Arsinoë. Célemène zegt van Arsinoë: "In één woord, ik kan haar niet
uitstaan en... (juist komt Arsinoë binnen). O, welke goede engel voert
je hierheen? Eerlijk gezegd, verlangde ik juist met ongeduld naar je."
Tot dit type van erotische humor behooren ook de tallooze het
geslachtsleven rakende bon-mots, kwinkslagen, komische uitvallen
enz. van groote figuren op literair of ander gebied.
Toen Diogenes eens een paar vrouwen zag die zich hadden opgehangen aan
een olijfboom, zeide hij: Ach, dat alle boomen zulke vruchten droegen!
Hoe slecht ook een man van de vrouwen denken moge, zoo is er toch geen
vrouw, die niet nog slechter van ze denkt, meent Chamfort, van wien
ook deze beminnelijke uitval is: De liefde is als een epidemische
ziekte--hoe banger men er voor is, des te meer gevaar loopt men
aangestoken te worden.
Een god, die mint, acht ik niet wijs, getuigt Publius Syrus.
De mannen ondervinden dagelijks, dat het makkelijker is van de vrouwen
kwaad te spreken, dan zich niet met haar in te laten (Debay).
De vrouwen koesteren veel minder liefde jegens de mannen dan haat
jegens de andere vrouwen. Hoe vaak nemen ze niet een minnaar alleen
om te beletten dat een vriendin hem krijgt! (Alphonse Karr).
Een vrouw te nemen om gezondheidsredenen is eigenlijk hetzelfde als
zich verdrinken om zijn dorst te lessen. (Mantegazza).
Op de vraag, of men trouwen moest of niet, gaf Socrates ten antwoord:
Wat ge ook doet, het zal u rouwen. En Diogenes antwoordde op de vraag,
wanneer men een vrouw moet nemen: Zoo lang men jong is, nog niet,
en als men oud is, niet meer. Zoo dacht ook Thales erover. Toen
men deze in zijn jeugd aanspoorde te trouwen, zeide hij: Daarvoor
is het nog tijd genoeg! en later, toen hij oud was geworden: Nu is
het te laat. Niet minder besluiteloos was Antisthenes. Deze zeide:
Neemt men een mooie vrouw, dan heeft men haar met iedereen gemeen;
neemt men een leelijke, dan is ze je maar tot ergernis. En dat ook in
latere tijden vele mannen er nog ongeveer zoo over denken, dat althans
voorgeven, blijkt uit dit gezegde van La Bruyère: Er zijn maar weinig
zoo volmaakte vrouwen, die haar man niet minstens eenmaal per dag reden
geven zich te beklagen dat hij getrouwd is, en anderen te benijden,
die ongetrouwd zijn. En uit dit stukje ulevel-poëzie van Weber: Vader
Adam legde zich in 't Paradijs te slapen. Toen werd uit zijn rib vrouw
Eva geschapen--Och Adam, je hebt er van gelust: je eerste slaap was je
laatste rust. Dezelfde betuigt: Wie niet onder het echtelijk juk is
doorgegaan, kent de deugd van het geduld maar half, een deugd die de
vrouwen beter anderen weten te leeren dan ze zich zelf eigen te maken.
Een zeer aparte en eigenaardige vorm van sexueele humor zijn de
erotisch-humoristische sprookjes. Ook daaraan is de literatuur aller
volken zeer rijk. Veelal wordt er een of ander moreel defect komisch
in aan de kaak gesteld. Zooals bijvoorbeeld in het volgende van
K. Simrock, dat tot titel draagt: Sluwer dan de Duivel, waaruit al bij
voorbaat valt op te maken dat het gaat om een moreel defect der vrouw.
