Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg
DE SEXUEELE ZEDEN IN WOORD EN BEELD
DOOR
D. Ph. VAN VLOTEN ELDERINCK.
MET 212 AFBEELDINGEN IN DEN TEKST EN 40 LOSSE PLATEN.
DE HUMOR IN HET GESLACHTSLEVEN.
GEBR. GRAAUW.
AMSTERDAM--HAARLEM--WELTEVREDEN.
Was ist der Kern der Mannesliebe?
Die Sinnlichkeit.
Und letzter Grund der Weibertriebe?
Die Eitelkeit.
LESSING.
I.
EROTISCHE HUMOR EN EROTISCHE LYRIEK.
Het liefdeleven van den mensch wekt volstrekt niet alleen naar verheven
gedachten, dichterlijke stemmingen, romantische mijmeringen en wat
dies meer zij. Het is ook een onuitputtelijke bron van humor. Behalve
jubelende hoogliederen en dwepend gedroom inspireert het ook spotzucht,
die met al dat mooie, schoone en liefelijke den draak steekt en
het heele geslachtsleven stempelt tot een mengsel van dwaasheid en
onzin, een grappig kluchtspel vol vermakelijke zotheid en komische
domheden. En ook inspireert het geslachtsleven hekelende, schimpende
satire en hoonend, verguizend sarcasme. Voor den een vol verheven
tragiek, is het voor den ander een blijspel.
En niemand heeft hier ongelijk. Met dit voorbehoud, dat de komische,
spotlustige opvatting van het zoet geheim van het minnen ons dichter
brengt bij de meest gewone dagelijksche werkelijkheid, dus bij
het tastbare en concrete, dan de nevelig-onbestemde lofzangen
van verheven dichterzielen dat doen. Laten we zeggen, dat de
eerste den regel weergeeft en dat die anderen zich verdiepen in de
uitzonderingen. Beide overdrijven--de erotische lyriek overdrijft de
denkbeeldige grootschheid, de erotische humor vergroot de wezenlijke
kleinheid van het geslachtsleven.
De romantici en de dichters verdiepen zich bovendien vaker in de
scheppingen hunner eigen phantasie, dan dat ze ons werkelijk bestaande
uitzonderingen doen kennen. Daarentegen geven de erotische humoristen
in woord en beeld--waartoe 99 procent van het menschelijk geslacht
behoort--ons de dagelijksche, overal om ons heen waar te nemen
werkelijkheid te zien. Wat zij ons voorhouden is concreet leven,
zij het veelal in groteske overdrijving. De erotische humor geeft
met scherpziende oogen acht op 's menschen zwakheden in zijn sexueel
leven, en geeft die ter tuchtiging over aan de onbarmhartigste van alle
rechters--de lachers. De erotische humor werkt niet met de loftrompet,
maar met de roskam.
Het liefdeleven heeft, wie zal het ontkennen, voor het kritisch oog
meer komische kanten dan zulke, die "verheven" aandoen. Als regel
althans. Liefde is ten slotte bezwijken voor den drang der natuur,
die wil dat de sexen tot elkander komen en die hen daartoe verlokt
en omkoopt met genot. Wie liefheeft zoekt, bewust of onbewust, dat
genot en met genot is het komische, vroolijke en humoristische van
nature nauwer verwant en meer vereenigbaar dan het poëtisch verhevene,
welks wezen bestaat in het tragische en huiveringwekkende. En komisch
is allereerst de naïeviteit, waarmee de mensch daarbij zichzelf om
den tuin leidt. Terwijl toch het oppervlakkigste zelfonderzoek den
verliefden mensch in een ommezien zou leeren, wat de ondergrond
is van zijn hartstocht en waar het op uit zal loopen, doet hij
daarbij toch gaarne quasi-gewichtig, of hult zich met zorg in een
wolk van hoogdravende poëzie. Ieder, die met kritisch oog verliefden
gadeslaat, moet hen wel dwaas vinden. Hij ziet in het heele dartele
spel der vrijage een tactische kunst--zooals prof. Van der Vlugt
("Gids" 1895) het noemt--met duizend regelen en conventiën, met
voorpostenschermutselingen, loopgraven en tegen-mijnen, een komische
strijd van bedekte aanvallen, waarbij de partij die schijnbaar aanvalt
eigenlijk reeds volkomen een krijgsgevangene is van de partij, die
zich schijnbaar tegen den aanvaller te weer stelt. En verliefden zien
ook zeer wel de dwaasheden van andere verliefden. Alleen voor eigen
dwaasheid hebben zij geen oog.
De afstand tusschen de verhevenste liefde en het belachelijke is
maar een stap. De gedachte aan het onvermijdelijk slot van het
zoo hooggestemde lied, moet wel een glimlach op de lippen brengen,
juist door de tegenstelling tusschen die ingebeelde bovenaardsche
heerlijkheid en dat zoo prozaïsche besluit.
Het komische van het liefdeleven ligt in zijn eeuwige tegenstelling
tusschen schijn en wezen. Liefde schijnt alles te schuwen wat naar
waarheid en echtheid zweemt.
In de liefde is ieder mensch van nature komediant. Een verliefd
mensch is altijd in nagenoeg elk opzicht onwaar. Hij verbergt
gebreken, veinst deugden, slooft zich af om een gunstige meening
omtrent zich te vestigen, en begaat daarbij tallooze domheden en
onhandigheden. Want hoewel van nature in de liefde komediant, is hij
er toch maar een van den tienden rang. Zoo is het bij de verliefdheid,
en zoo is het in elke andere betrekking en verhouding met een sexueelen
achter- of ondergrond. Het geheele geslachtsleven is een strijd van
schijnbewegingen, hinderlagen en krijgslisten. Men betreedt dit gebied
niet anders dan gemaskerd. Men geeft zich nagenoeg nooit zoo men is,
maar men speelt een rol. Als een meisje door een jonkman wel wil
worden gekust, dan ontvlucht zij hem. Dat ontvluchten is lokken. Als
de vrouwen--van het jonge meisje af tot de al bejaarde dame toe--zich
kleeden naar de mode, die voor haar is uitgedacht om er verleidelijk
uit te zien, dan geven zij daarvoor honderden redenen op, behalve
de ware. Het schijnt dat de liefde, om gelukkig te kunnen maken, een
zeker beminnelijk bedrog noodig heeft, dat dan meestal voor negentig
percent uit zelfbedrog bestaat. Als een paar elkander goed heeft
leeren begrijpen, dan is het beiden veelal meteen duidelijk, dat
er niets anders overblijft dan te scheiden. Zoozeer heeft de liefde
illusies noodig. Als een man een vrouw prijst om haar schranderheid,
dan is dit een bijna zeker teeken dat zij op het punt staat de door
hem gewenschte domheid te begaan. In het huwelijk is doorgaans van
beide partijen diegene de meerdere, die zich openlijk het minst
doet gelden. De vrouw bijvoorbeeld weet den man in den regel te
leiden waarheen zij wil en daarbij zich voor te doen of zij leidzaam
volgt. Natuurlijk spelen in de liefde geldzaken nooit een rol; ieder
trouwt alleen uit liefde, en ieder wil alleen om zich zelf worden
genomen, en dan liefst door een millionair of een millionairsdochter.
