De natuurlijke liefde echter laat zich niet zoo beperken. Zij weet

van geen banden, laat zich niet leiden of africhten. Liefde moet

blind zijn of zij zal niet zijn. Opvoeding tot minnen uitsluitend

of voornamelijk om voordeel is--als die opvoeding tenminste niet

langs het voorwerp er van afglijdt of er op afstuit--uitroeiïng van

de vatbaarheid voor werkelijk minnen. Ontstaat er dan een sexueele

verhouding, die den opvoeder bevredigt, die dus voordeelig is en

standesgemäss en wat dies meer zij, dan is liefde daaraan in den regel

volkomen vreemd. Zoo ontstaan er onder de heerschappij der beschaving

tallooze sexueele verhoudingen--huwelijken--die alle daarbij direct of

indirect betrokken partijen en alle verdere belangstellenden volkomen

bevredigen, en die toch een sexueele mislukking zijn, wijl juist de

eenige factor, die een duurzame sexueele bevrediging waarborgt--liefde

en zinnelijkheid--ontbreekt. Waar liefde niet blind is, daar is

zij niet echt, daar is geen liefde. En elke sexueele verbintenis,

die niet op liefde berust, is onteerend. Maar bovendien is zulk

een verbintenis een bron van spot en hoon, zelfs van dezulken, die

persoonlijk niet anders zouden hebben gehandeld, die eigenlijk wel

de goede partij, welke die of die heeft gedaan benijden, maar zich

toch aan het vergrijp tegen de natuur ergeren. Achter elke sexueele

verhouding zonder liefde, alleen om de baat en het voordeel, louter uit

berekening en overleg gesloten, omdat het een goede partij was enz.,

verheffen zich spottende stemmen, die rusteloos en zonder erbarmen hun

hoon en verguizing over die verhouding uitstorten en ze met den vurigen

ijver van den haat rusteloos vervolgen en prijsgeven aan verachting.

Ook niet-blinde liefde of wat in dit opzicht voor liefde doorgaat,

is dus een bron van humor, evenals de wèl blinde liefde. Zij is

dit zelfs veel meer. Maar er welt een heel andere soort humor uit

op. Met de blinde liefde vermaakt men zich, maar men eert haar. Men

lacht goedmoedig om de komische kanten er van, maar men verheugt en

verblijdt zich over die komische kanten; men duidt die niet ten kwade,

maar verontschuldigt ze en billijkt ze.

Geheel anders is het met de sexueele verhoudingen, die niet aan

blindheid lijden en waarbij heel niet dwaas wordt gehandeld, maar die

gesloten zijn als uitkomst eener nauwkeurige berekening. Bij instinct

veracht zelfs degene, die niet anders zou handelen als de gelegenheid

zich aanbood, zulke verhoudingen, bespot en beschimpt ze. De dwaasheden

der blinde liefde zijn gelukschenkende belooningen voor gehoorzaamheid

aan de natuur, de erger dwaasheden der berekenende schijnliefde

zijn de straf voor het verlaten van de wegen der natuur. En de

waarnemende mensch met scherp sexueel onderscheidingsvermogen ziet

aan die schijnliefde veel meer komische, dwaze, belachelijke en

bespottelijke kanten, dan aan de blinde liefde. En al dat komische,

dwaze enz. wekt geen gemoedelijken, in werkelijkheid meelevenden

glimlach, maar diepgevoelde ergernis. Men ziet immers een menschenpaar

niet dwaas en bespottelijk handelen in gehoorzaamheid aan een wet der

natuur, maar een karikatuur maken van het beste wat voor den mensch is

weggelegd. Dit wekt ergernis en op de lippen komt bij het aanschouwen

daarvan geen instemmende glimlach, maar de grijns van verachting

en zij stooten spotternij en hoon uit, om te wonden, te grieven,

te kwetsen. Waar verstandsliefde komisch wordt voorgesteld, daar zit

altijd de bedoeling voor om fel te wonden, wrekende strafoefening te

houden over de gepleegde majesteitsschennis jegens de liefde.

Iedere sexueele verhouding, die op eenigerlei wijze een karikatuur is,

kan er zich van verzekerd houden, dat zij van alle kanten, openlijk of

in stilte, gehoond, belachelijk gemaakt en verguisd wordt, bijvoorbeeld

op de manier vervat in de volgende karikatuur op de gekochte vrouw.

