In den geest dezer uitspraken van een groot volk en een groot man gaat

het maar door, alle tijden en alle literaturen door. Als de mannen

over het huwelijk gaan spreken of schrijven dan hoort men niet anders

dan wanhoopskreten.

Ik heb in mijn leven met drie groote plagen te kampen gehad, zegt

Socrates: de spraakkunst, de armoede en een vrouw. De eerste ben ik te

boven gekomen door studie en de tweede door gewoonte, maar het huwelijk

heeft me tot dezen dag toe belet mij te bevrijden van de derde.

Het huwelijk, klaagt Philemon, is een gevangenis, waaraan niets moois

is dan de poort door welke men naar binnen gaat.

Uit zulke klaagliederen, indien ze meer zijn dan dichterlijke

ontboezemingen, blijkt vooral dit duidelijk: dat de vrouw de kunst

verstaat haar rechten te handhaven. Een aanzienlijk percentage van al

dat huwelijkswee bestaat uit teleurstelling en gekwetste majesteit

van den man, die wel in theorie de vrouw tot een ondergeschikt

minderwaardig wezen kan degradeeren, maar in de practijk maar al te

vaak haar mindere blijkt.

Trouwlustige jongelui deden Socrates denken aan visschen die dartelen

vóór het net van den visscherman. Men dringt en verdringt elkaar

om er bij te komen, en de ongelukkigen die er in raken spannen zich

vruchteloos in om er weer uit te komen.

Eigenaardig is bij dit alles, dat vrouwen zich lang niet zoo ongunstig

over het huwelijk uitlaten, noch over de mannen, als de mannen dat

doen over het huwelijk, of over de vrouwen, of over beide.

O vrouwen,--exclameert Philemon in een vertwijfeling, die geen hoogen

dunk geeft van zijn tact in den omgang met vrouwen noch van zijn

geluk bij de zwakke en schoone sexe,--het is beter u naar het graf

te leiden dan naar het altaar. Zulk een koddig vertoon van sexueele

wanhoop roept onwillekeurig de vos in herinnering, die de onbereikbare

druiven te zuur vond.

Pythagoras antwoordde degenen, die hem vroegen hoe hij zijn dochter

ten huwelijk had kunnen geven aan een van zijn grootste vijanden:

Ik was er van overtuigd, dat ik hem met geen mogelijkheid beter kon

treffen en hem meer verdriet kon aandoen en narigheden berokkenen, dan

door hem te laten trouwen. Want iets ergers is er niet op de wereld.

Van het huwelijk weet men alleen kwaad te zeggen. Een der tallooze

beschuldigingen, die men het ten laste legt is deze, dat het huwelijk

kort en goed liefde buitensluit. Op de vraag: Kan tusschen getrouwde

menschen ware liefde bestaan? luidde in 1174 het antwoord van een

minnehof, bij monde van de comtesse de Champagne gegeven, als volgt:

Wij verklaren en verzekeren, dat de ware liefde tusschen twee

personen, die door het huwelijk verbonden zijn, niet tot haar recht

kan komen. Want zij die minnen behooren elkander toe uit vrijen wil

en om niet, uit eigen innerlijken aandrang, maar in het huwelijk is

dat alles een verplichting, daar moet men, daar heeft men zich bij

contract verbonden elkander niets te weigeren.

In zijn "Lof der Zotheid" verkondigt Erasmus de meening, dat in het

huwelijk en bij alle verhoudingen tusschen man en vrouw de zotheid

voorzit. "De zotheid zit voor bij het huwelijk. Het huwelijk, naar

ge wellicht maar al te goed weet, is een verbintenis die alleen

ontbonden kan worden door den dood. Groote Goden!.... wat zouden er

weinig huwelijken worden gesloten, als de minnaar zoo verstandig was

van te voren eens na te gaan wat zijn schatje, dat zoo lief schijnt,

zoo zacht, zoo onschuldig, eigenlijk voor een schepseltje is". Maar,

zoo ongeveer gaat Erasmus voort, men is te verblind en te zot om dat

te doen en alleen door die zotheid komen er huwelijken en blijven

de eenmaal gesloten huwelijken voor beiden een verbintenis voor het

leven. "De Zotheid gaf Jupiter den volgenden raad: "Heer, geef den man

een vrouw. De vrouw is een onhandelbaar en zot soort dier, ik geef het

volmondig toe; maar ze lijkt zacht en lief en beminnelijk". Jupiter

deed aldus. Het is dus de Zotheid die mannen en vrouwen tot elkander

heeft gebracht".

