huwelijks-lief en -leed--vooral van het laatste--opdoen. Hoor maar:
Kom hier, Jan, moeder en ik zijn het erover eens, dat je 'n flink
pak slaag verdient.--Ja, dat is het eenige waarover u en moeder
het altijd eens zijn. En dan dit stukje tafelkout tusschen moeder
en achtjarig dochtertje, in het bijzijn van papa: Mama, de dame,
die mij elken middag in het park brood laat geven aan de zwaantjes,
is die niet even goed getrouwd als u?--Dat zal wel kind.--Maar waarom
komt er dan nooit bij haar een officier op de bank zitten zooals bij u?
Zijn, naar men ons wil doen gelooven, de verschrikkingen van den
huwelijksstaat al zoo gruwelijk en bar, nog erger is het gesteld bij
een tweede of nog verder huwelijk. Ongelukkig degene, zoo klinkt de
plechtige waarschuwing reeds uit de grijze oudheid ons toe, bij monde
van den dichter Eubulides, de leermeester van Demosthenes en zoo
bekwaam, dat hij dezen de letter r kon leeren uitspreken--driewerf
ongelukkig degene die voor de tweede maal trouwt. Dengeen die voor
het eerst trouwt, treft geen verwijt. Hij weet nog niet waaraan hij
zich blootstelt. Maar hij die voor de tweede maal een vrouw neemt,
weet bij ondervinding welk een afschuwelijke plaag zulk een schepsel
is. Dat wetende begeeft hij zich nogmaals in dezelfde ellende. Neen,
voor zulk een dwaas zijn geen verzachtende omstandigheden te pleiten
en hij heeft al wat hem onvermijdelijk overkomen zal volop verdiend.
Volgens Antonius de La Salle is een huwelijk met een vrouw, die al
eenmaal gehuwd is geweest maar weduwe is geworden, het vreeselijkste,
wat op huwelijksgebied den man overkomen kan. "Als een jong, onbedorven
jonkman, een weduwe trouwt, dan is het met zijn geluk op aarde gedaan;
zijn leven zal nog slechts een ondragelijke kwelling zijn, waaronder
hij ten slotte zal bezwijken. De weduwe heeft bij haar eerste man
de noodige ondervinding opgedaan om den tweede te drillen en van den
eersten dag af zal haar eenig streven zijn haar man onder den duim te
krijgen. Toegeeflijkheid maakt haar nog heerschzuchtiger, verzet staalt
haar strijdlust en vuurt die aan--de arme jonge man moet zwichten of
bezwijken--tegen haar taaie volharding, die den strijd nooit opgeeft,
zal hij op den duur niet bestand zijn, te minder wijl zij reeds een
leerschool doorloopen heeft en hij nog onnoozel en onwetend is.
Bij dezen stand van zaken schijnt het meer dan raadselachtig, dat
er nog altijd dag aan dag huwelijken gesloten worden, evenals het
raadselachtig schijnt dat niet alle huwelijken op een goeden dag maar
kort en goed worden ontbonden. Maar, wat in het huwelijksgedoe het
waarschijnlijkst lijkt, gebeurt juist andersom. Het huwelijkscijfer
neemt eer toe dan af, en wat ontbinding van den huwelijksband betreft,
doet zich nog het extra onbegrijpelijke verschijnsel voor, dat als
een der partijen den weg opgaat van alle vleesch, de overblijvende
weduwnaar of weduwe een groot vertoon maakt van rouw en diepe
droefenis. Maar de grappenmakers zijn er dan weer als de kippen bij
om in zulke gevallen de echtheid van die droefheid in verdenking te
brengen. Zij herinneren dan oogenblikkelijk aan antwoorden als dat wat
iemand kreeg die een troostelooze weduwe trachtte te troosten: Ach,
zuchtte zij, alleen de hoop op een spoedig wederzien hiernamaals houdt
mij in het leven.--En zij verwijzen naar wijze spreuken als deze: Wat
menige weduwe het diepst betreurt is minder dat zij haar man verloor,
dan dat ze hem telaat verloor. Of als deze: Hevig weenende weeuwtjes
nemen het eerst een anderen man--nat weer is het best om over te
planten. Of wie liever in dichtmaat geïnformeerd wil zijn, duwt men
deze diepzinnige regelen van den ouden Lafontaine onder den neus:
La perte d'un époux ne va point sans soupirs;
On fait beaucoup de bruit, et puis on se console.
Sur les ailes du Temps la tristesse s'envole;
Le Temps ramène les plaisirs.
Entre la veuve d'une année
Et la veuve d'une journée,
La difference est grande; on ne croirait jamais
Que ce fût la même personne;
L'une fait fuir les gens et l'autre a mille attraits:
Aux soupirs, vrais ou faux, celle-là s'abandonne;
C'est toujours même note et pareil entretien;
On dit: qu'on est inconsolable;
On le dit, mais il n'en est rien.
