop van een fooi.

Onder die gelegenheidsportiers was ook een oud man met reeds sterk

grijzend haar en die blijkbaar niet al te best ter been bleek te zijn.

Want de arme stakkerd kwam meestal eenige oogenblikken te laat

aansukkelen, als een ander hem reeds voor was geweest.

Dan bleef hij op eenige passen afstand staan en keek droevig toe, hoe

een meer bijdehande en jonger concurrent met de fooi ging strijken.

Hij scheen den moed niet op te geven, hoewel het duidelijk te zien was,

dat de steeds toenemende vermoeidheid het hem voortdurend moeilijker

maakte, vlug genoeg toe te schieten teneinde een portier te openen.

Nu en dan nam hij zijn hoed af, een tot den draad versleten

hoofddeksel, om zijn voorhoofd met een zakdoek af te wisschen.

Dan pas kon men goed zien, hoe vermagerd zijn gelaat, hoe ingevallen

zijn wangen waren, hoe koortsig zijn oogen gloeiden.

Kleine zweetdruppels parelden op het gerimpelde voorhoofd, ondanks de

gure koude.

De man droeg geen overjas en had den kraag van zijn armelijk buis zoo

hoog mogelijk opgeslagen.

Om zijn dunnen hals was een roode zakdoek geknoopt.

De man droeg de kleederen van een haveloozen schooier en toch was er

iets in zijn geheele voorkomen, dat er op wees, dat deze man niet

steeds in deze armzalige omstandigheden had verkeerd.

Hij scheen er dan ook nog een restje van ijdelheid, van zorg voor zijn

uiterlijk op na te houden, want zijn gelaat was zorgvuldig geschoren.

Het was reeds bij achten en nog altijd had de oude geen kans gezien een

paar penningen te verdienen.

Zijn gelaat verkreeg langzamerhand een zorgelijke, smartelijke

uitdrukking, en het was ook of er schrik op te lezen viel....

Hij steunde zich met de hand tegen een der pilaren en hoestte.

Daarbij drukte hij de andere hand op de borst, alsof het hem pijn deed.

Zoo stond hij daar gebukt, het jammerlijk toonbeeld van ouderdom en

ziekte.

Weer kwam er een groote auto aanrijden.

Het was een prachtige, blauw gelakte Limousine, en behoorde blijkbaar

aan een zeer rijk man.

Aan het stuurwiel zat een chauffeur van reusachtigen lichaamsbouw, een

ware Hercules, met breede schouders, een nek als een stier en de

vuisten, die het stuurwiel omklemd hielden, leken wel geschikt om er

steenen mee te kloppen.

Ditmaal scheen het geluk den ouden man gunstig te zullen zijn. De

vluggere collega’s hielden zich juist bezig met andere auto’s en het

veld scheen dan toch eindelijk vrij te zijn.

Met haastige stappen kwam de oude man naderbij.

Maar juist werd van binnenuit het portier reeds geopend door een hand

die in fijn glacé-leder gestoken was.

De grijsaard slaakte een smartelijken zucht, dit was blijkbaar meer dan

hij verdragen kon.

Hij wankelde, tastte tevergeefs naar een steun en zakte toen alsof hij

een rustig plaatsje zocht om te sterven langzaam langs het glanzende

hout van de auto ineen.

Onmiddellijk snelden er eenige suppoosten toe, die dien bewustelooze

wilden weg dragen. Men moest tot iederen prijs den rijkaard den aanblik

van dezen flauw gevallen schooier besparen.

Maar dadelijk liet zich uit de auto een bevelende stem hooren, die

riep:

„Laat dien man liggen, ik zal naar hem omzien,” en op hetzelfde

oogenblik stapte een heer van rijzigen lichaamsbouw, zeer elegant

gekleed, uit de auto.

Hij kon omstreeks veertig jaar zijn, maar dat was alleen te zien aan

zijn haar, dat aan de slapen lichtelijk begon te grijzen, want zijn

gang was zoo licht en veerkrachtig als die van een jongeling. Zijn

grijze oogen hadden een glans als van metaal en al zijn bewegingen

verrieden den geoefenden sportman.

Onmiddellijk weken de suppoosten terug.

Zij hadden den bezoeker herkend.

Dadelijk werd zijn naam in het rond gefluisterd, terwijl het aantal

nieuwsgierigen zich om den ouden man verdrong.

„Lord Aberdeen. Dat is Lord Aberdeen,” ging het zacht van mond tot

mond.

Inderdaad, het was de zonderlinge weldoener, de schatrijke filantroop,

bij duizenden Londenaren van aangezicht bekend en die letterlijk werd

aangebeden door even zooveel ongelukkigen, die hij niet alleen met

goeden raad, maar ook met daad had bijgestaan.

En niemand van al die rampzaligen die hij van den afgrond had gered

vermoedde ook maar een seconde, dat zich achter Lord Aberdeen niemand

anders verborg dan de Groote Onbekende, Lord Edward Lister, alias John

Raffles, de langgezochte Gentleman-Inbreker, de schrik van Scotland

Yard.

Wie zou dit ook hebben durven denken.

Wie zou het onzinnig denkbeeld hebben durven uiten, dat de man in zijn

deftige kleederen met zijn scherp besneden aristocratisch gelaat en die

over fabelachtige rijkdommen scheen te beschikken, dezelfde man was, op

wiens aanhouding reeds sedert eenige jaren een premie van 1000 pond

sterling was gesteld.

Men zou dengeen, die zooiets waagde te opperen, eenvoudig voor gek

hebben verklaard. Achter zijn lordschap was een jonge man verschenen,

met helder blauwe oogen en een blozend gelaat. Dat was Charly Brand, de

secretaris van Lord Aberdeen, maar veel meer de trouwe vriend van den

Gentleman-Inbreker, die de meeste van diens gevaarlijke en opwindende

avonturen had gedeeld.

Raffles had zich reeds over den ouden man heen gebukt en richtte nu op

zachten toon eenige woorden tot Charly Brand, die met innig medelijden

op den armen ouden man neerkeek. Toen hief hij het hoofd op, en vroeg

den portier die naderbij was gekomen en wat ruimte poogde te maken:

„Weet gij, wie die ongelukkige is?”

„Zijn naam weet ik niet, Mylord,” antwoordde de man. „Wel weet ik, dat

hij hier sedert een paar weken geregeld komt, om de portieren van de

auto’s open te maken. Het lukt hem maar zelden, maar wij laten hem maar

wat begaan. Het is zoo’n oude stumperd. Als Mylord het veroorlooft,

zullen wij hem wel gauw ergens heen dragen.”

Er scheen een scherpe opmerking op de lippen van John Raffles te

liggen, maar hij bedwong zich en zeide:

„Wij zullen hem slechts wat terzijde leggen, dan kan ik zien, wat hem

scheelt.”