In de liefde is ieder zwak en dom, maar toch wil hij sterk en
verstandig schijnen. Daaruit vloeit een oneindigheid van komische
situaties voort. En door niets in kunst of literatuur worden deze
zoo scherp en drastisch, zoo zonder genade, blootgelegd als door de
karikatuur en in de komisch-erotische literatuur. Zij leeren ons de
tallooze belachelijke zijden der onderdanen van koning Cupido kennen
en zij toonen ons, onbarmhartig maar waar, elk dier onderdanen in
zijn bijzondere belachelijkheid. Als zoodanig zijn zij bijna te
beschouwen als een noodzakelijk, een gezond tegenwicht tegen de te
sentimenteel-romantische opvatting van het sexueele leven. Zij bewaren
er de menschheid voor het zelfbedrog te ver te voeren, drukken haar
met lachend gezicht, maar niettemin met ijzeren hand, van tijd tot
tijd eens met den neus op de werkelijkheid neer. Dat zij daarbij
ook wel overdrijven is hun goed, artistiek recht. Zij beletten de
menschen daardoor geestelijk om te komen in onwezenlijkheid en zich ten
slotte te gaan verbeelden, dat al die buitensporige bovenaardschheid
der liefde echt en wezenlijk is, dat b.v. elke verliefde een soort
heilige zou zijn en al zulke dingen meer. De echte poëzie, die er in
de liefde kan zijn, loopt daardoor geen gevaar--de spotters kunnen
niet de illusie verstoren, maar slechts den schijn der illusie.
De hyperdichterlijke en de kluchtig-prozaïsche opvatting der liefde
houden de algemeene voorstellingen omtrent het liefdeleven eenigszins
in evenwicht. De eerste heft die voorstelling op de duizelingwekkende
hoogten van het abstract-schoone, de laatste haalt ze uit de wolken
weer naar den beganen grond van het plat-concrete. Tezamen geven
zij het liefdeleven te zien in zijn beide eindpunten, waar man en
vrouw eenerzijds stralen in übermenschelijke heerlijkheid, anderzijds
rondwriemelen in moraallooze genotzucht. Beide eindpunten zijn daarbij
op te vatten als de uitzonderingen in het liefdeleven. Gaande van het
eene eindpunt in de richting van het andere ontmoet men halverwege
den norm, het gewone, de alledaagsche werkelijkheid, die evenver
verwijderd is van de glanzende bergtoppen van het verheven schoone
als van de duistere holen van het louter-liederlijke, evenver van
den Olympus met zijn wonderen als van het bordeel met zijn uitvaagsel.
Tusschen de poëtische en de humoristische opvatting van het leven der
sexen bestaat dit verschil, dat de laatste maar een greep behoeft te
doen in het werkelijke leven, volgens het recept vervat in den uitval
van het "lustige personage" uit Goethe's Faust:
Greift nur hinein in's volle Menscheleben!
Ein jeder lebt's, nicht vielen ist's bekannt,
Und wo ihr's packt, da ist's interessant.
De dichterlijke opvatting heeft daarentegen weinig meer tot haar
beschikking dan hoogdravende beeldspraak. In de verbeeldingswereld
die zij schept, raakt zij zelf, de gids en voorlichtster, meestal
dadelijk het spoor bijster en doolt dan zoekend en vragend naar den
rechten weg hulpeloos rond. Een typisch voorbeeld daarvan is F. H. van
Leent's variant op Van Beers' lofzang op Het Licht:
Liefde! Wat zijt gij?
Hoogten der Hemelen,
Diepten der zeeën,
Antwoordt mij--antwoordt mij--
En gij, o mijn ziel,
Zeg mij:
Wat is Liefde?
De donder woedde--de storm is voorbij!
't Azuur des hemels tintelt weer
Door gouden stralen besprankeld!
Schitterend rijst de zon in het Oost,
En in de hoogten der Hemelen,
En in de diepten der zeeën
Weerklinkt de blijde lofzang der Schepping.
Ook in den zang van den Vlasvink
Ruischt het:
o Zeg het mij, o zeg het mij:
Wat is Liefde?
De dag heeft zijn taak volbracht,
En een lieflijk schemerduister heerscht;
De vogelen dekken zich met hunne vleugelen;
De bloemen sluiten zich en geuren niet meer;
Ook het moede menschenkind
Vlijt zich neder en slaapt....
Zij komt! Zij komt!--de Godin der nacht
Betreedt haar rijksgebied
Millioenen Engelenoogen waken--
Waken over de sluimerende Aarde,
En aan Gods vaderboezem rust het menschdom
Door Liefde's armen omstrengeld!
Slechts Zefiers fluisteren in 't lommer:
Zeg het mij, o zeg het mij:
Wat is Liefde?
Als 's levens stormen ons teisteren,
Alles gaat voorbij--alles sterft,
Gij, o Liefde, zijt eeuwig!
Aan den oever der Eeuwigheid
Drukt de levensmoede grijsaard
De bevende hand zijner gade,
En in den doodsnik ruischt het nog:
"Ik heb U lief! vaarwel tot wederziens!"
Hoogten der Hemelen,
Diepten der Zeeën,
Antwoordt mij--antwoordt mij--
En gij, o mijn Ziel,
Zeg mij:
Wat is Liefde?
Zulke lofzangen zijn als een zoekend rondtasten in een gedroomde
wereld, welks schoonheden men in de verbeelding ziet en toch niet
ziet en waarin men ronddwaalt, vragend en zuchtend om wat reëels,
iets tastbaars, ter motiveering van de opzettelijke opwinding en het
enthousiasme, dat men zich opdringt. Het is of men er Faust in hoort
zuchten om meer werkelijkheid in de zelf geschapen geheimzinnigheid,
die men niet los wil laten, waar men niets van weet te zeggen
en waar men toch van wil spreken, met het gevolg dat men om het
onwaarschijnlijke te vullen met iets wezenlijks, de toevlucht neemt
tot het geheimzinnige. Het onbekende wordt te hulp geroepen om de
duisternis op te klaren, en wat men bij zulke pogingen zou mogen
verlangen is, dat ze werden aangeboden met als motto Faust's eerlijke
bekentenis: Ich hab' mich der Magie ergeben, dass ich nicht mehr,
mit sauerm Schweiss, zu sagen brauche was ich nicht weiss.
