--Ja, moe, aan tante Betsy moeten we vast een verlovingskaart

sturen. 't Mensch heeft een paar weken geleden nog gezegd, dat ik wel

zou blijven zitten. Natuurlijk zei ze dat omdat 'r eigen dochters niks

kunnen krijgen. Maar nicht Sophie krijgt geen kaart--'t schepsel kijkt

ons niet meer aan sinds haar man van klerk adjunct is geworden. En

oom Willem en zijn vrouw houden wij er natuurlijk ook buiten. Sinds

vader eenzelfde zaak is begonnen als hij, hebben ze geen voet meer

over onzen drempel gezet. En u begrijpt dat ik het niet erg prettig

zou vinden, als mijn aanstaande schoonouders op de receptie kennis

maakten met zoo'n lomperd als oom Willem, die van niets weet te praten

dan van den tijd dat hij matroos was. Nog al wat fijns, matroos! Ik

zou me doodgeneeren. Verbeeld je, als je die kennis liet maken met

mijn schoonouders. Neef Gerard, daar denken we natuurlijk ook niet

aan om die uit te noodigen. Die weet nooit zijn maat te houden, en

als hij wat op heeft slaat hij een taal uit dat je je doodschaamt

voor nette menschen. Oom Johannes laten we stilletjes thuis, die wil

altijd ceremoniemeester spelen als er wat te doen is, en dan verveelt

hij het heele gezelschap met zijn geschreeuw van: attentie heeren

en dames! en met zijn flauwe moppen. Neen, die moeten we dezen keer

er ook maar buiten laten. Want mijn aanstaande schoonouders zijn van

veel te nette familie. U en vader moeten bij het kennis maken ook maar

het beste beentje voorzetten, dat ik me niet hoef te geneeren. Moe, u

zal er van opkijken, als ze hier komen. Zijn vader is een echte heer,

met een deftig voorkomen, en een ring met zoo 'n diamant. Hij is,

geloof ik twee en vijftig, maar je zou zeggen hoogstens veertig. Op z'n

kantoor, ziet u, is hij zooveel als de patroon zelf--procuratiehouder

heet dat; hij teekent, zegt mijn beminde, briefjes van wel duizend

gulden. En Frits z'n moeder, u zal eens zien hoe die er uitziet,

hoe 'n deftige dame, heelemaal in 't zij, o zoo fijn. En Frits z'n

eene zuster krijgt piano-les van een rijksdaalder in het uur en

zij is geëngageerd met een inspecteur van politie. En mijn Frits

is binnen het jaar chef-de-bureau, heeft hij gezegd. U begrijpt,

dat we nu ook een beetje om ons fatsoen moeten denken en dat het

bij mijn verlovingsfeest maar niet de zoete inval moet wezen voor

iedereen. En bent u nu ook niet blij en in uw schik met uw dochter,

die het zoo getroffen heeft--zoo'n nette familie en een aanstaande

met zoo'n nette positie?....

En dan al die idyllische vrijages! Een en al poëzie. Het volgende

stukje cultuurgeschiedenis uit Jan Holland's Darwinia geeft hiervan

een te treffend beeld om het hier niet te citeeren.

Karel had een goed oogje op Lina. Want Lina had gevulde vormen en

flikkerende oogen. En Lina was ook lang niet onverschillig voor

Karel. Want Karel was een goed gebouwd en krachtig jonkman.

Karel was op bals in de gelegenheid geweest om op te merken, dat

Lina's gevulde vormen geen boerenbedrog waren. Lina had door Karel's

onvermoeid dansen en door de kracht waarmee hij haar omvatte en

optilde bespeurd, dat hij stalen spieren bezat.

Derhalve beminden Karel en Lina elkander.

Maar Karel's middelen veroorloofden hem nog niet om er een vrouw op

na te houden, Lina's vader vond, dat hij zijn geld beter kon gebruiken

dan aan z'n dochter een bruidschat te schenken. Zij had hem buitendien

met van alles studeeren al geld genoeg gekost.