Mahieu, een Fransch dichter uit de 13e eeuw, meer bekend onder den

naam Mathéolus le Bigame, heeft in een bijtend-sarcastisch gedicht van

circa vijfhonderd regels met het huwelijk afgerekend. Gezegde dichter

was tweemalen getrouwd geweest en hij betitelt zichzelf bij wijze

van zelfkastijding voor zijn domheid met velerlei scheldnamen. Zijn

eerste vrouw vergelijkt hij bij de Scylla, men begrijpt dus dat de

tweede zijn Charybdus was. Het huwelijk zelf komt er natuurlijk niet

genadiger af. Onder meer noemt hij het een vagevuur voor het zondige

vleesch, een martelaarschap enz. Ten slotte verschijnt hem God de

Heer en openbaart hem de goddelijke bedoelingen met het huwelijk:

Om de zondaars (blijkbaar alleen de mannelijke!) te verbeteren was

een enkel vagevuur niet voldoende, er moesten er meer zijn en het

huwelijk is daar een van. En wie tweemaal gehuwd was, dien wacht in

het paradijs dubbele heerlijkheid, als een die veel heeft geleden.

De anonieme wijsheid der naamlooze menigte, neergelegd in spreuken

en spreekwoorden, ziet het huwelijk en de vrouwen al precies zoo als

de groote denkers ze zeggen te zien. De vrouwen hooren graag goeds

vertellen van de vrouwen in 't algemeen en kwaads van een vrouw in

het bijzonder, vooral als die tot hare kennissen behoort.... Zegt men

een vrouw dat ze een slecht karakter heeft, ze zal het spoedig kunnen

vergeven en vergeten, maar zegt men haar, dat ze groote voeten heeft,

ze vergeeft het nimmer.... Een vrouw geeft wel toe dat ze mooi is

geweest, maar niet dat ze leelijk is.... Er groeit veel onkruid in

vrouwenschoenen.... Alle meisjes zijn lief en goed--maar waar komen

dan toch al die kwade wijven vandaan?.... Een vrouw kan niet dulden dat

een ander kwaad spreekt van haar man, dat kan ze zelf wel af.... Even

pessimistisch is dit soort volkswijsheid in haar uitspraken omtrent het

huwelijk en dat men daarbij ook zin heeft voor geestigheid blijkt uit

volgende proeven: Dat het huwelijksleven veel aangename zijden heeft,

wie zal het ontkennen? hoogstens een getrouwd man.... Hoe verbaasd zijn

vele mannen en vele vrouwen over de domheid van hun wederhelft, die

ze zichzelven hebben uitgezocht.... Als een man en een vrouw trouwen

gaan eindigt hun roman en begint hun geschiedenis.... Het eenige

verschil dat er vaak bestaat tusschen onwettig en wettig samenleven is,

dat in het eerste geval de man de vrouw heeft genomen zonder zich te

bekommeren om de bruidsgift en in het tweede geval de man de bruidschat

in ontvangst heeft genomen zonder zich te bekommeren om de vrouw....

Volgens de Beaumarchais is het huwelijk van alle kluchten de

ernstigste; het kan echter ook zijn dat hij het zoo gezegd heeft:

het huwelijk is van alle ernstige dingen het zotste. Mademoiselle

de Sommerey is een der weinige schrijfsters die het opneemt voor de

andere sexe. Zij beweert ergens: Vele mannen bedriegen hun vrouwen,

maar bijna alle vrouwen bedriegen haar mannen en het ergst doen het

de zoogenaamd onnoozelen. En elders verklaart zij: heel weinig vrouwen

houden van haar man, doch er zijn maar weinig mannen die niet gehecht

zijn aan hun vrouw.