De portier haalde de schouders op. Maar hij deed het zoo, dat niemand

het zag. Want met een Lord, zelfs al haalde hij zulke dwaze kuren met

een ouden bedelaar uit, moest men altijd een weinig voorzichtig zijn.

En zoo werd de nog altijd bewustelooze grijsaard terzijde van de

peristyle gedragen en daar opnieuw neergelegd, maar ditmaal op een dik

kleed, hetwelk Charly snel uit de auto had gehaald.

Tevens had hij Henderson, zoo was de naam van den reusachtigen

chauffeur, gelast om met de auto in de zijstraat die langs den

schouwburg loopt, te wachten.

Raffles had zich opnieuw over den grijsaard heen gebogen.

Het was nu reeds over achten en daar de deuren aanstonds gesloten

zouden worden hadden zich eenige van de lieden, die zooeven de auto’s

bestormd hadden, rondom de kleine groep opgesteld.

En Charly bukte zich op zijn beurt voorover en vroeg op zachten toon

aan Raffles:

„Wat zou den ouden stakkerd schelen?”

„Ik denk dat het hem aan voedsel scheelt,” antwoordde Raffles op

scherpen toon. „Die arme man is eenvoudig neergezakt, omdat hij honger

heeft.”

„Dat kan wel waar zijn, mijnheer,” liet nu een stem zich hooren, die

bleek toe te behooren aan een der gelegenheidsportiers.

Raffles richtte zich een weinig uit zijn gebukte houding op en keek den

man in het gelaat.

Het was geen fraai gelaat, maar hij vertoonde de goedheid des harten,

die ook het leelijkste gelaat iets aantrekkelijks geeft.

„Hoe weet je dat, man?” vroeg Raffles.

„Ik woon in zijn straat, mijnheer. Ik ken hem wel van aanzien.”

„Dan weet gij misschien ook wel zijn naam?” vroeg Raffles op levendigen

toon.

De man scheen even te moeten bezinnen en antwoordde toen:

„Hij moet Lark heeten, Edwin Lark.”

„Zijn adres?”

„Hij woont in de Crescent street.”

„Het nummer?”

„Dat weet ik niet, mijnheer.”

„Maar zoudt ge het mij kunnen aanwijzen?”

„O, wat dat betreft,....”

„Zoudt ge mij dan willen vergezellen en mij er aanstonds heen brengen?

Ik wil u gaarne voor hetgeen gij hier mocht verzuimen, schadeloos

stellen.”

De man krabde zich even achter het oor en zeide toen met ver

opgetrokken wenkbrauwen:

„De zaak is, mijnheer, om elf uur moet ik hier weer terug zijn, want

dan gaat de schouwburg uit en dan moet ik de portieren weer open doen.”

„Dan laat gij de portieren voor dezen keer maar eens aan een ander

over,” hernam Raffles glimlachend. „Ik herhaal u, dat het u geen

windeieren zal leggen.”

„In dat geval kunt u op mij rekenen, mijnheer,” hernam de man. „Ik zou

het graag voor niets doen, want ik mag dien ouden snuiter wel lijden,

maar als ik zonder geld bij moeder de vrouw thuis kom, dan zwaait er

wat.”

„Dat kan ik mij begrijpen,” zeide Raffles met een zacht lachje. „Uw

naam?”

„Bill Tower en met uw welnemen, oud gediende, Victoria kruis, twee

eervolle vermeldingen, vijf maal gewond, waarvan de laatste maal zoo

leelijk, dat ze me niet meer wilden terug hebben. Dat was bij Pervys in

België.”

Bill Tower had dit alles op den natuurlijksten toon van de wereld

gezegd.

Hij scheen het volgens den loop der dingen te vinden, dat hij zijn

bloed voor zijn land had geplengd en nu in den guren regen moest staan

omdat er geen werk en geen plaats meer voor hem was. Raffles keek

eenige seconden strak voor zich uit.

En Charly kon duidelijk zien, dat zijn lippen zich krampachtig

vertrokken.

Edwin Lark lag intusschen nog altijd onbewegelijk op de dikke deken

uitgestrekt, zonder besef van hetgeen er rondom hem gebeurde.

Toen hief Raffles het hoofd weder naar Tower op en vroeg:

„Had de ongelukkige man geen ander werk, dan hetgeen hij hier deed?”

„Neen, mijnheer, tenminste niet voor zoover ik weet. Hij moet vroeger

modellenmaker zijn geweest, maar hij is drie vingers kwijt geraakt.”

„Een ongeluk?” vroeg Charly meewarig.

„Het is maar wat je een ongeluk belieft te noemen, mijnheer,” riep Bill

Tower op schamperen toon uit. „Ze zijn hem in den oorlog afgeschoten.”

„Wat, heeft deze man in den wereldoorlog meegestreden?” riep Raffles

uit.

„Zeker, als vrijwilliger. Hij was korporaal, toen hij gewond en

afgekeurd werd. Nu krijgt hij een half pond in de week pensioen.”

„Maar hoe oud is deze man dan wel?” riep Charly Brand verwonderd uit.

„Niet ouder dan vijf en veertig jaar, mijnheer,” antwoordde Tower.

„Kom, laten wij hier niet onzen tijd verpraten,” riep Raffles op bijna

ruwen toon. „Die man moet voor alles eten. Vriend Tower, wij gaan nu

eerst naar mijn huis om daar den ongelukkige bij te brengen, en dan

zullen wij hem gezamenlijk naar zijn woning brengen. Zijn familie zal

wel in de grootste ongerustheid over hem verkeeren.”

„Dat denk ik haast niet, mijnheer,” zeide Tower hoofdschuddend.

„Wat? Je wilt toch niet zeggen, dat de familie van dezen ouden man zich

niets aan hem laat gelegen liggen?” riep Raffles op verontwaardigden

toon. „Het zou een schande zijn.”

„Dat is de zaak niet, mijnheer. Lark heeft een dochter, een heel mooi

meisje tusschen twee haakjes, maar het arme kind is krankzinnig. Zij

zou er niet eens besef van hebben als haar vader niet meer thuis kwam.”

HOOFDSTUK II.

DE KRANKZINNIGE.

Gedurende eenige oogenblikken werd er niet gesproken.

Toen zei Raffles op zachten toon:

„Dat is verschrikkelijk. Kom snel vriend Tower. Ik wil weten, wat

hieraan te doen is. Help mij eens dien ongelukkige naar mijn auto te

dragen.”

Raffles en Tower namen Lark op en tot stomme verbazing van de

omstanders, bijna even arme en hongerige stakkerds als de bezwijmde

grijsaard, droeg de deftige schatrijke Lord met den armen invalide het

lichaam van den schooier naar de wachtende auto, die getuigde van den

rijkdom haars bezitters.

Charly volgde met de plaid, die dadelijk over Lark werd uitgespreid.

Wat Henderson betreft, hij toonde niet het minste spoor van verbazing.

Blijkbaar was hij aan dergelijke tooneeltjes wel gewend....