Karel moest dus arbeiden om evenals Jacob z'n Lea eerst te

verdienen. Maar hij ging dat niet doen door schapen te hoeden. Neen,

hij richtte met eenige kornuiten van goeden naam een maatschappij

van levensverzekering op. En hij werkte ook niet zeven jaren. Neen,

slechts zeven maanden. Toen ging de maatschappij volgens de regelen

der kunst failliet en redden de oprichters zich met een flink kapitaal.

Karel had zich dus door wijs overleg en energie tot een gelukkig

sterveling gemaakt. Nog in den bloei der jaren kon hij onbekommerd

het loon van zijn inspanning genieten. Dadelijk stuurt hij een

uitnoodiging aan Lina tot een onderhoud op zijn kamer over een voor

beider toekomst hoogst gewichtige aangelegenheid. Lina aarzelt niet

om aan die uitnoodiging gehoor te geven, doch is zoo voorzichtig een

geladen revolver aan haar maagdelijken boezem te verbergen, om te

voorkomen dat haar geliefde zich vrijheden veroorlove voordat een

deugdelijk contract is gesloten.

Lina, lieve Lina, roept Karel, haar bij het binnentreden toe en wil

haar in zijn armen sluiten en--vlak in de buurt staat de sofa. Doch

Lina haalt de revolver voor den dag en zegt: Neen mijn liefste,

zoover zijn we nog niet. Laten we ordentelijk gaan zitten en onze

zaken bespreken; gij daar achter de tafel op de sofa, ik hier over

u op een stoel. Wat wilt gij?

U trouwen. Wat anders, voorwerp van al mijn wenschen, zoet beeld

mijner droomen?--Maar ge zijt arm.--Neen, mijn schat, sedert gisteren

ben ik rijk.--Laat zien, trouw hart.

Uit de verte toonde Karel haar kostbare papieren, terwijl hij een

wantrouwenden blik op de revolver sloeg. Lina werd verteederd en

zeide: Gij hebt mij zoolang een trouwe liefde toegedragen, dat

ik wil aannemen, dat ze niet valsch zijn.--Nu, wat zegt ge? vroeg

Karel zegepralend, zelf verdiend voor u en voor u alleen aangebeden

meisje... mag ik nu den notaris laten komen?--Ja, lispelde Lina,

terwijl zij de schuchtere oogen schaamachtig op de revolver liet

neerglijden.

De notaris verscheen. De heer en dame, sprak hij, wenschen door den

band des huwelijks vereenigd te worden? En hij zette zich onmiddellijk

aan den arbeid voor het opmaken der huwelijksche voorwaarden met

denzelfden ijver waarmee zulke ambtenaren den uitersten wil van een

reeds stervende plegen op te schrijven.

Zie zoo! zeide hij, uwe namen en uw verlangen in het algemeen staan

er. Gelieft mij thans omtrent de nadere voorwaarden in te lichten. Zoo,

bijvoorbeeld--de geachte bruid duide mij deze onkiesche vraag niet

ten kwade--onverhoopt een spruit uit uwe echtelijke vereeniging mocht

voortkomen, wie zal dan de zorg daarvoor op zich nemen?

Lina's kiesch gevoel werd pijnlijk door zulk een vraag getroffen. Zij

werd beurtelings bleek en rood en fluisterde nauw hoorbaar: Neen

mijnheer de notaris, dat is onmogelijk, dat wil ik niet en dat gebeurt

ook niet.--Ja, mejuffrouw, ik begrijp..., maar de mogelijkheid bestaat,

de natuur is soms sterker dan de kunst. En buitendien, de wet wil,

dat uitdrukkelijke bepalingen op dit punt gemaakt worden.

Ik kan mij met het oog op mijn verdere carrière niet met kinderzorgen

belasten, verklaarde Lina toen op beslisten toon, die sterk in strijd

was met haar gewonde kieschheid van daareven.

Vindt de bruidegom dan goed, dat wij bepalen, dat als het huwelijk

van rechtswege ophoudt te bestaan, hetzij door den dood van een uwer,

hetzij door echtscheiding, een eventueele telg of telgen uit dit

huwelijk geheel voor rekening zullen komen van den man?