Er zijn ook denkers en schrijvers geweest, die de reden van dezen

eigenaardigen stand van zaken hebben trachten op te sporen en die

ons de vruchten van hun zoeken gelukkig niet hebben onthouden. Louis

Desnoyers vond deze oorzaak: Dat een man geen liefde meer vindt

bij zijn vrouw heeft hij dikwijls alleen hieraan te danken dat

hij haar man is; was hij nog alleen maar haar aanbidder, zij zou

hem aanbidden. Blondel beweert: Wie zijn geliefde trouwt verandert

goeden wijn in zure azijn. Adrien Dupuy komt tot deze conclusie:

Lui die elkaar het vurigst bemind hebben voor hun trouwen, zijn

het onverschilligst voor elkaar in het huwelijk. En weer een ander

leeraart: Het huwelijk is een roman tot op de dag dat men het boek

opent--de voorrede is gewoonlijk heel amusant, maar ze is altijd kort

en belooft veel te veel. Behalve om geld, verklaart Romainville,

wordt er ook veel getrouwd uit verveling en dat zijn in den regel

nog de kwaadste huwelijken niet.

Hoe komt men er dan toch toe te trouwen, als het met het huwelijk

zoo'n misère is? En wat is het dan toch voor booze geest die al die

huwelijken maakt zoo als ze zijn? Ook op deze zeer redelijke vragen

krijgen wij vele, en zeer scherpzinnige antwoorden, die echter het

gebruikelijke gebrek hebben, dat ze ons niet veel wijzer maken. Zoo

vernemen wij van P. L. Stahl: Men preekt de jongelui aanhoudend voor

dat ze inzake het huwelijk hun verstand moeten gebruiken, maar als ze

hun verstand gebruikten zouden ze dan trouwen? Men kiest zich geen

man of vrouw, men treft elkander--drie kwart van alle huwelijken

komen op rekening van het toeval.

Iets verder komen wij met het antwoord van Petit-Senn, tenminste

wat de vrouw betreft. Deze, zegt hij, is het alleen te doen om wat

meer vrijheid; zij haakt naar den huwelijksband, in de hoop dat die

haar bevrijden zal van de menigte banden, die haar als vrij meisje

binden. Met andere woorden, de vrouwen binden zich om vrij te zijn, en

om te kunnen doen wat zij willen verbinden zij zich tot onderwerping.

Is het dan wonder, dat bij zulk een paradoxaal uitgangspunt het

zaakje moet tegenloopen en dat het heele huwelijk volgens het woord

van Commerson dikwijls niet anders is dan een onwelluidend koor van

tweestemmig gekijf overdag en tweestemmig gesnork des nachts?

Weer een stapje nader tot wat helderder inzicht in deze dingen

komen wij met deze uitspraak van Sharon Turner: Voor iedere vrouw is

het woord echtgenoot synoniem met vijand, tiran, dwingeland, en zij

behandelt haar man dienovereenkomstig. Als dit waar is, dan heeft ook

Jousky gelijk, als hij zegt, dat de grootste fout van het meerendeel

der mannen jegens hun vrouw deze is, dat zij haar hebben getrouwd.

Er zijn weinig vrouwen zoo volmaakt, dat zij haar man niet minstens

eenmaal per dag reden geven zich te beklagen, dat hij getrouwd is

en vrijgezellen te benijden. Aldus La Bruyère, die elders deze

ontboezeming slaakt: Ik begrijp niet hoe een man, die zich laat

beheerschen door zijn humeur, die niet de minste moeite doet om zijn

gebreken te verbergen, die gierig is, zijn uiterlijk verwaarloost,

niet van toegeeflijkheid weet, hatelijk is, ongezellig, koud, stroef en

stom, hoe zoo'n man denkt, dat zijn jonge vrouw bestand zal zijn tegen

de ondernemingen van een vurigen minnaar, die tegen haar te velde trekt

met al wat een vrouwenhart en een vrouwenoog kan bekoren--uiterlijk

schoon, sierlijken dos, vriendelijkheid, wellevendheid en vleierij!