Er was eens een brave boer, die met zijn vrouw zoo eenvoudig en
Gode welgevallig leefde, dat hij een voorbeeld en de trots was van
den heelen omtrek. Alleen de Duivel was er verdrietig om; die had
vruchteloos al zijn listen en kunsten te baat genomen om de liefde en
de trouw der beide gelukkige echtelieden ten val te brengen. Toen hij
eens mistroostig om zijn vergeefsche pogingen aan den weg zat, vroeg
een oud wijf, dat juist voorbij kwam, waarom hij daar zoo ontevreden
zat te druilen.--Och, wat geeft het of ik dat al vertel! antwoordde de
Duivel.--Wie weet? zeide het oude wijf, bij mij is goede raad nog nooit
duur geweest.--Toen klaagde hij haar zijn nood, hoe hij dat echtpaar
maar niet van elkaar kon krijgen. Toen zij dat hoorde, kon zij niet
nalaten hem een onnoozelen, onbeholpen ezel van een Duivel te vinden,
wat zij hem dan ook zeide. Maar voor een behoorlijke belooning, voegde
zij er aan toe, zal ik je wel helpen dat zaakje in orde te brengen. De
Duivel beloofde haar een paar piksplinternieuwe schoenen. Toen zij
het eens waren geworden, ging het booze wijf dadelijk naar de goede
vrouw en vertelde haar met een meewarig gezicht en als een liefderijke
vriendin, die het wel leed deed, maar die voelde niet langer te mogen
zwijgen, dat haar man haar ontrouw was en zich in het geheim met
andere vrouwen inliet. De goede vrouw wilde het echter niet gelooven,
hoe de oude haar ook bezwoer, dat het de volle waarheid was.
Eindelijk zeide het booze wijf: Als u het niet wil gelooven, volg dan
tenminste mijn raad, baat het niet, schaden zal het ook niet. Vannacht,
als uw man ligt te slapen, snijdt ge hem met een scheermes een lok
uit zijn baard; dan kan u er vast van op aan, dat hij geen andere
vrouw meer zal aanzien en u trouw zal blijven. Het is een ouderwetsch
middeltje, dat altijd helpt.
De goede vrouw beloofde dat zij het zou doen, hoewel ze niets geloofde
van wat de oude haar had gezegd. En zij bedankte het oude wijf voor
haar goeden raad.
De kwaadaardige heks ging toen naar den man, die bezig was het land
te ploegen.--U zal wel denken, wat moet dat oudje hier, zoo begon
ze, maar ik kan het niet langer verzwijgen, ik moet het u zeggen:
uw vrouw handelt niet eerlijk met u, ze houdt er andere mannen op na,
maar u bent een veel te braaf mensch, daarom wou ik u waarschuwen.
De goede man wilde de oude van het land af ranselen, omdat ze zijn
brave vrouw zoo belasterde. Maar het wijf ging door: Ik hoorde haar
strak haar anderen man beloven, dat ze u vannacht, als u ligt te
slapen, den hals zou afsnijden. Blijf daarom wakker, maar doe net of
u slaapt, dan zal u wel zien of ik de waarheid spreek of niet.
De bedrogen man, ofschoon hij niets geloofde van al wat de oude zeide,
nam zich toch voor te doen zooals zij hem aangeraden had. En toen de
goede vrouw meende, dat hij sliep, nam ze een scherp scheermes en
probeerde een lok van zijn baard af te snijden. Toen sprong de man
woedend overeind, en sloeg zijn vrouw zoolang tot ze voor dood op
den grond liggen bleef.
Op datzelfde oogenblik kwam de Duivel tot het booze wijf en reikte
haar over de beek met een langen stok de beloofde schoenen toe, en
zei: "Hier oudje, pak aan, hier is je loon. Ik geef het je zoo maar,
want vlak bij je komen zal ik maar niet--je zou den Duivel zelf nog
misschien een streek spelen. Ik moet bekennen, dat ik het tegen je
moet afleggen."
Hierbij sluiten zich aan de humoristisch-erotische vertellingen en
meer breed-opgezette komisch-sexueele anecdotes, zooals wij er in de
volgende hoofdstukken eenigen zullen citeeren.
Verder valt er nog te onderscheiden de gemoedelijke sexueele humor
in woord en beeld. Deze bedient zich bij voorkeur van den vorm der
poëzie en als zoodanig zijn hare hoofdvormen het bruiloftsvers en
het sexueele leerdicht. De klassieke grootmeester in laatstgenoemden
vorm, de didactisch-erotische poëzie, is in onze taal vader Cats. Als
typeerend voorbeeld halen wij hier aan den komischen strijd tusschen
het draagvermogen-bezittend Paradijs-gedierte, het paard, de ezel,
de kameel enz., wie hunner de eer toekomt Eva op zijn rug te mogen
torschen (in: Bruiloft van Adam en Eva):
Maer dit geweldig rot begon terstond te strijden,
Op wiens verheven rug Mevrouw behoort te rijden,
Een yder van de drie vermeynt te zijn gegront,
Dat hem na vollen eysch het voorregt open stont.
