kleine. En hare heerschappij over den man, die voor den erotischen
humor een zoo rijke bron is, betreft ook ongeveer altijd de kleine
dingen in het leven. De vrouw is het heerschende element in den
microcosmos van het dagelijksch leven. En waar de erotische humor
zich vermaakt met het verschijnsel, dat de man min of meer bij de
vrouw "onder de plak" zit, duidt zij zulks den man toch niet ten
kwade. De algemeenheid der zaak stemt ieder vergeeflijk jegens de
anderen. Waar de erotische humor met de heerschzucht van de vrouw en
met den daarvoor buigenden man den spot drijft, heeft die spot toch
altijd een goedaardig karakter. Stilzwijgend blijft daarin steeds
erkend, dat het zich gewonnen geven aan de vrouw in kleine dingen
de waardigheid van den man als man en als mensch ten volle ongerept
laat. De man weet bij dit alles trouwens te goed, dat in de groote
dingen van het leven niet zij, maar hij regeert en de wet stelt
Eén mannentype echter is er, wordt er tenminste gephantaseerd, dat
er in dit opzicht bij de erotische humoristen niet zoo gemakkelijk
afkomt. Het is het type der pantoffelhelden, het ras der geslachtelijke
mammelukken. Voor dit type heeft men niet anders dan een soort spot,
die hen ten toon stelt als ontoerekenbare sukkels, als zwakzinnige
lammelingen zonder de minste geestkracht.
De wijze waarop de humor met hen omspringt, schijnt er op berekend
om twijfel te wekken omtrent hunne sexueele normaliteit. Zoo we den
pantoffelheld leeren kennen uit den erotischen humor, maakt hij den
indruk van iemand, die in de volle kracht des levens al is vervallen in
den staat van kindschheid. Het is een man met een hondenaard, kruipend
en bevend als hem de zweep wordt getoond. De erotische humor wijdt aan
de klagelijk-komische figuur van den pantoffelheld wel veel, maar niet
zijn fijnste en nog minder zijn scherpste geestigheid. Het kennelijk
doel van den erotischen humor is hier met een zekere gemoedelijke
en medelijdende spotternij minachting te wekken voor onsympathieke
lafheid, zoo'n beetje den draak te steken en te gekscheren met een
type, dat eigenlijk niemands belangstelling ook maar een oogenblik
waard is. Het wapen is hier allerminst vernietigend sarcasme of
vlijmende spot.
De pantoffelheld wordt door den erotischen humorist niet anders ten
tooneele gevoerd dan--figuurlijk gesproken--in het narrenpak. De indruk
dien men bij voorkeur van den pantoffelheld tracht te geven, is nog
niet eens komisch, maar in den regel enkel maar potsierlijk. Dat blijkt
al uit de vrouwenfiguur, die men hem gaarne terzijde stelt bij wijze
van tegenstelling, n.l. een zeer mannelijk-geaarde en mannelijk-doende
huisdraak, die van de lafheid van haar echtvriend gebruik maakt om
hem aanhoudend te coejoneeren, waarbij hij geen ander verzet waagt dan
zeer laffe listjes en streekjes, als het vóór-zetten van de klok enz.
De pantoffelheld wordt gaarne beschouwd als het type bij uitnemendheid
van onmannelijkheid. In het bijzonder van publieke personen,
politici enz., zijn er legio anecdoten, die hen doen kennen als
danige pantoffelhelden. Dit is een geliefkoosde politieke schimp
(fig. 106). Een blad te München bevatte onlangs het verhaal, dat in
een gemeenteraadszitting in een Beiersche stad een der oudere leden
bij den aanvang der zitting verzocht een woord te mogen richten
tot de pers, en die, toen hem dat was toegestaan, de verslaggevers
verzocht voortaan uit hunne verslagen weg te laten het stereotype
slot: De zitting werd om zoo en zoo laat gesloten. Want, zoo zeide deze
pantoffelheld, onze zitting is altijd voor 9 uur afgeloopen. Maar velen
onzer gaan dan niet dadelijk naar huis, maar ze gaan eerst nog een
biertje pakken, dikwijls zelfs twee biertjes. En ook gaan ze nog wel
eens een billardje maken of een kaartje leggen. Zoo wordt het al gauw
elf, twaalf uur. En om dan thuis geen drukte te hebben met de vrouw,
laten we haar in den waan, dat het met de raadszitting zoo laat is
geworden. Doch daar kijkt ze des anderen daags de krant in en vindt
aan het slot de fatale mededeeling, dat de zitting om negen uur is
gesloten. Hoevelen onzer hebben daardoor al geen huiselijk ongenoegen
gehad. Ik verzoek dus de pers dat voortaan weg te laten. En mijn
medeleden, die met dit verzoek instemmen, noodig ik uit ten teeken
daarvan, op te staan. Hier rees de geheele gemeenteraad overeind.
