Hoe dwaas, onbeduidend en voos dit door niemand trouwens ernstig

genomen gelegenheidsargument van de voortreffelijkheid van verloopen

sujetten ook moge zijn, toch blijkt er overduidelijk uit, dat in het

onderbewustzijn der gedachtelooze menigte een dubbele moraal voor man

en vrouw wordt gehuldigd. Want ten opzichte van de vrouw redeneert men

zoo nimmer. Men weet, dat zulks bij niemand ingang zou vinden, en wacht

er zich daarom voor. Wat de man op sexueel gebied heeft misdreven,

hoe bar en erg het ook zij, laat zich goedpraten, is zelfs voor te

stellen als iets verdienstelijks en vereerends. Maar de vrouw blijft

de minste misstap levenslang drukken. Daarvoor is in het zonderlinge

wetboek der sexueele gerechtigheid geen vergeving. Nooit wordt dan

ook zelfs beproefd, voor-huwelijksche zonden der vrouw goed te praten

en nog minder wordt geprobeerd om een verbintenis met een meisje van

niet geheel onbesproken gedrag voor te stellen als een bijzondere

en benijdenswaardige gunst der goden, zekere voorwaarde voor een

zeldzaam volmaakt huwelijksgeluk. Integendeel, zulk een meisje treft

onvoorwaardelijk de algemeene verachting. Een verbintenis met zulk

een schepsel geldt als een onuitwischbare schande. Hoe de eenmaal

begane misstap ook werd geboet, welke verzachtende omstandigheden er

ook kunnen worden aangevoerd, het strenge sexueele recht kent daarvoor

geen clementie.

Hier vloeit allereerst uit voort, dat zich beroemen op sexueel

wangedrag voor het meisje of de vrouw, die zichzelve in zedelijk

opzicht niet geheel en al heeft opgegeven, iets onbestaanbaars

is. Dit komt--met het zooeven gemaakte voorbehoud voor degenen die

zedelijk al ten gronde zijn gegaan--dan ook niet voor. Wel echter,

en vrij algemeen zelfs, bij den man. Deze beroemt zich en gaat prat op

zijn sexueele zonden, overdrijft die zelfs, snoeft op geslachtelijke

buitensporigheden, die hij nooit heeft bedreven. De vrouw, die er

in dit opzicht zoo geheel anders, ja precies tegenovergesteld voor

staat, doet dit nimmer. Die doet het tegenovergestelde: zij verzwijgt,

verbergt en houdt geheim, ontkent zoo noodig. De man neemt gaarne

het air aan van losbol, de vrouw simuleert deugd. Beide zijn ze

in die rol voor spotzucht, humor en sarcasme een even gemakkelijke

als dankbare prooi. De vrouw, om de minste sexueele misstap door de

openbare meening haar leven lang vervolgd, ziet zich daardoor bij

een eventueelen misslag genoodzaakt, die zoo mogelijk verborgen

te houden. En behoudens voorhanden zijn van het onloochenbaar

bewijsstuk--het kind--slaagt zij daarin meestal naar wensch. Zoo

ontstaat een samenleving, waarin alle jongemannen losbollen zijn en

alle jongedochters toonbeelden van onschuld, braafheid en deugd.

