"Ik had het geluk," zegt Wallace, een nieuwe soort (Megapodius

Wallacei) te ontdekken, die Halmaheira, Ternate en Boeroe bewoont. Het

is de fraaiste Vogel van dit geslacht, op rug en vleugels rijk

getooid met banden van roodachtig bruin. Zijn levenswijze verschilt

van die der andere soorten; hij houdt zich op in de bosschen van 't

binnenland en begeeft zich naar het strand om eieren te leggen, die

echter niet geborgen worden in een door hem bijeengekrabde hoop aarde,

maar op den bodem van een in het zand gegraven gang, die omstreeks

1 M. in schuinsche richting naar beneden loopt. Na het bedekken van

de opening van de gang verbergt hij, naar het zeggen der inlanders,

de sporen van zijn voetstappen, die van en naar de opening voeren, door

in den omtrek op verschillende plaatsen den grond open te krabben of er

indruksels van voetstappen te maken. Hij legt zijne eieren alleen 's

nachts; op Boeroe werd eens 's morgens vroeg een Vogel van deze soort

betrapt, juist toen hij te voorschijn kwam uit zijn hol; hierin werden

verscheidene eieren gevonden. Naar het schijnt, zijn deze Hoenderen

halve nachtvogels: laat in den avond en lang voor den morgenschemering

hoort men hunne klaaglijke kreten. De eieren hebben een roestroode

kleur en zijn naar verhouding van de grootte van den Vogel kolossaal,

daar zij 75 à 85 mM. lang en 50 à 58 mM. breed zijn. Zij zijn goed

eetbaar en worden door de inboorlingen ijverig gezocht."

Met den naam Brush-turkey of Kreupelhoutkalkoen (Catheturus Lathami)

duidt de Australische kolonist het Loophoen aan, dat hij het best

heeft leeren kennen. Het vertegenwoordigt het geslacht der Talegallas

(Catheturus), dat o. a. kenbaar is aan de ringvormige opzwelling

van de huid, die van den voorhals naar beneden hangt; de kop en de

hals dragen slechts weinige haarvormige veeren. De genoemde soort is

op de bovenzijde fraai chocoladebruin, op de onderzijde lichtbruin

met zilvergrijze vederzoomen, die dwarsbanden vormen. Het oog is

lichtbruin, de nagenoeg naakte huid van kop en hals karmijnrood,

de halslel oranjegeel, de snavel loodkleurig grijs, de voet licht

chocoladebruin. Totale lengte 80, staartlengte 25 cM.

"Hoe ver zich het verbreidingsgebied van dezen Vogel uitstrekt,"

zegt Gould, "is nog niet op voldoende wijze bepaald. Men heeft hem in

verschillende gedeelten van Nieuw-Zuid-Wales, van Kaap Howe tot aan

de Moretonbaai gevonden. Naar ik vermoed, is hij het veelvuldigst in

de dichte, nog weinig bezochte kreupelwouden langs de oevers van den

Clarence en den Manning.

