Ook de wanden waren tot manshoogte met eikenhout beschoten, dat door

den tijd bijna zwart was geworden.

In een der wanden bevond zich een reusachtige schoorsteen, waar ondanks

de warmte daarbuiten een groot haardvuur brandde.

Dicht bij een der drie groote ramen stond een man, wiens haar zoo wit

was als sneeuw.

Hij moest vroeger een rijzig man zijn geweest, maar de jaren, of de

smart hadden hem voor zijn tijd gebogen.

Zijn gelaat had een strenge, maar tevens zwaarmoedige uitdrukking.

Het was zeer bleek en met diepe rimpels doorploegd.

Die man was graaf Armstrong Sealyham.

Hij kwam zijn bezoekers een paar passen tegemoet en daarbij kon Raffles

waarnemen, dat hij moeilijk liep en zich daarbij van een stok moest

bedienen. Blijkbaar was hij in den oorlog gewond.

Met een heesche stem zeide de graaf:

„Neem plaats, heeren en zeg mij, aan welke reden ik wel de eer van uw

bezoek moet toeschrijven. Ik wil er geen geheim van maken, dat dit huis

niet gewend is, gasten, of zelfs gewone bezoekers te zien. Het is geen

opgewekt huis, ziet gij?”

De oude graaf had deze woorden op bitteren toon gezegd, terwijl hij een

zenuwachtige beweging met de linkerhand maakte.

Raffles en Charly hadden plaats genomen.

En nu begon de Groote Onbekende op ernstigen en zachten toon:

„Ik hoop, graaf, dat gij ons niet zult beschouwen als onbescheiden

indringers, mijn secretaris, mijnheer Brand en mij. Wat ons hierheen

brengt, dat is oprechte belangstelling in.... in een uwer naaste

bloedverwanten.”

„Een mijner naaste bloedverwanten,” herhaalde graaf Sealyham langzaam

en op doffen toon. „Gij moet u vergissen. Ik heb in het geheel geen

bloedverwanten, Mylord.”

„Zoo? Dan zou ik mij dus hebben vergist? Ik meende zeker te weten, dat

gij een volwassen zoon hadt.”

Deze weinigen woorden schenen den ouden man hevig te treffen.

Hij wankelde, drukte de hand op het hart en liet een kreunenden zucht

hooren.

Maar daarop herstelde hij zich aanstonds weder en keek Raffles met

doordringenden blik aan, zoo mogelijk nog bleeker dan tevoren.

„Ik weet niet, wat gij bedoelt, Mylord, ik heb geen zoon,” zeide hij.

„Kom graaf, zou uw geheugen u parten spelen,” hernam Raffles

hoofdschuddend. „Gij hebt een zoon, die Donald heet, die als kapitein

bij een regiment Argyll en Sutherland Highlanders aan den oorlog heeft

deel genomen, die juist even voor het sluiten van den wapenstilstand

gewond werd en sindsdien verpleegd werd in het militaire ziekenhuis te

Chantilly in Frankrijk, vanwaar hij een paar maanden geleden met

onbekende bestemming weder vertrokken is.”

Met gebogen hoofd en een diep smartelijke uitdrukking op het witte

gelaat had de oude graaf toegeluisterd, maar bij de laatste woorden

hief hij eensklaps het hoofd op en keek Raffles met een starenden blik

aan.

Hij deed een paar stappen op den bezoeker toe, en zeide toen met

bevende stem:

„Ik zeg u dat ik geen zoon meer heb, Mylord. Hij is dood.”

„Misschien is hij dood voor u, graaf, en dat is bitter te betreuren,”

zeide Raffles op ernstigen toon, „maar ik verzeker u, dat Donald zich

nog slechts weinige maanden bevond in het ziekenhuis te Chantilly.”

„In het ziekenhuis te Chantilly?” herhaalde de graaf als het ware

automatisch terwijl een verschrikte schuwe uitdrukking in zijn oogen

kwam. „Maar dat is onmogelijk,” barstte hij uit. „Hij is dood, zeg ik

u, gesneuveld bij Permes, bij de laatste bestorming. Geen zes maanden

geleden is het geschied.”