Voor het overige zijn de moppen en uitvallen op den pantoffelheld
gewoonlijk zoo ongeveer in den trant van het volgende voorbeeld:
--Ik heb me gisteren vergeten en ben tegen mijn vrouw uitgevaren,
zei de pantoffelheld.
--En heeft het erg gespookt?
--Eerst wel. Maar naderhand drukte ze me de hand en wenschte me geluk
met den moed, dien ik had betoond.
Niet minder, zij het op geheel andere wijze en in geheel anderen
toon, vermaakt de erotische humorist zich met de exemplaren van het
zwakke geslacht, die hare wederhelft tot pantoffelheld wisten te
degradeeren. De vrouw "die de broek aan heeft", is voor de erotische
humor een even dankbare--en even goedkoope--figuur als de pantoffelheld
zelf. Wordt deze laatste belachelijk gemaakt als de verpersoonlijkte
onmanlijkheid, zij, die den armen pantoffelheld ringeloort en hem
het leven tot een hel maakt, wordt onder de handen van den erotischen
humorist de verpersoonlijking van de onvrouwelijkheid. Zij regeert haar
held van de droevige figuur volgens de geliefkoosde voorstelling niet
met zacht beleid, maar met gekijf en oorvegen of stokslagen. Zij is
een terroriste, een geweldenaarster; hoewel zij bij haar zwakhoofdigen,
energieloozen, prullerigen held niet stuit op het minste verzet, acht
zij het toch noodig hem aanhoudend te intimideeren. Steeds staat zij
voor hem als een dreigend onweer, gereed om los te barsten. Hoewel
haar pantoffelonderdaan als een ineengefrommeld vod aan haar voeten
ligt, toont zij hem toch nog haar tanden.
In deze overdrijving, zonder uitzondering afkomstig van mannen,
weerspiegelt zich duidelijk der mannen gekwetste ijdelheid. De vrouw,
die meer energie heeft en meer geestkracht dan een man, zulk een vrouw
stelt men zich gemakshalve maar voor als een baarlijk monster. Het
behoeft hier nauwelijks betoogd, dat zoowel de willooze, kruipende,
vodderige pantoffelheld als zijn vervaarlijke wederhelft pure
scheppingen zijn der phantasie. In den karikatuurachtigen schimp
op den pantoffelheld heeft de man het middel gevonden om aan te
geven hoe ver hij niet kan gaan in onderdanigheid aan de vrouw,
zonder alle mannelijke waardigheid te verliezen. De pantoffelheld
is de phantastische grenspaal tusschen toelaatbare en ontoelaatbare
onderworpenheid aan de vrouw--altijd naar der mannen opvatting.
De macht der vrouw en haar overheerschende invloed openbaren zich
in het werkelijke leven trouwens op geheel andere wijze. Niet de
onvrouwelijke vrouw beheerscht den man, maar juist de vrouw in al haar
typische eigenaardigheid. Der vrouwen invloed berust op haar zinnelijke
aantrekkingskracht. Haar zinnelijke bekoring is het die den man voor
haar doet zwichten en hem willoos en hulpeloos, tot alles bereid
aan haar voeten brengt. Het schijnt den man moeilijk te vallen dit
eenvoudige feit te erkennen. Blijkbaar neemt hij liever zijn toevlucht
tot karikatuurachtige verdraaiïng der werkelijkheid. Hij wil niet
erkennen waar zijn zwakheid jegens de vrouw ligt, en tracht het feit
te verdoezelen dat op sexueel gebied van nature de vrouw de meerdere
is van den man. Het is of hij zich over zijn sexueele zwakheid schaamt.
Zoo is de phantastische figuur van den met zweep en stok geregeerden
pantoffelheld ontstaan--eenerzijds om de aandacht van de ware reden
van der mannen zwakheid af te leiden, anderzijds om aan te geven tot
hoe ver de man in het zich schikken naar de vrouw niet mag gaan.
De vrouw regeert de mannen niet met physiek geweld, noch met
intimidatie of iets van dien aard. Zij regeert den man met zijn eigen
zwakheid. Haar strafmiddel, dat hen gedwee maakt, is onthouding
van geslachtsgenot. De vrouw weet dat en maakt daarvan een gepast
misbruik. Elke sexueele zwakkeling is voorbeschikt voor de rol van
pantoffelheld.