Karel gaf met een benauwd gezicht zijn toestemming, doch werd

eenigszins gerustgesteld, toen de goddelijke Lina hem blozend een

bemoedigend knikje toewierp. Nadat nog tal van zulke kleinigheden

geregeld waren en de onderteekening had plaats gehad, ging de

notaris heen. Nauwelijks had de ambtenaar zich verwijderd of Lina, de

schuchtere, wierp haar revolver weg, naderde met een betooverenden

glimlach de sofa, sloot Karel in haar armen en drukte hem een

vurigen kus op de lippen, haalde de bundel papieren van waarde uit

zijn binnenzak, bladerde ze door en fluisterde verrukt: Mijn innig

geliefd mannetje!

Het meest dichterlijk-idyllische element in de poëzie van het minnen

is de bruidschat. Maar niet ieder heeft oog daarvoor--voor de poëzie

daarvan wel te verstaan. Zoo durfde een Fransch schrijver zich aldus

uitlaten: "Het is ongetwijfeld zeker, dat een teef met een tiental

reuen achter zich aan, een minder onverkwikkelijk, althans natuurlijker

schouwspel oplevert dan een Amerikaansche milliardairsdochter met

haar sleep van huwelijkssollicitanten, die zich om haar verdringen

met gefingeerde galanterie en voorgewende verliefdheid".--Die man

had blijkbaar geen oog voor de bruidschatspoëzie--of behoorde tot

degenen die tevergeefs een greep naar zoo'n milliardairsdochter hadden

gedaan. En gelijksoortige redenen zullen wel Martial hebben bezield

toen hij hooghartig verklaarde: Men vraagt me, waarom ik geen rijke

vrouw trouwen wil? Wel, omdat ik niet de meid van mijn vrouw verkies

te zijn. De man moet de meerdere zijn van de vrouw, anders behooren

ze niet bij elkaar.

Madame de Sévigny, de Fransche schrijfster, had al wat beter kijk

op deze dingen.--Het schijnt ongehoord, zeide ze, toen zij haar

aanstaanden schoonzoon den overeengekomen bruidschat uittelde,

het lijkt eenvoudig bar, dat er zooveel geld voor noodig is om er

mijnheer de Grignan toe te krijgen mijn dochter mee te nemen naar

de alcoof. Maar aan den anderen kant, het is niet voor één dag, ook

morgen, overmorgen en zoo voort, hemel neen, dan is het toch niet

te veel!

Er hebben ten allen tijde wanbegrippen geheerscht omtrent dit zoo

poëtisch-liefelijke rozenwolkje aan den hemel der verliefden.

Plutarchus vermeldt, dat de wetgever van Sparta verbood aan de dochters

iets hoegenaamd ten huwelijk mee te geven, opdat niet degenen die

niets konden inbrengen ongehuwd zouden blijven en er geen huwelijken

zouden gesloten worden enkel en alleen om de bruidsgift; maar dat bij

het kiezen van een vrouw uitsluitend hare persoonlijke eigenschappen

de keus zouden bepalen.

Solon bepaalde, dat huwende meisjes niets in de woning van haar

echtgenoot mochten meebrengen dan drie stel kleeren en eenig

meubilair van geringe waarde; verder niets. Hij wilde voorkomen,

dat de meisjes zich een echtgenoot zouden koopen en wilde de mannen

de gelegenheid benemen zich te verkoopen; het huwelijk mocht geen

zaak van koopmanschap zijn, waarbij men zichzelven verhandelde als

een stuk koopwaar, om er wat aan te verdienen. Hij wilde, dat de

vereeniging van man en vrouw als eenig motief zou hebben wederzijdsche

genegenheid. Wat een onzin!