„Waarom denkt gij dat?” vroeg Raffles, den ouden man strak aanziende,

daar hij vreesde, dat de onzekerheid omtrent het lot van den verstooten

zoon hem misschien van zijn verstand had beroofd.

„Waarom ik het denk?” schreeuwde de oude graaf nu, bevende over al zijn

leden. „Waarom ik het denk? Wilt gij mij gek maken? Ik heb er toch de

bewijzen van.”

„Welke bewijzen?”

„De officieele aankondiging van zijn dood, onderteekend door zijn

regimentschef Sir Easton.”

„Als dat zoo is, graaf, als dat inderdaad zoo is, dan heeft hier een

laaghartig bedrog plaats gehad,” riep Raffles op luiden toon. „Dan

heeft men u met een doel, dat ik begin te doorzien, op de ellendigste

wijze om den tuin geleid. Want dan zeg ik u, dat dat bewijs niets waard

is, dat de aankondiging vervalscht is.”

Raffles had nog niet geheel uitgesproken, of de graaf stiet een doffen

kreet uit, waarin alles weerklonk, wat zijn vaderhart in de laatste

maanden had gemarteld, berouw, vrees, toorn, smart.... en zou

neergestort zijn, wanneer Charly niet haastig was opgevlogen en hem in

zijn armen had opgevangen.

Dadelijk droegen de beide mannen den ongelukkigen man naar een breede

lage sofa, terwijl Raffles aan het schelkoord trok, dat naast de deur

hing.

Even later trad de bejaarde buttler binnen, die een uitroep van schrik

liet hooren en op zijn meester wilde toeijlen.

Maar Raffles weerhield hem met een gebaar en beval:

„Breng water, alsmede vlugzout, snel. Uw meester is flauw gevallen.”

De man snelde heen en keerde spoedig terug met het gevraagde.

Raffles en Charly hadden intusschen de kleederen van den bewustelooze

los gemaakt om hem zooveel mogelijk lucht te verschaffen.

Zij maakten nu zijn pols nat en wreven zijn slapen met azijn en water,

terwijl Charly hem een kleine flacon met vlugzout onder den neus hield.

Na enkele minuten kwam graaf Armstrong weder bij.

Hij sloeg langzaam de oogen op en scheen Raffles tot diens blijdschap

dadelijk te herkennen.

Hij richtte zich overeind, door de beide bezoekers gesteund, en

mompelde op zwakken toon:

„Ik geloof, dat ik zooeven mijn bewustzijn heb verloren, Mylord. Neem

het mij niet kwalijk. Het voegt een oud soldaat niet, maar het was

sterker dan ik. Wat gij daar zeidet greep mij vreeselijk aan.”

Hij had den buttler in het oog gekregen, die nog altijd ongerust aan

het voeteneinde van de sofa stond en vervolgde met sidderende stem:

„Denk eens aan, Mice—Mylord Aberdeen zeide mij daareven, dat mijnheer

Donald niet gevallen is.”

„Niet gevallen?” stamelde de buttler, bevend van ontroering. „Zou dat

mogelijk zijn, graaf?”

„Het is niet alleen mogelijk, vriend, het is zoo,” zeide Raffles.

„Dat—dat is bijna te mooi om waar te kunnen zijn, graaf,” kwam het

bevend over de lippen van den getrouwen dienaar. „Mag ik het dadelijk

over vertellen graaf en mevrouw de gravin, moet het haar niet aanstonds

worden mede gedeeld?”

„Dat in geen geval,” riep Raffles haastig uit. „En spreek er vooral met

niemand over. Het is van het grootste belang, dat er voorloopig niets

bekend wordt, dat mijnheer Donald niet door den vijand gevallen is.

Later zal u wel blijken, waarom. En laat mij nu nog even met den graaf

alleen. Ik heb zeer gewichtige en naar ik hoop goede dingen met hem te

bespreken.”

De oude buttler verwijderde zich haastig, misschien wel om de tranen te

verbergen, die hem naar de oogen waren gedrongen, nadat hij nog een

schuwen, haast smeekenden blik op zijn meester had geworpen, die niet

aan het scherpe oog van John Raffles was ontgaan.