--Mijnheer, zei de jonge, mooie, pas getrouwde vrouw, tot den man, die

sinds een paar uren haar man was, een al vrij bejaarden bankier,--met

wien ze door koppelaarster of huwelijksmakelaar in connectie was

gekomen, waarna ze het door welberekende tactiek inplaats van alleen

maar tot maîtresse tot echtgenoote had gebracht,--Mijnheer, we zijn

hier in ons bruidsvertrek, geloof ik, het bed, waarin ik hier lig,

is bestemd als bruidsbed, en mij wacht, niets wijst op het tegendeel,

het gebruikelijke lot van een bruid in den bruidsnacht. Maar alvorens

ge uw verwachting te hoog spant, mijnheer, een paar woorden, die

zeker van invloed zullen zijn op onze toekomstige verhouding jegens

elkaar.... Neen, blijf daar zitten... Ik weet wel, de wet geeft je het

recht op een plaats hier naast mij, maar welbegrepen eigenbelang--een

geliefkoosde uitdrukking van je, niet waar?--dwingt een mensch vaak

van zijn recht geen gebruik te maken. Nu, ik erken het recht, waar ik

van sprak, en ik ga je nu bewijzen dat het in je welbegrepen belang

is, van dat recht geen gebruik te maken.

Stom van verbazing staarde de met zoo zonderlinge woorden ontvangen

bruidegom de mooie spreekster aan, die daar overeind zat met den

elleboog op het kussen, waarop het weelderig blonde haar neergolfde,

met half ontblooten schouder in een wolk van kant, heerlijk in haar

glorie van jonge vrouw.

--Als ik je zeide, mijnheer, dat ik voor je persoon iets anders

gevoel dan den meest diepen afschuw, dan zou je het recht hebben me

een laffe huichelaarster te noemen. Dat verwijt wil ik voorkomen. Wees

er zeker van, dat ik al den tijd dat ik je ken eenvoudig van je gruw,

en mijn afkeer is nog van uur tot uur toegenomen, tot op dit oogenblik

toe. En ongegrond is die afkeer zeker niet. Want welk een dunk je

van jezelf moogt hebben, mijnheer, het is je toch zeker bekend,

dat je het tegendeel bent van een Adonis met je kalen schedel en je

behaarde neusgaten, je gele loensoogen en je lippen die doen denken

aan de mummies in het museum. Je zult dus zelf wel niet meenen,

dat je een meisje van twintig jaar kunt bekoren.

De zoo toegesproken bruidegom liet zich met een halfgesmoorde vloek

in een fauteuil vallen.

De bruid vervolgde:

--Maar ook in een wanstaltig lichaam kan een schoone ziel huizen. Hoe

staat het in dit opzicht met jou, mijnheer? Laten we je moreele

hoedanigheden eens bekijken. Ik moet zeggen, ik heb nog geen andere

bij je aangetroffen dan lage en gemeene. Je moreele eigenschappen zijn

in overeenstemming met je uiterlijk voorkomen, in dit opzicht vertoon

je een zeldzame harmonie. Wie er lust in heeft te spreken tegen een

keisteen, die moet zich richten tot jouw geweten. En dingen als liefde,

toewijding, edelmoedigheid, mildheid, medelijden met het zwakke, deze

ken je zelfs niet bij name. Mijnheer, je bent nu mijn man, je hebt,

behalve andere rechten, ook het recht te weten hoe je vrouwtje over je

denkt; nu, luister: ik vind je lichamelijk een wangedrocht en moreel

een ploert. Ik weet bijvoorbeeld zoo ongeveer hoe je aan je vele geld

bent gekomen. En bovendien ben je stompzinnig als een idioot. 't Is

waar, we kunnen allemaal geen genieën zijn. Maar er zijn graden in

de geestelijke botheid--je staat beneden den laagsten graad. Onder

de heerlijkste muziek heb ik je beursnoteeringen zien nazien of in

slaap vallen, en ik heb nog niets anders van je gehoord dan grofheden,

domheden en lompheden.

--Voor den donder, barstte de bruidegom hier los, als ik zoo ben,

waarom ben je dan met me getrouwd?