Tower stapte, op uitnoodiging van Raffles, in en keek dadelijk zijn

oogen uit aan de fraaie inrichting van den wagen.

Raffles gaf den chauffeur een kort bevel. Het portier klapte dicht en

in snelle vaart ging het door de straten van Londen, die nu veel minder

druk waren, daar alle schouwburgen thans waren aangegaan.

Een kwartier later stond de auto stil voor een fraai heerenhuis in de

Regentstreet, dicht bij Pall Mall.

Charly ijlde vooruit teneinde de voordeur te ontsluiten en behoedzaam

droeg de reusachtige chauffeur het geheel beweginglooze lichaam naar

binnen, terwijl Raffles en Tower op hun beurt het huis betraden, nadat

Henderson den bewustelooze naar een der slaapkamers had gebracht en

daar op het bed had neer gelegd.

Bill Tower was een eenvoudige ziel, en hij slaakte telkens kleine

uitroepen van verbazing, toen hij door de marmeren vestibule schreed en

over de dikke wijnroode looper de prachtige trap besteeg, en overal

fraaie beelden en schilderijen, wandtapijten en kostbare vazen

ontwaarde.

Een bejaarde bediende was Raffles tegemoet getreden.

Het was Gaston, de grijze kamerbediende van Lord Aberdeen.

Ook hij verbaasde zich niet uitermate over hetgeen hij te zien kreeg,

hetgeen weer de verwondering opwekte van Bill Tower, die van de eene

ontroering in de andere verviel.

En toen Charly hem eindelijk in de groote ontvangsalon liet, die

slechts zeer weinig gebruikt werd, daar Raffles een afkeer had van

groote gezelschappen, toen kende zijn bewondering geen grenzen.

Hij keek met groote oogen naar de schoone wandversiering, gobelins van

groote kunstwaarde, naar de kostbare beelden, naar de dikke fluweelen

gordijnen voor de ramen en naar den gladden parketvloer, hier en daar

met Smyrna-tapijten bedekt.

Met open mond stond hij stil voor den kolossalen haard, half in den

schoorsteen ingebouwd.

En hij slaakte bijna een schreeuw van schrik, toen hij zich liet

neervallen op een gemakkelijken stoel en half wegzakte in de mollige

zitting.

Intusschen had Raffles zich nog altijd aan den bewusteloozen grijsaard

gewijd.

En hier, waar hij alle geneesmiddelen dicht bij de hand had, slaagde

hij er tamelijk spoedig in, de levensgeesten van den ongelukkige weder

op te wekken.

Het was half tien, toen Edward Lark de oogen opsloeg en met

verwilderden blik de hem vreemde kamer rond zag.

Ten slotte vestigde hij ze op het gelaat van den man, die zich over hem

had heengebogen, met een kleine flacon in de hand.

„Waar ben ik hier toch,” stamelde de oude man met zwakke stem. „Ik

droom toch niet?”

„Je bent hier bij goede vrienden, en je droomt niet, Edwin Lark,”

antwoordde Raffles op vriendelijken toon. „Je bent heel zwak en je

moogt nu niet te veel praten.”

En hierop deelde Raffles Lark met enkele woorden mede, wat er met hem

geschied was onder de peristyle van den Garrick-schouwburg.

Lark had zwijgend toegeluisterd en keek Raffles nu met omfloerste oogen

aan.

„Ik dank u, dat gij u over mij ontfermd hebt, mijnheer,” stamelde hij.

„Ik—ik—geloof dat ik mij dwaas gedragen heb, maar de zaak is—ik

gevoelde mij—mij zeer flauw en dan die koude....”

Raffles keek hem zwijgend aan.

Blijkbaar belette hem zijn trots, ronduit te bekennen, dat hij van

honger in zwijm was gevallen.

Juist op dat oogenblik trad Charly Brand binnen.

Raffles richtte op fluisterenden toon eenige woorden tot hem en

dadelijk verliet de jonge man het vertrek weder, om een oogenblik later

terug te keeren met een blad, waarop eenige schalen, een glas en een

flesch wijn.

Met groote oogen keek Lark toe.

Een blos begon zijn vermagerde wangen te kleuren.

Hij zag hoe Raffles de flesch ontkurkte en een glas met donkerrooden

wijn vol schonk.

Hij zag ook hoe de jonge man, dien hij niet kende, bezig was met het

snijden van koud vleesch.

En ondanks zichzelf kwam het water hem in den mond.

Nu trad Raffles glimlachend met het glas in de hand op het bed toe en

zeide op bemoedigenden toon:

„Drink eens wat van den wijn, mijn waarde Lark. Hij zal u goed doen en

dan moet ge wat eten. Niet te veel echter, want dan zou het u kunnen

schaden.”

„Maar mijnheer—ik weet niet, of....” begon Lark stotterend, terwijl de

blos op zijn wangen nog dieper werd.

„Ik weet wat u thans bezielt, mijn vriend,” hernam Raffles met zachten

aandrang. „Maar ge moogt u niet door uw gevoel van eigenwaarde laten

weerhouden om dit van mij aan te nemen, en als gij u versterkt hebt,

deel mij dan eens mede, wat ik verder voor u doen kan. Het is toch

dwaas, dat iemand van uw kennis en stand op deze bitter harde wijze

zijn brood moet verdienen.”

Lark keek Raffles met schuwen blik aan en zeide toen:

„Hoe weet gij....”

„Men heeft mij op de hoogte gebracht, mijn vriend. Gij zijt vroeger

modellenmaker geweest en door uw ernstige wonde, in den oorlog

opgedaan, kunt gij thans dat fraaie beroep niet meer uitoefenen. Ik

weet nog meer van u en gij moet mij toestaan u te helpen.”

Een oogenblik bleef Lark onbewegelijk liggen.

Toen begonnen zijn lippen te trillen en eensklaps barstte hij in een

hartstochtelijk snikken uit, dat zijn geheele vermagerde lichaam deed

schokken.

Met de gezonde hand greep hij die van Raffles en riep snikkend:

„Hoe lang is het niet geleden, mijnheer, dat men op deze wijze tot mij

armen ouden man sprak. O ik ben inderdaad nog niet zoo oud, maar ik ben

een grijsaard door lijden en nu ik u aanzie, ja, nu herken ik u. Gij

zijt Lord Aberdeen, dien ik reeds eerder op de trappen van den

schouwburg heb gezien, en dien men mij dadelijk heeft aangewezen. Nu

begrijp ik ook, waaraan ik het te danken heb, dat ik zoo liefderijk ben

opgenomen. Ik dank u. Ik dank u....”

De oude man stamelde zijn dankbaarheid uit in onsamenhangende woorden,

overstelpt door dezen onverwachten keer in zijn leven, want hij had

reeds al te veel over Lord Aberdeen hooren spreken, om niet te weten,

dat deze zonderling zijn beschermeling niet halverwege in den steek

liet.