Zoodra de deur achter den getrouwen bediende was dichtgevallen, richtte

de oude graaf zich geheel op en vroeg op hartstochtelijken toon:

„Wat weet gij nu, Mylord. Wat vermoedt gij. Waarom denkt gij, dat men

mij bedrogen heeft en wat zou daar de reden van kunnen zijn.”

„Ik zal het u zeggen, graaf. Maar laat mij beginnen met u mede te

deelen, dat ik hier optreed, niet namens mijzelf, maar voor iemand, die

u zeer na aan het hart moet liggen, uw kleinzoon.”

„Mijn....” begon de graaf, maar hij beëindigde den zin niet, maar

verborg het gelaat in de handen en liet een kermenden zucht hooren.

„Ja, graaf, uw zoon is gehuwd en heeft een kind, maar denkt niet dat

gij nu reeds aan de grens staat uwer smarten. Neen, er wacht u nog meer

droefheid, maar laat ik u alles in volgorde verhalen, het zal dan aan u

staan of u mij vertrouwen wilt en mij zeggen hoe het mogelijk was, dat

gij niet eens geweten hebt, waar uw zoon zich ophield.”

En nu deelde Raffles den graaf mede, op welke wijze hij in kennis was

gekomen met Edwin Lark en diens rampzalige dochter.

Hij verheelde niet, niets van de armoede, welke hij in de kleine woning

in de Crescent-street had aangetroffen, niets van den toestand waarin

de vrouw van Donald zich bevond.

Graaf Armstrong had met strakke oogen en onbewegelijk gelaat

toegeluisterd.

Toen Raffles alles had medegedeeld bleef de ongelukkige man geruimen

tijd als een steenen beeld zitten, ten prooi aan diepe smart.

Gekrenkte trots, ouderliefde, wrok en mededoogen voerden fellen strijd

op zijn gelaat.

Eindelijk hief hij het hoofd op en begon:

„Het is edel van u, dat gij u in dienst van dien armen man hebt willen

stellen, Mylord, en nu zult gij ook alles hooren. Wie weet kunt gij mij

enkele raadselachtige zaken ophelderen, die mij volkomen duister zijn.”

Hij wreef zich met de vermagerde hand over de oogen en vervolgde:

„Gij zult natuurlijk reeds geraden hebben, dat een hevige twist mij van

mijn eenigen zoon heeft vervreemd. Wij beiden hebben een trotsch,

onafhankelijk karakter en buigen doen wij niet spoedig, ook niet voor

elkander. Het is spoedig verteld. Een zestal jaren geleden ontmoette

mijn zoon een onderwijzeresje van een kostschool, louter door toeval.

Laat ik dadelijk zeggen, dat dit de vrouw moest zijn, die thans zoo

vreeselijk getroffen is in haar verstand. Hij deelde mij mede, dat hij

haar wilde huwen. Gij zijt zelf van adel, Mylord, gij kunt misschien

beseffen, met welke kracht ik mij tegen die verbintenis verzette. Daar

kwam bij, dat ik juist een andere keuze voor mijn zoon had gedaan, maar

hij wilde niet toegeven. Er vielen harde woorden over, van die woorden,

die een kloof ondempbaar schijnen te maken....”

Weer wachtte de oude graaf even om met een pijnlijken zucht te

vervolgen:

„Ik ontstak in hevige drift en joeg hem weg. Ik onthield hem zelfs zijn

toelage, zoodat hij dadelijk de militaire academie moest verlaten, toen

hij juist den rang van luitenant had behaald. Hij ging, zelf bleek van

woede en drift en wij hebben elkander sedert dien vreeselijken dag

nimmer terug gezien. Ik wist zelfs niet dat hij gehuwd was, ofschoon ik

het wel kon vermoeden. Om haar immers had hij zijn vader en moeder

verlaten.”

„Zij zijn gelukkig geweest, graaf,” zeide Raffles op zachten toon.

„Dat—dat is— — —” stamelde de oude man, „het verheugt mij, dat het zoo

gegaan is. Maar laat ik verder gaan. De oorlog brak uit. Natuurlijk nam

ik dadelijk dienst. Ik ontving hier ook den oproep aan mijn zoon, maar

kon het stuk niet opzenden, daar ik immers niet wist waar hij

vertoefde.”

