Instinctmatig koestert de mensch een onoverwinnelijken afkeer van

alles wat in het leven der sexen zweemt naar berekening, naar voordeel

trekken uit geslachtelijke verhoudingen. Onbewust gevoelt ieder--hoe

hij zelve ook te dien opzichte handelt--dat alle sexueele overgave

ter wille van voordeel kortweg prostitutie is. En wel vermaakt men

zich met de onschuldige domheden der echte, der blinde liefde, maar

in de vroolijkheid die zij wekt, ligt gul-blij meeleven. De "liefde"

daarentegen, die niet blind is, die nuchter rekent en zich verlaagt tot

koopwaar, vergiftigt het leven met de schrikkelijkste ontgoocheling,

met de ondragelijkste teleurstelling, en wordt bovendien nog vervolgd

met vernietigenden spot en overladen met hoon.

III.

HET STERKE EN HET ZWAKKE GESLACHT.

Wie vormen het zwakke geslacht, de mannen of de vrouwen? Wie het

zwakke, de vrouwen of de mannen?

Dat de mannen lichamelijk krachtiger van bouw zijn en steviger spieren

bezitten, is wel een voor de hand liggend, maar daarom nog volstrekt

geen afdoend antwoord op deze interessante vraag. Als een kind een

paard leidt, wie is dan de sterkste?

De mannen beschouwen zich gaarne als de sexe, die bestemd en

aangewezen is om te heerschen. In de wetten van alle volken zijn de

veronderstelde heerschersrechten van den man over de vrouw neergelegd

met een klaarheid en duidelijkheid, die men in wetten anders tevergeefs

zoekt. In alle godsdiensten is het onbeperkte heerschersrecht van den

man over de vrouw verheven tot een goddelijk gebod. Doch dit alles

leert ons alleen hoe de mannen, die de wetten en godsdiensten maken,

het gaarne willen hebben. Het bewijst nog in geenen deele dat de man

ook in werkelijkheid de vrouw in het algemeen regeert, en nog minder

bewijst het, dat elke man een vrouw weet te regeeren.

In uitspraken van wijzen en denkers, en in den spreekwoordenschat aller

volken zijn integendeel tallooze aanwijzingen, dat het niet alleen niet

zoo is, maar dat het precies andersom is--dat, al regeeren de vrouwen

de mannen niet officieel, toch de vrouw als regel het exemplaar van

het mannelijk geslacht regeert, waarmee zij speciaal te maken heeft,

nl. haar eigen man. En het schijnt, naar die uitspraken, die in korte

formules de ondervinding der eeuwen samenpersen, dat de mannen wel de

vrouwenwereld aan zich hebben onderworpen, in wet en godsdienst en

philosofie namelijk, maar dat slechts bij hooge uitzondering de man

die vrouw, of die vrouwen, waarmee hij persoonlijk te maken heeft,

weet te regeeren.

Een vrouw, zegt de kerkvader Hieronymus, heeft Adam, Simson,

David en Salomo ten val gebracht--wie zal dan tegen haar bestand

zijn? Hieronymus wil laten uitkomen, dat waar de eerste, de sterkste,

de dapperste en de wijste man tegen de vrouw het onderspit hebben

moeten delven, de rest van de mannenwereld maar alle hoop moet

opgeven de vrouw aan zich te onderwerpen. Reeds den ouden Grieken

was het trouwens niet ontgaan, dat er meer Xantippe's dan Socratessen

geboren werden.