Maar eindelijk kwam hij toch in zooverre weder tot bedaren, dat hij een

weinig van den wijn en van het versterkend voedsel kon nuttigen.

Toen werd de brave Tower er bij geroepen en zoodra Lark hem zag,

begreep hij wel van wien de man, die hem in zijn woning had opgenomen,

die bijzonderheden uit zijn leven kende.

Hij keek zijn collega eens glimlachend aan en zeide met een

aandoenlijke poging om te schertsen:

„Daar lig ik nu Tower, als een prins.”

„Ja, daar lig je nu, Lark, en als ik me niet bedrieg, dan is de ergste

tijd nu voor je voorbij, man.”

Tower meende het zeker goed. Hij was niet bijzonder fijngevoelig, de

brave kerel.

En er lag ook een ietsje van naijver in zijn stem, toen hij die woorden

uitsprak.

Raffles had een scherp gehoor en die klank was hem niet ontgaan.

Hij keek Tower eens onderzoekend aan en vroeg:

„Wel vriend, hoe staan de zaken. Wat doe je voor den kost?”

„Wat er zooal te doen valt, mijnheer,” antwoordde de man. „Sjouwen aan

de haven, nu eens in de steenkolen, dan weer in het graan, of soms in

het ijzer.”

„Dus je bent los werkman?”

„Erg los, mijnheer, erg los,” antwoordde Tower met een grimmig lachje.

„Het kon bijna niet losser. Ik heb niet veel adem overgehouden moet u

weten, al zie ik er ook sterk uit. Er zit een gat in mijn borst. Daarom

krijg ik niet voldoende lucht meer en word ik gauw moe.”

„Een gat?” vroeg Raffles verbaasd. „Wat voor een gat dan?”

„Wel, natuurlijk een kogelschot, mijnheer,” antwoordde Tower.

„Dus jij bent ook al in den oorlog gewond,” riep Charly uit.

„Bij het laatste offensief, mijnheer. Ik had volle vijf jaar gediend.

En bij de laatste bestorming van de Hindenburglinie kreeg ik drie

kogels bijna tegelijk, een in mijn dij, een in mijn wang—daarom ben ik

nu zoo’n mooie jongen, en een in mijn borst. Ze hebben me opgelapt,

zooals u ziet, maar de man van vroeger ben ik toch nooit meer

geworden.”

„Wat was je vroeger?” vroeg Raffles.

„Sjouwer, mijnheer, maar niet los, hoor, niet los. Ik kon toen tien uur

per dag de zwaarste vrachten sjouwen, zonder moe te worden, maar nu

gaat het niet meer, neen, het gaat niet meer.”

Hij scheen ergens even diep over na te denken en vervolgde toen met een

zucht: „En daarom neem ik er van alles bij waar, mijnheer, waarbij ik

mijn gemak kan nemen. Zooals dat baantje van vanavond.”

Raffles wierp snel Charly een veelbeteekenenden blik toe en zeide toen

op zachten toon:

„Ik weet mij op dit oogenblik niet juist te herinneren, wie het gezegd

heeft, dat ook een gewonnen oorlog niets dan ellende en armoede brengt.

Maar de man had duizendmaal gelijk. Waar we ook het oog heen wenden,

zien we de vreeselijke gevolgen van dien gevloekten oorlog.”

Hij staarde even met gefronste wenkbrauwen voor zich uit en richtte

toen de vraag tot Tower:

„Ben je getrouwd?”

„Ik heb een vrouw en zes kinderen.”

„Nu, ik zal je in ieder geval niet vergeten, vriend Tower. Je hebt mij

en onzen vriend Lark hedenavond een grooten dienst bewezen en nu geloof

ik, dat onze zieke reeds ver genoeg is, om naar zijn woning te worden

vervoerd. Heeft het u goed gesmaakt, waarde Lark?”

„Uitstekend, mijnheer. Ik wil er geen geheim meer van maken. In langen

tijd had ik geen vleesch geproefd. Ik was den smaak ervan geheel

vergeten.”

„Dan zullen wij wel eens zien, of wij je dien smaak niet weder spoedig

kunnen bijbrengen,” zeide Raffles vriendelijk.

Hij wendde zich weder tot Charly en zeide iets op zachten toon, waarop

de jonge man weder het vertrek verliet.

Eenige minuten later werd Lark door Henderson weder naar beneden en in

de wachtende auto gedragen, waarin nu Raffles en Tower plaats namen.

Charly, die bij den wagen de wacht had gehouden begaf zich weder in

huis, en de auto zette zich in beweging, nadat Henderson zich de

Crescentstraat als adres had laten opgeven.

Bijna drie kwartier later reed de wagen een nauwe stille straat in een

der volksbuurten in.

De huizen waren oud en vervallen.

Henderson bracht de auto tot staan en wachtte tot Tower naast hem zou

komen plaats nemen, teneinde het huis aan te wijzen, waar Lark woonde.

Eenige minuten nadat de wagen zich weder in beweging had gesteld, stond

hij stil voor een huis, dat nog ouder en vuiler scheen te zijn, dan

alle anderen in deze armoedige straat.

Raffles sprong uit de auto, en hielp Lark, die nog zeer zwak was, op

zijn beurt om uit te stappen, waarbij hij hem den arm bood.

Men behoefde zich niet de moeite te geven om aan te schellen, want de

huisdeur stond open.

Raffles wendde zich nu tot Tower en zeide op gedempten toon, terwijl

hij hem een goudstuk in de hand drukte:

„Het spreekt, vriend Tower, dat wij verplicht zijn, u uw winstderving

van hedenavond te vergoeden. Gij kunt nauwelijks op tijd bij den

schouwburg terug zijn, om daar de portiers der auto’s weder te openen.

Neem dit dus als vergoeding en noem mij het nummer van uw huis. Het

mocht eens te pas komen.”

„No. 67, mijnheer,” zeide Tower met een grijns van blijdschap op zijn

breed goedig gezicht. „Als er iets voor mijnheer te sjouwen valt, dat

niet al te zwaar is, dan houd ik mij gerecommandeerd.”

Tower tikte aan zijn pet en was het volgend oogenblik in de duisternis

verdwenen.

Terwijl Henderson de auto op een hoek van een breedere straat deed

postvatten, besteeg Raffles met zijn beschermeling de steile trappen

van het oude huis, niet veel beter dan een krot.

Het kostte heel wat moeite, maar ten slotte bereikten de twee dan toch

de vierde verdieping.

Op het gerucht van hun schreden ging op het donkere portaal een deur

open.

En in het lichtschijnsel vertoonde zich een mannelijke gestalte.

Een welluidende stem vroeg: „Is u daar, mijnheer Lark?”

„Ja, ik ben het, Jack,” antwoordde de oude man. „Is alles goed met

Nelly?”

„Alles in orde mijnheer Lark, maar u is niet alleen?”

„Neen, ik breng iemand mee, een goed vriend, Jack. Een heel goed

vriend.”