"Het merkwaardigste verschijnsel in de levenswijze van dezen Vogel

is, dat hij zijne eieren niet op de wijze van de andere Vogels

uitbroedt. In 't begin van de lente krabt hij een zeer grooten

hoop doode plantendeelen bijeen om als nest te dienen en laat de

ontwikkeling van de jongen over aan de warmte, die ten gevolge van

de rotting dezer plantaardige stoffen ontstaat. De voor dit doel

dienende hoop wordt verscheidene weken voor den legtijd opgeworpen,

heeft de gedaante van een kegel, welks middellijn de hoogte ver

overtreft, maar is zeer verschillend van grootte; soms bestaat hij

uit 2, soms uit 4 wagenvrachten bouwstoffen. De grootte van het nest

en de volledige verrotting van de bestanddeelen der onderste laag

schijnen recht te geven tot de onderstelling, dat het verscheidene

jaren achtereenvolgens dienst doet en telkens door toevoeging van

nieuwe stoffen weer bruikbaar wordt gemaakt. De heuvel komt tot stand,

doordat de Vogels een zekere hoeveelheid materiaal met de voeten

loskrabben en achter zich naar een middelpunt werpen. Zij ontblooten

op deze wijze den omgevenden grond zoo volkomen, dat er nagenoeg

geen blad of grashalm op blijft liggen. Als de hoop groot genoeg is,

en de temperatuur daarbinnen een voldoende hoogte heeft bereikt,

worden de eieren er in gelegd; deze worden om 't midden in een kring

gerangschikt, op een onderlingen afstand van 25 à 30 cM., ongeveer

op armdiepte, maar zoo, dat zij rechtop staan met het breede eind

naar boven; vervolgens worden zij met bladen bedekt en aan zich zelf

overgelaten. Zoowel van geloofwaardige kolonisten als van inboorlingen

vernam ik, dat men in één hoop soms wel een schepel eieren kan vinden;

ik zelf heb een vrouw gezien, die de helft van deze hoeveelheid in

een naburig boschje gevonden had en naar huis droeg. Eenige van

de inboorlingen beweerden, dat het wijfje zich voortdurend in de

nabijheid van den hoop ophoudt, om de blootliggende eieren weder

te bedekken en de uit den dop komende jongen bij te staan; andere

daarentegen zeggen, dat de hen zich niet meer om de eieren bekommert

na het leggen en dat de jongen zonder eenige hulp hun weg vinden. Eén

punt is voldoende opgehelderd: zoodra de jongen uit het nest komen,

zijn hunne vleugels genoeg ontwikkeld om hen in staat te stellen op de

twijgen der boomen te vliegen; op even flinke wijze kunnen zij hunne

pooten gebruiken; zij verkeeren dus in 't zelfde geval als een pas

uit de pophuid gekropen Vlinder, nadat zijne vleugels gedroogd zijn."

"De haan," zegt Sclater, "begint, als de broedtijd nadert, alle

plantaardige stoffen, die binnen de grenzen van de voor 't nest

bestemde plek liggen los te krabben, en achteruit te werpen, telkens

een voet vol te gelijk. Daar hij zijn arbeid steeds aan den buitensten

omtrek van het terrein aanvangt, ontstaat er in 't midden allengs een

kegelvormige verhevenheid. Zoodra deze ongeveer 1.5 M. hoog geworden

is, beginnen de Vogels haar effen te maken en daarna in 't middelpunt

een holte te graven. Hierin worden met vaste tusschentijden eieren

gelegd, die ongeveer 40 cM. onder den top van den heuvel in een

kring gerangschikt zijn. Het mannetje houdt zorgvuldig toezicht op

den voortgang van de ontwikkeling en let vooral op de warmte van den

broedoven. Gewoonlijk heeft hij de eieren op zulk een wijze bedekt,

dat boven deze slechts een ronde opening overblijft, waardoor de

noodige luchtverversching plaats heeft en de overmaat van warmte

ontwijken kan; bij warm weer neemt hij twee- of driemaal per dag

bijna de geheele bekleedende laag weg.

"Het jong blijft na het verlaten van het ei minstens 12 uur in den

heuvel, zonder de geringste poging te doen om er uit te kruipen;

het wordt gedurende dezen tijd door het mannetje even diep bedolven

als de overige eieren. Op den tweeden dag komt het te voorschijn; het

heeft dan goed ontwikkelde veeren; deze waren bij het verlaten van den

dop nog verborgen in de kort daarna openbarstende scheeden. Het jong

schijnt nu nog geen neiging te hebben om zijne vleugels te gebruiken,

maar beweegt zich uitsluitend met behulp van de krachtige pooten. Des

namiddags keert het naar het nest terug en wordt door den zorgvuldigen

vader weder begraven, hoewel op geringere diepte dan vroeger; op den

derden dag is het voor het vliegen volkomen geschikt."