In de zegswijzen, die de volkshumor de vrouw in den mond legt,

worden al dezelfde opvattingen gehuldigd, opvattingen die voor het

prestige van de mannen, die zich zoo gaarne tot heerscher uitverkoren

wanen, allerminst vleiend zijn. De man is het hoofd, erkent graag

iedere vrouw, doch ze haast zich er bij te voegen: dat de vrouw het

nekje is dat het hoofd doet draaien. Zulke spreekwijzen, die met de

eene hand terugnemen wat met de andere gegeven wordt, en waarin het

heerschersrecht van den man wordt erkend, maar zijn heerschersmacht

wordt bespot, zijn er vele. Bijvoorbeeld deze: De man mag en moet

de baas zijn, als hij de vrouw maar laat doen wat ze wil. En deze:

Vaart mijn man voor schipper, dan is mijn plaats aan het roer. En

deze: Aan den man komt 't bestuur van de boerderij toe, als hij de

zorg voor de boter maar aan de vrouw overlaat. Een gehoorzame vrouw

beveelt haar man. Vrouwen willen in den man een leidsman hebben, dien

zij kunnen leiden. Vrouwen kunnen alles, zegt een Fransch spreekwoord,

want zij regeeren de mannen, die de wereld regeeren. Vondel zingt:

Het vrouwvolk ringeloort en knevelt mannenkracht.

Afgaande op deze en dergelijke uitspraken en spreekwijzen schijnt de

toestand zoo, dat de man de officieele heerscher is in de wereld,

en dat de vrouw in de praktijk, zoo niet de mannen, die toch haar

man regeert. Anders gezegd: hem de schijn, haar het wezen. Waar

deze toestand ter sprake komt geschiedt dit altijd in komischen,

humoristischen toon. De komische elementen van dien toestand zijn

dat man, eenerzijds lichamelijk de sterkere, anderzijds de door alle

geestelijke en moreele machten tot heerscher over de vrouw aangewezene,

in werkelijkheid de zwakste is. De tegenstelling, dat het sterke,

groote en logge geleid, bestuurd, geregeerd wordt door het zwakkere,

werkt drastisch op den zin voor het komische. En wijl het vooral

de mannen zelf zijn, die met hun afhankelijkheid van het schepsel

dat zij voorgeven te moeten beheerschen, den spot drijven, is hier

wellicht tevens een poging te zien om in de situatie tenminste een

houding aan te nemen! De houding n.l., dat men het daarmee eigenlijk

niet zoo ernstig neemt. Behalve dan nog dat spot en humor der mannen

middelen zijn om hun ergernis lucht te geven en zich op aangename

manier te wreken over hun onmacht jegens de machtelooze.

De oude Romeinen dachten over de moeilijkheid een vrouw te

regeeren al precies als wij en zij hebben hun gedachten in tallooze

drastisch-komische bon-mots geformuleerd. "Wie zich met alle geweld

veel drukte en beslommeringen op den hals wil halen," zegt Plautus,

"die moet zich maar een schip en een vrouw aanschaffen. Want er is

niets ter wereld waarmee men meer moeite heeft en meer last, dan met

vrouwen en schepen." Op een andere plaats, zegt deze zelfde dichter:

"onder de vrouwen valt geen keus te doen, er zijn geen goede en

slechte, er is geen enkele die deugt."

Even weinig vleiend was het antwoord dat Cicero gaf aan degenen

die hem rieden een andere vrouw te nemen toen hij zijn eerste had

weggejaagd: "Weet ge dan niet, mijn vrienden, dat het onmogelijk is

zich tegelijkertijd met vrouwen en met wijsbegeerte in te laten?" Het

wordt zonder meer als een onbestreden waarheid erkend, dat eerstens

alle vrouwen heerschzuchtig zijn, en ten tweede, dat alle vrouwen er

tenslotte in slagen het daarheen te leiden, dat zij haar heerschzucht

kunnen botvieren.

Plaire, charmer, séduire

Est leur bonheur dans leur printemps,

Mais gouverner, avoir l'empire

Est leur plaisir dans tous les temps.