De humoristische opvatting der liefde daarentegen bedient zich in hare
uitingen altijd van feiten, zij verdiept zich niet in bespiegelingen,
schept geen denkbeeldige wereld, beproeft geen adelaarsvluchten,
maar haalt haar stof uit de werkelijkheid, zij behoeft hare vondsten
niet aan te bieden met voorzichtige vraagteekens, ze presenteert
ze met vrijpostig-dartele uitroepteekens. Zij vraagt niet, maar
weet. Wijl ze meer waar is, is ze steeds zekerder van haar zaak. Haar
phantasieën worden steeds op het eerste gezicht zonder meer erkend
als mogelijkheden. Hoe koddig en komisch de situatie ook is, die
ze ons opdischt, niemand twijfelt aan de waarschijnlijkheid. In het
komische acht men in het liefdeleven alles mogelijk. En dat wijl men
dagelijks om zich heen het liefdeleven zich zoo ziet afspelen. In
het liefdeleven overheerscht het komische, niet het verhevene of
het romantische. Ieder ziet en kent het liefdeleven in zijn komische
zijden, wijl de komische zijden de regel zijn. Weinigen zien of kennen
het liefdeleven in zijn verheven openbaringen. Want, deze zijn de
zeer zeldzame uitzonderingen. Daarom worden komische voorstellingen
van het liefdeleven begrepen, als stukken werkelijkheid erkend en
dienovereenkomstig gewaardeerd.
Voor de komische opvatting van het liefdeleven is niets heilig dan
het komische, zij acht zich daartoe gerechtigd, o. a. op grond van den
stelregel dat alles wat waar is noodzakelijk ook goed moet zijn. Door
dien regel geleid weet ze van geen verschooning. Elke denkbare phase
in het leven der sexen heeft voor haar tallooze kluchtige, koddige,
vroolijke kanten en ze legt die zonder erbarmen bloot. En zij kan
zich daarbij steeds bij voorbaat verzekerd houden van de instemming
en de toejuiching van het overgroote meerendeel der menschen. Dit
moedigt haar natuurlijk nog aan. En zoo is er eenvoudig niets in de
bonte verscheidenheid van feiten, verschijnselen en phantasieën in het
gebied van het liefdeleven, wat haar geen stof heeft kunnen opleveren
voor kluchtige, koddige, vroolijke of satirieke voorstellingen. Als
zij ons de schepping der vrouw en de sexueele verhouding van het eerste
menschenpaar volgens de Mozaïsche legende, op hare wijze wil voor oogen
stellen, dan stijgt ze niet zooals de dichterlijke opvatting, hoog uit
boven de voorhanden gegevens, doet die gegevens ook geen geweld aan,
maar houdt daar integendeel met voorbeeldige nauwgezetheid aan vast,
en laat de komische zijde dier legende op het scherpst uitkomen door
ze bijvoorbeeld een twaalfjarig Jodenjongetje te laten weergeven als
volgt: "Het Adam gezien, alle beeste hebbe zich daar een vrouwtje;
hettie het niet onder zich kenne houë, hettie geroepe: "O! God! ik
bin zoo vervelend!" hettie als gedwonge, hij mot ook een vrouwtje
hebben. Het God um late slape, hettum een rip uit zijn heup genome,
is der een vrouwtje van gekomme. Is Adam wakker geworre, hettie
Eva gezien, hettie gezeit: "Van wie ben je?" Het Eva als maar geen
antwoord gegeve; is um op eens na binne geschote, hettie gezeit:
"Ik weet ut al! Jij bint Eva." Binne ze same gaan speule in de tuin,
is der een slang gekomme, het teuge Eva gezegd: "Over wat eet jij
niet van die boom?" Het Eva geantwoord: "Om toch niet! noh! maak
nou geen Schtoez, ja ik wil daar dood!" Het de slang weer gezeg:
"Och! het is nietes! het God zoo maar derom gezeit! een gheintje!" Het
Eva hard gaan wegloope, het de slang der teruggeroepe en an der laatte
zien, het ze van de appel gegete, het ze geroepe: "O wa' smaakt dat
fijn! Adam za'k gezond blijve, proef ook eens!" Het Adam geproef,
hebbe ze gezien datte ze geen kleere anhadde, datte ze heelemaal
nakend binne, hebbe ze der eige geschaamd, binne der gaan verschuile
achter een boom. Is God gekomme: "Adam, waar zijt gij?" Het Adam
geen antwoord durreve geve. Het God nog is gekomme: "Adam, waar zijt
gij?" Hettie nog geen antwoord durreve geve. Het Eva gezegd: "Adam,
hoor je niet? der wordt an je geroepe!" Het Adam geroepe: "O God,
ik kan ut niet hellepe. Eva het gezeg as dat ik er van ete mos. Het
Eva gezeg, de slang het der verleidt. Is God woeiend geworre, en als
maar staan te vloeke, en gezeg: "Heb ik je daarvoor in mijn tuin late
spele! der-uit!" Hettie an de slang gezeg: "Jij zal altijd kruipe
op je buik," en an Eva: "jij zal altijd ziek zijn," en teuge Adam:
"Jij zal als maar zweete als je je boterham eet."
In zijn soort is deze poging om een gegeven humoristisch voor te
stellen voorzeker beter geslaagd dan de meeste uitbarstingen van
literaire geestdrift. Het is verder een typisch voorbeeld van de
methode, door de humoristische opvatting van het sexueele leven in
den regel toegepast: zij ontdoet de dingen van alle quasi-verheven
onbegrijpelijkheid en laat het al of niet waarschijnlijke van het geval
op het scherpst uitkomen, redeneert niet, maar laat zien. Zij werkt
drastisch op de lachspieren, maar niet minder op het begrip. Want
zij is waar, huldigt en vereert onbewust waarheid en werkelijkheid,
en wanneer de dingen, zooals ze die ons zien laat, meestal in
esthetischen zin niet mooi worden gevonden, dan ligt daarin geen
verwijt aan haar opgesloten, maar een verwijt aan de waarheid en de
werkelijkheid. Dat de werkelijkheid niet mooi is, is niet de schuld van
wie dat constateert. Zij ontdoet de dingen van de heilig-sentimenteele
sluiers, die men er omheen werpt, en die moeten doen gelooven aan
eigenschappen en hoedanigheden, die wel schoon schijnen, doch het
gebrek hebben van niet te bestaan.
De esthetisch-verheven opvatting van het liefdeleven hult alles
wat dat leven betreft in een waas van dwepende sentimentaliteit
en wekt voorstellingen, die in het werkelijke leven niet worden
teruggevonden. Zij flatteert de werkelijkheid naar de grillen harer
phantasie, wat misschien haar recht is, doch eischt dan eerbied
voor die misvormde werkelijkheid en brandmerkt gaarne de wezenlijke
werkelijkheid met het teeken der minderwaardigheid, waartoe zij
zeker niet gerechtigd is. Werkelijkheid is natuur en de natuur weet
beter wat noodzakelijk en goed is, dan de menschelijke phantasie dat
weet. Wat noodzakelijk is en goed, dat is juist datgene wat is--niet
de droomwereld der dichters, maar de werkelijkheid.