Een en ander waarmee een verstandig mensch zijn voordeel kan doen,

zit er ook in de volgende overweging. Er zijn op de wereld enkel maar

getrouwde lieden en ongetrouwde. De eersten zijn ten opzichte van de

tweeden in het defensief, want zij hebben een vrouw te verdedigen;

de ongetrouwden niets hebbende te verliezen, zijn ten opzichte van

de getrouwden altijd in het offensief. De getrouwde lieden vormen

een afzonderlijke kaste, die men de maatschappij noemt waartoe men

alleen toegang krijgt door te trouwen. De ongetrouwden vormen niets,

dan alleen maar de wereld der vrijgezellen. De vrijgezellen hebben

vrijen toegang bij de getrouwden, maar de getrouwden hebben geen

vrijen toegang bij de vrijgezellen--deze zijn dus wel vrijer, heeten

waarschijnlijk daarom juist vrijgezellen. Welke fatsoenlijke vrouw

gaat op bezoek bij een vrijgezel? Maar er is meer. De getrouwden worden

aangemerkt als serieuze menschen, de vrijgezellen daarentegen verdenkt

men van alle mogelijke lichtzinnigheden. Er is geen instelling die

zoo bespot wordt en toch zoo in eere is als het huwelijk. Het is een

heilige instelling! roept de gehuwde, en hij heeft ergens in de stad

in een stille straat zijn maîtresse. Alle nette menschen trouwen te

eeniger tijd en alle menschen drijven den spot met het huwelijk, zoowel

de getrouwden als de vrijgezellen. Volgens sommigen is het met het

huwelijk als met het leger: niemand is er van vrijgesteld, maar geen

sterveling hoeft er zijn leven in te slijten. Men wil elkaar grondig

leeren kennen vóór het huwelijk; dat blijkt ondoenlijk, men geeft het

op, en hoopt elkaar grondig te leeren kennen nà het huwelijk; ook dat

blijkt onmogelijk--de een heeft voor den ander geheimen, houdt dit

verborgen, verzwijgt dat..... en de wereld vervolgt haar loop. Resumé:

het is goed te trouwen en het is wijs er niet aan te beginnen.

Er zijn toch ook nog vrouwen, die niet zoo heel erg met het huwelijk

zijn ingenomen. Lady Blessington oordeelt er over als volgt:

Hoeveel lieden ontmoet men niet elken dag, die wel vereenigd leven

naar het lichaam, maar hopeloos gescheiden naar den geest! Welk

een monsterachtige vereeniging is dat dan niet, en hoezeer zijn

degenen, die zoo zijn verbonden, te beklagen. In vroeger tijd bond

men een vermoorde wel vast aan zijn moordenaar. Maar dat was minder

wreedaardig, alleen hierom reeds, wijl er slechts één was, die deze

duivelachtige kwelling had te verduren, terwijl in het huwelijk er

twee hetzelfde lijden hebben te dragen.

Het is een zeer zeldzaam verschijnsel, zegt Mademoiselle de Sommery,

een vrouw, die werkelijk het geluk uitmaakt van haar man. Weinig

vrouwen houden van haar man, en de meeste mannen hebben te veel dingen

aan het hoofd om zich veel te bekommeren om hun vrouw.

De vrouwen, meent Madame Romieu, vinden maar heel zelden haar geluk

in het huwelijk en elders haar geluk te zoeken is haar verboden. Het

huwelijk zet haar tusschen twee of meer afgronden.

"De eeuwen door, zegt Madame de Casamajor (in: Pathologie du Mariage)

is het huwelijk het onderwerp en het thema geweest van tallooze

sprookjes, novellen, vertellingen, romans, van kluchten, blijspelen,

drama's en zelfs van wijsgeerige verhandelingen. Van dat alles zou

men een heele bibliotheek kunnen vormen. En de stekelige opmerkingen

en schimpscheuten, de aphorismen en paradoxen, die tegen het huwelijk

zijn uitgedacht, vormen een arsenaal vol projectielen.