Wel zijn er misschien vrouwen wier fijn vrouwelijk instinct haar

zegt, dat het mooier is een man van talent te gehoorzamen dan een

dwaas te leiden, en die inzien, dat een echtgenoote, die verplicht is

als echtgenoot te denken, te bestieren, op te treden, eigenlijk noch

vrouw noch man is, maar de beminnelijkheid harer sexe verliest, zonder

meer dan een karikatuur der eigenschappen van het sterke geslacht

te verwerven. Maar als er zulke vrouwen bestaan, dan is haar aantal

ongetwijfeld gering. Het meerendeel der leden van het zwakke geslacht

wil heerschen, minstens over het exemplaar van het sterke geslacht,

waarmee zij door het toeval hoe dan ook voor het leven verbonden

zijn geraakt.

Voert de man den strijd met de vrouw om de oppermacht altijd zoo,

dat zij, hoewel ten slotte overwinnares, toch eerbied moet hebben

voor 's mans moreele weerkracht? Of staat het misschien zoo, dat de

vrouw zoo weinig strijdbaarheid bij den man ontmoet, dat het zwakke

zelfs dit negatieve motief niet heeft om het dusgenaamd sterke nog

min of meer te achten? Zoowel voor het eene als voor het andere zijn

voorbeelden aan te voeren, zoodat het geraden is ook op deze vragen

een definitief antwoord voorzichtig te ontwijken.

Ongetwijfeld heeft iedere vrouw van nature iets in zich van den

tegenstrevenden strijdlust, die geen blinde volgzaamheid, maar

integendeel krachtig verzet begeert en dat alleen om het genot te

smaken die te overwinnen--zooals dit wordt geteekend in de volgende,

als komisch bedoelde persiflage eener "moderne" of "vrije vrouw",

die intusschen niets moderns heeft, maar slechts een der integreerende

deelen van het Ewig Weibliche wat duidelijk naar voren laat komen:

"Het moderne meisje hoorde het huwelijksaanzoek van den modernen

jonkman aan en zei: U is bereid het voorschrift: de vrouw is haar man

gehoorzaamheid verschuldigd! uit uw woordenboek te schrappen?--Ten

volle bereid.--En mag ik mijn eigen huissleutel hebben?--Daarin

zie ik geen bezwaar.--En zou u me toestaan te gaan waarheen ik wil

en zoo laat thuis te komen als ik goedvind?--Zeer zeker.--Als we

kinderen krijgen, wilt u ze dan verzorgen?--Met genoegen, als het

moet.--En wilt u ook met de dienstboden omgaan, ze huren, nagaan

en ontslaan?--Natuurlijk.--Dan moet ik van een huwelijk met u niets

hebben, mijnheer.

--Waarom niet, stamelde de huwelijkscandidaat teleurgesteld, ik stem

toch in alles toe wat u verlangt.--Dat is het juist. Ik wil een man

hebben, die mij alles weigert. Alleen dan verwacht ik genoegen van

het huwelijk.--Wil u dan geen man, die uw zin doet in alles wat u

verlangt?--Neen, ik wil een man, die me juist alles weigert wat ik

verlang. Dan zal ik er hem toe brengen het toch te doen. Mijn ideaal

van een gelukkig huwelijk is nooit zoo maar mijn zin te krijgen

van mijn man, nooit vrijelijk te mogen doen wat ik wil, maar hem te

dwingen te doen wat hij niet wil. Als hij het uit eigen beweging wel

wil doen, heeft het voor mij geen waarde meer. Ik moet er hem toe

gedwongen hebben."

Ook uit sommige boekdeelen sprekende verzuchtingen van mannen, schijnt

op te maken, dat zij in den strijd tegen de vrouwelijke heerschzucht

maar heel weinig lauweren hebben weten te behalen.

't Is in een huis geheel verdraaid.

Waar 't haantje zwijgt en 't hentje kraait.