Men kan, meent de dichter, desnoods den lezer een bruidsvertrek,
maar niet de slaapkamer eener maagd binnenleiden. De poëzie mag er
zich nauwelijks wagen, het proza kan er slechts ontwijden. Wat nog
maagdelijk is, moet verborgen blijven. Het is het inwendige eener
nog gesloten bloem; het is iets teeders, omringd door schaduwen;
het is het heilige der heiligen eener nog gesloten lelie, dat niet
aanschouwd mag worden door het oog, zoolang het nog niet is aanschouwd
door de zon. De vrouw in de knop is heilig en haar rustplaats is een
heiligdom. Het onschuldige bed, dat zich ontbloot; die hemelsche halve
naaktheid, die schuw is voor zichzelve; de blanke voet, die in een
muiltje vlucht: die hals, die zich voor den spiegel bedekt, alsof die
spiegel een oog ware; dat hemd, dat daarbij over den blooten schouder
wordt getrokken om dien te verbergen voor een krakend meubelstuk,
of voor een passeerend rijtuig; al die geknoopte banden, die geregen
veters, al die huiveringen en rillingen van koude en van schaamte,
heel die kuische schuwheid van alle bewegingen, die onrust waar niets
is te vreezen, die allengs zich voltooiende kleeding, stuk voor stuk,
als opvolgende wolkjes van den dageraad--het betaamt niet, dat alles
te aanschouwen, noch het te schetsen. Het is reeds te veel het aan te
duiden. Het oog van den man moet nog eerbiediger zijn voor het opstaan
van een meisje, dan voor het opgaan eener ster. De zekerheid van te
kwetsen moet hier den eerbied nog verhoogen. Het dons van de perzik,
het waas van de druiven, het kristal van de sneeuw, de vleugels van den
vlinder, dit alles is minder teer dan deze kuischheid, die zelfs niet
weet dat zij kuisch is. De jonge maagd is nog slechts een lichtende
droom, zij is nog geen beeld. Haar rustplaats is een der gewijde
plaatsen in de verborgenheden van het ideaal. Een onbescheiden blik
kwetst en ontwijdt. Aanschouwing is hier ontheiliging. Een Oostersch
sprookje zegt, dat de roos wit is geschapen, maar dat zij van schaamte
rood is geworden, toen Adam haar bij het ontluiken een oogenblik
aanschouwde. Voor meisjes en bloemen betaamt het beschroomdheid te
gevoelen, wijl ze eerbiedwaardig zijn.
Van die heiligheid van het maagdelijk bed is den erotischen humorist
niets bekend. Hij haast zich integendeel daar zijn opvatting tegenover
te stellen. En hij kleedt die bijvoorbeeld in als volgt:
Den avond van den zesden dag, even na de schepping van de vrouw uit
Adam's ribstuk, had men in den hof Eden een oudachtig heer kunnen
hooren mompelen in zijn baard: "De schilderij is wel aardig, maar er
mankeert nog een passende lijst aan, en nu het werk is begonnen, dient
het ook te worden voltooid." En toen had men dien ouden heer haastig
wat planken kunnen zien bijeenscharrelen, en daarvan iets knutselen,
waarin men al heel gauw een soort ledikant zou hebben herkend. Dat
ledikant had echter niets van den stijl Empire, evenmin iets van den
stijl Hendrik II, maar was zuiver gehouden in een duizendmaal ouderen
stijl--als het nog eens wordt teruggevonden, zal men het vermoedelijk
in een museum te kijk zetten als een der oudste voortbrengselen van
vóór-zondvloedsche of zesde-dag-Edensche kunst. En toen het zaakje
klaar was, riep de oude heer: "Hier jij, kleine, dat is nu jouw
troon! Evenals de hemel gemaakt is voor de wolken, de oceaan voor
de koraalriffen, zoo is het bed geschapen voor de vrouw. Daar zal je
heerschen en triomfeeren en gebieden, meesteres zijn en koningin, daar
zal de man je slaaf zijn, alle eeuwen door". En Eva prevelde woorden
van dank en nam de les ter harte. Het schijnt, dat zij ten volle
tevreden was met deze schikking en zij, evenals alle dochteren Eva's
na haar, heeft naar die woorden gehandeld en van haar bed haar troon
weten te maken, van waar zij heerschte als autocratisch gebiedster. Zoo
werd en bleef dit de plaats waarheen welke Eva ter wereld ook zich
nooit begaf zonder genoegen en die zij nooit verliet dan met tegenzin;
de plaats waar zij het beste deel van haar leven sleet; de plaats,
waar zij volkomen vrij was van haar wel onmisbare, maar toch ook zoo
tirannieke bondgenoote, de mode; de plaats waar haar pudeur mocht
insluimeren, terwijl haar coquetterie meer dan bleef waken.
Zoo herstelt de humoristische opvatting van het liefdeleven weer het
evenwicht in de algemeene voorstelling der sexueele dingen. Waar de
verheven-dichterlijke opvatting zich stelt op onbereikbare hoogten
boven de werkelijkheid, daar daalt de erotische humorist dikwijls
lager dan de werkelijkheid. Zijn voorstellingen zijn in den regel
doortrokken van gloeiende zinnelijkheid, terwijl in de ontboezemingen
der erotische lyriek veelal een element is van onzinnelijkheid
en dwepende ascese. Intusschen is de erotische humorist in zijn
gloeiende zinnelijkheid echt, eerlijk en waar, terwijl de erotische
lyricus zwelgt in opgewonden, overspannen oogenbliksstemmingen, die
hij in de praktijk van het leven wellicht het volgende moment al weer
verloochent en te schande maakt.
In de ondoordachte waardeering der groote massa wordt de sexueele
lyriek hooger gesteld dan de erotische humor. Toch levert diezelfde
groote massa den erotischen humorist juist de stof voor zijn in- en
uitvallen--zij is zijn altijddurend model, zij verkarikatuurt ieder
oogenblik het sexueele leven in al zijn uitingen. Maar die massa is
te kortzichtig en te onnadenkend, om in die photografiën haar eigen
beeld te herkennen. Ieder ziet in die karikaturen wel den buurman,
niet zichzelf. Men geeft gaarne toe, dat zoo en zoo door anderen wel
wordt gehandeld, maar dat men zelf ook zoo doet, dezelfde dwaasheden
begaat dat komt maar bij weinigen op. De instemming, die de erotische
humor dan ook vindt bij de groote massa, en die in haar beste uitingen
bestemd is, althans strekken kan, tot haar leering en haar sexueele
opvoeding, berust gewoonlijk louter op leedvermaak. En den sexueelen
humorist zelf, hoe gaarne men zich ook met zijn producten vermaakt,
schat men toch niet bijzonder hoog.