Hoe de vrouwen de wereld regeeren, of liever: waardoor het zwakkere
geslacht sterk is, dat leert ons in het klein de geschiedenis
bijvoorbeeld van een Newton, en in het groot zien we het gedemonstreerd
in de twee meest tragi-komische tijdperken der nieuwere geschiedenis:
dat van den hoffelijken minnedienst en dat van den galanten tijd.
Isaac Newton, de grootmeester onder de natuurkundigen, kreeg
na eindeloos solliciteeren etc., eindelijk een post die hem van
stoffelijke zorgen verloste. Hij werd benoemd tot oppermuntmeester van
Engeland. Maar hij kreeg die betrekking allerminst omdat z'n genie
de wet van de algemeene zwaartekracht had ontdekt, of omdat hij de
differentiaalrekening had uitgevonden, maar omdat hij een lieve nicht
had. Het geluk had den grondlegger der theoretische astronomie behalve
met een genialen geest ook met een schat van een nichtje begiftigd,
dat niet al te preutsch weerstreefde, toen op zekeren dag een zeer
machtig personnage dit nichtje ontdekte, en eenmaal binnen haar sfeer
van aantrekking gevallen, zich daaraan evenmin vermocht te onttrekken
als een planeet aan de aantrekkingskracht van de zon.
In het groot zien wij hetzelfde schouwspel vertoonen in den tijd van
den minnedienst en in den galanten tijd. Niet dat dit in werkelijkheid
in dit opzicht zulke bijzondere tijden zijn geweest. De vrouw heerschte
in die tijdperken alleen wat openlijker en duidelijker zichtbaar, haar
invloed en de grondslag daarvan bleef niet zooals anders verborgen,
maar trad op het duilijkst aan het licht.
De samenleving vertoonde zich in sexueel opzicht zoo, gelijk zij in
werkelijkheid eigenlijk altijd is--de mannenwereld, verteerd door
zinnelijkheid, in het stof gebogen voor de vrouwenwereld, die uit
hare sexueele machtpositie met gepaste onbescheidenheid alles haalt
wat er maar uit te halen valt. De tijd van den minnedienst wordt in de
laat-middeleeuwsche en latere literaturen bij voorkeur voorgesteld als
een tijd van poëtisch zuivere zeden, van dichterlijk-verheven reinheid
in het leven der sexen, kortom als een tijd van platonische deugden,
waarin het sexueele dier in den mensch door de zachte hand van de vrouw
was getemd, en waarin reinheid heerschte omdat de vrouw heerschte. Al
dit moois is echter ondergeschoven. De tijd der minnezangers was, naar
honderden contemporaine documenten in woord en beeld onweerlegbaar
aantoonen, een tijd van uiterst verfijnd zingenot en dat wil--al
schijnt het paradoxaal--altijd zeggen plat en grof zingenot.
De tijd toch van sexueele reinheid, waarin de machtige invloed der
vrouw de wereld zou hebben herschapen in een Eden van zuivere zeden,
die tijd vond het bijvoorbeeld noodig den kuischheidsgordel uit te
vinden ter beveiliging van de echtelijke trouw dier zoo ingetogen
vrouwen! En dit interessante werktuig ter bescherming der heiligste
sexueele goederen (fig. 22) had geen barbaarsche vijanden en niets
ontziende geweldenaars den toegang te versperren, maar het was
het laatste redmiddel juist tegen huisvriend en dischgenoot, en
bovenal een steunsel voor de zedige deugd der schoone edelvrouwen,
een tegenwicht tegen haar teedere bereidwilligheid om de hulde haars
ridders niet slechts met woorden te beloonen.
Waar de vrouw de sterkste is, daar is zij zulks als geslachtswezen
en is de bron van haar macht de sexueele zwakheid van den man.