En t'wijl men besig is op haar verschil te letten,
Soo koomt de Crocodil sich voor de rechters setten,
Die seyd, in grooten ernst, en met een vollen mont,
Dat hem de schoone kans behoort te zijn gegont.
Hij seyde, dat het paert, en bey sijn met-gesellen,
Alleen maer op het droog de voeten kunnen stellen;
Maer als men aen een stroom of holle beeken koomt,
Dat yder dan verschrikt, en voor het water schroomt:
Dat niemandt van den hoop daerin begeert te rijden,
Als die geen killig nat en zijn gewoonte lijden;
Maer dat hy swemmen kan, en diepe waters meet,
En des al niet-te-min op vaste gronden treet.
Terwijlen dese vier aldus te samen streden,
So koomt 'er uit het wout een schilt-pad aangetreden,
En alsse voor de bruyt en by de dieren stont,
Ontsloot het lastbaer dier sijn tandeloosen mont.
Nadien een jonge vrouw haer niet en dient te wagen,
Soo moet ick onse bruyt op desen rugge dragen.
Wat dat sich hier vertoont is maer een rauwen hoop,
Genegen tot gewoel en tot een woesten loop.
Maer wien is niet bewust, die mijn gestalte kennen,
Dat ick gantsch sedig ben, en noyt gewoon te rennen?
En dat mijn kloecken rug een vlacken setel draegt,
Of voor een jonge bruyt; of voor een teere maegt?
Oock dat men sonder hulp kan op mijn lijf geraken,
En dat men sonder sorg mijn rugge mag genaken?
En schoon dat iemandt viel, dat hem het ongeval,
Geen hinder doen en kan, of na-deel geven sal?
Ten slotte is waarschijnlijk ieder mensch op zijn tijd erotisch
humorist. Het schijnt den mensch als van nature ingeschapen, het
geslachtsleven komisch en vroolijk op te vatten. Ieder heeft oog voor
de dwaasheden van anderer sexualiteit.
Het liefdeleven is de bron, waaruit ten allen tijde de humor het
rijkelijkst gevloeid heeft. Erotische humor is een der massaproducten
van den menschelijken geest. En in tegenstelling met den gewonen
regel staat de kwaliteit niet in omgekeerde verhouding tot de
kwantiteit. Ingendeel, niet slechts de meeste humor is ontsprongen
uit het liefdeleven, maar ook de beste, de gezondste en krachtigste.
De beschavingsgeschiedenis kent geen tijdperk, waarin in alle humor het
liefdeleven niet het overheerschende en meest op den voorgrond tredende
element is. Er is geen cultuurvolk, bij hetwelk het geslachtsleven
niet ten allen tijde het meest geliefdkoosde onderwerp was van allen
humor en van alle satire. Er zijn verder maar zeer weinig satirieke
kunstenaars geweest, die er niet aan hebben meegewerkt den schat
der eeuwen aan erotischen humor te vergrooten; daarentegen zijn er
talloozen, die zich daar zoo goed als uitsluitend aan hebben gewijd
en voor wie het liefdeleven de eenige zon was, wier bevruchtende gloed
hun gewrochten tot volle rijpheid kon brengen. In de komisch-satirieke
behandeling van het geslachtsleven en wat daarmee in verband staat
hebben genie en talent ons een deel van het beste geschonken dat
zij ooit hebben voortgebracht. Op dit thema hebben zich steeds
de schitterendste stralen van den menschelijken geest vereenigd,
waarbij alles mat en onbelangrijk schijnt wat zich daarbuiten beweegt;
rondom het leven der liefde heeft de menschelijke geest zijn vurigste,
dol-dartele orgiën gevierd.