Een feit is het, dat de sexueele humor licht ontaardt in pornografie,
gemakkelijk daartoe overhelt. Maar haar eigenlijk wezen is dit
niet. Het gansche sexueele leven is van nature als overgoten met
humor. Elk zijner uitingen heeft voor den kritischen waarnemer
haar komische kanten. Die weer te geven zoo ze zich vertoonen,
is natuurbeschrijving.
Natuurbeschrijving voornamelijk van het niet-meer-natuurlijke,
om niet te spreken van het onnatuurlijke. Want wel is er in het
onvervalscht-natuurlijke liefdeleven veel zachte en liefelijke humor,
maar stof voor spot, voor ironie en sarcasme biedt het nooit. Dat
doet echter het liefdeleven dat beheerscht wordt door een of
andere beschaving altijd. In dat liefdeleven, massaal overzien en
de natuur trouw gebleven uitzonderingen buiten rekening gelaten, is
alles valsch en onecht en onwaar, alles vorm en schijn, comediespel
en berekening. Alles wat zich in het dusgenaamde liefdeleven der
beschaafde menschen afspeelt, provoceert den spotlust, lokt als uit om
er den draak mee te steken. Dit geldt van alle standen der samenleving,
van de hoogste tot de laagste. Bij allen is het liefdeleven tot een
dwaze karikatuur geworden. Gelijk vanzelf spreekt in verschillende
richting en vooral ook hierbij blijkt weer, in welk een mate het
liefdeleven wordt beheerscht door de stoffelijke omstandigheden,
gelijk in dit werk aanhoudend is betoogd.
De algemeene eigenaardigheid van het sexueele leven onder deze of
gene beschaving is een voor ieder dichterlijk gemoed onuitstaanbare
nuchterheid, een geestelooze practische zin. Wie zich in zijn
geslachtsleven nauwgezet gedraagt naar de voorschriften der beschaving
waaronder hij leeft, die vertegenwoordigt de kleurlooze nuchterheid in
de elfde macht. Uit het beschaafde geslachtsleven is alle natuurlijke
poëzie weggenomen. Het is het afwerken van de droge agenda der
huishoudelijke vergadering eener vereeniging waarvan allen slechts
fatsoenshalve lid zijn. Dit alles geeft hooger gestemde gemoederen
ergernis en die ergernis uit zich in spot, en die spot is gewoonlijk
waar, niet slechts voor het afzonderlijke geval, dat voor het oogenblik
naar voren wordt gebracht, maar voor het karakter van het geheel.
In het algemeene geslachtsleven van het beschaafde deel der menschheid
is nagenoeg niets wat eerbied kan inboezemen, niets wat teedere
gevoelens wakker roept, niets wat de heilige geestdrift aannemelijk
maakt, die de dichterlijke waarnemer daaruit zegt te putten. De
verheven-dichterlijke bezinger van het onbezingbare liefdeleven der
beschaving leeft in een zelfgeschapen droomwereld van onwezenlijkheid,
of hij is eenvoudig een simulant. Want in werkelijkheid is bedoeld
liefdeleven grof en plat, kleurloos triestig, en wegens zijn
onwaarheid, zijn maskers en zijn schijn alleen nog maar waard er op
te schimpen en het te verguizen en te hoonen door het prijs te geven
aan den lachlust.
Dit is een der zijden van wat wij gemakshalve samenvatten onder de
algemeene benaming: erotische humor. Hij heeft er tallooze. In den
vorm, waarin wij dezen humor zooeven schetsten, is hij een uiting van
ergernis over het ontbreken van natuurlijken humor en hij bedient
zich diensvolgens bij voorkeur van bijtend sarcasme--elk zijner
uitingen is een schrijnende zweepslag, een tergende schimpscheut,
een handvol hoon naar de geslachtelijke zeden. Van dien aard zijn
tal van humoresken in beeld, welke in dit deel zijn opgenomen.
In onze taal is wel Multatuli de literaire vertegenwoordiger bij
uitnemendheid van dit genre. Waar hij van de sexueele zeden en de
geslachtelijke opvattingen van zijn tijd komt te spreken, heeft
hij daarvoor niet anders dan spot en schimpend sarcasme. "In den
beginne was deugd... niemendal. Men was deugdzaam, zoolang er niemand
sprak over deugd. Want de natuur van den mensch was goed. De moeder
had haar kindje lief. Men zei: hoort moeders, ge moet uw kinderen
beminnen. Als van toen af 'n moeder heel lief was voor haar kindje,
dacht dit al heel gauw: "je moet wel, men heeft het je gelast". 't
Lag in de natuur, dat er hartelijkheid geboren werd uit den omgang
tusschen de geslachten. Dit was ook 't geval bij de ganzen die samen
hun jongen bewaken. Maar bij de ganzen is 't zoo gebleven omdat er
niemand was die 't hun voorschreef. Kortom.... de deugd verdween na
't spreken over de deugd, zooals de stilte verdwijnt door geschreeuw
over de stilte. Men maakte deugden, die in de plaats kwamen van
deugd. En die gemaakte deugden veranderden met de seizoenen, ja bij
de week. Wat heden deugd was, werd morgen ondeugd en omgekeerd. Wie
vandaag de deugd omhing van verleden jaar zou uit de mode wezen, en
worden aangezien voor verkeerd geboren. Wie zich kleedt in de deugd
van de toekomst wordt uitgefloten als Wagner's muziek te Parijs. De
hoofdzaak is, dat men zich omhangt met de deugden van den dag. Wie
dit goed in acht neemt is modern, deugend, deugdzaam".--"De kuisheid
bestaat niet. 't Is de toepassing van een der vele manieren waarop
men zuinigheid verheft tot 'n principe, en deugd maakte uit de duurte
der levensmiddelen. In den beginne.... waren alle kinderen onecht en
't kwam niemand in den zin, een meisje te verachten omdat ze moeder
was. 't Zou geweest zijn alsof men boos werd op een bloem, wijl ze
zich verstout had over te gaan van knop in bloem. Dit bleef zoo tot
er schraalte kwam aan voeding. Men beduidde de jonge meisjes, dat
ze te zorgen hadden voor 't onderhoud van hare kinderen. Zij namen
daaruit aanleiding vooraf te informeeren, of de kandidaat-vader 'n
beklanten winkel had. Velen zeiden ja, en soms was 't ook zoo. Maar
er waren er, die in weerwil hiervan toch geen zorg droegen voor hun
kinderen. Zij hielden zich als wisten zij van niets, wanneer deze of
gene jonge moeder hen uitnoodigde om de zorgen voor 't gezin met haar
te deelen. Om deze ontkenning voor te komen, stelde men vast, dat er
huwelijken zouden gesloten worden, en dat ieder die vader worden wou,
dit eerst moest verklaren. Hierin... ligt wel iets goeds. Maar niet
goed is het dat men 't deed voorkomen alsof 'n meisje, dat iemand
geloofde op z'n woord, zonder die openlijke verklaring, minder braaf
was dan 'n ander".--Onder zijn tallooze sarcasmen en schimpscheuten op
sexueele opvattingen citeeren wij hier nog de ontboezeming, die hij het
"deugdzame" meisje in den mond legt (bij wijze van navraag naar haar
Japanschen minnaar), om te laten uitkomen welke begrippen er al zoo
bestaan omtrent deugd: "M'nheer, wil u aan die gele heeren vragen, of
't waar is, dat hun knecht in zijn land 'n beklante winkel heeft? En
of ik er op rekenen kan dat-i behoorlijk voor me zal zorgen? Want ik
ben niet zoo mal als Grietje, die loopt te bedelen met 'r kind zonder
vader... want ziet u op me fatsoen ben ik gesteld. En om nou 'n goeien
dienst te verliezen, voor ik zeker ben da 'k niet zal rondloopen als
Grietje, die nergens terecht kan omdat ze geen eerlijk meissie is..."