En dat huwelijk, zoo aanhoudend van alle kanten aangevallen, staat

nog altijd ongeschokt overeind. Dat bewijst de levenskracht van die

instelling. Maar die onophoudelijke aanvallen bewijzen ook, dat het

geen volmaakte instelling is.

En op welke gronden, om welke redenen valt men het huwelijk zoo

aan? Om tallooze redenen. Een daarvan is deze: De vrouw is den man

gehoorzaamheid schuldig. Waarom?

De soldaat gehoorzaamt den korporaal, de korporaal den sergeant,

de sergeant den officier, en zoo voort, wijl ieder in den hoogeren

graad een aannemelijke reden vindt voor zijn gehoorzaamheid.

De klerk gehoorzaamt den chef, omdat deze een functie bekleedt,

die grooter bekwaamheid veronderstelt.

De leerling gehoorzaamt den onderwijzer, omdat de onderwijzer weet

wat den leerling onbekend is.

De zoon gehoorzaamt den vader, om gelijksoortige redenen.

Maar waarom moet de vrouw den man gehoorzaam zijn? Is zij bij geval de

mindere in rang, en hij de meerdere? Heeft hij bekwaamheden, die zij

niet bezit? Weet hij meer dan zij? Staat hij in een of ander opzicht

boven haar?

En nog iets. Iedere soldaat kan korporaal, sergeant enz. worden. Een

klerk kan opklimmen tot chef, de leerling wordt zelf meester, en de

zoon wordt op zijn beurt vader. Niets belet hem, die eerst gehoorzaamd

heeft, naderhand zelf te bevelen. Maar de vrouw kan nooit een hoogeren

rang bereiken. Zij moet altijd blijven gehoorzamen.

Waarom? Er is daarvoor maar één reden te geven: de man is de sterkste

en hij heeft de wetten gemaakt.

De vrouw wordt voor haar gehoorzaamheid beloond met bescherming door

haar man... naar letter en geest van de wet. Maar in onzen beschaafden

tijd wordt de vrouw nog maar door één enkele geslagen en dat is door

haar wettelijken beschermer!...."

Voor een goed huwelijk, meent Alphonse le Sage, moet de man stom zijn

en de vrouw blind. Huwelijken, zoo zucht weer een ander, worden in

den hemel gesloten, dat is mogelijk, maar dat bewijst dan alleen,

dat men ook in den hemel knoeien kan en vlug maar slecht weet te

werken. Christus is voor zijn kerk maar eenmaal gestorven, maar wij

getrouwde mannen doen het elken dag weer voor onze vrouwen.

Zoekt ge een vrouw? vraagt Thomas Morus. Dan zijt ge in den toestand

van iemand, die een greep moet doen in een zak met slangen, waaronder

zich één aal bevindt. Wilt ge den greep wagen? Zeker, het is niet

onmogelijk dat ge de aal te pakken krijgt, maar ge begrijpt dat

ge honderd-, ja duizendmaal zult misgrijpen en telkens uw hand

terugtrekken met een nieuwe wonde.

De eerste de beste vrouw, zeide paus Sixtus V, die haar man nooit

reden heeft gegeven tot klagen, zal ik canoniseeren.