Maar, we hebben het over het huwelijk en niet over wat na het
huwelijk gebeurt. Geven wij dus nog even het woord aan een paar meer
philosophisch aangelegde grappenmakers.
"Ik wil wel eens wat van het huwelijk zeggen, aldus een Fransch
schrijver der 18e eeuw, Ch. Rivière-Dufresny (in: Petit voyage dans le
grand monde) maar het blijkt heel moeilijk dat te doen op een wijze
die iedereen naar den zin is. Degenen, die in het huwelijk minder
aangename ervaringen hebben opgedaan of er geen belang in stellen,
zullen verrukt zijn als ik er een beetje den spot mee drijf, maar de
wittebroods-echtgenoot zal me medelijdend ter zijde leggen en meewarig
uitroepen: Och arme man, als je in mijn plaats was, zou je zulken
onzin niet uitkramen. Houd ik een ernstig betoog over de narigheden
van het huwelijksleven, dan beschuldigen alle trouwlustigen mij,
dat het er mij om te doen is hun den eenigen hemel op aarde tegen te
maken. Welken toon moet ik dan toch aanslaan, op welke manier moet
ik over het huwelijk schrijven? Ik ben er verlegen mee.
Ik zal maar den stijl van een reisverhaal kiezen, en dan constateer
ik om te beginnen, dat het huwelijk een land is dat alle andere
landen bevolkt. De burgerij is er vruchtbaarder dan de adel; dat komt
wellicht daar van daan, dat de groote heeren zich liever bij hun buren
amuseeren dan thuis. Het huwelijk maakt iemand in den regel een ander
mensch,--neen wacht nog even met uw bijval, huwelijksvereerders, ik
bedoel dat zoo: het huwelijk maakt vaak van een vroolijk, geestig
man een botterik, van een verliefde een beul, en zoo voort. Soms
ziet men ook het omgekeerde, soms wordt een beul als hij trouwt een
zachtmoedig schaap, en van een ezel weet een vrouw met wat geest
bijna een dragelijk mensch te maken.
Waarom trouwen de menschen? Om verschillende redenen; de een uit
hartstocht, de ander uit overleg en berekening; deze trouwt zonder te
weten wat hij doet, gene omdat hij niet meer weet wat te doen. Dan
zijn er ook heel wat mannen voor wien de trouwerij een afleiding
en een verzetje is, zooveel als een geneesmiddel tegen de verveling;
eerst houdt de keus van een vrouw ze bezig en schenkt ze wat afleiding;
dan komen de bezoeken, de onderhandelingen, de feestelijkheden en de
plechtigheden; maar na de laatste plechtigheid is de aardigheid er
volkomen af en vervelen ze zich nog erger dan tevoren.
Huwelijksland heeft nog dit eigenaardige dat de vreemdelingen er met
alle geweld heen willen, terwijl de bewoners snakken de grens over
te komen. Men kan er ook over de grens worden gezet--dat heet dan
echtscheiding. Maar de natuurlijke weg om er uit te komen is het
weduwschap. Bij de echtscheidingsverbanning uit het Huwelijksland
krijgt gewoonlijk de vrouw de schuld, maar dikwijls is het de schuld
van den man dat de vrouw schuld heeft, zoodat hij dan ook in zoo'n
geval zeer terecht achter zijn rug nog uitgelachen wordt ook".
George Sand zegt (in: Jacques): Het huwelijk is, volgens mij, een der
meest barbaarsche instellingen. Ik twijfel er niet aan, dat het zal
worden afgeschaft, zoodra het menschdom een weinig verder gevorderd
is op den weg van gerechtigheid en redelijkheid; en dat er voor in de
plaats zal komen een band die menschelijker is en even sterk, zoodat
er kinderen kunnen geboren worden zonder een menschenpaar voor het
leven aan elkander vast te ketenen. Maar de mannen zijn nog te lomp
en de vrouwen te laf om het juk af te werpen--voor een troep wezens,
waarvan de eene helft gewetenloos en de andere helft karakterloos is,
zijn nu eenmaal zware ketens noodig.
En in hetzelfde werk legt ze Jacques de volgende woorden tot zijn
geliefde in den mond:--Als we gaan trouwen zal men je een eed in den
mond leggen, waarmee je zweert dat je nooit een ander zult liefhebben
dan mij en dat je mij in alles gehoorzaam zult zijn. Het eene is
een ongerijmdheid en het andere een laagheid.--Waarom moeten we dan
trouwen?--Omdat de tirannie van de maatschappij ons geen anderen weg
openlaat elkander te bezitten.
Volgens sommigen heeft iedere vrouw, die een man het leven wil redden,
daarvoor alleen maar ongetrouwd te blijven.
Alles bij elkaar genomen mogen wij het wel voor een uitgemaakte zaak
houden, dat trouwen een zeer dom en onnoozel ding is en dat er maar
een ding ter wereld nog dommer is, en dat is: ongetrouwd te blijven.