De groote treurspeldichter Euripides slaakt in een zijner treurspelen

de volgende, hoogst-zonderlinge verzuchting: O, opperste der goden,

hoe zijt ge er toe gekomen vrouwen het aanzijn te schenken, dat ras

van boosaardige feeksen! Er waren toch zeker wel andere middelen te

bedenken om de aarde met menschen te bevolken, daarvoor was het toch

niet juist noodig vrouwen te scheppen--ge hadt in uw tempel van tijd

tot tijd uitdeeling van kinderen kunnen houden aan de mannen, die u

daar goud, ijzer of brons kwamen offeren; dan hadden de mannen op die

wijze zich kinderen kunnen verschaffen, ieder naar verhouding van de

geofferde gaven, en verder in vrede kunnen leven, zonder vrouwen. De

vrouwen toch zijn een plaag en een last. Dit blijkt duidelijk hieruit:

de vader die een dochter heeft, en haar heeft groot gebracht, moet

nog een bruidschat toegeven om haar kwijt te raken en haar in een

andere familie opgenomen te krijgen. De man, die deze woekerplant in

zijn huis krijgt, is dan dikwijls nog verheugd! Hij overlaadt zijn

verachtelijke afgod met kostbare sieraden, begraaft haar onder dure

kleeren en verspilt, de ongelukkige, om harentwil al wat hij bezit. Hij

moet wel aldus handelen, hij kan niet anders, terwille van zijn naam,

want anders maakt of zijn vrouw het hem lastig, of haar ouders doen

het. Hij moet bovendien nog alle bitterheid van zijn huwelijk en alle

daaruit voortkomende verdrietelijkheden verbergen onder den schijn

van tevredenheid en geluk.

De bruidschat, zoo oreert weer een ander, uit veel lateren tijd,

heeft intusschen ook zijn minder aangename zijde. Zij bedreigt de

verhouding, die ten allen tijde als de meest natuurlijke tusschen

man en vrouw is aangemerkt, en die hier op neer komt, dat de man

de baas is in huis(?). Welk gevaar de bruidschat oplevert voor

deze verhouding, wist reeds de Romeinsche dichter Plautus, die

ergens opmerkt: Een vrouw zonder huwelijksgift hangt zoo het hoort

geheel af van haar echtgenoot, weet en erkent zich de mindere en de

afhankelijke. Maar de vrouw, die haar man een rijke huwelijksgift

heeft aangebracht, is door een geheel andere geest bezield, zij wil

de mindere niet zijn, en beschouwt haar man als haar knecht, behalve

nog dat ze zich bij elken wensch op haar bruidschat beroept om hem

er toe te brengen haar het gewenschte te verschaffen. Menigeen is

zoo door een rijken bruidschat doodarm geworden.

Zulke dwaze uitspraken zijn er zeer vele, maar wat in zichzelf zoo

uitnemend is als de bruidschat, dat wordt door geleuter van lui

die voor wijs en geleerd willen doorgaan, in het minst niet aan het

wankelen gebracht. De bruidschat staat dan ook nog tot op dezen dag

in welverdiende eere.

Het hof-maken en de vrijage hebben nog tallooze andere poëtische kanten

en zijn een bron van duizend-en-een idyllische geneugten. Daar is

bijvoorbeeld de eeuwig en altijd blauwtjes-loopende minnaar. Ook dit

verschijnsel aan den dichterlijken hemel der liefde wordt door velen

verkeerd opgevat. Die redeneeren als volgt: Niemand heeft medelijden

met hem, niemand acht het noodig hem te ontzien. Zoo weinig is het

meerendeel der menschen in staat in sexueele dingen ernstig te blijven,

dat men, zonder overigens in het minst hardvochtig of gevoelloos

te zijn, zich kostelijk vermaakt met anderer teleurstellingen in de

liefde, hoe diep zulk een teleurstelling de arme ziel misschien ook

grieft en leed doet. Voor den afgewezen minnaar heeft heel de wereld

slechts leedvermaak. Dat leedvermaak is echter van gemoedelijken aard

en het geval is zeer wel denkbaar en doet zich dan ook veelvuldig voor,

dat de gedropen sollicitant om de stekelige aardigheden die aan zijn

adres worden gelanceerd, ten slotte hartelijk meelacht. Ook vinden

de spotters nog wel gelegenheid minder de afgewezene dan de andere

partij te treffen.

Wat een misverstand weer, wat een misverstand. De altijddurende

blauwtjeslooper is volstrekt niet te beklagen, hij is te benijden,

want hij smaakt de zoete onzekerheid van liefde's kansspel, de

spannende hoop, al die zielsontroeringen van het nog onuitgesproken

minnen niet maar eenmaal, zooals zoo vele minder gelukkigen, die men

bovendien nog voor gelukkiger houdt.