--Mijnheer, alleen omdat je geld hebt. En na een oogenblik ging

ze voort:

--Werkelijk, alleen omdat je geld hebt. Het valt niet te ontkennen,

dat geld iets heerlijks is. Met geld kan men alles krijgen wat men

maar wil, dat heb je weer ondervonden met mij. Maar dat men van alles

wat men kan krijgen, ook pleizier moet hebben, dat volgt daar nog

niet uit: ook dit zal je ondervinden met mij. Ik laat daar, hoe je

aan je geld bent gekomen, door welke woekerpractijken, bedriegerijen

en schandelijkheden je het hebt bij elkaar geharkt, ik weet dat geen

vorm van oneerlijkheid je vreemd is en dat je talloze menschen in

ellende hebt gebracht. Ik wend me met afkeer af van de middelen die

je hebt toegepast, ik aanvaard en waardeer echter het resultaat. Ik

heb eens deze schoone spreuk gelezen: "Geld bewaart niet den stank

van zijn herkomst, het verspreidt slechts den zoeten geur van wat

het zijn zal." Non olet, mijnheer, dat was mijn leuze waaronder ik je

vrouw ben geworden. Ik arm mooi meisje wilde niet arm blijven, maar

rijk zijn. Er bestonden voor mij maar twee wegen: de maîtresse of de

vrouw te worden van een rijkaard. Het toeval heeft me een derden weg

aangewezen. Ik heb nu jou zonder dat jij mij hebt en daarover wil ik

nu met je praten. Ik heb willen trouwen om alles te kunnen weigeren

en alles te kunnen eischen. We zijn nu getrouwd--en ik ben zoomin je

vrouw als je maîtresse. Daarin moet je berusten.

--Hou op, dreigde de bruidegom.

--Ik begrijp, mijnheer, dat mijn woorden je wat vreemd in de ooren

klinken. Ik zal het kort maken. Wees zoo goed, mijnheer, en kijk eens

uit het raam, of er aan de overkant niet iemand heen en weer loopt,

die nu en dan naar boven kijkt naar dit verlichte venster.

De bruidegom verroerde zich niet.

--Nu, zeide de bruid, moet ik het nog eens zeggen?

De bruidegom stond op, ging naar het raam, schoof het gordijn ter

zijde en deed wat hem gezegd was.

--Er loopt aan de overkant iemand heen en weer, een manspersoon.

--Juist, mijnheer, een jongeman, even mooi als een zekere iemand

hier leelijk is, even edel als bedoelde iemand laaghartig, en even

intelligent als die persoon stupide, even arm ook als mijn man rijk. En

die persoon, mijnheer, is het, die in dit bruidsbed mijn bruidegom zal

zijn. Hem heb ik lief, .... doe niet zoo onrustig. Ge hebt zoo vaak

opgestreken wat anderen toekwam, schik je voor een keer ook eens in

de tegenovergestelde rol. We hebben dat zoo afgesproken, en hij wacht

nu maar tot hij een teeken krijgt, en ik, als vrouw van een bankier,

moet bediend worden. Wees dus mijn bediende en geef zoo meteen het

afgesproken teeken.

De bruidegom maakte een beweging als om zich op de spreekster te

werpen, haar te worgen, te verscheuren, neer te slaan.

--Raak me niet aan, mijnheer, waarschuwde ze zacht, maar beslist. Ik

zou zoo gillen, dat het huizen ver was te hooren.

Hij viel terug in zijn fauteuil.