Deze klacht illustreert maar al te duidelijk de positie van

't haantje, dat hier zijn berijmde verzuchting slaakt. Het is de

taal van dengene, die het hoofd schudt, over wat niet meer valt te

veranderen, doch tegelijkertijd den strijd tegen het onvermijdelijke

afgemat en uitgeput maar opgeeft. Dezelfde geestestoestand spreekt

uit de volgende verzuchting: Er zijn toch nog twee zachte, lieve

vrouwen op de wereld, maar de eene is nergens te vinden en de

andere is zoek. Waarvan de gelijkgestemde pendant luidt: Er is

maar één kwaad wijf op de wereld, en ieder meent dat juist hij

haar heeft. Wie een kwaad wijf krijgt, zegt de boer, die heeft zijn

mannetje gevonden. Van veel overwinningsgewisheid in den strijd met

de vrouw om de hegemonie getuigen ook niet exclamaties als deze,

die naar men wil een gebruikelijke verzuchting is van de bruidegoms

in het schoon Italië: Wanneer ge een paard koopt of een vrouw neemt,

sluit uw oogen en beveel Gode uw ziel.

De vraag rijst natuurlijk, hoe het dan toch komt, dat de lichamelijk

zwakkere vrouw zulk een tirannie kan uitoefenen over den sterken

man? Over welke onfeilbare wapens beschikt zij dan toch, om den man

met zoo groote zekerheid er onder te krijgen en er onder te houden?

Men heeft op deze vraag allerlei antwoorden klaar. De geliefkoosde

wapens die men de vrouw toedicht, en waar de man niet tegen bestand zou

zijn, zijn haar listen. Het arsenaal der vrouw bevat als voornaamste

wapens list en sluwheid. De diepste oorzaak van der mannen onmacht

om der vrouwen heerschzucht op den duur weerstand te bieden ligt

natuurlijk in de zinnelijkheid van den man. Waar de man zwicht voor

de andere sexe, zwicht hij niet voor de vrouw, maar voor het wijfje.

De sexueele philosoof ziet de oorzaak van de tegenstelling tusschen de

sexen in de wettelijke en economische overheersching van de vrouw door

den man. Deze overheersching bestaat overal en zoolang zij bestaat,

zal er tusschen man en vrouw strijd zijn. Den eigen man te regeeren,

in de eigen woning den schepter te voeren en te heerschen, dat zal

de natuurlijke wraak van de vrouw blijven wegens hare officieel

gedecreteerde onderworpenheid aan den man. In den strijd om de

heerschappij in de echtelijke woning heeft zij velerlei omstandigheden

in haar voordeel, met het gevolg, dat zij meestal overwinnaar blijft

in dien strijd, in weerwil van alle verzuchtingen der mannenwereld.

Dat zij overwinnaar is en daarvan een gepast gebruik weet te maken,

dat leert ons in de eerste plaats de erotische humor. Daarin is wel

geen thema zoo afgezaagd als juist dit.

De heerschzucht van de vrouw in spot en satire te brandmerken is weer

de wraak van den man, die zich in zijn nederlaag in zijn heiligste

rechten beleedigd voelt en toch niet in staat is het droeve feit

te verhelpen.

Om zijn nederlagen te bemantelen, stelt de man het gaarne zoo voor,

dat hij die lijdt wijl er zulke oneerlijke wapens tegen hem worden

gebezigd: sluwheid, arglistigheid en tallooze streken, die hem

aantasten op zijn zwakke punten, in zijn zachtere gevoelens. De

vrouw, zoo maakt de man zich gaarne wijs, zegeviert door met haar

tranen en haar streken te speculeeren op zijn goed vertrouwen,

op zijn zachtmoedigheid jegens het zwakkere, op al wat er goeds

en menschelijks in hem is. Zoo haalt de man zelfs uit zijn onmacht

jegens de vrouw nog weer bewijzen voor zijn superieuriteit en zijn

meerderwaardigheid. Tevens schenken zulke redeneeringen hem eenigen

troost in zijn nederlagen.