Het is bij vrouwen, die al eenigen tijd getrouwd zijn bijna regel, naar

Michel de l'Hospital de schoone sexe verwijt, dat ze thuis en voor haar

man zich heel weinig bekommeren om haar uiterlijk voorkomen. Bijna geen

spoor van vrouwelijke ijdelheid is meer bij haar te ontdekken--zij

verwaarloozen zichzelf. (Fig. 195). Dat is dan een teeken dat ze

zich ook weinig meer bekommeren om haar man. Laat zulk een vrouw

eens bezoek zijn te wachten of bezoek hebben af te leggen, een bal

of andere feestelijkheid willen bijwonen--onmiddellijk keert de zorg

voor het uiterlijk voorkomen terug, onmiddellijk is ze weer het ijdele

pronkzieke wezentje van vroeger, dat geheel in het verzorgen van haar

uiterlijk opgaat en alles doet wat in haar macht is om er goed uit

te zien. De sieraden komen weer voor den dag, het kleed wordt met

de meeste zorg gekozen, enz. enz. De reden daarvan? De bewondering

van haar man is haar onverschillig geworden, streelt haar ijdelheid

niet meer, maar de bewondering van anderen, van vreemden of bekenden,

is nog streelend voor haar. Hoe ze zich thuis ook verwaarloost, waar

vergelijking met andere te wachten staat, daar wil ze niet achterstaan,

maar uitblinken en schitteren.

Als humoristen, die ernstig genomen willen worden, zoo over

het huwelijk denken, dan is het geen wonder, dat de eigenlijke

grappenmakers, als zij over deze interessantste aller menschelijke

instellingen loskomen, het dikwijls gewoon-weg bar maken en een

beeld geven van het huwelijk, dat de meest trouwlustigen zeker

zou afschrikken, als de menschen in dit opzicht nog voor rede

en redelijkheid, voor inkeer en beterschap, vatbaar waren. En de

verstandige menschen--wier aantal naar met reden mag worden gevreesd

altijd nog één minder bedraagt dan het laagst denkbare minimum dat

de wijsgeeren plegen te stellen--moeten daarbij wel onwillekeurig de

verzuchting slaken, dat het huwelijk toch wel een komische zaak moet

zijn, dat de grappenmakers er zoo onnoemelijk veel grappen uit weten

te halen.

Dat lieve leventje begint al minstens bij Erasmus en Rabelais. De

laatstgenoemde vertelt ons van zijn held Gargantua. Deze verloor zijn

vrouw, toen ze beviel van Pantagruel. En om nu te laten uitkomen, dat

Gargantua al net over het huwelijk dacht als andere getrouwde mannen,

stelt hij het zoo voor, dat gezegde Gargantua in de verbouwereerdheid

over die tegelijkertijd intredende positie van weduwnaar en vaderschap

in de war raakte of hij voor zijn fatsoen nu bedroefd moest zijn over

het verlies van zijn vrouw of verheugd over de geboorte van zijn

zoon. Hij verloor zoo geheel en al zijn hoofd te midden van al die

drukte dat hij zich vergiste en zich verblijdde over den dood van

zijn vrouw en weeklaagde over de geboorte van zijn zoon.

Onze tegenwoordige grappenmakers steken hunne geestigheden op

het huwelijk niet meer in zoo'n dubbelzinnig kleed. En zij laten

de gevoelens van teederheid, die de echtgenooten jegens elkander

koesteren, ook niet pas aan het licht komen bij zulk een tragische

gelegenheid als een bevalling die den man gelijkertijd tot vader en

weduwnaar maakt. Zij laten de vaders, die op het punt staan schoonvader

te worden, hun kroost, dat klaar staat den weg op te gaan van alle

huwbaar vleesch, nog op het laatste oogenblik waarschuwingen toevoegen

als deze: Mij dunkt, jelui moesten maar niet al te veel drukte maken

niet jelui trouwen?--Waarom niet, vader?--Nou, na het trouwen zullen

jullie spektakel genoeg hebben.

En als de trouwlustige door iemand van ondervinding zoo is voorbereid,

dan loopt hij alle kans even later een vriend te ontmoeten die het

groote nieuws heeft vernomen en hem de hand drukt met de woorden:

Kerel, dit is een van de gelukkigste dagen van je leven!--En als hij

dan, in de meening dat de vriend zich in den datum vergist, zich

haast de zaak recht te zetten met een: Ho wat, je bent nog wat te

vroeg, ik trouw pas morgen,--dan krijgt hij wellicht dit hoopvolle

antwoord: Pardon dat weet ik, en daarom juist is 't vandaag een van

de gelukkigste dagen van je leven.