De blauwtjesmensch ondergaat alle verrukkingen, alle exaltaties, alle

opwindingen van 't vóór-jawoordsche minnen, de romantische droomerijen

van het minnen in zijn eentje, telkens en telkens weer, in zalige

herhaling. Hoeveel gelukkiger is niet zijn lot dan dat van dien broer

Willem, die geen blauwtje liep, maar direct het jawoord kreeg, en op

de vraag: Heb je vroeger ooit liefgehad? van zijn uitverkoren Marie

ten antwoord ontving: Neen, ik heb dikwijls mannen bewonderd om hun

kracht, moed, knapheid, verstand of iets dergelijks, maar met jou,

Willem, is het louter liefde en niets anders.

Een andere beminnelijke figuur, die de domme spotzieke menigte, die

geen oog heeft voor de poëzie van het minnen, maar niet met rust

kan laten, is de dusgenaamde oude coquette, de nog manzieke oude

vrijster, die banger is voor één muis dan voor een heel regiment

huzaren. Men spreekt van haar minachtend als van een vrouw, die

in sexueel opzicht heeft afgedaan, maar zich toch verbeeldt nog

te kunnen behagen, er blijkbaar geen begrip van heeft dat op dat

terrein haar rol is uitgespeeld. En voor de spotters is zij zooveel

als een vogelvrij-verklaarde. Zij wordt onder allen, die met sexueele

zwakheden behept zijn, niet alleen het onbarmhartigst bespot, maar ook

het veelvuldigst, het regent op haar onophoudelijk schimpscheuten;

haar heele omgeving neemt daar aan deel. Want om deze zwakheid te

ontdekken, daarvoor is geen scherpziende blik noodig, integendeel,

zij springt onmiddellijk in het oog, ook de geestelijk kortzichtigen

doorzien deze zwakheid. Zoo wordt de oude coquette onvermijdelijk

het mikpunt van de spotternij van den grooten hoop, die altijd bij

voorkeur de meest drastische middelen kiest en het minst delicaat is,

en in dit geval bovendien geen oog heeft voor het eerbiedwaardige in

het heroïsch verzet tegen de natuur, de heldenmoedige opstand tegen

het onvermijdelijke, die de oude coquette tot een figuur maakt,

die meer dan menige heele vaderlandsche geschiedenis verdient dat

men haar een omvangrijk heldendicht wijdt.

Hoe poëtisch is verder niet het minnen van twee harten, die elkander

eindelijk hebben gevonden en wederzijds de vereischte formaliteiten

hebben vervuld! Het zielig gedoe van verliefde harten, iedereen bekend,

is toch altijd weer nieuw, altijd weer opnieuw interessant. Het eene

oogenblik in den zevenden of nog hoogeren hemel, voelt men zich het

volgende oogenblik ten doode toe bedroefd. En hoe weten de in dien

toestand geraakte lieden, onverschillig of ze jong zijn of oud, alle

verhoudingen om te keeren, van het algemeene het bijzondere en van het

buitengewone het doodgewone te maken--wat anderen belangrijk vinden

trekt hun aandacht niet eens, wat iedereen voor onoverkomelijk houdt

is voor hen kinderwerk; daarentegen schijnen nietige kleinigheden hun

dikwijls onoverkomelijke hinderpalen. Het verliefd zijn doet oudjes

van zeventig dartele sprongen maken als een jong bokje, vooral als

het een nog groen blaadje betreft; en de verliefde vrijster van de

oudste lichting leert weer blozen als een schaamachtig bakvischje. Wat

spotters daaraan te lachen vinden is niet duidelijk, en zelfs den

spotters zelf niet, die om zich te rechtvaardigen dan maar aan

het verdraaien gaan. Nu eens heet het dan, dat dat verliefde gedoe

maar fictie is en aanstellerij, dan weer, dat het zoo niet hoeft,

dat men zich om te verstaan te geven dat men van elkander houdt,

niet per se de allures hoeft aan te nemen van volslagen gekken;

dat echte liefde ernstig en ordentelijk kan en behoort te zijn en

men daarbij niet noodzakelijk den zotskap hoeft op te zetten. Voor

die spotters zijn er alleen komieke typen van verliefden, zooals de

zooeven al besproken blauwtjesloopers en de manzieke oude vrijster,

verder nog de verliefde bakvisch, de jaloersche minnaar, die overal

medeminnaars ziet, en zoo voort.