Nooit krijgt de vrouw door geweldenarijen den man in onderdanigheid
aan haar voeten, zooals de tallooze pantoffelheld-humoresken ons
dat willen doen gelooven naar het schijnt. In geweldpleging is de
man verreweg de meerdere van de vrouw. Hoewel het in de geschiedenis
zoomin als in het dagelijksch leven ontbreekt aan vrouwenfiguren met
geweldenaarsneigingen, is het toch nimmer op sexueel gebied dat deze
neigingen zich openbaren. En dat om de eenvoudige reden, dat de vrouw
op dat gebied geen successen en triomfen kan behalen met geweld. De
vrouw, die haar man regeert met den stok, bestaat niet. Evenmin bestaat
de man, die uit vrees voor mishandeling voor haar kruipt. Integendeel,
zeer gewelddadige en autoritaire mannennaturen zijn dikwijls hulpeloos
zwak voor vrouweninvloed. De pantoffelheldkarikaturen uit vroegeren
en lateren tijd, die het voorstellen alsof er wel zulke mannen
en zulke vrouwen zijn, zijn mislukte karikaturen, want ook van
alle overdrijving ontdaan geven zij geen werkelijkheid weer. Der
vrouwen overmacht op de mannen ligt in precies tegenovergestelde
richting. Het is dan ook niet waarschijnlijk, dat bedoelde karikaturen
ooit bedoelden aan de mogelijkheid te doen gelooven van de door geweld
over den man zegevierende vrouw. Vermoedelijk achten haar makers het
buitengesloten dat men ze anders dan overdrachtelijk en figuurlijk
zou kunnen opvatten, en kozen zij dien vorm om zeer aanschouwelijk
te laten uitkomen in welk een positie vele mannen dreigen te komen
tegenover de vrouwen. Het was hun alleen te doen om die positie van
onderdanigheid te laten uitkomen, en zij stelden die daarom maar
voor als gevolg van een oorzaak die al heel gemakkelijk en voor ieder
begrijpelijk in beeld is te brengen: geweldenarij. Bij het beschouwen
van zulke karikaturen moeten wij dus alleen de kruipende schuwe man
zien; de intimideerende vrouw, die voor hem staat, wordt alleen in de
rol van geweldenaarster voorgesteld omdat deze zoo aanschouwelijk in
beeld is te brengen. En het doel van die karikaturen is in den regel
den mannen door ze te bespotten tot wat meer energie en waardigheid
in den sexueelen strijd te prikkelen.
De middelen waardoor de vrouw zegeviert over den man, zijn allerminst
geweld, vreesaanjaging en terrorisme. De vrouwelijke zoowel als de
mannelijke aard sluit de bestaanbaarheid dier middelen uit. De man
knielt niet voor de vrouw wier vuist hem mishandelt. Wel voor de
vrouw wier hand hem streelt en liefkoost. Knieval en voetkus mag
zij van den man slechts verwachten als zij zich hult in haar volle
verleidelijkheid (fig. 92) of zich onthult in haar volle vrouwelijke
heerlijkheid (fig. 91), niet als zij zich tegenover hem stelt als
gewapende furie (fig. 84 en 85). Iedere man is voorbestemd voor en
begeerig naar de lastdierrol van Aristoteles, als maar de hand eener
verleidelijke phyllis de teugels houdt. Haar geduchtste machtsmiddel
is de weigering, de afwerende tegenstand. Door behendig daarmee te
manoeuvreeren in beleidvolle afwisseling met aanhalige lieftalligheid
en naïeve onnoozelheid, brengt de vrouw den man tot onderwerping en
houdt zij hem aan zich onderworpen. De macht van de vrouw over den
man schuilt bij den man; de vrouw heeft alleen vrouwelijk te zijn om
de sterkste te zijn.
IV.
DE VIJGENBLADMORAAL.
De sexueele moraal is, het spreekt wel haast vanzelf, voor den
erotischen humor in woord en beeld een ware goudmijn.
De sexueele moraal schrijft voor wat in het leven der sexen geoorloofd
is en wat niet; wat mag en wat niet mag. Het is zooveel als een
ongeschreven wetboek voor het geslachtsleven. Een wet is er om te
worden ontdoken. En van geen wet geldt dit in die mate als van de
sexueele moraal. Iedereen onderwerpt er zich aan en niemand houdt er
zich aan.
Wat de sexueele moraal veroorlooft, dat is fatsoenlijk. Wat zij
verbiedt, dat is onfatsoenlijk. Fatsoen wordt beloond met achting,
respect en wat dies meer zij. Onfatsoen wordt gestraft met het
tegendeel van achting, respect en wat dies meer zij. Het is dus
begrijpelijk dat ieder voor fatsoenlijk wil worden gehouden. Daarvoor
staan twee wegen open; het te zijn of het te schijnen. De eerste
dier twee wegen lijkt vervelend, doodsch en eenzaam, de tweede vol
afwisseling en verrassingen. Langs beide wordt hetzelfde doel bereikt.