--Laten we kort zijn, vervolgde de bruid. Ik heb je getrouwd, omdat

je geld hebt, maar je vrouw, zoo men dat noemt, wil ik niet zijn,

omdat je uiterlijk een gedrocht en innerlijk een fielt bent. Ik behoor

toe aan dien jongeman, die daar buiten wacht. Hem wil ik hier hebben,

in deze bruidskamer, in dit bruidsbed. Ik weet, je kunt probeeren dat

te verhinderen, je kunt op een of andere manier met geweld nemen wat

je niet ten onrechte als je recht beschouwt. Maar ik zal me op elke

denkbare manier verweren en me op honderd manieren wreken. Eerst zal ik

me verzetten met tanden en nagels, en zorgen dat je gezicht de sporen

draagt van mijn verweer, en ook zorgen dat de heele wereld verneemt,

hoe zich dat heeft toegedragen. En nog op alle andere manieren zal

ik me verweren, het zou hier een slagveld worden inplaats van een

bruidsbed. Ongetwijfeld zouden uw huisknechts en dienstboden te hulp

komen of tenminste alles komen afluisteren. En morgen den dag zou

ik me openlijk, hier in huis, geven aan den eerste den beste,--aan

den huisknecht, aan den tuinman, aan iedereen, voor ieders oogen. In

minder dan een week zou je de meest bespotte man uit de stad zijn,

men zou je op straat naroepen. Ik zweer je, dat alles precies zoo

gebeuren zou. Als je mijn geheimen minnaar hier toegang belet, heb

je morgen openlijk twintig.... medeminnaars zal ik maar zeggen. Wees

dus verstandig, voor zoover je dat mogelijk is. Laten we elkaar het

leven niet noodeloos vergallen. Als je nu meteen het raam opent, en

driemaal in de handen klapt, en dan zorgt, dat men van straat af kan

binnenkomen, en je hier niet meer vertoont voor morgenochtend negen

uur, dan is alles in orde. Wat er hier gebeurt, zal dan niemand ooit

vernemen, het zal ons geheimpje blijven. Ik ben en blijf dan voor

de wereld je lieve vrouwtje. Doe je niet wat ik verlang, dan heb je

morgen je vrouw al te deelen met twintig anderen; doe je het wel, dan

blijft alles onder ons; ik ben dan tevreden en je kunt staat maken

op mijn dankbaarheid, en die zal me misschien morgen of overmorgen

bewegen het recht, dat de wet je op mij geeft, te erkennen. Maar voor

van nacht wil ik het zoo, zooals ik gezegd heb. En doe nu het licht

uit doe wat ik gezegd heb en doe verder precies of ik er niet ben.

Een kwartier later klonk uit het geopende venster van het bruidsvertrek

driemaal een zacht handgeklap....

Rondom elke karikaturige sexueele verhouding worden dergelijke

persiflages gefluisterd en in dit opzicht is de vindingrijkheid van

de straffende sexueele gerechtigheid grenzenloos.

Haar strafmiddel is de spot, en om zoo pijnlijk mogelijk te treffen,

wordt het karikatuurachtige in het geval nog karikatuurachtig

overdreven. Is echter in een karikatuurachtige sexueele verhouding

slechts een der partijen schuldig, dan zegeviert ook ten deze weer het

rechtsgevoel, en wordt de onschuldige partij of ongemoeid gelaten of

verschoond, of als beklagenswaardig slachtoffer voorgesteld. En dan

wordt de voorstelling van het geval bijvoorbeeld als volgt.

--Op het lijk van den zelfmoordenaar werd het volgende schrijven

gevonden: "Ik ben de minnaar geweest van mijn vrouw, ik heb twee

jaar in ontucht en overspel geleefd met mijn eigen vrouw, mijn vrouw

was mijn maîtresse en dit is de oorzaak van mijn dood. Ziehier mijn

geschiedenis.