De beide mannen hadden nu het portaal bereikt en stonden voor de deur,

die werd open gehouden door een jongen man met een sympathiek doch

zwaarmoedig gelaat, ongeveer vijf en twintig jaar oud en zeer eenvoudig

gekleed, hoewel men zien kon dat hij aan zijn schamele kleedij alle

mogelijke zorg besteedde.

De drie mannen traden nu een zeer eenvoudig maar armelijk gemeubeld

vertrek binnen.

De verlichting bestond uit een kleine petroleumlamp.

Maar het was toch licht genoeg om een withouten tafel, een paar rieten

stoelen en een ijzeren veldbed te kunnen onderscheiden.

Voor de ramen hingen een paar oude tot op den draad versleten lappen,

bij wijze van gordijnen.

De vloer was kaal en liet de vermolmde planken zien.

Aan de tafel zat een jong meisje.

Zij kon ongeveer twintig jaar zijn.

Heur haar was buitengewoon weelderig en blauwzwart.

In het bleeke smalle gelaat, dat vroeger zeer schoon geweest moest

zijn, schitterden met ongewonen gloed twee donkere oogen, onder

onberispelijk geteekende wenkbrauwen.

Het meisje scheen te spelen met een spel kaarten, waarvan zij huisjes

en allerlei voorwerpen bouwde, welke zij dan met een schril lachje

telkens omver wierp.

Raffles was een uitnemend geneesheer. Op den eersten blik zag hij aan

de geheele uitdrukking van het bleeke gelaat, dat dit de dochter van

Lark moest zijn.

Het was de uitdrukking van den waanzin....

HOOFDSTUK III.

HET VERHAAL VAN EDWIN LARK.

Het rampzalige jonge meisje had ternauwernood het hoofd opgeheven, toen

zij de deur hoorde open gaan.

Maar toch liet zij een kinderachtig geluid van vreugde hooren, toen zij

haar vader herkende. Er sluimerde dus nog een vonk der edele rede

achter dat hooge voorhoofd, nog ongerimpeld en blank.

Lark was haastig op zijn dochter toegetreden en streelde haar met

innige liefde over haar prachtig haar.

Toen wendde hij zich tot Raffles, die bescheiden bij de deur was

blijven staan en zeide bewogen:

„Dit is mijn eenig kind, mijnheer, mijn dochter Nelly. Dit jonge mensch

heet Jack Fieldman.

„Hij is onze trouwe vriend, al jaren. Ik behoef volstrekt geen geheim

te maken van onze omstandigheden, mijnheer, en hier waar ge bij zijt,

wil ik het zeggen, dat Jack met onwankelbare trouw ons terzijde is

blijven staan, toen alles om ons heen in puin stortte.”

„Zeg dat toch niet, mijnheer Lark. Ik deed dit alles zoo innig graag

voor U en voor Nelly. Zij was immers mijn collega.”

„Uw collega?” vroeg Raffles verwonderd, terwijl hij naderbij trad en

Jack de hand toestak. „Wat is dan uw beroep als ik vragen mag.”

„Hij is onderwijzer, mijnheer,” antwoordde Lark inplaats van Jack. „En

hij zou professor zijn, als hij maar zijn studiën had kunnen voltooien,

zooals het behoort.”

„Wat heeft hem dan belet om dat te doen?” vroeg Raffles vol

belangstelling.

Maar het volgende oogenblik had hij reeds berouw van zijn vraag.

Jack werd bloedrood en wendde zich af.

„Ik heb u gekwetst. Ik zie het,” zeide Raffles op zachten toon. „Neem

het mij niet kwalijk. Ik begrijp het nu. Maar laat mij dan zeggen, dat

armoede volstrekt geen schande is, en dat iemand, als gij schijnt te

zijn, voor niemand het hoofd behoeft te buigen. Wat was uw studie

onderwerp?”

„De schoone letteren, mijnheer,” antwoordde Jack met schitterende

oogen, maar met trillende lippen. „O, ik kan u niet zeggen, hoe

heerlijk ik het had gevonden, als ik had kunnen uit studeeren—het mocht

niet.”

Raffles keek even in het open schrander gelaat en vroeg toen weder:

„Gij zijt zeker aan een openbare school?”

„Ja, mijnheer.”

„Ja, dan kan ik mij voorstellen, dat u de middelen ontbreken, u aan uw

lievelingsstudie te wijden,” hernam Raffles. „Boeken zijn nog al duur

en het bezoeken van een universiteit kost handen vol geld.”

Hij wendde nu den blik naar het meisje, aan de tafel, dat reeds weder

in haar spel verdiept was en luid in de handen klapte wanneer het haar

gelukt was, een fraai huisje van de kaarten te bouwen, en zeide:

„Miss Nelly is dus onderwijzeres geweest, voor dit vreeselijk ongeluk

haar trof?”

„Ja, mijnheer. Aan een kostschool.”

Raffles stond even in gedachten verdiept en zeide toen op meewarigen

toon:

„Dat alles is wel verschrikkelijk—zulk een schoon, lieftallig jong

meisje.”

Lark glimlachte flauwtjes, toen hij op eenigszins matten toon zeide:

„Nelly is geen jong meisje, mijnheer. Ze is getrouwd.”

„Wat zegt ge daar?” riep Raffles in de grootste verbazing uit.

„Getrouwd? Hoe komt het dan dat haar man niet voor haar zorgt?”

„Dat zou hij misschien, neen zeker wel doen, mijnheer, als hij maar

wist dat ze in dien toestand is geraakt.”

„Weet hij dat dan niet,” riep Raffles uit, wiens verbazing ieder

oogenblik toenam. „Hebt gij het hem dan niet dadelijk mede gedeeld? Was

hij er dan niet bij, toen uw dochter door dit vreeselijke werd

overvallen?”

„Neen, mijnheer, daar was hij niet bij, die arme Donald.”

„Maar hebt gij het hem dan niet geschreven? Al was hij aan het andere

einde van de wereld—als hij haar lief heeft, zou hij toch dadelijk

gekomen zijn, en hij zou haar nimmer meer hebben verlaten.”

„Wij hebben hem eenmaal geschreven. Er kwam geen antwoord. De tweede

brief kwam terug met het opschrift op de enveloppe: „Vertrokken, met

onbekende bestemming.” Nu weten wij niet waar hij is.”

Langen tijd bleef het stil na deze woorden.

Raffles begreep niets van hetgeen hij zooeven vernomen had, maar hij

zag wel in, dat hier een geheim bestond, een droevig geheim, dat

misschien voor een gedeelte de oorzaak zou kunnen verklaren van den

noodlottigen waanzin, waardoor de jonge vrouw was aangegrepen.

„Ik denk er niet aan, mij in uw familiezaken te mengen,” begon hij

weder op zachten toon, „maar gij wilt mij zeker wel zeggen, of uw

ongelukkige dochter kinderen heeft?”