Intusschen wreekt hij zich zonder genade door de vrouw voor te stellen

als een sluw, listig, bedriegelijk, leugenachtig wezen. Volgens de

gebruikelijke voorstelling van den man is ieder woord, ieder gebaar van

de vrouw een valstrik, een krijgslist, om haar zin te krijgen, den man

te verleiden, haar macht te vermeerderen of te bevestigen. Over der

vrouwen list is de mannenwereld nooit uitgepraat. Om de menschheid

toch maar goed ervan te doordringen hoe listig de vrouwen zijn,

verzinnen de mannen de onmogelijkste verhalen. Als voorbeeld daarvan

citeeren wij hier, in hoofdzaak, Filomena's vertelling van de listen

eener verliefde vrouw, uit Boccaccio's Decamerone.

Er was in een stad, waar meer bedrog dan trouw te vinden was, eens

een schoone vrouw, begiftigd met geestkracht en schranderheid, doch

uitgehuwelijkt aan een wever, dien zij niet achtte. Zij werd hevig

verliefd op een edelman. Deze wist daarvan natuurlijk niets af en

zij durfde het niet te wagen het hem te laten blijken. Zij bemerkte

dat hij veel omgang had met een vromen geestelijke, en zij besloot

deze zijns ondanks als tusschenpersoon te gebruiken. Zij ging bij

hem biechten en zei daarna:

--Vader, er is iemand, zijn naam is mij onbekend, op het oog is hij

een achtenswaardig man, die het er op toe schijnt te leggen, het mij,

eerbare vrouw, lastig te maken. Ik kan mij niet aan deur of venster

vertoonen en niet uitgaan, of ik merk dat hij in de nabijheid is. Ik

ben bang dat ik daardoor ten laatste in opspraak zal komen. Om

schandaal te vermijden heb ik tot nu toe gezwegen, en ik heb ten

slotte besloten het aan u te zeggen, omdat het mij bekend is dat u

zijn vriend bent. En ik verzoek u hem hierover te berispen en hem te

vragen er mee op te houden. Hier boog zij het hoofd en scheen op het

punt in schreien uit te barsten.

De geestelijke begreep spoedig wien zij bedoelde en beloofde de vrouw

hem zoo onder handen te zullen nemen, dat zij geen last meer van hem

zou hebben.

--Mocht hij het soms ontkennen, zeide zij nog, zeg hem dan dat ik

zelf er bij u over geklaagd heb.

De vrome broeder deed wat hij beloofd had en de edelman, slimmer

dan hij, begon al gauw de list van de klaagster te doorzien. Hij

antwoordde, schaamte veinzende, dat hij er zich voortaan van onthouden

zou. Maar hij ging regelrecht naar de woning der klagende dame,

die als gewoonlijk aan haar venster zat en dus zag dat hij voorbij

ging. Zij groette hem zoo vriendelijk, dat hij in zijn vermoedens

werd versterkt. En van dien dag af ging hij zeer dikwijls haar huis

voorbij. Toen de vrouw dit bemerkte begaf ze zich, om hem wat aan te

vuren, opnieuw naar den vromen geestelijke en zeide:

--Vader, wat ik te zeggen heb betreft weer dien van God verlaten

vriend van u.

--Wat, heeft hij niet opgehouden u lastig te vallen?

--Volstrekt niet, antwoordde zij. Nadat ik me bij u beklaagd heb,

is hij, zeker om mij te tarten en zich te wreken, voor elken keer dat

hij eerst voorbijkwam wel zevenmaal gekomen. En hij is zoo driest en

onbeschaamd geworden, dat hij gisteren zelfs zijn dienstmeisje naar

me toe heeft gestuurd met allerlei praatjes en met een beurs en een

ceintuur, alsof ik die niet genoeg heb. Ik heb niets willen doen voor

ik u alles gezegd had. De beurs en de ceintuur heb ik meegebracht en

ik wil u vragen ze hem terug te geven en hem te zeggen dat ik niets

van hem noodig heb.

Dit zeggende haalde zij beide door haar genoemde voorwerpen, hevig

schreiende, van onder haar kleed en gaf ze den geestelijke, die ze

aannam met de woorden:

--Mijn dochter, ik heb hem vermaand en hij heeft beloofd het na te

laten, maar naar ik zie heeft hij zijn belofte slecht gehouden. Ik zal

nu zorgen dat hij u wel verder met rust laat. Spreek er evenwel tot

niemand over, want dat zou voor hem te ernstige gevolgen kunnen hebben.