Het groote meerendeel kiest dus den tweeden weg, die loon zonder
arbeid belooft, de genoegens der ongehoorzaamheid doet smaken en het
recht op de belooning voor gehoorzaamheid niet doet verbeuren.
De meeste menschen schijnen dus sexueel braaf, maar zijn het
niet. En als men denkt dat dit een onafgebroken, terdege ingestudeerd
komediespel vereischt, dan heeft men het precies bij het verkeerde
eind. Zoo ingewikkeld is dit spel van schijn en wezen volstrekt
niet. Want daar niemand door zulk komediespel zou worden om den tuin
geleid, laat men het als nutteloos maar achterwege. Ieder weet dat
ieder zich aan de sexueele moraal bezondigt en er is een stilzwijgende
overeenkomst elkander niet te hard te vallen. Wat men intusschen toch
wel doet, maar achter elkaars rug. Tegen elkander zwijgt men over
elkanders overtredingen der sexueele moraal en behandelt men elkander
met de achting waarop gehoorzaamheid aan de sexueele moraal recht
geeft. Zoo ontstaat een hoogst fatsoenlijke samenleving, waarin niemand
fatsoenlijk is, noch van de anderen gelooft dat zij fatsoenlijk zijn.
Deze komische toestand is voor de erotische humoristen van alle
gading, een zeer dankbare materie. De grappige humorist vindt er stof
in voor wat des grappenmakers is; den hekelgragen satirist biedt
hij gelegenheid zich van zijn verontwaardiging te ontlasten; den
wijsgeerigen ontleder is het een boom waarvan hij de even geestige
als diepzinnige aphorismen en wijze orakeltaal als met handen vol
kan afplukken. Allen zorgen daarbij met loffelijke nauwgezetheid
voor niet te zuinige overdrijving. Eigenlijk is volgens hen alleen
die persoon sexueel eerlijk, die openlijk leeft als een don Juan.
Het streven van elkeen in een fatsoenlijke samenleving is niet zich
te laten binden door de hinderlijke banden der fatsoensmoraal, maar
te zorgen dat tenminste de naaste omgeving niets kan bewijzen. Het
fatsoen is een deugd met de mooie kant naar buiten. Haar doel is niet:
fatsoenlijk te zijn, maar: niet onfatsoenlijk te schijnen.
Dat is de vijgebladmoraal. Bedekken, onzichtbaar houden wat iedereen
toch wel weet, met de stilzwijgende overeenkomst over en weer net te
doen of men niet weet.
Hoe komisch-angstvallig men zoekt te vermijden om voor onfatsoenlijk
te worden gehouden, dat laat de Duitsche humorist Reznicek ons zien
in zijn geestige anecdote van het zedige pasgetrouwde vrouwtje. Men
is op de huwelijksreis en het jonge vrouwtje is zeer gesteld op haar
fatsoen. Het is haar de laatste dagen gebleken, dat iedere hotelgast,
die haar kamer passeert en daar de twee paren schoeisel ziet staan,
een oogenblik staan blijft en in dikwijls zeer duidelijke mimiek te
kennen geeft volkomen te begrijpen wat achter die deur, vóór welke
die twee paar schoenen geschaard staan, zich afspeelt. Zij zou gaarne
willen, dat niemand twijfel kon koesteren omtrent de wettigheid van
een en ander. Zij zou het de lui wel willen toeroepen, dat ze op een
echte eerlijke huwelijksreis is en niet maar op een snoepreisje of
zoo iets. Maar hoe dat de lui te doen begrijpen? Haar laarsjes is het
niet aan te zien, dat ze heusch ten stadhuize zijn geweest en dat het
huwelijk zoo het hoort in de registers van den burgerlijken stand is
ingeschreven. Maar ze heeft een inval. Als ze haar trouwring eens
aan den veter vastbond? Dan kon niemand iets van haar denken. Die
ring toch maakt alles fatsoenlijk wat daar zonder onfatsoenlijk
en een gemeene schande zou wezen in het oog van alle fatsoenlijke
menschen. En zoo besluit dan deze jonge vrouw haar trouwring 's
avonds aan de schoenveter te bevestigen, alvorens zij haar laarsjes
buiten de kamer zet. Dan kan iedereen zien dat achter die deur niets
onbehoorlijks voorvalt.