„Eén mijnheer.”

„En woont dat kind ook bij u aan huis? Of hebt gij het misschien onder

de hoede gesteld van familieleden, die beter dan gij in staat zullen

zijn, er voor te waken en het op te voeden?”

De mond van den ouden man begon zenuwachtig te trekken en hij scheen de

grootste moeite te hebben, zijn tranen te bedwingen, toen hij op doffen

toon antwoordde:

„Wij weten niet waar het kind, waar de kleine Richard is, mijnheer.”

Nu kon Raffles onmogelijk een luiden kreet van verbazing weerhouden.

Hij staarde Lark ongeloofelijk aan als vreesde hij, dat ook de oude man

aan een tijdelijke zinsverbijstering leed en herhaalde toen:

„Gij weet het niet? Gij weet dus niet waar de vader, en evenmin waar

zijn kind is. Weet hij dat dan?”

„Hij weet het ook niet, mijnheer—of er zou een toevallige omstandigheid

moeten plaats vinden, die ondenkbaar is. Maar neem plaats en dan zal ik

het u alles verhalen. Gij hebt daarop het volle recht. En we hebben

volstrekt niets te verzwijgen.”

„Ik wil het niet weten, mijn waarde Lark, indien het u ook maar de

minste opoffering zou kosten het mij mede te deelen,” hernam Raffles op

vasten toon. „Ik vermoed haast, dat hier een vreeselijk geheim schuilt,

nietwaar?”

„Dat moogt gij wel zeggen, mijnheer,” hernam de oude man zuchtend. „Het

is een raadsel voor ons allen. Maar laat ik u naar vervolg verhalen.

Het zal mij misschien pijn doen, een oude wonde open te rijten, maar ik

acht mij gelukkig een man in vertrouwen te nemen, die getoond heeft,

zijn medemenschen te willen helpen, wanneer zij in nood en ellende

verkeeren. Wat Jack betreft, hij is op de hoogte van de geheele zaak en

hij heeft zelfs zijn beetje spaargeld uitgegeven, om te trachten eenig

spoor van den knaap terug te vinden.”

De jonge man had den spreker snel het zwijgen willen opleggen, maar hij

kwam te laat.

Nu vergenoegde hij er zich mede, afkeurend zijn hoofd te schudden.

Raffles had hem op den schouder geklopt en zeide op ernstigen toon:

„Het is heel mooi van u, wat gij gedaan hebt, mijnheer Fieldman. Zoo

iets vindt men ten huidige dage niet vaak meer en nu uw verhaal, Lark.

Wie weet kan ik u nog wel van dienst zijn.”

„Gelooft gij dat werkelijk, Mylord?” vroeg de oude man, terwijl hij

schielijk het hoofd ophief en Raffles met zijn schier uitgedoofde

zwakke oogen aanzag. „Ik vrees.... ik vrees....”

Hij had zich aan de tafel neergezet, en nam liefkoozend een der kleine

blanke handen van de jonge vrouw in de zijne.

Toen begon hij:

„Ik zeide u reeds, dat mijn dochter onderwijzeres was aan een

kostschool. Haar huwelijk, dat zes jaren geleden gesloten werd, hielden

wij voorloopig geheim, want ik moet u zeggen, dat mijn schoonzoon en

mijn kind het in den aanvang alles behalve breed hadden. Zij hadden

weinig anders dan hun liefde, en al was die oneindig groot, men kan er

niet alleen van leven. Natuurlijk zou mijn Nelly op de kostschool

dadelijk worden ontslagen, zoodra het bekend werd, dat zij gehuwd was

en omdat de twee jonge lieden haar salaris in den eersten tijd niet

konden missen, zoo verzwegen zij hun huwelijk.”

„Niemand wist dus daar iets van?” vroeg Raffles die aandachtig

toeluisterde.

„Niemand, behalve Jack, ik en nog een paar naaste bloedverwanten.”

„En de ouders van uw schoonzoon natuurlijk,” gaf Raffles te kennen.

„Neen, die wisten het niet,” zeide de oude man op zachten, onzekeren

toon.

„Wisten die het niet?” kwam Raffles verwonderd. „Hij behoefde zich toch

voor zijn keuze niet te schamen.”

Lark richtte zich fier op en zijn oogen schitterden, toen hij uitriep:

„Neen zeker, dat behoefde hij niet en hij deed het ook niet. De zaak

is, dat hij in onmin leefde met zijn ouders. Hij had zijn vader na een

hevigen twist verlaten, naar het schijnt. Ik moet u zeggen, dat ik er

nooit het ware van geweten heb, en mijn kind trouwens ook niet. Donald

was daaromtrent zeer gesloten. Ik weet zeker, dat hij op zijn beurt een

geheim te verbergen had, dat hem zwaar op het hart drukte.”

Lark wachtte even, scheen zijn gedachten te verzamelen en vervolgde

toen:

„Ik hield bijzonder veel van hem en Nelly aanbad hem als het ware.

„Hun huwelijk was zoo gelukkig als men het maar verlangen kon. Zij

waren voor elkander geschapen. Ik....”

Maar hij kon niet voortgaan, want Jack was plotseling opgestaan en

zeide op eenigszins schorren toon:

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer Lark, en ook gij Mylord, ik moet nog

een bepaald aantal schriften van mijn leerlingen nazien. Ik hoop, dat

gij mij verontschuldigt.”

„Slechts dan, wanneer gij mij belooft, dat gij mij dezer dagen eens

komt opzoeken,” zeide Raffles, terwijl hij den jongen man, wiens gelaat

verbazend bleek was geworden, de hand toestak. „Ik stel me voor, dat er

wellicht aan de studiezaak wel een mouw te passen is.”

De hand die hij vasthield, beefde en de oogen van Jack Fieldman

glansden vochtig, toen hij ten antwoord gaf:

„Ik—ik zal gaarne komen, Mylord. Adieu mijnheer Lark.”

De jonge man wierp een snellen blik op de jonge vrouw, die het hoofd

had opgeheven en hem kinderlijk toelachte, en Raffles meende te zien,

dat zijn gelaat zich smartelijk vertrok.

Nog eenigen tijd nadat de deur achter Jack Fieldman was dicht gevallen,

bleef het stil in het vertrek.

Men hoorde niets dan het lichte gerucht van de kaarten, waarmede de

krankzinnige speelde.

Toen hernam Lark, na een blik op de dichte deur geworpen te hebben, op

fluisterenden toon:

„Gij zult het wellicht zelf reeds gemerkt hebben, Mylord. De arme

jongen is nog steeds doodelijk verliefd op mijn dochter....”

„Zoo iets meende ik in zijn blik te hebben gezien,” zeide Raffles op

zachten toon. „Was dat al zoo, toen Nelly nog.... nog normaal was?”