Het meerendeel der menschen is in het dagelijksch leven onuitputtelijk
in aardigheden op al wat met het geslachtsleven in verband staat. De
omgangstaal is als doorspekt met geestigheden op geslachtelijke
dingen. Voor niets heeft men scherper oog dan voor anderer sexueele
gebreken en de manier, waarop men de aandacht hierop vestigt is
gewoonlijk die van den hekelenden spot. Niets is bij het groote publiek
meer gezocht dan liederlijk-grappige beeldspraak, geestig-gemeene
dubbelzinnigheden, vuile kluchten, dartel-ongebonden scherts. Niets is
zoo geliefd en gaat zoo van mond tot mond als sexueele anecdoten. Als
volwassenen lachen, is bijna als regel een geslachtelijk onderwerp de
aanleiding. Een enkele sexueel-getinte kwinkslag brengt onmiddellijk
een vroolijke stemming teweeg en elke stemming van vroolijkheid slaat
terstond om in sexueel-getinte praat. De sexueele geestigheid is als
de veiligheidsklep, waardoor de opgekropte dierlijkheid zich ontlast
en daarbij verschilt de goor-grauwe gemeenheid van den ruwen mensch
alleen in graad, niet in wezen van den geraffineerde erotischen humor
der verfijnde beschaving.
In den loop des tijds zijn over alle geslachtelijke verhoudingen
stroomen van spot uitgestort, stroomen van goedaardige scherts,
stroomen van venijnig sarcasme, stroomen van humor in alle denkbare
nuancen. De literatuur, de kunst, zelfs de wetenschap hebben om
het hardst daaraan meegedaan. En in het dagelijksch leven kan men
nauwelijks met ernstig gezicht over het geslachtsleven spreken,
nauwelijks weet men er zich anders over uit te laten dan in
schertsenden, spottenden, onernstigen toon. Voor den gemiddelden
mensch is het geslachtsleven een klucht, iets vermakelijks en grappigs,
iets dat als uitlokt er den draak mee te steken.
De erotische humor is voor verreweg het grootse gedeelte afkomstig van
den man en het grootste gedeelte daarvan is weer hetzij een directe,
hetzij een indirecte hulde aan de vrouw.
Nergens worden zoo luidruchtige, zoo ten volle gemeende en zoo
enthousiaste lofliederen gezongen op de vrouw dan op het gebied van den
erotischen humor. Zelfs waar deze de vrouw of een vrouw geeselt met
de roeden van satire en sarcasme, ligt daarin toch altijd hulde voor
het liefelijkst wonder der schepping verborgen. De sexueele humor is
m.a.w. een natuurlijke uiting der mannelijke zinnelijkheid. Daardoor
ook vindt niets ter wereld een zoo dankbaar gehoor--en een zoo willige
markt--als de sexueele humor in woord en beeld. Dat dit weer moet
leiden tot ongezonde speculatie op gemeene instincten, ligt voor de
hand; behalve erotische humor wordt er misschien evenveel artistiek
waardelooze marktwaar geproduceerd--het weelderige veld van den
sexueelen humor is een vruchtbare bodem voor pornographie.
Pornographie is echter in geenen deele humor, niet eens ontaarde humor,
hoogstens een surrogaat van humor--zij staat tot sexueelen humor in
dezelfde verhouding als het gezonde geslachtsleven tot de prostitutie,
en in dezelfde verhouding als waarin de natuurlijke en normale omgang
der sexen staat tot de uitspattingen van het bordeel. Daarom kunnen
en moeten wij hier de pornographie, als liggende buiten en beneden
ons onderwerp, ten volle uitschakelen.
Wij stellen ons voor in de volgende hoofdstukken van dit deel eenige
der hoofdmomenten van het geslachtsleven te bezien in het kleurige
licht van den humor der sexueele humoristen van alle gading. Wij zullen
daarbij trachten ons te stellen op zoo ruim mogelijk standpunt en wel
nu en dan het woord laten aan de groote satirici van het liefdeleven,
die de zware zonden en vergrijpen in het leven der sexen straffen
met spot en sarcasme en de sexueele misstanden van hun tijd met het
wapen der satirieke polemiek te lijf gaan--Rabelais, Fischart, Aretin,
Multatuli etc.--maar vooral ook niet verzuimen te laten uitkomen hoe
de ongekunstelde volkshumor de dingen ziet, en zoowel de stemmen uit
het verre verleden als die van den huidigen dag beluisteren. Waarbij
dan weer duidelijk zal blijken, dat er ook ten deze maar heel weinig
of geen nieuws is onder de zon.
II.
DE LIEFDE IS BLIND.