In deze soort humor der groote denkers is altijd bitterheid, minachting
en verontwaardiging. Het beleedigd esthetisch gevoel grijpt naar het
middel der satirieke polemiek, naar dat van den verguizenden spot,
naar elk middel dat den vijand--den sexueelen misstand--maar kan
prijsgeven aan verachting. Het werpt zich met hartstocht, met woede
op de grauwe kleurloosheid, op de onteerende berekeningen en de
ontwijdende overleggingen, op al de karikaturen, schijnheiligheden
en misvormingen van het geslachtsleven, zooals dat onder den invloed
der dusgenaamde beschaving de regel is. En de typen, die vooral dezen
humor zonder vroolijkheid, deze sarcastische bitterheden uitlokken, dat
zijn de Droogstoppels van beiderlei sexe, waarvan het in de beschaafde
wereld wemelt. In dezen sexueelen humor ligt veelal dramatiek.
Zooveel als de tegenovergestelde richting in den erotischen humor is
die, welke met een beminnelijk glimlachje de aandacht vestigt op de
kleine onoprechtheden, onhandigheden, teleurstellingen en komische
verdrietelijkheden in het verkeer der sexen. Aan dezen vorm van
sexueelen humor is de neiging om te moraliseeren, met een lach om de
lippen te onderrichten, niet vreemd, ofschoon moeilijk valt te zeggen,
of deze neiging hem van nature eigen is. Nooit slaat deze vorm den
toon aan van den fellen spot, er klinkt geen hevige verontwaardiging
uit op, hij stelt niet onbarmhartig aan de kaak, is zelden recht
op den man af persoonlijk, maar geeft bij voorkeur met eenige rake
lijnen een min of meer scherpe aanduiding van het komisch geval,
dat hem voor het oogenblik frappeert en tot spreken dringt. Zoo als
bijvoorbeeld in den volgenden uitval:
Aan een beroemde vrouw werd eens gevraagd, waarom zij niet getrouwd
was, en of zij aan het huwelijksleven niet de voorkeur gaf. Het
antwoord luidde: Ik heb drie wezens om mij heen, die zoo ten volle
een man vervangen, dat ik niet in het minst naar een echtgenoot
verlang. Naar eenige opheldering gevraagd, zeide de dame: Ik heb een
hond, die den heelen morgen bromt en gromt, een papegaai, die den
heelen middag vloekt en tiert, en een poes, die alle avonden tot diep
in den nacht uit is. Alles bij elkaar heb ik dus zoo goed als een man.
In dier voege karakteriseert deze soort van erotische humor gewone
toestanden, zooveel als de kleine gebreken en de dagelijksche zonden
in het samenleven der sexen. Het eigenlijk terrein van deze soort van
erotische humor zijn de alledaagsche onhebbelijkheden, tekortkomingen
en dwaasheden, die zoo algemeen zijn, dat ze nauwelijks meer als
zoodanig worden opgemerkt. Zij wijst die dwaasheden enz. aan en zij mag
daarvan het resultaat verwachten, dat hier en daar een nog niet geheel
verharde een oogenblik tot nadenken wordt gebracht. Nooit grijpt zij
daarbij naar het middel van den bijtenden spot, nog minder naar dat van
het vlijmend sarcasme. Maar des te meer bedient zij zich van geestige
gevatheid, die niet zelden tegelijkertijd verre perspectieven in het
gebied van het zieleleven ontsluit. Zooals in het volgende staaltje
van Turksche erotische humor:
Een vrouw liep te wandelen en bemerkte dat zij gevolgd werd door
een man, die nu eens dicht naast haar kwam en bewonderend tot haar
opkeek en dan weer achter haar aanliep. Toen de vrouw meende zekerheid
te hebben dat de belangstelling van dien man inderdaad haar gold,
bleef zij staan en wendde zich tot hem met de vraag: Waarom loopt u
zoo om mij heen?--Ik vind u zoo mooi, dat ik het oog niet van u kan
afwenden, was het antwoord.--Zoo mooi ben ik toch niet; mijn zuster,
die daar aankomt is veel mooier.--De man keek om en zag een oudje
aan komen strompelen. Glimlachend zeide hij toen:--Waarom houdt u me
voor den gek?--Omdat u mij ook voor den gek houdt. U kon uw oog niet
van mij afhouden, zoo mooi was ik. Maar toch keek u onmiddellijk naar
die andere.
De modellen, die deze soort humor vooral de stof moeten leveren
voor haar grappen en aardigheden, zijn de altijd-blauwtjes-loopende
ongeluksvogels in de liefde, de onhandige minnaars, de bijdehandjes, de
minzieke oude snoepers, de oude vrijsters, de onder-de-plak-zitters of
pantoffelhelden, de betrapte echtbrekers, de sexueel-brave Hendrikken
enz., enz., behalve dan nog de schoonmoeders en de mode.
Over het geheel zoekt deze soort sexueele humor alleen te vermaken. Zij
gaat niet diep, laat zich niet in met de groote problemen van het leven
der sexen, stelt de dingen tegelijkertijd komisch en onschuldig voor,
maakt belachelijk en vergoelijkt tevens, en is door dit gemis aan
diepte en aan grooten hartstocht de erotische humor bij uitnemendheid
voor de groote meerderheid, die het immers evenzeer ontbreekt aan
diepe gevoelens en groote hartstochten. Zij is uiterlijk veelkleurig
en innerlijk ideaalloos-grauw. Zij glimt en glinstert als fosforglans
zonder vuur of gloed. Deze sexueele humor valt dan ook algemeen in
den smaak. Zij doet even lachen en daarmee uit. Zij gaat in de eene
noch in de andere richting wat men noemt te ver. Zij blijft binnen de
grenzen der geijkte betamelijkheid en zij doet de oogen geen pijn door
te fel licht. Zij doet gelooven dat eigen zwakheden aller zwakheden
zijn en schenkt zoodoende het verkwikkend bewustzijn dat men in elk
geval niet minder is dan de rest.