Twintig jaar geleden ben ik met haar getrouwd. Het was mij bekend,

dat ze, hoe jong ook nog, een liederlijk verleden achter zich had. Ze

was volstrekt niet mooi, eer leelijk; verslaafd aan de ondeugd,

maar zonder hartstocht, ik geloof half uit boosaardigheid en half

uit gewoonte. Zij was bezoedeld met alles waartoe een vrouw kan

vervallen. Maar ik had haar lief, welk een uitvaagsel-wezen ze ook

was. Zij oefende een perverse bekoring op mij uit, in haar donkerbruine

oogen vlamden vreemde begeerten, hare lippen schenen de verleidelijkste

beloften te doen. Zij was het kind eener vijftienjarige moeder, die

haar altijd aan haar lot had overgelaten. Zoo was ze opgegroeid en toen

ik haar trouwde wist ze alleen van dingen waarvan ze niets behoorde te

weten. Als kind was ze al vrouw geweest en na het huwelijk deed ze weer

als kind. In den bruidsnacht speelde ze de onnoozele onschuld. Maar

ik aanbad haar. Ik weet niet waarom. En zij, doortrapt in alle

kunsten der coquetterie, wist mij steeds meer te boeien, terwijl

ze met mij speelde. En ik voelde mij gelukkig. Al wat ze verlangde

deed ik, blindelings. Zij verkwistte onnoemelijk veel geld--ik vond

den moed niet haar hierover hard te vallen en liet haar begaan. Ze

was een speelster, bezocht bij voorkeur de gemeenste schouwburgen,

en achtte zich gelukkig als ze in een of ander vuil stuk de vuilste

figurantenrol mocht vervullen, waarvoor ze me dikwijls aanzienlijke

sommen liet toebetalen. Zij bracht zichzelf en mij elken dag opnieuw in

opspraak door haar gedrag, stoorde zich aan niets, deed wat ze verkoos

en verkoos bij voorkeur het ergste. Ik stond haar alles toe, altijd

hopende op verandering en dankbaar voor de weinige gunsten, die ze

mij verleende. Totdat ik haar op een avond, onverwacht thuiskomend,

aantrof op den schoot van mijn huisknecht. Toen heb ik haar de

straat opgejaagd, mijn vrouw, de maîtresse van een huisknecht. Ik

heb haar weet ik hoeveel geld nagesmeten om te voorkomen dat ze mij

door stelen of oplichten verder in opspraak bracht. Ik hoorde kort

daarna, dat ze zich bij een reizenden tooneeltroep van den zooveelsten

rang had aangesloten en daarmee door het land zwierf. En toen ze

eenmaal weg was en ik zekerheid had dat ik geen last van haar zou

hebben, overviel me een kille zwaarmoedigheid. En dat was niet om

mijn leeg tehuis, niet om de schande die mij was aangedaan door dat

schepsel, maar--o, wat zijn wij mannen toch lafaards--ik miste haar

zelf en begeerde haar terug. Ik deed een paar keer zelfs een poging

daartoe, die telkens echter op niets uitliep. Jaren gingen voorbij,

ik slaagde er tenslotte in te vergeten, en leefde geheel voor de

twee kinderen, die het schepsel mij had geschonken, een zoon en een

dochter. Twee jaren geleden verloofden beiden zich, spoedig hoorde

ik van huwelijksplannen. Daartoe was de toestemming noodig ook van

de moeder, bij aldien nog in leven, en vandaar moest ik onderzoek

doen naar mijn vrouw. Na lang zoeken werd zij gevonden. Ik naar haar

toe, met een stuk, waarop ze alleen maar haar naam had te zetten,

dan was de zaak in orde; en natuurlijk ook voorzien van een paar

bankbilletjes, om alle bezwaren en tegenwerpingen te ontzenuwen. Ik

gevoelde op dat tijdstip volstrekt niets meer voor haar, was volkomen

onverschillig en zoo zag ik haar weer. O, wat zijn wij mannen toch

lafaards en dwazen! Zij was pas veertig, doch sterk verouderd,

vervallen, in heel haar doen een gewone prostituée, bestreken met

schmink, afschuwelijk. En toch kwam, zoodra ik haar weerzag, de oude

begeerte met onweerstaanbare hevigheid terug. Ik vond haar nog altijd

begeerlijk, ja begeerlijker dan ooit. Ongelukkige, die ik was. Bij

dat eerste wederzien na achttien jaren liet ik haar niet het papier

teekenen voor het huwelijk van mijn dochter, maar verliet haar als haar

minnaar, ik, haar man. En des anderen daags bezocht ik haar weer, en

alle dagen. En ik kwam er toe haar voor te stellen weer in mijn huis

te komen, weer mijn vrouw te zijn en wederkeerig al wat geschied was

te vergeten en te vergeven, een nieuw leven te beginnen. Ze lachte

mij uit. Neen, zooiets verkoos ze niet. Weer getrouwde vrouw worden,

rondsjouwen met al huwbare kinderen, zich heel den rompslomp van een