Dat de liefde blind maakt is volgens de dichters en romantici
der liefde regel, maar voor den nuchteren waarnemer zeldzame
uitzondering. In elk geval is die blindheid iets, wat aan alle kanten
stof biedt voor humor, spot, ironie, sarcasme, en wat dies meer
zij. Eerstens in gevallen, waarin die blindheid werkelijkheid is, want
dan wordt er ongetwijfeld dwaas gehandeld. En meer nog in gevallen
waarin die blindheid zich niet voordoet--dan is de tegenstelling
tusschen de veronderstelde romantiek in de liefde en de nuchteren
werkelijkheid het komische element.
In de spreuk, dat liefde blind maakt, is de geheele romantiek der
liefde samengevat. Wie lief heeft, zoo zegt men, is met blindheid
geslagen. Men bedoelt daarmee, dat het verliefde gemoed haakt naar het
romantische, het ongewone en excentrieke. Dat ongewone, waartoe zulke
verliefden komen, bestaat dan in het algemeen hierin, dat zij anders
handelen dan zoo, als nuchteren gemoederen zich voorstellen, dat een
mensch, "die zijn verstand gebruikt", moet handelen. Blijkbaar mist
men in de handelingen van romantisch-doende gelieven de berekening,
het voordeel beoogende overleg, waardoor al 's menschen handelingen
als regel worden beheerscht. Er wordt in een of andere richting anders
gehandeld dan het natuurlijk egoïsme schijnt voor te schrijven. Waarin
zulks in een concreet geval bestaat, hangt af van de heerschende
opvattingen in den kring, waarin het geval zich afspeelt. Er opent
zich hier weer een eindeloos verschiet van mogelijkheden. Dat wat als
dwaze verblinding der liefde wordt aangemerkt, kan eerstens bestaan
in een in het oog springend verschil in maatschappelijken stand, in
financiëele positie, van beide partijen. Of in een opvallend verschil
in leeftijd. Vooral deze beide blindheidsverschijnselen der liefde
worden algemeen als zoodanig beschouwd. In het eene geval toch ziet
men de liefde zegevieren over het standsgevoel en over geldtrots, over
de zucht zich op prijs te houden; men ziet, commerciëel uitgedrukt,
de sexueele koopwaar beneden marktprijs wegschenken--en men kan zich
iets zoo ongehoords niet anders verklaren, dan als een gevolg van
den toestand van verblinding, waarin de liefde de menschen brengen
kan. En in het andere geval ziet men de liefde de sexueele natuurwet
van aantrekking tusschen wat jong is en van afstooting van het oudere,
opgeheven, en ook hier kan men ter verklaring geen andere oorzaak
vinden dan een door de liefde teweeggebrachte verblinding, althans
bij een der partijen.
Dan is daar verder nog het zoo van den regel afwijkend gedoe der
verliefden, hunne eigenaardige gedragingen jegens elkander, hun
negeeren van al het verdere en overige, hun wederkeerig prijsgeven van
rechten en tegelijkertijd opeischen van voorrechten, hun "kinderachtig"
aandoend gedartel, hun volkomen opgaan en zich verliezen in elkanders
persoonlijkheid, dat alles doet zich aan den nuchteren toeschouwer
voor als gedoe van verblinde dwazen. En dan de onwil van verliefden
om te luisteren naar "verstandigen raad", hun onvermogen om elkanders
gebreken te zien, hun schromelijke overschatting van de beteekenis
hunner verhouding voor henzelf en voor anderen, heel hun beminnelijk
collectief egoïsme, dat alles doet aan als bovenmate verblind. Evenzoo
is het met hunne opvattingen en voorstellingen van het leven,
dat zij vereenigd tegemoet gaan--alles luchtkasteel, maneschijn,
morgenrood, rozengeur, alles zoo volstrekt in tegenstelling met
de zekere, vaststaande en onvermijdelijke werkelijkheid, dat het
voor onbevangen oogen onbegrijpelijk moet schijnen, dat dat alles
in ernst wordt geloofd, en men verklaart het zich liever zoo, dat
de geliefden verkeeren in een roes, die hun helder uitzicht op de
toekomst volkomen verduistert.
Kortom, men ziet verliefden alles rondom zich vergeten, opgaan in
illusies, zich alles anders voorstellen dan het in werkelijkheid
is. Men vindt dat dwaas, komisch, men vermaakt zich met hun naïeve
verblinding, en voorspelt dat zij wel spoedig tot bezinning zullen
komen.