De dubbele moraal uit zich in de sexueele opvoeding nog in velerlei

andere richting. Zoo--als uitvloeisel der geschetste opvattingen,

waardoor de gemiddelde fatsoensmensch zich bij zijn sexueele pedagogie

laat leiden,--wordt den zoon groote vrijheid gelaten, de dochter

daarentegen wat men noemt kort gehouden. Bordeelbezoek, meisjes

verleiden, een maîtresse hebben, dit alles wordt door den kring van

verwanten bij den jonkman zooal niet onvoorwaardelijk goedgekeurd,

dan toch als vergeeflijke lichtzinnigheid der jeugd aangemerkt en

vergoelijkt. Zelfs in kringen waarin men overhelt tot strenge zeden,

wordt voor de jeugdige mannelijke leden een oogje dicht gedaan. De

drogredenen waarmee dit wordt gemotiveerd, zijn alweer legio. Het geldt

als een teeken, dat de jongeman gezond, vurig bloed heeft, levenslustig

en krachtig is en niet tot de droogpruimers behoort. Door al vroeg

intiem verkeer te hebben met vrouwen leert de jongeling zijn onbeholpen

bleuheid en verlegenheid in den omgang met de andere sexe afleggen,

hij krijgt op die manier ondervinding, vrijmoedigheid, zekerheid, leert

de wereld kennen en erlangt tallooze andere voordeelen. Intusschen

worden de vrouwen, die zoonlief al deze deugden moeten bijbrengen,

en om zoo te zeggen zijn sexueele opvoeding en zijn geslachtelijke

vorming hebben te voltooien, juist in die kringen het diepst veracht

en verafschuwd, iets wat bij zoo belangrijke diensten, den zoon des

huizes bewezen, bedenkelijk zweemt naar zwarte ondankbaarheid. Maar

ook hier is de minste schijn of schaduw van de meest elementaire

consequentie weer ver te zoeken.

De eigenlijke redenen voor de groote sexueele vrijheid, die men de

zoons laat in vergelijking met de angstvallige bezorgdheid voor de

sexueele onbesprokenheid der dochters, zijn natuurlijk deze, dat

eerstens den jonkman toch niet kan worden belet te doen wat hem ten

deze goeddunkt en waartoe zijn ontluikende zinnelijkheid hem dringt,

terwijl verder zijn sexueele waarde, uitgedrukt in huwelijkskansen,

er in het minst niet door vermindert. Men laat den jongen dus wat

vrijheid, wijl men hem dien toch niet op den duur kan benemen, en omdat

de gevolgen maatschappelijk van geen beteekenis zijn. Deze motieven

zijn echter niet van dien aard, dat men er goedschiks openlijk voor

uit kan komen. Daarom bedient men zich van drogredenen en troost zich

daarbij met de gedachte, dat ieder ander toch ook zoo doet.

Ten opzichte van het jonge meisje staat de zaak geheel anders. Door

de minste opspraak reeds daalt zij in sexueele waarde. De minste smet

op haar sexueel gedrag heeft een onherstelbare waardevermindering

tengevolge. Om dat te voorkomen wordt zij bij elken stap met argusoogen

bewaakt, want ook de minste kans van opspraak wenschen hare natuurlijke

exploitanten--haar ouders--niet te riskeeren. Het meisje moet, om

op de huwelijksmarkt haar volle handelswaarde te behouden, volstrekt

onbesproken blijven. Daarom is men even streng voor de dochters als

men toegeeflijk is voor de zoons. Zij wordt van alle sexueele gevaren

geïsoleerd, en tegelijkertijd dat men zoonlief de dolste streken laat

uithalen, zonder zich er zich veel om te bekommeren, wordt aan de

dochter romanlezen, schouwburgbezoek en dergelijke ontzegd, om "haar

hoofd niet op hol te brengen", d. w. z. haar niet in ongewenschte

avontuurlijk-romantische stemming te brengen.

Dikwijls komt met koddige duidelijkheid aan het licht, dat het

daarbij in het minst niet is te doen haar zinnelijk immuun te

maken. Bij bals en dergelijke mag zij zich vrijelijk half naakt

voor een geheel gezelschap te pronk stellen--mits onder toezicht

en mits anderen hetzelfde doen. Wat niet in opspraak brengt,

is geoorloofd, al is het in werkelijkheid nog zoo bedenkelijk;

wat wel opspraak en gefluister verwekt, is niet geoorloofd, al is

het op zich zelf nog zoo onschuldig. Evenmin zoekt de gemiddelde

sexueele opvoeding neiging tot coquetterie te beteugelen of tegen te

gaan. Integendeel, het coquette meisje verbetert haar kansen en--men

weet zulks bij instinct--loopt allerminst gevaar zelf tot onberaden

onvoorzichtigheden te vervallen--zij ontsteekt het vuur, maar blijft

zelf koel. Coquetterie is dus een waardevolle deugd, een karaktertrek

die men eer moet toejuichen en in de hand werken dan tegengaan.