„Daarom dus is die oproep nooit te Londen ontvangen,” mompelde Raffles

zacht voor zich heen.

„Ik vernam echter reeds weinige dagen later dat mijn zoon zich dadelijk

bij zijn regiment had aangemeld, en toen Mylord, toen greep er

langzamerhand een groote verandering in mijn binnenste plaats. Het

besef dat mijn eenig kind zou kunnen sneuvelen, voor ik hem had terug

gezien, de smart van mijn arme vrouw, die met den dag vermagerde, het

inzicht dat ik toch misschien niet geheel en al in mijn recht was

geweest, toen ik mijn zoon verbood te doen, wat hij als zijn

levensgeluk beschouwde, dat alles deed mij het hoofd buigen. Ik stond

mijn vrouw toe, dat zij Donald schreef....”

„Gij hadt hem dus tenslotte meenen te vinden?”

„Na verloop van tijd wist ik tenminste waar zijn regiment was, een

streek in Vlaanderen, na den ongelukkigen veldtocht op Gallipoli te

hebben gemaakt.”

„Wanneer schreef de gravin voor de eerste maal op uw verzoek?”

„Ongeveer twee jaar na het uitbreken van den oorlog.”

„Wist gij dan toen zeker dat uw zoon nog in leven was?”

„Ja, wij lazen in de bladen, dat hij eervol vermeld was.”

„Dat geschiedde natuurlijk onder zijn waren naam?”

„Ja, het stond in de Times en andere groote bladen. Op dien brief

hebben wij echter nimmer antwoord ontvangen.”

De oude graaf zuchtte diep en wischte de oogen af.

Daarop vervolgde hij.

„Mijn vrouw schreef nog tweemaal. Daarop schreef ik zelf. Ik wachtte

bijna een maand en schreef nogmaals en steeds geen antwoord. Zijn trots

scheen hem nog altijd te beheerschen en toch zweer ik u, dat ik hem

gaarne aan het hart had gedrukt, in dien tijd. Maar toen geschiedde er

iets nog veel ergers. Ik zelf werd zwaar gewond en moest den dienst

verlaten. Mijn vrouw deelde het Donald onmiddelijk mede en meende

stellig, dat hij nu wel komen moest. Het kon immers slecht met zijn

vader zijn afgeloopen. Maar hij kwam niet. Mijn vrouw schreef hem een

smeekenden brief. Hij bleef weg.”

„Hoe—wist gij zeker, dat hij toen nog in leven moest zijn?”

„Mijn neef, die bij de administratie was, kwam ons vaak bezoeken en

deelde het mij mede. Hij was bij dezelfde brigade, jaren achtereen.”

„Uw neef behoorde dus tot dat regiment.”

„Ja.”

„Wat was zijn functie, meer in het bijzonder?”

„Hij was bij den veldpost-dienst.”

„Hoe heet uw neef?”

„Edward Little.”

„Waar is hij nu. Ik zou hem zelf gaarne eenige vragen stellen.”

„Dat kan ik u niet zeggen. Wij hebben hem nu in geruimen tijd niet

gezien. Wellicht blijft hij uit een gevoel van tact weg in den eersten

tijd.”

„Een gevoel van tact,” herhaalde Raffles. „Hoe zoo?”

„Wel, hij is mijn eenige erfgenaam. Hij moet mijn fortuin en titel

erven.”

„Ei zoo.

„Dat wil natuurlijk zeggen, wanneer Donald inderdaad niet meer tot de

levenden zou behooren.”

„O Mylord, ik wenschte zoo vurig, dat gij in het gelijk zoudt worden

gesteld. Maar hoe kan ik nog twijfelen met het doodsbericht in de lade

van mijn schrijfbureau.”

„Zou ik die aankondiging eens mogen zien?” vroeg Raffles. „Geloof mij,

het is geen nieuwsgierigheid. Ik wil mij slechts overtuigen of het stuk

wel echt is.”

Graaf Armstrong stond op en strompelde naar zijn groote schrijftafel,

dat tusschen twee der ramen stond.

Hij haalde een sleutelbos te voorschijn, opende een lade, zocht daar

even in en trok toen een papier naar zich toe, dat hij ontvouwde en

Raffles toestak.