Het Hamerhoen, de Maleo (Megacephalon maleo), is kenbaar aan een

harden, rondachtigen knobbel, die boven de neusgaten begint, het

geheele voorhoofd bedekt en voorbij den achterkop uitsteekt. Zijn

verbreidingsgebied is beperkt tot het noordelijke schiereiland van

Celebes. Met tusschenpoozen van 10 à 12 dagen legt de hen, die de

grootte heeft van een kleine kip, in gaten van den grond, die zij aan

't zeestrand uitkrabt, 6 à 8 steenroode eieren, welke zoo groot zijn

als die van een Gans; de jongen ontwikkelen zich op dezelfde wijze

als de overige Loophoenderen.

"Een opmerkelijk heesch geschreeuw en gekras klonk mij van den met

bosch begroeiden oever te gemoet," verhaalt Schomburgk. "Voorzichtig

naderbij komend zag ik een verbazend grooten troep Vogels. Het

waren Kuifhoenderen; de kolonisten noemden ze Stinkvogels. Hoewel

de eerste naam wegens de lange veeren op den kop karakteristiek mag

heeten, is toch de eigenschap, waarop de tweede naam gegrond is, nog

duidelijker merkbaar: reeds op een vrij groote afstand, voordat deze

Vogels zichtbaar zijn, wordt men op een zeer onaangename wijze van hun

nabijheid onderricht. Zelfs de Indianen willen het Kuifhoen, hoe goed

gevleescht het ook is, volstrekt niet eten, zoo afschuwelijk is deze

reuk; het meest komt hij overeen met dien van verschen paardenmest; hij

is zoo doordringend, dat men hem zelfs na jaren nog aan de gedroogde

huid opmerkt. De troep, die ik zag, bestond stellig uit honderden

Vogels; voor een deel zaten zij elkander tusschen de struiken door

achterna, voor een deel vlogen zij juist op. Naar het scheen, was

het hun paartijd."

Eenige dierkundigen hebben het Kuifhoen een plaats aangewezen onder

de Pisangvreters, waarmede het eenige overeenkomst vertoont. "Er

is echter," zegt Desmurs, "een bovenmenschelijke werking van de

phantasie of een echte afkeerigheid van eenvoudige, gemakkelijk

verstaanbare feiten noodig om deze handelwijze te rechtvaardigen." Ook

onder de Hoendervogels staat het Kuifhoen zeer geïsoleerd; het

gelijkt echter op hen, vooral op de Sjakoehoenderen, meer dan

op de Pisangvreters. Volgens Fürbringer vertegenwoordigt het een

afzonderlijke familie (Opisthocomidae), die niet met de drie vorige

in één groep kan worden geplaatst, maar in de onderorde der Hoenderen

een afzonderlijke groep (Opisthocomi) moet vormen, welke met die der

Hoenderen in engeren zin (Galli), op één lijn staat.

De eenige soort, die hiertoe gerekend kan worden, is het Kuifhoen

of Zigeunerhoen, ook wel Hoactzin en Sasa genoemd (Opisthocomus

cristatus). Zijn ondersnavel is merkwaardig door den duidelijk

waarneembaren kinhoek, de bovensnavel door een viertal inkervingen

aan de achterhelft van den zijrand; de (bruine) voet heeft een korten

loop en lange, niet door spanvliezen vereenigde teenen met lange,

dikke, tamelijk gekromde, spitse nagels; de tamelijk lange (bruine)

vleugels reiken in rust tot voorbij het midden van den langen, aan

de spits afgeronden, uit 10 pennen bestaanden staart. Op den boven-

en achterkop vindt men een uit smalle, spitse, witachtig gele veeren

samengestelde kuif. De omgeving van het (lichtbruine) oog, de teugel en

de wang zijn naakt en vleeschkleurig. De hoofdkleur van de bovendeelen

is bruin, op de achterste armpennen groen iriseerend; de onderdeelen

zijn lichter en valer; de vleugel heeft twee witte dwarsbanden,

de staart een lichten eindband. Totale lengte 62, staartlengte 29 cM.