Het grondbeginsel van de sexueele opvoeding is bij de groote

massa der onnadenkenden en gemakzuchtigen: onkundig houden. Bij de

toepassing van dat grondbeginsel vormt de natuurlijke kinderlijke

nieuwsgierigheid naar allerlei wat met het geslachtsleven in verband

staat, een groote moeielijkheid. Deze nieuwsgierigheid toch leidt tot

vragen--de bekende lastige kindervragen. De antwoorden, die het kind

krijgt op zijn lastige vragen, dragen het karakter van beminnelijke

misleiding. Het nieuwe broertje is gebracht door de ooievaar, of het

is geplukt van den boom, of gegroeid in een groote kool. En zoo voort.

Aan den anderen kant is de kinderlijke onwetendheid een bron van

vermaak voor de ouderen. Het is bekend hoe gretig b.v. tantes en

ooms en ook eigen ouders kinderen uithooren betreffende hun sexueele

kennis. Men brengt het kind daarover opzettelijk aan het praten,

en vermaakt zich met zijn onwetendheid, met zijn halve kennis,

met zijn twijfel, onderwerpt het aan een verhoor om te vernemen

wat hij allemaal weet of denkt van die dingen. Maar om het kind,

hoe dan ook, ernstig over geslachtelijke onderwerpen te onderhouden,

het met voorzichtig beleid sexueel te onderrichten en voor te bereiden

op datgene wat het als geslachtswezen tegemoet gaat, daarvoor is men

in den regel zelf te onkundig en vooral te onernstig in het sexueele.

Men is zoo gewoon over sexueele onderwerpen alleen maar te spreken

in min of meer frivolen toon, dat men niet bij machte is ze ook maar

een oogenblik met ernst te bespreken. Het kind snapt al heel gauw, dat

zijn opvoeders hem in die dingen wat op den mouw spelden. Het zoekt op

andere manieren zijn natuurlijke nieuwsgierigheid te bevredigen. Zoo

wordt dan het nog onbedorven kindergemoed naar onzuivere bronnen

gedreven en het ontvangt de gezochte kennis in een vorm, die in den

regel minstens bedenkelijk is. En het kind leert ook al heel gauw,

dat het zijn kennis op sexueel gebied voor ouderen moet verbergen. Zoo

ontstaat het type van het quasi-onnoozele en onschuldige kind, voor

wie in werkelijkheid het geslachtsleven een open boek is en dan

gewoonlijk een pornografisch boek.

Tot de "lastige kindervragen" behooren in de eerste plaats die naar

de herkomst van het nieuwe broertje. Ieder kind wil weten waar het

vandaan komt. En de sexueele opvoeding heeft een heele reeks van

antwoorden op desbetreffende vragen verzonnen, die door de ernstige

sexueele pedagogiek zoo niet als misleidend worden verworpen, dan

toch bedenkelijk worden geacht, ofschoon er dikwijls een zekere

zin voor poëzie in valt op te merken. Een tweede categorie van

lastige kindervragen betreft de geslachtskenmerken. Gesprekken als

dit tusschen vijf- tot achtjarigen zijn geen uitzonderingen: Hebben

jullie een nieuw kindje gekregen, Wim?

--Ja Annie.--Is het een zusje of een broertje?--Ik geloof een zusje.

--Is het net zoo als ik, met een boezelaartje en lang haar? dan is

het een zusje.--Hoe men weet of het nieuwe kindje een zusje of een

broertje is, is het kind een raadsel en het stelt zijn vragen. Het

wordt weer op dezelfde wijze door zijn opvoeders met een kluitje

in het riet gestuurd. Merkt het verschil op in zekere organen, dan

worden dikwijls de allerkoddigste verklaringen daarvan opgedischt.