Natuurlijk waardeert onze vriend het grappige in zulk een antwoord en

beloont den grappenmaker met een vroolijken lach. Misschien stemt hij

quasi met de opvatting, in de felicitatie van zijn vriend opgesloten,

volkomen in en antwoordt hij hem met een kwinkslag die daar uitdrukking

aan schijnt te geven. Maar in werkelijkheid dringt er niet het minste

besef van de werkelijkheid die hem wacht door in zijn brein, beneveld

als het is door den roes der aanstaande huwelijksvreugden. Van alle

voor redelijke en gezonde redeneering ontoegankelijke menschen is een

bruidegom wel de dikst-schedelige domoor, op wie al wat verstandig is

afstuit als een aansporing tot waarheidsliefde op een diplomaat. Het

moet zelfs wel gebeuren, dat zulk een benevelde bruidegom over zijn

voorgenomen huwelijksstap met welmeenende vrienden die hem alsnog

zoeken te weerhouden, gaat discusseeren en hen tracht tot zwijgen te

brengen met wijzigheden als deze, dat volgens het algemeene zeggen

een getrouwd man langer leeft dan een ongetrouwd man. Een argument,

dat zelfs een middelmatig geestig grappenmaker kan pareeren met den

tegenzet, dat het leven den getrouwde alleen maar langer voorkomt,

omdat hij zich als regel zit te vervelen. Een bruidegom, die door

meewarige vrienden bijna bewogen was de trouwerij tenminste nog wat

uit te stellen, en alleen nog aarzelde omdat hij zich herinnerde

eens gehoord te hebben dat het ongeluk aanbrengt als een huwelijk

wordt uitgesteld, werd van dit noodlottig bijgeloof genezen door de

verklaring, dat uitstel van trouwen geen ongeluk aanbrengt als je

het maar lang genoeg uitstelt

Maar zulke voor rede vatbare schepselen zijn er onder de ongetrouwden

al heel weinig, onder de mannelijke bijna niet een en onder de

vrouwelijke heelemaal geen. Naar het schijnt komt altijd de mannelijke

helft van een getrouwd paar altijd het eerst tot bezinning en tot

het inzicht van de dwaasheid, die er is begaan. Zoo komt het dan dat

vrouwtje-lief, nog geheel en al in wittebroodsstemming, man-lief teeder

vraagt: Wanneer heb je het eerst gemerkt dat je van me hield? en dan

ten antwoord krijgt: Toen ik merkte dat ik kwaad werd als ze zeiden dat

je een dom schaap was.--Zijn ten slotte beiden tot het besef gekomen

van de droeve werkelijkheid, dan worden er over en weer bekentenissen

gedaan als deze: Ik vond dat je er allerdwaast uitzag toen je mij ten

huwelijk vroeg.--Toch kan ik er onmogelijk zoo dwaas hebben uitgezien,

als ik in werkelijkheid was.

Wil men weten, waarin dan toch al dat dwaze, zotte etc. van het

huwelijk bestaat, dan kan men dat weer het duidelijkst geformuleerd

vernemen van de grappenmakers, die zich niet ophouden met

zwaar-op-de-handsche vertoogen, maar op smakelijke wijze toebereid

en ook voor de zwakste magen licht-verteerbaar geestelijk voedsel

verstrekken. Doen wij maar weer een greep.

--Droeg hij zijn ongeluk als een man?--Ja, hij gaf van alles de schuld

aan zijn vrouw.

Dame tot zeekapitein: Aardig toch, dat haast alle schepen vrouwennamen

hebben. Waarom zou dat toch wezen?--Ik denk, mevrouw, omdat het

optuigen zooveel kost.

In welke verbinding vroeg de professor in de scheikunde op het examen

lost goud het snelst op?--In het huwelijk, antwoordde de voor zijn

jaren en ondanks zijn geleerde studiën al bijzonder verstandige

student.

Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven · 第 9 / 10 段