huishouden en al zulke dingen weer opnieuw op den hals halen, neen,

daar kwam ze niet in, dat deed ze niet. Maar aangezien ik haar niet

heelemaal had vergeten, en niet kleingeestig of schriel was en wist

wat een vrouw toekomt, wilde ze mij wel toestaan haar van tijd tot

tijd te komen bezoeken, niet als echtgenoot, maar als vriend, dat,

zei ze, was tegelijkertijd minder, evenveel en meer dan als man. Ik

had dat verachtelijk voorstel met afschuw moeten afwijzen, en met

walging de vlucht moeten nemen van zoo'n wezen. Ik erken, dat ik dat

had behooren te doen. Maar ik deed het niet. Een week later was ik

haar vriend, zooals zij dat bedoelde--de vriend van mijn vrouw! Toen

begon een afschuwelijk leven, dat twee jaar geduurd heeft, dat geduurd

heeft tot vandaag en geëindigd is zooals het behoorde. Ik was bijna

voortdurend bij haar, ik moest haar gunsten dikwijls betwisten aan

het laagste geboefte van de straat, aan het schuim van de kroegen, aan

het goorste bezinksel van het menschenras. En dat was maar mogelijk op

één manier--met geld, en altijd weer met geld. Ieder oogenblik stelde

ze mij nieuwe eischen, had ze nieuwe grillen. Gebroken, willoos,

onmachtig er een eind aan te maken, gaf ik haar al wat ze begeerde,

liet haar morsen met mijn geld, betaalde altijd weer hare schulden

en die van haar aanhang, die mij bovendien nog bestal, terwijl zij

zelf mij dagelijks met den eerste den beste bedroog. In twee jaar

was ik volkomen op, geruïneerd, doodarm. Niets meer voor mij zelf,

niets meer voor mijn kinderen. En toen haar dat duidelijk werd,

kon ik gaan. Ze wilde mij niet meer ontvangen, en toen ik aanhield

en aandrong, heeft ze mij het huis uit laten gooien. Dat was

eergisteren. Bleef mij iets anders over dan te doen wat ik gedaan

zal hebben als men dit droevig testament op mij zal vinden?

De spotters weten ook ouders, die berekeningshuwelijken op hun

geweten hebben hun verdiende loon te geven. Ook daarvoor vindt men

tallooze manieren en middelen. Messire Arlequin (1865) hekelt en sart

een moeder die haar 18-jarige dochter Henriëtte, die wel geld heeft

maar geen naam, gekoppeld heeft aan een uitgeleefden bonviveur van

40, die geen geld meer heeft maar wel een klinkenden naam, dien hij

gaarne veil heeft voor een frisschen bruidschat met een jong meisje

op den koop toe:

--U mevrouw, u, moeder van Henriëtte, heb ik deze vraag te stellen:

--Gelooft u, dat uw dochter, uw kind van 18 jaar, een greintje gevoel

van eerbaarheid, schaamte, fatsoen bezit?

Neen, niet draaien; rechtstreeks antwoorden. Ja of neen? Ook niet

zeggen dat ge daar nooit over hebt nagedacht. Daarmee zoudt ge

erkennen, dat ge geen recht hebt op den naam moeder, dat ge behoort

tot dezulken die per ongeluk, zonder het te willen, moeder worden en

het ongewenschte kind verwachten zooals men het doorbreken van een

zweer tegemoet ziet. Ge hebt daar dus wel over nagedacht... en wat

hetzelfde is, uw dochter geleid in de eene richting of in de andere,

haar opgevoed in eerbaarheid en fatsoen, of in het tegendeel; gij

hebt hare natuurlijke vrouwelijke waardigheid zorgvuldig ontzien

en gesterkt, of ge hebt die haar opzettelijk ontnomen, ze in haar

gedood.... Deze laatste veronderstelling wekt uwe verontwaardiging? ge

hebt dat laatste dus niet gedaan? Dan hebt ge dus het eerste gedaan

... ge gelooft dus,--ik wil niet eens zeggen: ge weet zeker!--dat

uw Henriëtte vrouwelijk schaamtegevoel heeft, een eerbaar meisje is

en geen...

Goed, beseft ge dan wat ge gedaan hebt met haar te laten trouwen met

een persoon, dien ze nog nauwelijks drie weken kende, en nog maar vier

keer had gezien? Ge hebt haar een deftigen naam bezorgd, meent ge? Ik

zeg u, ge hebt haar ter marteling overgegeven, ge hebt haar zelf op

de pijnbank gebracht. Ik durf het niet noemen, wat het onschuldige,

onwetende kind zich moet voelen, als ze, echtelijk ontkleed, zich

bevindt bij een vreemden man.

Maar, laten we verder gaan. Ge hebt erkend, dat uw Henriëtte een meisje

is en geen meid. Goed, brave, beste mamatje, die zoo bezorgd waart

dat uw Henriëtte een naam kreeg, dien men zou benijden... Och, leg

even uw oog aan deze kleine opening hier in den wand en kijk goed...