En dan al die uitwendige hulpmiddelen van minzieke harten, de

kunstgewrochten der mode bijvoorbeeld, waarover wij hier alleen de

teekenaars maar aan het woord zullen laten. Zie fig. 172 etc.

Hoe dichterlijk is verder de bloemrijke terminologie van de vrijende

menigte. Wat al lieve en vooral eigenaardige naampjes--met hun vaak

zoo duistere herkomst. Daar is bijvoorbeeld de bakvisch. Ieder weet

wat dat is en niemand weet waar het woord vandaan komt. Het woord

bakvisch behoort als zoovele tot de woorden wier oorspronkelijke

samenstelling en beteekenis verloren zijn gegaan. Des te meer gissingen

worden er gemaakt. Naar de wel wat zonderlinge aanduiding van den

jonge-meisjes-leeftijd als bakvisch wordt nog altijd gezocht, en

alle verklaringen klinken even gezocht. Zoo heeft men er eenvoudig

van gemaakt: gebakken visch. Een Franschman moet in een vertaling

inderdaad bakvisch letterlijk hebben weergegeven met poisson frit. Het

lijkt niet onaardig een mama naar het bal te laten gaan met haar drie

gebakken visschen.

Een andere verklaring, die gegeven wordt is, dat de visschers kleine

visch, die te nietig is om verkocht te worden, weer "over bak" gooien;

d.w.z. over boord (men denke hierbij aan bakboord). In hoeverre er

inderdaad eenige samenhang bestaat tusschen zulke visch en jonge

meisjes is niet overduidelijk, tenzij men zich tevreden wil stellen

met gewrongen verklaringen.

Het woord bakvisch komt niet alleen in het Nederlandsch voor, maar

o.a. ook in het Duitsch. In welke taal het 't eerst is gebruikt,

valt alweer niet na te gaan, zeker is, dat de Duitschers er al

evenmin een aannemelijke verklaring voor hebben weten te geven,

als wij. Het woordenboek v. Grimm geeft aan, dat bakvisch beteekent:

visch wel al geschikt om te worden gebakken, maar nog niet om te worden

gekookt. Anderen brengen het woord in verband met den bak, de plaats

in het schip, waar de visscher zijn maaltijd gebruikt, waartoe in den

regel ook de visch behoort, die geen marktwaarde heeft. Nog een andere

verklaring is, dat het woord bakvisch afstamt van het Engelsche "back",

dat wel gebezigd moet worden van de jonge visch, die achter de moeder

aanzwemt. Ook deze verklaring munt niet uit door aannemelijkheid.

Men is om toch maar aan een toonbare verklaring te komen, zelfs gaan

wroeten in allerlei allang overleden talen. En de Duitsche taalgeleerde

Erckhoff heeft uit het Keltisch het woord bach te voorschijn gehaald,

en dit tot den oorsprong van het woord bakvisch verklaard. Dat bach

beduidt jong en ook klein en wordt als voorvoegsel van allerlei andere

woorden gehecht; bakvisch zou volgens die afleiding weer neerkomen

op jonge visch.