Deze onderzocht het papier nauwkeurig en zeide na eenigen tijd:

„Het formulier is zonder eenigen twijfel echt. De mededeeling draagt

het gebruikelijke hoofd en het is ontwijfelbaar officieel briefpapier

van het regiment, waarbij uw zoon stond. Nu blijft slechts de vraag te

beantwoorden, wie dit stuk heeft geschreven, of onderteekend.”

„Het is de onderteekening van den regimentschef Sir Easton, Mylord.”

„Het is te betreuren, dat hij niet zelf meer in staat is om te zeggen,

of hij zelf inderdaad dit stuk heeft geteekend, in ieder geval staat

het als een paal boven water, dat uw zoon leefde, toen dit stuk

verzonden werd, graaf.”

„Maar wie kan dat gedaan hebben?” riep graaf Armstrong op wanhopigen

toon. „Welke laaghartige schurk kan ons zoo ellendig bedrogen hebben en

met welk doel.”

„Wel graaf, dat moet natuurlijk iemand geweest zijn, die er groot

belang bij had, dat gij uw zoon inderdaad dood waande. Uw neef, om maar

eens iemand te noemen.”

Het was goed, dat een stoel in de nabijheid van den ouden man stond,

want hij had niet de kracht zich overeind te houden bij het hooren van

deze woorden.

„Mijn neef,” fluisterde hij op heeschen toon, de handen tot vuisten

gebald. „Dat zou ongelooflijk zijn. Hij was altijd goed en voorkomend

voor ons. Hij wist ons steeds te troosten als wij ons over het

stilzwijgen van onzen zoon beklaagden. Hij wist zelf niet wat hij er

van moest denken.”

„Was uw neef rijk?” vroeg Raffles, zonder acht te slaan op den uitroep

van den ouden man.

„Hij was in ieder geval welgesteld, maar ik wil wel erkennen dat hij

zeer veel geld noodig had.”

„Hij was zeker reeds een tamelijk bejaard man?”

„Waarom denkt gij dat. Hij is nog geen dertig.”

„O, ik dacht het, omdat hij in het leger een post bekleedde, die hem

ver van ieder gevaar hield,” zeide Raffles losjes.

„Ach, Edward Little behoorde niet tot de sterksten,” zeide graaf

Armstrong vergoelijkend. „Hij meende, dat hij zijn land ook op die

wijze van nut kon zijn.”

„Ja, ja, ieder zijn meug. Dus die jonge man wordt nu van welgesteld

zeer rijk, nietwaar, natuurlijk tenzij blijkt, dat uw zoon nog leeft en

terug gevonden wordt. Er is echter iets, dat mij bij deze gansche zaak

niet geheel en al duidelijk is. Als uw zoon aan zijn vrouw en

schoonvader alleen bekend was onder den naam Webster, hoe konden zij

dan weten, dat hij ziek lag in een hospitaal te Chantilly, waar hij

immers opgenomen moest zijn onder den naam van zijn vader?”

„De eenige oplossing is, dat hij zijn regimentschef in het geheim heeft

genomen en hem verzocht heeft zijn aangenomen naam ook onder dienst te

mogen blijven dragen, natuurlijk behalve in officieele stukken.”

Raffles bleef even in gedachten zitten en vervolgde toen:

„Kende uw neef en uw zoon elkander goed?”

„Zij kenden elkander, maar zij hebben nooit al te goed met elkander

overweg gekund,” antwoordde de oude graaf. „Hun karakters liepen nog al

uiteen.”

„Het is dus mogelijk, dat zij onder dienst in aanraking met elkander

zijn geweest?”

„Dat is zelfs zeker. Edward schreef ons vaak, dat hij mijn zoon had

gezien of gesproken.”

„En hij zorgde voor de brieven, nietwaar?”

„Ja, dat was zijn taak.”

„Hij zou dus bijvoorbeeld brieven kunnen beletten hun bestemming te

bereiken, eenvoudig door vernietiging.”

Graaf Armstrong gaf geen antwoord en staarde Raffles geruimen tijd met

een uitdrukking van hevige afschuw in zijn oogen aan. Toen barste hij

uit:

„Ik durf—ik kan niet gelooven, wat gij mij daar te verstaan wilt geven,

Mylord. Het is te afschuwelijk om er aan te denken.”