De sexueele opvoeding, die tot grondbeginsel heeft: onwetend houden

zoo lang het maar eenigszins gaat,--de opvoeding wier hoogste wijsheid

dus eigenlijk is: niet op te voeden--mag, gezien de ondervinding van

elken dag, tweeërlei resultaat verwachten: of het kind doet op eigen

gelegenheid sexueele kennis op en gaat dan beladen met een onzuivere

phantasie de gevaren der puberteit tegemoet; of het kind blijft

inderdaad onwetend, en is dan in zijn onkunde zooveel weerloozer in

de gevaren, die het van het intreden der puberteit af van alle kanten

zullen bedreigen.

De gevolgen van het stelsel van onwetend-houden in sexueele zaken

zijn in den regel niet, dat er werkelijk onwetendheid bestaat, maar

dat er onwetendheid wordt voorgewend. Onderdehand beijveren beide

sexen zich wat ze kunnen om sexueele kennis op te doen. Het meisje

ontvangt haar kennis ten deze van haar vriendinnen en vooral ook

door lectuur. En de onderwijzeressen der mannelijke jeugd zijn de

prostituees. Zoo moest er een paar jaar geleden in Frankrijk door een

vereeniging voor zedelijke en sanitaire voorbehoeding een boekje worden

uitgegeven en op groote schaal verspreid, dat ook in het Nederlandsch

is verschenen en tot titel draagt: "Wat volwassen jongens wel eens

mogen weten." Dit boekje handelt over de gevaren der afdwaling van

half-volwassenen op geslachtelijk gebied. Het onwetende meisje weet

ook zeer goed, hoeveel meer sexueele vrijheid de jongens "genieten"

en welk gebruik deze daarvan plegen te maken. Een meisje stelde haar

moeder, die haar den avond voor haar huwelijk overlaadde met wenken

en raadgevingen, de snibbige vraag of haar Willem dien avond nu ook

al die wijze lessen kreeg van zijn moeder.

De sexueele opvoeding beoogt eigenlijk alleen sexueele waarden zoo

voordeelig mogelijk in exploitatie te brengen. Zij beoogt zelden of

nooit in te wijden in 't wezen van het geslachtsleven. Zij kan dit

niet beoogen, reeds hierom niet, wijl dit voor het meerendeel der

opvoeders zelf een gesloten boek is. Maar dit weten allen, dat de

sexe, en speciaal de vrouwelijke sexe, een artikel van waarde is en

dat men bij een eventueel bod niet te haastig moet zijn met toeslaan,

daar er allicht nog een beter bod kan worden gedaan.

De zucht om de sexueele waarde van het jonge meisje op de voordeeligste

manier te exploiteeren, openbaart zich al bijzonder sterk bij den

kleinen middenstand. Hier is elke dochter een belangrijk stuk materieel

bezit, waarop in den regel groote verwachtingen worden gebouwd. De

sexueele opvoeding wordt daar, natuurlijk veelal onbewust, geheel op

ingericht. Het spreekt van zelf, dat de dochter veel te goed wordt

geacht om met een man van lageren of gelijken stand te trouwen. Ook in

dit opzicht is de minachting voor den werkenden stand het sterkst bij

degenen, die daar maatschappelijk het naast aan grenzen. "Mijn dochter

is veel te goed voor een gewonen werkman", zoo denken en spreken

duizenden moeders, vooral onder die wier maatschappelijk verschil

met den "gewonen werkman" meer dan dubieus is. "Voor mijn dochter is

toch zeker wel wat beters te krijgen", is de volgende conclusie in

dezen gedachtengang. Vooral ook het meisje zelf wordt diep van dit

gevoelen doordrongen. Het wordt haar aanhoudend voorgehouden, dat het

maar aan haar zelf ligt, zich een schitterende positie te verwerven,

of, om in de geijkte terminologie te spreken, een goede partij te

doen. Het eerste waar zij op heeft te passen, is natuurlijk, zich

niet te vergooien aan een of anderen armoedzaaier. Zij moet het ook

niet probeeren met zulk een verafschuwd wezen te komen aanzetten. Dat

wordt haar van haar eerste meisjesjaren af zoo diep mogelijk ingeprent.