Verrukkelijk poëtisch zijn de naieve, dikwijls met bijgeloof vermengde

middeltjes waarmee verliefde bakvischjes het raadsel of hij haar bemint

tot oplossing en klaarheid trachten te brengen. Knoopen aftellen,

madeliefjes uitpluizen, wat niet al. En dat acht geven op de teekens

van verliefdheid. Draagt hij de heele week de das, die zij Zondags

zoo mooi vond, dan heeft zij zekerheid. Als hij al de eigenschappen

zegt te vereeren, die zij zegt te bezitten, dan wordt de zekerheid nog

grooter. Zet hij in haar aanwezigheid herhaaldelijk zijn denkbeelden

over vrijen en trouwen uiteen, met de stellige verklaring dat hij

nooit trouwt, onderwijl oplettend welk effect dat op haar heeft,

dan weet zij dat een aanzoek aanstaande is. Zoo is er in de wereld

der verliefden een ingewikkeld systeem van zwijgend spreken, van

gedachtenlezen, telepathie, gebarentaal, heel een occulte wetenschap

van teekensuitlegging, van schijnbeelden die werkelijkheid zijn

en werkelijkheden die droombeelden schijnen, kortom van allerlei

geheimzinnigs. En dat alles omdat de eene partij schuw is te vragen

voor hij eenig houvast heeft omtrent het antwoord, en omdat de andere

partij haar ongeduld moet maar niet kan bedwingen om te weten of zij

zal worden gevraagd. In beide gevallen de eigenliefde in strijd met

de liefde en besluiteloos wat te doen en daarom maar dwaas doend.

De liefde is behalve poëtisch, ook rechtvaardig. Wie denkt dat het

minnen alleen is weggelegd voor de mooie meisjes en de knappe jonkmans,

heeft het precies mis. Er is geen potje zoo leelijk of het vindt z'n

dekseltje wel. Als er geen invloeden, aan het minnen van nature vreemd,

in het spel komen, schikt zich dat van zelf. Met een verwonderlijke,

automatische regelmaat schikt ten deze soort zich bij soort. Niemand,

in hoe sterke mate ook wat men noemt leelijk, hoeft in Liefdeland

te wanhopen. Er is kans voor ieder en hoop voor allen. Dat weten de

minder en heelemaal niet mooien trouwens zeer wel, vandaar dat men

nooit hoort dat er zich een om reden van lichamelijke leelijkheid

verdaan heeft. Er zijn zelfs wel, die blij zijn leelijk te zijn,

daar leelijk te leven zooveel makkelijker is dan mooi te leven. Eén

zoo'n leelijke jonge dame is daarover zelfs aan het schrijven gegaan

en heeft medegedeeld, met de noodige schimpscheuten aan het adres

van zusters, die in het tegenovergestelde geval verkeeren, waarom

ze blij is dat ze leelijk is. Zij met haar kleur van een smeerkaars

hoeft zich niet te bekommeren over haar teint; hoeft nooit bang

te zijn te eeniger tijd te zullen hooren: zeg, die is er ook niet

mooier op geworden; is ontheven van de beslommeringen van poederkwast

en handspiegel, van de manipulaties met cold cream, haarkleursel,

stijve handschoenen, te nauw schoeisel, kinbanden; zij behoeft niemand

te beliegen inzake haar leeftijd, geen Marie Antoinette-houding te

cultiveeren, geen magere kost te eten uit vrees voor vetaanzetting;

en geen harer getrouwde vriendinnen behoeft benauwd te zijn dat zij

gevaarlijk zou kunnen worden voor manliefs dierbare zielsrust. Zij

heeft dus minder ongemakken en minder vijandinnen. Zij die hiervan

niets begrijpen, weten blijkbaar niet welke zware zorgen mooi-zijn

baart. De leelijke komt niet in de tragische positie van den ezel,

die rondom zich hoopen hooi vond en toen van honger omviel vóór hij

tot een besluit had kunnen komen welken hoop hij zou opeten.

Zoo heerscht er dan in het rijk der minnende zielen geluk en

tevredenheid, waarvan de spotters, omdat er niets te spotten valt,

maar karikaturen maken. Wat hun zaak is, en wat geen enkel paar ooit

weerhouden heeft noch ooit weerhouden zal, zich onder Amor's leiding

met volle teugen te laven aan de eeuwige bronnen van Venus en Priapus.

VIII.

HUWELIJKSVREUGDEN.

Het huwelijksgeluk is als een porceleinen vaas op den neus van een

dronken mandarijn die niest--aldus een spreekwoord der Chineezen!

Het huwelijk is een zotternij die men met z'n tweeën begaat en met

z'n drieën of meer moet boeten--zegt Shakespeare.

Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven · 第 8 / 10 段