„O, het menschelijk gemoed heeft zeer diepe en duistere afgronden,

graaf,” zeide Raffles schouderophalend. „De boosheid van het

menschelijk hart is menigmaal niet te peilen. Het moet voor uw neef

inderdaad vrij gemakkelijk zijn geweest, bij het uitzoeken der brieven,

de uwe, zoowel als de zijne te verduisteren. Hij had natuurlijk ook

briefpapier, met het hoofd van het regiment er op gedrukt, onder zijn

berusting.”

Aan zooveel laagheid scheen hij nimmer te hebben gedacht.

„Luister graaf,” hernam Raffles met vaste stem. „Het staat voor mij

vast, dat wij hier te doen hebben met een sluw bedacht complot. Het was

natuurlijk niet voldoende, dat uw zoon van het tooneel verdween—ook

zijn zoon moest verdwijnen en geve God dat het niet voor goed is

geweest.”

Graaf Armstrong werd lijkbleek en wilde iets zeggen, toen de deur weder

geopend werd en de buttler met zijn vlakke stem aandiende:

„Mijnheer Edward Little vraagt, of u hem ontvangen kunt.”

Charly stond reeds op, teneinde zich bescheiden terug te trekken, maar

Raffles wendde zich fluisterend tot den ouden graaf en zeide, zoodat de

buttler het niet kon hooren:

„Ik verzoek u dringend, uw neef hier te ontvangen—in onze

tegenwoordigheid. Praat echter vooral niet over hetgeen wij zooeven

hebben behandeld. Hij mag niet het geringste vermoeden. Laat het

voorkomen, alsof wij hier juist in de buurt zijn gekomen en u een

beleefdheidsbezoek komen brengen.”

De graaf knikte en zeide tot den buttler, die op den drempel van de

deur was blijven wachten:

„Verzoek mijn neef hier te komen.”

De buttler ging heen en liet een oogenblik later Edward Little binnen

treden.

Hij was een man van dertig jaar ongeveer, maar die er ouder uitzag, met

slappe trekken, dun gezaaid haar, en een weinig gebogen rug.

Hij bleef een oogenblik in de deuropening stil staan toen hij de hem

onbekende bezoekers ontwaarde en fronste even de wenkbrauwen.

Toen trad hij met uitgestrekte hand op den graaf toe en zeide

opgeruimd:

„Goeden dag, oom. Lang geleden sinds ik u gezien heb. Ik maak gebruik

van de gelegenheid dat ik hier in de buurt ben, om u even de hand te

komen drukken.”

„Daar doe je goed aan, Edward,” zeide de graaf, zonder zijn neef aan te

zien. „Laat ik je even voorstellen aan Lord William Aberdeen en zijn

secretaris, mijnheer Charles Brand, die hier een huis hebben gehuurd en

mij de eer bewijzen van hun eerste bezoek.”

De heeren bogen zwijgend voor elkander en Raffles keek in een paar

eigenaardig schitterende groenzwarte oogen, die in het geheel niet bij

het bleeke fletse gelaat schenen te passen.

Hij wilde een nietszeggende beleefdheidsfrase uiten, toen een zwak

gekreun hem haastig het hoofd deed omwenden.

De oude graaf had zijn hand op het hart gedrukt en scheen een

bezwijming nabij.

Raffles schoot toe, om hem te ondersteunen, maar de graaf weerde hem

glimlachend af en zeide op zachten toon:

„Het gaat al weer over—laat maar—ik ken die aanvallen—de dokter weet

niet wat het is—ik denk dat het de naderende ouderdom zal zijn.”

Raffles keek den graaf onderzoekend aan, schudde even het hoofd en

daarop zetten de heeren zich, om een gesprek over de jacht te beginnen.

Little scheen echter veel haast te hebben, want hij stond na een

kwartier reeds weder op, en zeide, terwijl hij een klein pakje uit den

zak haalde en het zijn oom overhandigde:

„Hier is uw tabak, oom. Ik heb ze ditmaal zelf maar meegebracht,

inplaats van ze u te sturen, zooals gewoonlijk. Ik moet nu afscheid van

u nemen, want ik heb een afspraak met eenige vrienden. Over eenige

dagen hoop ik een paar dagen te komen logeeren.”