„Ja. Zij is altijd een goede vriendin voor hem geweest. Eenigen tijd

waren zij aan dezelfde school verbonden. Zij heeft hem menigmaal

ernstig onderhouden en hem bezworen, toch geen voet te geven aan het

gevoel, dat zij nimmer zou kunnen beantwoorden. Maar hij wilde niet

luisteren. Hij bleef haar aanbidden. Ook nog, toen zij reeds gehuwd

was. Maar zijn liefde was rein en zuiver. Hij viel haar nimmer lastig.

Pas toen het verschrikkelijke geschiedde en zij het verstand verloor,

kwam hij mij zijn diensten aanbieden. Hij was voor dien tijd slechts

zelden aangekomen. Blijkbaar wilde hij liever geen getuige zijn van

haar geluk, al gunde hij het haar ook van harte. Een zeldzame jongen,

Mylord. Een zeldzame jongen.”

„Ja, wel zeldzaam,” bevestigde Raffles met een hoofdknikje. „Maar ga nu

voort met uw verhaal, waarnaar ik met de grootste belangstelling

luister.”

„Wel, in den aanvang ging het goed, al had het beter gekund. Donald

vond tamelijk spoedig een betrekking, die voor hem geschikt was, al

leverde die niet al te veel op. Met wat zij als onderwijzeres

verdiende, kon zij rond komen. Ik was toen nog modellenmaker en

verdiende een goed loon. Ik was niet onbekwaam in mijn vak, ziet gij.

En toen kwam die vreeselijke oorlog....”

Lark streelde eenigen tijd over de zwarte lokken van zijn kind en ging

met bevende stem voort:

„Dat veranderde alles. Donald werd vrij spoedig opgeroepen, de kleine

Richard was toen twee jaar oud, maar een wonder scheen hem te

beschermen. Hij werd slechts licht gewond bij verschillende aanvallen

en kon dan telkens overkomen, om hier te worden verpleegd in bijzijn

van zijn vrouw en zijn kind, die hem iederen dag mochten bezoeken. Ik

zelf werd tenslotte ook nog opgeroepen, toen men letterlijk iedereen te

hulp riep, om den laatsten stormaanval op de sterke Duitsche linies te

ondernemen. Gij weet nu, wat ik daaruit heb overgehouden. Wat Donald

betreft, hij werd op het allerlaatste oogenblik zwaar gewond. Een paar

dagen maar voor de wapenstilstand onderteekend werd. Gij kunt u de

wanhoop van Nelly voorstellen. Zij hield zoo innig veel van hem. Maar

gelukkig kwamen spoedig berichten, die meldden dat zijn leven in ieder

geval geen gevaar zou loopen, en al zou de genezing heel langzaam in

haar werk gaan, er was echter geen sprake van, dat hij vervoerd zou

mogen worden. Hij werd naar een hospitaal, dicht achter de linie

vervoerd. Chantilly heette de plaats. O, ik zou dien naam niet kunnen

vergeten, al zou ik het willen. Hij is als met een stalen stift in mijn

hersens gegrift.”

Weer wachtte de oude man even.

Zijn oogen hadden een strakke uitdrukking gekregen en de pupillen

hadden zich verwijd.

Nadat hij eenigen tijd in gedachten verzonken had gezeten, steeds met

de eene hand over de zwarte lokken van het waanzinnige meisje

streelend, ging hij voort:

„Omstreeks een half jaar geleden kon Nelly eindelijk gehoor geven aan

haar hartewensch, naar Frankrijk gaan, om daar haar zieken echtgenoot

te bezoeken. Ze hadden een gelukje gehad, ziet gij. Op een loterijlot

was een prijs gevallen, iets van tachtig pond. Toen stond ons besluit

vast. Wij zouden met ons drieën naar Frankrijk gaan. O, geloof maar,

dat Nelly het eerder, reeds veel eerder zou hebben gedaan, indien het

slechts mogelijk ware geweest. Maar wij moesten in dien tijd zeer

zuinig zijn, want ik was onbekwaam om te werken en alles wat ik

beproefd had, liep op niets uit. Ik was en bleef een invalide, die voor

de gemeenschap niets meer waard is. Wij maakten dus alles voor de reis

in gereedheid en scheepten ons in naar Calais....”

„Een oogenblik. Ge hadt zeker uw schoonzoon van te voren gewaarschuwd?”

„Neen, dat deden wij niet. Wij wilden hem verrassen. Het ging hem reeds

veel beter en over twee weken zou hij uit het ziekenhuis worden

ontslagen. Ons plan was dan ook die weken met hem door te brengen en

een kleine reis langs de slagvelden te maken.”

„Toen gij op reis ging, hoe lang was het toen geleden, dat gij het

laatst van Donald gehoord had?”

„Twee weken. Toen schreef hij ons nog een langen brief, waarin al zijn

vurige liefde voor vrouw en kind aan den dag kwam. Ik bewaar dien brief

als een heilig aandenken.”

„Was het een militair hospitaal, waarin uw schoonzoon verpleegd werd?”

„Het was een ziekenhuis van de stad.”

„Ik dank u, zoudt ge nu verder willen gaan?”

„Wij kwamen zonder ongevallen in Calais aan. Mijn dochter sprak

voortreffelijk Fransch en in mijn dienstjaren daar ginds heb ik ook een

mondje Fransch leeren spreken. Wij reisden eerst naar Parijs,

overnachtten daar en gingen den volgenden dag verder en toen wij uit

den trein stapten aan het station van Chantilly, toen gebeurde het

ongeloofelijke.”

Lark hijgde van opwinding, toen hij deze woorden uitsprak. Zijn mond

was krampachtig vertrokken en zijn oogen hadden een uitdrukking van

vrees en tevens van woeste wraakzucht.

„Gij zoudt gelooven, dat zooiets in een beschaafden staat onmogelijk

was, Mylord. Want het gebeurde bijna op klaarlichten dag. Dicht bij het

station stond een auto gereed. Daarin zaten drie mannen, de pet diep in

de oogen gedrongen. Ik weet het nog heel nauwkeurig. Het is in mijn

ziel gegrift. Een van de mannen sprong er uit en draaide den motor op

gang. Natuurlijk zou dat in gewone omstandigheden niets beteekend

hebben, en ik zag het dan ook, zonder het bepaald te zien. De tweede

man, die uit de auto sprong, snelde regelrecht op ons toe en greep den

kleinen Richard. Het geschiedde zoo snel, dat wij nog niet eens

beseften, wat er eigenlijk aan de hand was, toen reeds de auto in

pijlsnelle vaart weg reed. Ik zal u niet beschrijven, hoe mijn dochter

deze plotselinge, onverklaarbare ontvoering opnam. Het was

verschrikkelijk. Zij gilde, zij gedroeg zich als een waanzinnige, zij

rukte zich de haren uit, en dadelijk kwamen van alle kanten menschen op

haar gegil aanloopen. Wij moesten haar naar een apotheek brengen en

haar bijbrengen. Natuurlijk was aanstonds de politie gewaarschuwd en

naar alle richtingen werden telegrammen gezonden. Pas veel later

vernamen wij dat de auto onderweg van gedaante veranderd moest zijn en

dat ook de roovers zich vermomd hadden. Maar de ergste slag zou nog

voor ons te wachten staan. Veel later dan wij gedacht hadden begaven

wij ons naar het ziekenhuis. Gij kunt wel begrijpen in welken toestand.