Ieder manspersoon, die plannen ten opzichte van het sexueele kleinood

schijnt te koesteren, wordt door de zorgzame ouders allereerst

gekeurd op zijn vermoedelijken welstand. Valt de eerste taxatie al

niet te gunstig uit, dan worden alle mogelijkheden tot toenadering

onverbiddelijk afgesneden. Voor geen middel wordt daarbij dan

teruggedeinsd. Het eerste der vele middelen die ter beschikking staan

is, hem in de oogen van het meisje zoo diep mogelijk te kleineeren,

hem verachtelijk te maken, afkeer en tegenzin in te boezemen jegens den

kalen gelukzoeker, die het wagen durft de oogen te slaan op een meisje

zoover boven zijn stand. Hij moet maar gaan bij de meiden van zijn

soort, maar het niet zoeken bij een meisje van nette familie.... wat

denkt zoo'n goochemerd wel? dat wou er zich zeker fijn indraaien, maar

dan is hij aan 't verkeerde kantoor, enz. Van het meisje zelf wordt

natuurlijk verwacht dat ze zal inzien, dat zoo'n persoon niets is voor

haar. Iedereen zou haar uitlachen, zij zou in de heele stad over de

tong gaan. En wat zou juffrouw die en juffrouw die zich verkneuteren,

als ze hoorden enz. En dan, welk vooruitzicht met zoo'n snuiter!

Valt de aanvankelijke schatting minder ongunstig uit, is de eerste

indruk niet onbevredigend, dan wordt omzichtig getracht zekerheid te

erlangen. Er wordt navraag gedaan, links en rechts geïnformeerd--men

gaat niet over één-nachts-ijs! Vallen de zoo vergaarde inlichtingen min

of meer bevredigend uit, dan krijgt het meisje nog tallooze instructies

om zich toch voor onberaden stappen te wachten. Want zoolang het geval

nog min of meer twijfelachtig is, is men nog zeer wantrouwend. En

hebben de ouders, meer speciaal de mama, zelf iets voor de huwbare

dochter op het oog, iets waarvan de financieele kwaliteiten ten volle

bekend zijn, dan wordt ook zulk een twijfelachtige adspirant-minnaar

met alle middelen waarover een kwaadsprekende tong kan beschikken--en

dat zijn alle middelen--onverbiddelijk geweerd en weggewerkt.

Zoo bar en vijandig als het onthaal is waarop een vrijer van het

ongewenschte soort zich kan voorbereiden, zoo nederbuigend-lievig

en onderdanig-tegemoetkomend is de houding jegens een partuur,

die aan de verwachtingen beantwoordt. Evenals in het eerste geval

eerst alles wordt beproefd om het meisje afkeerig te maken van den

verafschuwden non-valeur, en, als dat niet baat, alle geweldmiddelen

der ouderlijke macht te baat worden genomen om de dreigende familieramp

af te wenden, evenzoo wordt in het tweede geval alles gedaan om het

meisje er toe te brengen van de haar geboden gelegenheid gebruik te

maken. Zoo noodig treedt de zorgzame moeder zonder gemoedsbezwaar op

als koppelaarster. Alles wat er toe leiden kan om het paar zoover te

brengen, dat men niet meer terug kan, wordt met overleg begunstigd;

de gelegenheden om zoover te komen worden desnoods noods expres

geschapen. En stuit men op onwil bij het meisje, dan wordt niets

onbeproefd gelaten om dien onwil te breken.

Hoe komisch dit alles den koelen waarnemer ook moge aandoen, is het in

werkelijkheid toch een bron van tallooze stille familiedrama's en van

veel in stilte gedragen leed. Den humoristen van alle gading levert

het intusschen rijke stof tot geestigen spot, vlijmend sarcasme,

bittere ironie of goedmoedigen humor.

VII.

DE POËZIE VAN HET MINNEN.