Maar de humor over deze blinde verliefdheid is altijd, en kan
nauwelijks anders zijn, dan goedmoedig. Men erkent, zij het onbewust,
dat er natuurlijkheid is in die dwaasheid. Men moet toegeven, zij het
hoofdschuddend, dat de blijde illusie hier ook wellicht verkieslijker
is dan de ontmoedigende zekerheid die men zelf heeft. Men vermaakt zich
met de komische situaties, die zich bij zulk minnen ieder oogenblik
voordoen, maar benijdt nu en dan die blijde verblinding. Men stuift
bij zulk minnen niet op om het te overgieten met schimpend sarcasme,
men hoont het niet met ironischen spot. Daartoe leent het zich
niet. Hoogstens steekt men een weinig den draak met wat men dwaas
daarin meent te zien. Men lacht om de verblindheid der liefde,
maar niettemin verlangt men de liefde blind. De gansche omgeving
van verliefden vermaakt zich met die blindheid, en zou het toch niet
anders willen.
Hoe men zich ook met de verblinding der verliefdheid vermaakt, toch
aanvaardt men die blindheid als iets volkomen natuurlijks en men
maakt van anderer bron van geluk voor zichzelf een bron van vermaak.
In de formule: de liefde is blind, ligt geen afkeuring, geen kritiek,
nog minder verontwaardiging of afkeer.
Dit alles wordt juist opgewekt en uitgelokt door het tegendeel. Als
in een concreet geval de liefde in het geheel niet blind blijkt, als
ze niet romantisch doet handelen, niet opgaat in illusie, heel niet
ongewoon doet; als zij wèl wordt gedragen door berekening, door overleg
dat voordeel beoogt, dan juist overlaadt men de sexueele verhouding,
die wij hier ook maar, zij het bij wijze van spreken, liefde zullen
noemen, met hoon en bespotting. Men grijpt dan daarnaar, wijl zij
de scherpste en zekerste wapenen zijn tegen al wat men zedelijk wil
afmaken en vernietigen. Hierin ligt weer het bewijs, dat men toch de
liefde liefst blind ziet, ja blindheid van haar eischt.
De felste sarcasmen op het liefdeleven, de snerpendste hoon, de
giftigste spot gelden dan ook altijd juist de liefde die niet blind
is. Zulke liefde kwetst en wondt blijkbaar het natuurlijk gevoel op
het hevigst.
En daarbij doet zich het eigenaardige verschijnsel voor, dat blinde
liefde zeldzamer is naarmate de beschaving toeneemt en naarmate men
zich volkomener door de conventies dier beschaving laat leiden. Het
dartelend minnen der liefde die blind maakt is eigen aan al wat
blindelings handelt naar natuurinstincten. Dat is het geval met
de dierenwereld. Men mag daarom veronderstellen, dat het evenzeer
eigen is aan dat deel van de menschenwereld dat het naast grenst
aan de dierenwereld, bij de "wilden" en allen die men beschouwt als
"onbeschaafd". En in de beschaafde wereld komt het blinde minnen
weer het veelvuldigst voor in de kringen, die door de beschaving het
minst worden beïnvloed--de dusgenaamde lagere klassen. Wederzijdsch
intusschen met de de noodige uitzonderingen.
En bij den individueelen beschaafden mensch schijnt er in elk
geval toch een zekere periode van het leven te zijn, waarin men nog
ontvankelijk is voor blinde liefde. Een periode, waarin de beschaving
nog niet voldoende op de natuur--die zich toch weer gelden doet bij
elk individu, in welken kring ook geboren,--heeft kunnen inwerken om
haar op den achtergrond te dringen of zelfs geheel te verstikken. Die
periode is de jeugd.
Maar ook daarin heeft de beschaving voorzien. Zooveel mogelijk
tenminste. De beschaving namelijk heeft een stelsel van sexueele
opvoeding geschapen, dat er op is berekend het jonge gemoed de
vatbaarheid voor blinde verliefdheid te ontnemen, die gevreesde
vatbaarheid uit te roeien. Volgens dat stelsel van sexueele opvoeding
moet men in de liefde niet blind zijn, maar scherp toezien, met
verstand te werk gaan. Daaronder verstaat men dan, dat de liefde
allereerst voordeel moet aanbrengen--de liefde moet wat inbrengen,
wat opbrengen. Men moet er op uit zijn, een goede, dat wil altijd
zeggen, een voordeelige partij te doen.