Niet begrijpende hoe hij om den tuin werd geleid liet hij zijn vriend

bij zich roepen en deze merkte aan zijn verstoord gezicht terstond,

dat er iets nieuws voor hem was. De geestelijke herhaalde wat hij den

eersten keer had gezegd, en berispte hem in scherpe woorden opnieuw

voor wat hij zulk een fatsoenlijke vrouw aandeed. De edelman, die de

zaak nog niet ten volle begreep, ontkende flauwtjes, vooral wat betreft

de beurs en de ceintuur droeg hij zorg zich niet bloot te geven.

--Wat, durf je nog ontkennen ook? Schreiende heeft de vrouw deze

dingen hier gebracht. Kijk goed of je ze herkent.

De edelman, veinzende zich zeer te schamen, antwoordde: Ja ik herken

ze, en ik beken dat ik slecht heb gehandeld; maar ik zweer u dat het

nu uit is, nu ik zie welk een vrouw zij is.

Er werd nog in den breede over het geval gesproken en ten slotte gaf

de broeder beurs en ceintuur aan zijn vriend, met vele vermaningen er

nu toch mee op te houden, wat de andere ten stelligste beloofde. De

edelman ging zeer verheugd heen, eerstens over de zekerheid, die hij

nu meende te hebben van de liefde der schoone vrouw jegens hem, en ten

tweede over het fraaie geschenk. Hij plaatste zich zoo voor haar huis,

dat hij, zonder teveel de aandacht van anderen te trekken, haar kon

laten zien, dat de beide voorwerpen in zijn bezit waren gekomen. Zij

van haar kant verblijdde zich daar ten zeerste over, ook omdat het voor

haar een bewijs was dat haar list ten volle slaagde. En zij wachtte

nu alleen nog maar op een gunstige gelegenheid om den beslissenden

stap te doen. Deze deed zich weldra voor. Haar man moest voor zijn

zaken naar Genua en nauwelijks was hij 's morgens te paard gestegen

en weggereden, of zijn vrouw ging naar den vromen broeder en met veel

zuchten en tranen zeide ze hem:

--O vader, nu kan het toch niet langer zoo; ik heb u beloofd niets

te zullen doen zonder er u in te kennen, en ik kom bij u om van die

belofte ontheven te worden. Als ik u vertel wat uw vriend als een

helsche duivel van ochtend jegens mij heeft bedreven, dan zal het u

duidelijk zijn dat ik reden heb om bedroefd en wanhopend te zijn. Het

schijnt, dat hij door een of ander ongelukkig toeval vernomen heeft,

dat mijn man de stad is uitgegaan naar Genua. In elk geval is hij

vanmorgen den tuin binnengedrongen en in een boom geklommen, vlak

bij mijn kamer, die aan de tuinzijde ligt. Hij had het venster al

open gemaakt en wilde de kamer instappen, toen ik wakker werd en

om hulp begon te roepen. En ik zou net zoo lang geroepen hebben tot

er hulp was gekomen, als hij mij niet gesmeekt had genade met hem te

hebben. Hij zeide meteen wie hij was en noemde daarbij ook uw naam. Uit

liefde jegens u heb ik toen niet meer geroepen, maar ik ben uit het bed

gesprongen en heb het venster voor zijn neus dichtgeslagen. Ik geloof

dat hij toen kwaad is weggegaan, want ik heb hem niet meer gezien

of gehoord. Oordeel nu zelf, of dat nog langer zoo mag doorgaan,

ik heb in elk geval geen plan nog meer van hem te verduren, ik heb

uit eerbied voor u al te veel van hem verdragen.