Goed vrijen is: zacht pratend hard liegen. Dat is zoo wat de eenige

conclusie, die de erotische humor open laat, als hij het teere thema

van het minnen onder handen neemt. Dat begint al bij den alledaagschen

volkshumor, die zich uit in spreuk en spreekwoord: Eeden van vrijers

en beloften van zeelui duren niet langer dan tot de nood voorbij is.

En uit de hoogte boven de groote menigte, vanwaar de denkers en de

wijsgeeren minachtend op het gedoe daar diep in de laagte beneden

hen neerzien, en de dingen die hen bijzonder ergeren overgieten met

honend sarcasme, hoort men al weinig andere klanken.

Evenwel, men moet toegeven, dat verliefden, hoewel ze niet anders doen

dan liegen, nochthans volkomen oprecht zijn. Ook moet men toegeven,

dat zoo liegend te minnen mooier is dan nuchter-waar zonder liegen

te minnen. Want wat komt er dan van terecht? Hoe laat Multatuli

zijn Droogstoppel-type, dat toch ontegenzeggelijk de meerderheid

onder de stervelingen vertegenwoordigt, over vrijen en trouwen

oreeren? Natuurlijk als volgt: "Een meisje is een engel. Wie dit het

eerst ontdekte heeft nooit zusters gehad. Liefde is een zaligheid. Men

vlucht met het voorwerp er van naar het einde der aarde. De aarde

heeft geen einden, en die liefde is ook gekheid. Niemand kan zeggen,

dat ik niet goed leef met mijn vrouw ... zij heeft een sjaal van

twee-en-negentig gulden, en van zulk een malle liefde, die volstrekt

aan het einde der aarde wil wonen is toch tusschen ons nooit sprake

geweest. Toen we getrouwd zijn, hebben we een toertje naar den Haag

gemaakt--ze heeft daar flanel gekocht, waarvan ik nog borstrokken

draag--en verder heeft ons de liefde nooit de wereld ingejaagd".

Waarin bestaat eigenlijk het liegen van verliefden, wat liegen

ze dan toch? Eigenlijk alles wat ze zeggen. Want ze zeggen elkaar

alleen mooie dingen en wat mooi is, is niet waar, en hoe mooier hoe

leugenachtiger. De eerste leugen komt in elke liefdescomedie van de

mannelijke partij, als hij in zijn liefdesverklaring zoo hemelhoog

opgeeft van zijn verliefdheid. Daar kan niets van waar zijn; hij kan

het zich hoogstens maar verbeelden, doch hij is onderwijl hij er op

los liegt toch oprecht. Is het ijs door den eersten leugen gebroken,

dan is de beurt van onwaarheden te zeggen voorloopig aan de andere

partij, die daarbij, naar men zegt, geheel en al in haar natuurlijk

element is. O, wat wordt er bij het eerste kennismaken, en de heele

vrijage door, over en weer gesimuleerd! Al die vleierijtjes en lieve

naampjes, die hoogdravende verzekeringen van hem, dat afwijzen en

weigeren en zich laten naloopen van haar--alles comedie en toch

echt. De ouverture van het minnespel waarbij de een dingen zegt die

niet waar kunnen zijn en de ander antwoorden geeft die zij niet meent,

schetst Lovendaal ons in zijn liedje van het Schipperinnetje:

Een scheepje lei al aan de kust

Op 't deinend vlak te wiegen naar lust;

Daarinne zat een hupsch gezel,

Die neuriede lustig en wel.

Met kwam een aardig kind voorbij;

Ik weet niet, wat de visscher haar zei,

Maar 't lief zei lachend "nee, o nee!

Ik ga in je scheepje niet mee".

Doch eer 't een maandje verder was

Daar zeilde een scheepjen over den plas,

Het boord was groen, de vlag woei uit;

Zij was er de visscher zijn bruid.

De flinke klant gaf haar een zoen

En zei: "zeg nog 'reis néé zooals toen"

Zij gaf er één weer en zei: "jij plaag!