Ge ziet daar een jong meisje en een veel ouderen kerel nietwaar? die

elkander blijkbaar niet kennen, is 't niet?

Die kerel omhelst dat meisje, kijk, hij haalt haar aan, zie wat hij

allemaal doet... het meisje laat hem begaan en zij schreit! Kijk, hij

maakt knoop en strik los, ontbloot haar schouders, zij weerstreeft,

bedekt zich weer, kijkt angstig rond... hij gaat door, hij fluistert

haar wat toe en lacht en wordt driester, zie, hoe daar oogen en handen

het onschuldige en nog reine ontwijden... ge voelt wat die onschuld

moet lijden... zie, daar stuift het kind met een schreeuw achteruit,

krimpt ineen, bedekt zich het aangezicht...

Wat is dat, lieve mama, ge wordt doodsbleek? ge wilt toesnellen? omdat

ge dat kind daar gillend ziet worstelen, wat haar belager

onbeschrijfelijk schijnt te vermaken?

Doe dat in 's hemelsnaam niet, lieve mamatje. Die man daar zou u een

papier lieten zien en u de kamer uitzetten ... dat kind daar is uw

Henriëtte, die man daar heeft dat kind gekocht, gij, gij hebt het hem

verkocht. Hij heeft het bewijsstuk in handen. Wat hij daar doet, dat is

zijn recht, en dat recht hebt gij hem verkocht. Hij heeft het gekochte

betaald met zijn naam, uw Henriëtte behoort hem toe, evenals juffrouw

Omnibus voor een uur toebehoort aan den eersten den besten beschonkene,

die haar de som betaalt, die onder het licht van de straatlantaarn

is overeengekomen. De prijs verschilt, de zaak staat gelijk.

Wist ge dan niet, dat liefde het eenige excuus is voor het huwelijk?

Ik zal u zeggen, wat ge hebt gedaan--want de zaak is hiermee niet

uit, begint pas. Na verloop van eenigen tijd, als Henriëtte zich in

het onvermijdelijke heeft geschikt--men schikt zich in alles en men

went overal aan. vraag het maar aan juffrouw Omnibus, de lotgenoote

van uw dochter--dan zal zij tot zichzelf beginnen te zeggen:

--Waarom ben ik nu toch eigenlijk de vrouw van dat wezen, dat mijn

geld verteert? en waarom niet van dien gezelligen, vroolijken jongen

die zoo aardig tegen mij is? Kom, hij--mijn man--neemt toch ook zijn

pleiziertjes.... Want luister, mama: zulk een echtgenoot is gewoonlijk

wat men veelbeteekenend noemt: een eerste stap!

Het spreekt vanzelf, dat de echtgenoot van uw dochter dan al lang

tot zichzelf heeft gezegd: "Nu dat ik weer geld heb, zal de kleine

deugniet die en die me niet meer ontgaan", en met die woorden gegaan

is naar Gredinette, die, naar men van haar weet, zoo goed zekere

passages van Rabelais in praktijk weet te brengen.

Zoo ziet ge, mamatje, in plaats van één paartje, hebt ge twee paartjes

tot elkaar gebracht! Heerlijk, is 't niet? Gij hebt uw dochter een

man gezocht, nu gaat ze zichzelf een minnaar zoeken. En de man,

dien ge haar hebt gekocht, keert met het geld uwer dochter naar zijn

minnaressen terug. Zijt ge niet trotsch op al die heerlijke gevolgen

van uw verstandige zorg en uwe liefderijke bemoeiïngen?

En uw onschuldige Henriëtte krijgt kindertjes, die zij zal haten,

wijl ze haar aan de eene of aan de andere schande zullen herinneren.

Ge hebt doen eten waar geen honger was. Voelt ge uw treffende

overeenkomst met de slang uit het Paradijs? Met uw geld kocht ge uw

dochter een man, maar het is zeer twijfelachtig of uw portret een

plaatsje vindt in haar woning. Uw dochter was honderdmaal beter af

geweest als ze getrouwd was met den eerste den beste, mits naar haar

eigen keuze, dan ze nu is, nu ge haar hebt doen trouwen met een man

naar uw keuze.

Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven · 第 3 / 10 段