Maar wij moesten den vader toch op de hoogte gaan brengen, eer alle

hoop vervlogen scheen, om de roovers nog snel in te halen.”

Lark snakte naar adem en had moeite zijn stem te beheerschen, toen hij

uitriep:

„Toen wij aan het ziekenhuis kwamen, vernamen wij daar, dat Donald

reeds een week geleden was vertrokken. Men wist ook niet wanneer en of

hij wel zou terug keeren, want hij had volstrekt niets gezegd.”

Raffles keek den ouden man met groote verbazing aan. Wat hij ook

verwacht mocht hebben, die mededeeling zeker niet.

HOOFDSTUK IV.

NADERE INLICHTINGEN.

Lark had het hoofd op de borst laten zinken en tranen druppelden over

zijn ingevallen wangen.

Zijn stem had allen klank verloren, toen hij stamelde:

„Dat was meer, dan Nelly kon verdragen, die reeds geheel overstuur was

door de ontvoering van den kleinen Richard. De plotselinge mededeeling

beroofde haar van het verstand. Gij kunt u mijn toestand zeker wel

voorstellen, Mylord. Daar ginds in een vreemd land met slechts een

geringe reispenning, die spoedig zou zijn geslonken tot niets als wij

er al te lang bleven. Mijn besluit was dan ook spoedig genomen. Ik

deelde aan de politie van Chantilly dadelijk mede, wat er geschied was,

met gebruikmaking van een tolk, want de hevige ontsteltenis scheen mij

beroofd te hebben van mijn geheele kennis van de Fransche taal. Ik gaf

mijn adres op aan de directie van het hospitaal en daarop ging ik met

mijn ongelukkig kind naar Londen terug. O, die reis zal ik nimmer

vergeten. Denk eens, slechts weinige dagen tevoren waren wij innig

gelukkig over datzelfde kanaal gekomen, in het vooruitzicht, nu spoedig

allen weder vereenigd te kunnen worden en nu keerde ik terug met een

krankzinnige en zonder kleinkind.”

„Ja, dat moet vreeselijk voor u geweest zijn,” zei Raffles op zachten

toon. „En daarna hebt gij niets meer van uw schoonzoon gehoord?”

„Niets. Ik zeide u reeds zooeven dat ik een paar malen geschreven had,

meenende dat hij nu wel terug gekeerd zou zijn van zijn zonderlinge

afwezigheid waarvan ik niets begreep. Ik kreeg geen antwoord. Jack is

mij bij dit alles trouw behulpzaam geweest, want ik kende geen Fransch

en stelde de brieven, die ik naderhand eveneens aan de directie van het

ziekenhuis richtte, op. Wat Nelly betreft—ik wendde mij, teruggekomen,

dadelijk tot een der beste psychiaters, maar hij kon mij slechts zeer

weinig troost geven—van genezing langs den natuurlijken weg kon geen

sprake zijn—er bestond echter een zeer geringe kans, dat mijn kind even

plotseling haar verstand weder zou terug krijgen als zij het verloren

had, wanneer een of andere zeer hevige aandoening haar plotseling

aangreep.”

„Ja, zooiets komt meer voor, wanneer de waanzin veroorzaakt is door

plotselinge schrik of ontzetting,” zeide Raffles met een hoofdknik. „De

gevallen zijn echter zeldzaam, dat moet ik er bij voegen. En wilt gij

mij nu toestemmen, u eenige vragen te stellen?”

„Vraag wat gij wilt, Mylord—ik zal er zoo goed mogelijk op antwoorden.”

„Hebt gij u niet aanstonds in verbinding gesteld van de ouders van

Donald Webster?”

„Hoe kon ik dat, Mylord?” riep de oude man wanhopig. „Ik wist niet eens

waar zij woonden.”

„Dat had Donald u dus nimmer gezegd?”

„Nooit.”

„Wist u dochter het niet?”

„Dat weet ik niet—maar ik geloof het niet. Donald bewaarde steeds een

streng stilzwijgen aangaande zijn vroeger leven en zijn ouders. En

Nelly aanbad hem. Zij dacht er niet over, hem te vragen naar dingen,

die hem blijkbaar zeer pijnlijk waren.”

„Toen de roof van den kleinen Richard te Chantilly plaats had—werd toen

in het geheel niet door de roovers gesproken—ik meen—hebt gij niet

kunnen waarnemen van welke nationaliteit zij waren?”

„Zij spraken Engelsch, Mylord!” riep Lark uit. „Dat weet ik met de

meeste beslistheid. Het waren Engelschen! Twee hunner waren dat zeker.”

„Nu, het is niet veel, maar het is tenminste een aanknoopingspunt.”

Raffles zat eenigen tijd in diepe gedachten verzonken en hernam toen:

„Uw schoonzoon heeft dus in het leger gediend—welken rang had hij

bereikt?”

„Hij was kapitein, toen hij gewond werd, Mylord.”

„Bij welk regiment stond hij?”

„Bij het 127-ste, van de Argyll en Sutherland Highlanders.”

„En was hij daar kapitein bij?” vroeg Raffles met eenige verbazing.

„Indien ik mij niet vergis, dienen bij het regiment van dien naam zoo

goed als uitsluitend officieren van adel.”

„Dat meende ik ook Mylord—maar ik verzeker u, dat Donald volstrekt niet

van adel was. O! dat wijst immers zijn naam reeds uit.”

„Ja—natuurlijk,” hernam Raffles nadenkend. „Zeg eens hebt gij hier

misschien de oproeping bij de hand—ik meen van Webster, om zich bij

zijn regiment te voegen?”

„Zulk een oproeping is hier bij mijn weten nooit ontvangen, Mylord!

Donald is het voor geweest en heeft zich dadelijk ter beschikking

gesteld van de legerautoriteiten.”

„Goed en wel—maar dan moet er toch later een bericht zijn afgezonden.

Dat geschiedt steeds. Men plaatst u maar niet aanstonds ergens, nadat

gij u zijt komen aanmelden!”

„Ik wil u gaarne gelooven, Mylord—maar ik heb zulk een oproeping nooit

gezien—Nelly zeker ook niet.”

„Nu dan heeft Webster ze zeker in de bus gevonden, of op andere wijze

in handen gekregen, zonder dat gij het gemerkt hebt,” hernam Raffles

peinzend. „Webster was zeker nog heel jong, toen hij met uw dochter

trouwde?”

„Twee-en-twintig jaar, Mylord!”

Lord Lister No. 0373: De krankzinnige · 第 1 / 4 段