Hij drukte zijn oom de hand, boog stijf voor Raffles en Charly en

verliet het vertrek.

Onmiddellijk trad Raffles op den graaf toe en fluisterde:

„Geef mij die tabak mede. En beloof mij, dat gij nimmer meer iets zult

aanraken, wat door de handen van dien man is gegaan.”

„Groote God, wat wilt gij zeggen, Mylord?” vroeg graaf Armstrong,

bleeker dan een lijk.

„Voorloopig vermoed ik nog slechts, graaf. En nu verlaten wij u. Kom

snel mede, mijnheer Brand. Wij moeten weten, waar die Edward Little

blijft.”

HOOFDSTUK VII.

HET WONDER DER LIEFDE.

Dadelijk verlieten de beide vrienden het kasteel en zij kwamen juist

bijtijds buiten, om te zien, hoe Edward Little in een kleinen

jachtwagen wegreed, die met twee fraaie paarden bespannen was.

„Rijdt dat wagentje na, Henderson,” beval Raffles zich tot den reus

wendend, „maar zorg zooveel doenlijk, dat die man ons niet ziet.”

De twee vrienden stapten in en de auto zette zich in beweging.

Het jachtwagentje was het groote hek reeds uitgereden, dat door den

bediende met het witte haar voor hem werd open gehouden.

De man wilde het juist weer sluiten, toen hij de groote auto zag

aankomen.

Henderson stuurde den wagen behendig door het hek en reed den straatweg

op, het jachtwagentje achterna, waar, behalve Edward Little, nog een

groom zat, die echter gelukkig naast zijn meester en niet op het

achterbankje gezeten was, daar hij in dat geval de auto voortdurend zou

hebben gezien.

Binnen tien minuten wist Raffles, dat Little naar Hastings reed.

Een uur later hield het jachtwagentje voor het station stil, waarop

Little van den bok sprong, na den groom te teugels te hebben

overgegeven.

Zonder om te zien trad hij het stationsgebouw binnen, terwijl de groom

dadelijk met het wagentje weg reed.

„Ga hem na, Charly, en tracht er achter te komen, naar welke stad hij

reist,” zeide Raffles op zachten toon. „Vertoon je echter zoo min

mogelijk, want wij mogen tot geen prijs zijn achterdocht gaande maken.”

Charly wipte uit de auto en verdween op zijn beurt in het groote

gebouw.

Hij bleef nog geen volle vijf minuten weg.

Toen hij weder naar de auto terug keerde vertoonde zijn jong knap

gezicht een tevreden uitdrukking.

„Ik weet het en hij heeft mij niet gezien,” zeide hij. „Hij gaat naar

Dover.”

„Regelrecht naar Frankrijk dus?” riep Raffles uit. „Nu, hij geeft ons

in ieder geval een goede kans.”

Hij boog zich voorover en zeide op gedempten toon tot Henderson:

„James—over een kwartier gaat er een trein naar Dover—ik wilde gaarne

dat wij er nog voor den trein waren.”

„Dan zullen wij er voor den trein zijn, Mylord,” antwoordde de reus

eenvoudig.

„Je wilt dus naar Frankrijk gaan?” vroeg Charly, toen de auto zich in

beweging gezet had met een snelheid, die veel beloofde voor den rit

langs den verlaten straatweg.

„Ja, ik wil zien, wat die man daar gaat uitvoeren, terwijl hij zijn oom

zeide, dat hij hier in de buurt zou blijven.”

„Maar onze passen?”

„Maak je niet ongerust—ik heb nog steeds een drietal passen, die een

volle maand geldig blijven.”

„Maar hij zal ons daar ginds herkennen en ook onze auto aan boord van

het Kanaalschip.”

„De auto gaat niet mee. Wij zullen daarginds wel een zeer snellen wagen

huren. Wat ons uiterlijk betreft—dat kunnen wij in Frankrijk veranderen

en wij zullen ons zoo weinig mogelijk aan dek vertoonen gedurende den

overtocht.”

Lord Lister No. 0373: De krankzinnige · 第 3 / 4 段