Van dit soort erotische humor is dan ook ten alle tijde alle
literatuur, die op niet meer dan een eendags-bestaan mag hopen,
doortrokken, evenals de dagelijksche conversatie van de praatgrage
menigte, die meer lust dan stof heeft tot praten. Het gebied
bij uitnemendheid van deze geslachtshumor zijn de dusgenaamde
Zondagsbladen, stuiversbladen, geïllustreerde bladen en al dergelijke
periodieke eendagsvliegen.
Een verdere hoofdvorm van den erotischen humor is de ontledende, de
analyseerende, die door de maskers en door den schijn heendringt, het
ware wezen van al dat schijnschoon blootlegt en er het belachelijke
van in het licht stelt. Deze vorm bedient zich beurtelings van alle
ten dienste staande middelen. Elke vondst, die hij, gewapend met loup
en lancet, in het gebied van het sexueele leven doet, prepareert
hij op de manier, die er hem het geschiktst voor dunkt. En altijd
is het eindresultaat van zijn ontleden en indringen in het wezen der
verhoudingen tusschen de sexen, dat er als regel in het liefdesgedoe
niets verhevens is, hoe romantisch het zich ook voordoet, en hoe
dichterlijk en verheven het zich ook aanstelt. Deze soort van erotische
humor ziet in elke uiting van het geslachtsleven sexueel egoïsme, of
zucht om voordeel te trekken uit een sexueele machtspositie. Zij ziet
in het geslachtsleven het kleine, het komediespel, het bedriegelijke,
al die tallooze zwakheden, die men onder allerlei maskers angstvallig
zoekt te verbergen. Voor haar is de liefde bijvoorbeeld allerminst
blind, maar integendeel een scherpziende woekeraarster, die op elke
mogelijke wijze haar voordeel zoekt te doen en sluw en geslepen elke
geslachtelijke machtspositie weet te benutten,--als een voorzichtige
rekenaarster, die altijd op den beganen grond blijft en geen oogenblik
vergeet naar zich toe te rekenen.
Een eigenaardig kenmerk van deze soort van geslachtshumor is, dat
zij zoo gaarne een wijsgeerigen toon aanslaat, zich met voorliefde
uitdrukt in niet al te dagelijksche termen, er van houdt het air
aan te nemen van den boven de massa ver verheven diep-vorschenden
denker, die de dingen van alle kanten pleegt te bezien en vooral te
doorzien. In de bevindingen van zulke erotische onderzoekers vlamt niet
de diepe ergernis of de felle verontwaardiging van den hoogvoelenden
gevoelsmensch, die zich door de grauwe werkelijkheid op het pijnlijkst
voelt beleedigd, wiens gewonde ziel tegen al dat minderwaardige en
inferieure in het sexueel verkeer in titanisch verzet komt en die
voor den smaad, zijn esthetisch ideaal aangedaan, wraak neemt door
gal-bitter sarcasme en venijnige ironie te spuwen. Maar nog minder
verwaardigt zij zich tot de onschuldig-oppervlakkige grappen van
den erotischen humor der groote menigte. Zij vindt de eene soort te
eenzijdig en de andere te onbeduidend. Zij zoekt--de waarheid. Men zou
haar kunnen noemen wetenschappelijke humor, en in elk geval beschouwt
zij zichzelf als zoodanig.
Het geliefkoosde middel waarvan zij zich bedient om hare vondsten
en resultaten tot gemeen-goed te maken, is de geen tegenspraak
duldende orakelspreuk. Zij formuleert gaarne zeer afdoend uitziende
aforismen. Zij ontleedt, gaat tot de kern, dringt door tot het
wezen der dingen--beweert dat tenminste. Zij blijft daarbij, zooals
aan haar karakter van wetenschappelijkheid betaamt, onbewogen,
hartstochtloos. Zij constateert alleen, zij is de nijvere bij, die
sexueele wijsheid opspoort en die aan de domme wereld aanbiedt als
een kostbaar geschenk. Zij stelt er blijkbaar minder prijs op, dat men
haar uitspraken houdt voor diep-doorvoeld, dan wel voor diep-doordacht.
En inderdaad moet worden toegegeven, dat in deze soort sexueele humor
zeer veel bruikbaars is te vinden, dat strekken kan om het inzicht
in het wezen van het geslachtsleven te verhelderen. Eigenlijk schijnt
zij zelden te bedoelen, als humorist op te treden. Uiterlijk ziet zij
er veelal zeer deftig, degelijk en gedegen uit. Dat zij niettemin
als humor werkt, is vermoedelijk hieraan toe te schrijven, dat het
geslachtsleven, als het niet opzettelijk in verheven of tragische
verpakking wordt gestoken, eigenlijk altijd min of meer humoristisch
werkt. Zoo komisch en humoristisch is het geslachtsleven, dat, hoe
men het wendt of keert, nagenoeg altijd een komische of humoristische
zijde boven komt. Zelfs de verheven en de tragische voorstelling van
het sexeleven doen dikwijls komisch aan. En menige bladzijde erotische
humor is dan ook vermoedelijk niet geschreven om humoristisch effect
te krijgen, en menige zeer komisch aandoende sexueel-wijze spreuk is
ongetwijfeld oorspronkelijk bedoeld als hoog-ernstige geslachtskritiek.
Zoo bijvoorbeeld Mantegazza in zijn boutades op de platonische
liefde. Wat is platonische liefde? zoo vraagt hij en hij geeft
haar prijs aan den spot met den volgenden stortvloed van hekelende
formules waarvan elke volgende weer een nieuwe dwaze zijde van dit
troeteldroombeeld der erotische lyriek blootlegt:
De platonische liefde is een onding, een hersenschim; zij heeft nooit
bestaan en zal ook nooit bestaan.
De platonische liefde is een valsche vlag, die een verdachte lading
dekt.
De platonische liefde is een vervalscht document, bestemd om
contrabande weg te smokkelen.
De platonische liefde is een valsche sleutel om te komen waar men
niet wezen mag.
De platonische liefde is een masker voor geslachtelijke onmacht.
De platonische liefde is een contradictio in terminis; zij is de
kwadratuur van den cirkel.
De platonische liefde is de honderdste variant op de fabel van den vos,
die de druiven waar hij niet bij kon, te zuur vond.