Ik mocht je van harte, van harte toch graag"

Kortom: vrouwen zeggen graag neen om nogmaals gevraagd te worden. Later

komt, zoo heel bij toeval, wel eens uit hoe gemeend die eerste

afwijzingen en aarzelingen zijn--wie veel liegt moet nu eenmaal een

zeer sterk geheugen hebben om zich nooit eens te verspreken. En dan

vallen er wel eens ongewilde bekentenissen, zooals in het volgende

idylletje:

--Jong echtgenoot: Weet je nog, schatje, dat wij bij dit boschje door

je mama werden verrast, toen ik je den eersten kus gaf?

--Jong vrouwtje: Ja--en daar heeft die arme moe toen twee uren moeten

staan wachten.

Dat het zoo is, dat wisten al de ouderwetsche ulevel-poëeten, blijkens

onderstaand gewrocht van zoo'n ulevel-genie:

De meisjes zeggen neen, maar meenen meestal ja;

Wie net doet of ze vlucht, loopt u in waarheid na.

Het neen antwoorden op verliefde voorstellen is zoo ernstig gemeend,

dat dames verontwaardigd zijn en het als een onvergeeflijke lompheid

opnemen, als bedoelde voorstellen worden voorgedragen op een wijze

en onder omstandigheden die haar dwingen, voor het oogenblik althans,

tot een neen, dat werkelijk neen beteekent. Een heer, die twee dames

volgde, kreeg het volgende verwijt te hooren: Het is toch geen manier,

mijnheer, twee dames aan te spreken. Laat ons met rust of zorg dat

u ook met u tweeën bent.

Als het minnen om echt poëtisch te zijn leugen noodig heeft, dan

heeft het natuurlijk ook diplomatie noodig. Want diplomatie is leugen

door studie volmaakt tot een vak. Waar dus vaststaat, dat minnen

bestaat in liegen, daar staat tevens vast, dat minnen bestaat uit

diplomatie, d.i. de hoogste vorm van liegen. Die diplomatie begint

al dadelijk bij de eerste kennismaking. Wederkeerig wordt er niet

anders dan gediplomateerd, van de zijde der vrouwelijke partij het

sterkst. Hij doet alles om een goeden indruk te maken, zich van den

besten kant te laten zien en het te laten voorkomen of die beste kant

zijn gewone kant is, hij doet zijn Zondagsche gezicht voor en tracht

hooge gedachten te wekken omtrent zijn persoonlijke waarde, zelfs in

de onbelangrijkste nietigheden, zooals b.v. zijn maatschappelijke

positie, die in engagements-, verlovings- en dergelijke zaken nu

toch heelemaal geen factor van belang is. Zij diplomatiseert door

niet te begrijpen waar hij heen wil en niet te zien wat iedereen

ziet--hij mocht anders eens denken dat hij haar laatste hoop was. Dat

gaat dan zoo een tijdje door. Doordat zij diplomatiek hem ontwijkt,

om niet den schijn op zich te laden van hem na te loopen, worden de

ontmoetingen steeds talrijker. En zijn uiterlijke uitrusting wordt

steeds statiger. Tot het tenslotte komt tot een verklaring. Die dan

ook weer een interessant spel vormt van diplomatieke zetten over en

weer. Na het engagement gaat dat zoo door. Blijkt hij oog te hebben

voor nog andere knappe meisjes, dan veroorzaakt dat alleen bij in de

liefdes-diplomatie zeer slecht onderlegde vrijsters tranen, verwijten,

een gebroken hart en zoo meer. Een bijdehandte diplomate geeft toe dat

die of die knap is en brengt het gesprek ongemerkt op wederzijdsche

heerenkennissen--een paar vleiende opmerkingen aan het adres van zulke

kennissen zijn haar toovermiddel waarmee ze tegelijkertijd zichzelf

wreekt en hem straft en tevens tot beterschap brengt.

Verlovingsgesprekken van bijvoorbeeld het verloofde meisje met haar

moeder, zijn ook al doortrokken van poëzie. Luisteren wij maar even.

Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven · 第 7 / 10 段