--Mijn dochter, zei hierop de geestelijke, ik kan niet anders

zeggen dan dat het nu werkelijk al te driest en al te slecht wordt

van dien man. Maar volg nog eenmaal mijn raad en zeg niets aan uw

verwanten. Laat mij ook dezen keer nog begaan en ik zal zien of

ik dien losgebroken duivel, dien ik voor een braaf man hield, niet

kan bedwingen. En als het mij dezen keer mag gelukken hem van zijn

beestachtige neiging tot inkeer te brengen, laat het dan daarmee

uit zijn. Maar lukt het mij niet, dan geef ik u mijn zegen en mijn

toestemming om datgene te doen wat uw gevoel u zegt dat welgedaan is.

--Nu, zeide zij, ook dezen keer wil ik u niet ongehoorzaam zijn. Maar

doe uw uiterste best dat hij er mee ophoudt mij langer lastig

te vallen. Want nogmaals bij u terugkomen voor hetzelfde doe ik

niet meer. En zonder een woord meer er bij te voegen ging ze als

ontevreden heen.

Nauwelijks was ze weg of de edelman trad de kerk binnen. De geestelijke

nam hem terzijde en begon hem op de strengste en krenkendste wijze

te bestraffen. De edelman hield zich van den domme, en vroeg: Waarom

zoo boos, eerwaarde?

--Zoo'n onbeschaamde, riep de broeder uit. Hij houdt zich of hij het

niet meer weet, of hij het is vergeten, alsof het al jaren geleden

is. Kan je je niet meer herinneren, hoe je van morgen iemand beleedigd

hebt? Waar ben je bij het aanbreken van den dag geweest?

--Dat weet ik niet, antwoordde de edelman, maar u hebt er wel heel

gauw bericht van gekregen.

--Dat heb ik, zei de geestelijke. Je dacht zeker, nu de man van

die brave vrouw afwezig is, dat ze je zoo maar met open armen

ontvangen zou, jij tuinsluiper en boomenklimmer. Je bent haar tuin

binnengedrongen, in een boom voor haar venster geklommen, hebt haar

zoo willen overvallen. Dat is je niet meegevallen. Onthoud nu,

dat ze van niets ter wereld zoo'n afschuw heeft als van zulk een

handelwijze. Aan mijn berispingen noch aan haar afwijzingen schijn

je je te storen. Maar ik wil alleen nog maar dit zeggen, tot nog toe

heeft ze de zaak voor zich gehouden, doch alleen op mijn dringend

verzoek, maar nu is het uit, nu zal ze niet langer zwijgen, ik heb

haar toegestaan naar goeddunken te handelen als je haar nogmaals

lastig valt. En bedenk wat het zijn zal als ze het aan haar man en

haar broers vertelt!

De edelman, die nu precies wist wat hij te doen had, bracht den

broeder door overvloedige beloften en verzekeringen tot kalmte en

ging heen. Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag sloop

hij den tuin van de vrouw die zich zoo over hem beklaagde binnen,

klom in den boom voor het venster, vond dit open, stapte naar binnen

en vleide zich in de armen van de brave vrouw, die hem blijkbaar

met groot verlangen verwacht had en vol vreugde zeide: Laten wij den

goeden broeder danken, die je zoo goed den weg hierheen heeft gewezen.

En vervolgens, genietende van elkanders liefde, praatten zij druk

over de snuggerheid van den eerwaarde, lachten om de weverskraam van

haar man, gaven zich opgetogen over aan het genot. En daarna regelden

zij het zoo, dat zij den broeder niet meer noodig hadden om nog vele

malen genoegelijk samen te zijn.

Welke reden de mannenwereld ook aanvoert ter verklaring van het feit,

dat de sterke man in den regel moet onderdoen voor de zwakke vrouw,

waardoor het dusgenaamde sterke geslacht eigenlijk het zwakke moest

genoemd worden en het zwakke het sterke, altijd slaat zij daarbij bij

voorkeur den komischen toon aan. Zoo komisch is het verschijnsel in

zichzelve, dat men er niet anders over kan spreken dan in spottenden

toon.

Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven · 第 4 / 10 段