De platonische liefde is de onoprechtste manier om te zeggen: ik wil
wel maar ik kan niet.
De platonische liefde is een dubbele leugen, waaraan geen der beide
leugenaars geloof slaat.
De platonische liefde is het eerste stadium eener groote liefde of
het laatste eener kleine liefde, maar nooit de liefde zelf.
De platonische liefde is een bezworen overeenkomst tusschen partijen,
met het verzwegen voorbehoud zoo gauw mogelijk meineedig te worden.
De platonische liefde is de gelofte van den zeeman tijdens het
noodweer, die hij geen oogenblik denkt na te komen.
De platonische liefde is de vinger, die de gelegenheid biedt de heele
hand te nemen.
De platonische liefde is een schijngevecht tusschen twee die niet
vechten kunnen en bang zijn bloed te zien.
De platonische liefde is een bisdom in partibus infidelium, als men
geen parochie te vergeven heeft.
De platonische liefde is de metaphysica van de liefde.
De platonische liefde is de lompste parodie op den mooisten, grootsten
en gloeiendsten menschelijken hartstocht.
De platonische liefde is een leeuwtje van gips, een bordpapieren
tijger, een boeman of een trekpop voor kinderen.
Voor zoodanige conclusies--n.l. dat het allemaal larie is--schijnt
de wijsgeerige ontleder van het sexeleven een sterke voorliefde te
hebben. In elk geval vindt ook hij, evenals de sarcastische pessimist
en de luchtig-oppervlakkige pessimist in het leven der liefde wel
veel zots, dwaas en belachelijks, maar weinig schoons. En dat weinige
schoone is dan volgens zijn oordeel meestal nog slechts schijn en
komedie. Hij wordt daarover echter niet boosaardig, kwaadaardig of
giftig zooals de pessimist, noch minder maakt hij er zich vroolijk
over zooals de optimist, maar hij blijft deftig en gewichtig in
zijn rol van wijsgeerig waarnemer, en draagt vooral zorg, zich niet
al te eenvoudig uit te drukken. Het valt niet te ontkennen, dat de
pessimist, met zijn door wraakzucht gescherpten blik, duidelijker
de dagelijksche werkelijkheid ziet; zelf diep geërgerd schept hij er
vermaak in te ergeren, en dit doet hem de taal vinden die hem succes
waarborgt. Niemand verstaat dan ook in die mate als de pessimist, ook
op dit gebied, de kunst dat wat hem ergert, te overstelpen met smaad
en het prijs te geven aan bespotting en aan hoongelach. De wijsgeerige
humor daarentegen is zelden concreet, maar blijft bij voorkeur in de
wolken van het abstracte. Hij verschaft algemeene formules, die men
naar willekeur kan toepassen ... op den buurman. Hij houdt u niet
den spiegel voor, maar wapent u met machtspreuken en dogma's die er
veelal uitzien als treffende waarheden.
Was ist der Kern der Mannesliebe?
Die Sinnlichkeit.
Und letzter Grund der Weibertriebe?
Die Eitelkeit.
Aldus orakelt Lessing.
Paul Bourget hoont: Maagdelijns zonder onschuld, ziedaar het
schitterendst product onzer beschaving. De vroegere barbaren, die in
veroverde streken geweld pleegden, lieten daar onschuldige meisjes
zonder maagdelijkheid achter. Men moet toegeven dat wij de methode
verfijnd hebben.
Onuitputtelijk is vooral de wijsgeerig-erotische geestigheid der
mannen bij het beoordeelen van de vrouwen. In het geestig en frappant
formuleeren van de zwakheden der vrouw, in het literair-smakelijk
toebereiden van diagnosen van moreele vrouwenkwalen viert het mannelijk
vernuft zijn grootste triumfen. De gewoonte, zijn beoordeelingen van de
vrouw te kruiden met geestigheden en humor schijnt den man zoo eigen,
dat hij het zelfs niet nalaten kan als hij van haar spreekt op een
manier, die blijkbaar voor ernstig wil doorgaan. Zelden komt de vrouw
anders uit zijn handen te voorschijn dan als een met komische zonden
potsierlijk uitgedoscht beminnelijk wanschepsel. (Fig. 39).
De vrouwen, oordeelt Honoré de Balzac (in Petites misères de la
vie conjugale) zijn erger dan de jezuïeten. De meest jezuïetische
jezuïet onder de jezuïeten is duizendmaal minder jezuïet dan de
minst jezuïetische vrouw, daaruit kan men opmaken hoe jezuïetisch
de vrouwen zijn. Zij zijn zoo jezuïetisch, dat de ergste jezuïet er
geen denkbeeld van heeft, hoever hij in jezuïetisme beneden een vrouw
staat. Er zijn duizend manieren om jezuïetisch te zijn, en de vrouw
is zulk een handige jezuïet, dat zij jezuïetisch kan zijn zonder dat
men het merkt. Zelden, maar in elk geval toch wel eens een enkele maal,
kan men een jezuïet bewijzen, dat hij een jezuïet is; maar probeer maar
eens een vrouw te bewijzen, dat zij jezuïet is. Als ge het probeert,
dan bewijst ze u in een ommezien, dat niet zij een jezuïet is, maar
dat gij zelf een jezuïet zijt.
"De vrouwen, zegt Dohm, bedienen zich van leugens zooals de stier
zich bedient van zijn horens".
"Men leert de vrouwen het liegen, schrijft Flaubert, niemand zegt ze
ooit de waarheid, en krijgen ze de waarheid eens toevallig tegenover
zich, dan schrikken ze als van iets ongehoords".
Schopenhauer oordeelt: "De natuur heeft de vrouw maar één middel
gegeven om zich te verdedigen en te beschermen: onoprechtheid. De
onoprechtheid is haar allen aangeboren, de domsten zoowel als de
verstandigsten, en het is voor een vrouw even natuurlijk leugens te
vertellen, als het voor een dier is zich van zijn natuurlijke wapens te
bedienen; en zij gevoelt zich daarbij eigenlijk geheel in haar recht;
vandaar is het zoo goed als onmogelijk een door en door oprechte,
waarheidlievende vrouw te vinden".
"De vrouwen, zegt Zola, zijn niet in staat de waarheid te spreken;
zij beliegen iedereen, rechters, geliefden, haar omgeving en zelfs
zichzelf".
"Er zijn vrouwen", zegt Seneca, "die altijd iets kwaadaardigs op
de tong hebben, dat ze handig onder haar lieftalligheden weten te
mengen; die vriendschap huichelen, waar ze tegenovergestelde gevoelens
koesteren, en die haar haat weten te verbergen onder den sluier der
vleierij; waar zij het minst trouw zijn, daar is haar vertoon van
trouw gewoonlijk het grootst en zij plegen juist den man of geliefde
dien zij bedriegen, de minste wenschen in de oogen te lezen."