Het doel van zulke sexueele moraal schijnt: de "zonde" te verbannen
achter de gesloten deur en die deur een zoo onschuldig mogelijk
aanzien te geven. Terwijl het niettemin voor niemand een geheim is,
wat er achter die gesloten deur geschiedt. Dit is de vijgenbladmoraal,
wier hoogste beginsel is, dat het niet worde gezien. En de trouwste
aanhangers dezer leer laten het niet eens bij het bloote bewaren
van den schijn, maar veroordeelen in het openbaar met de hevigste
verontwaardiging en op de stelligste wijze datgene waaraan zij zich
achter de gesloten deur naar hartelust te goed doen. Men handelt naar
het oude monnikendevies: zooal niet kuisch, dan toch fatsoenlijk. En
zoo valt bijvoorbeeld dan het interessante feit te constateeren,
dat in elke hoogstfatsoenlijke stad over de geheele beschaafde
wereld behalve een luidruchtige dusgenaamde vroolijke buurt een nog
grootere stille buurt is, waar honderden of duizenden--al naar de
bevolkingssterkte--vrouwen wonen die haar onbekenden onderhouder
hebben, d.w.z. van stille prostitutie leven.
En het is de erotische humor in de eerste plaats, die die brave
fatsoenlijkheid openlijk te kijk zet. In woord en beeld verraadt hij,
hoe de brave Hendrikken de kat in het donker knijpen. En het komische
element is in deze soort erotische humor juist het verschil tusschen
den schijn en de werkelijkheid.
Men bespot dan niet het fatsoen, maar het simuleeren van fatsoen, het
vertoon van braafheid. Men stelt de onfatsoenlijkheden der fatsoenlijke
menschen bij voorkeur ten toon in de meest drastische vormen en
laat daartoe gaarne eenzelfden persoon een daad tegelijkertijd in
anderen afkeuren en zelf bedrijven. Hoogst komisch in dien trant is
bijvoorbeeld het geval, dat in fig. 118 in beeld is gebracht. Een
bewaker der openbare orde, tot wiens plicht het behoort ook oog
te houden op de openbare zedelijkheid, permiteert zich in het park
een vrijpartijtje met zijn Marie, doch ziet zich genoodzaakt deze
aangename bezigheid een oogenblik te onderbreken, teneinde in de
nabijheid een ander paar voor hetzelfde te gaan bekeuren. Van gelijke
strekking is het geval dat fig. 114 te zien geeft. Een ander komisch
element in het fatsoensvertoon is het zich onnoozel houden, en onkunde
veinzen in dingen, die men maar al te goed kent. De preutschen en
onnoozelen zijn gewoonlijk het best op de hoogte van en vertrouwd
met de dingen waarvoor zij zoo zedig de oogen neerslaan. De koddige
zijde van gemaakte zedigheid laat Thomas Rowlandson zien in zijn
humoreske van de ontstelde tante (fig. 116). Wandelend met nichtje
Sophie langs de Theems zien zij plotseling een troepje zwemmende
jongelieden. Het gezicht van al dat naakt doet tante hevig aan. O,
schandelijk van die mannen; kom Sophie, ik durf niet te kijken,
vertel me straks maar wat je allemaal gezien hebt, maar dadelijk hier
vandaan. En het nichtje, heel niet ontsteld, werpt een onverschilligen
blik op het tooneel, dat haar tante zoo beschaamd maakt en vindt er
blijkbaar weinig bijzonders in. Wie hier sexueel zuiver op de graat
is en wie niet, is niet moeilijk uit te maken. Van geheel anderen
aard is de ontsteltenis van den catechiseermeester van fig. 115, die
een vrouwelijke kennis in sportcostuum ontmoet en op het gezicht van
zooveel lichtzinnigheid en zoo diep zedelijk verval wanhopig uitroept:
O, moeder, dierbare moeder, gelooft ge dan niet meer aan God? Deze
satire hekelt de Droogstoppelzedigheid, voor wie alles wat zweemt
naar een vrijeren toon uit den booze is en die zich de deugd niet
anders kan voorstellen dan in hermetisch gesloten zwarte verpakking;
een zedigheid, die zoo wankel op de beenen staat, dat zij zichzelven
tegen den minsten aanstoot niet bestand weet, en zoo onsolied is dat
zij bij het minste haar evenwicht verliest.
De quintessence van alle vijgenbladmoraal is: het hoogste woord voeren
over sexueel-reinen levenswandel, maar incognito zich ruimschoots
schadeloos stellen--zich bezondigen aan sexueele buitensporigheden en
den schijn aannemen van ingetogenheid--in werkelijkheid zich overgeven
aan alle liederlijkheid, en uiterlijk toch fatsoenlijk blijven.