Men weet zeer weinig van de levenswijze van dezen Vogel, die aan den

bovenloop van den Amazonenstroom zeer veelvuldig is; men zegt, dat

hij in polygamie leeft, in het bosch op boomen nestelt en slaapt,

maar zich over dag aan moerassige rivieroevers ophoudt, waar hij

zijn voedsel zoekt, dat uit jonge spruiten, bloemen en zaden van

waterplanten bestaat. Misschien ontleent hij zijn onaangename lucht

aan de vruchten van een soort van boomachtige aronskelk. Wegens deze

eigenschap maakt mensch nog roofdier jacht op hem.

De tweede onderorde van de Hoendervogels wordt gevormd door de

Kortstaart-hoenderen of Tinamoe's (Crypturiformes). Zij hebben een

kleinen en platten kop, met langen, dunnen, weinig gebogen snavel,

een langen, dunnen hals, voeten met langen loop en zeer oneffen zool;

de achterteen is altijd klein en aanmerkelijk hooger ingeplant dan

de onderling niet vereenigde voorteenen; bij enkele soorten is hij

zoo weinig ontwikkeld, dat alleen de nagel er van over is; de korte,

ronde vleugels reiken niet verder dan tot op den benedenrug; de staart

bestaat 10 à 12 korte en smalle pennen, die geheel verborgen zijn

onder de lange dekveeren; soms echter ontbreken de stuurpennen geheel.

De Kortstaarthoenderen zijn over een groot deel van Zuid-Amerika

verbreid en bewonen de meest verschillende terreinen: eenige soorten

steeds open gewesten, andere alleen de wildernissen van de wouden,

sommige de vlakte, andere het gebergte; enkele komen uitsluitend op

hoogten van 4000 M. voor. Zij leven bijna voortdurend op den grond,

vliegen zelden, loopen daarentegen op de wijze van onze Kwartels

snel te midden van de struiken of in het hooge gras, drukken zich

bij dreigend gevaar plat op den bodem neer of verbergen zich in een

graspol; alleen de in 't woud levende soorten zoeken 's nachts op

de onderste dikke takken van boomen een veilige slaapplaats. Hunne

lichamelijke en geestelijke vermogens zijn gering. Zij loopen

buitengewoon snel, vliegen echter op logge wijze en doen het daarom

ongaarne; in tijd van nood geraken zij geheel van streek. Hun stem

bestaat uit verscheidene opeenvolgende, fluitende geluiden van

verschillende hoogte, die soms in regelmatige verhouding onderling

afwisselen en zich zoozeer onderscheiden van de stemmen van andere

Vogels, dat zij onmiddellijk de aandacht trekken van vreemden zoowel

als van inboorlingen. Hun voedsel bestaat uit zaden, vruchten, jonge

spruitjes en Insecten. Sommige vinden, naar men zegt, in de vruchten

van den koffieboom, van eenige palmen enz. hun voornaamste voedsel.

Voor den jager nemen de Tinamoe's in Zuid-Amerika de plaats in van onze

Veldhoenderen; zij worden door hen "Patrijzen" of "Kwartels" genoemd en

ijverig gejaagd. Alle Roofdieren, de loopende zoowel als de vliegende,

wedijveren in dit opzicht met den mensch; zelfs de Jagoear versmaadt

de jacht op dit wild niet; gevaarlijk voor de jongen zijn bovendien

nog eenige Insecten, b.v. Mieren, die in dicht opeengedrongen hoopen

van de eene plaats naar de andere trekken. De mensch doodt deze Vogels

met het geweer, zet vallen voor hen uit, jaagt ze te paard achterna,

vangt ze met den werpstrik of brengt Honden op hun spoor. Deze worden,

naar Tschudi verhaalt, door de Indianen opzettelijk voor deze jacht

afgericht. De door hen opgespoorde Tinamoe vliegt omhoog, maar gaat

spoedig weer op den grond zitten; de Hond jaagt hem ten tweeden male

op; de derde keer springt hij op den vluchteling toe en bijt hem

dood.--In gevangenschap ziet men deze Vogels dikwijls bij de Indianen,

enkel ook wel in Europa; veel genoegen kunnen zij hun eigenaar niet

verschaffen; het zijn vervelende dieren.

Een der veelvuldigst voorkomende soorten van deze groep is de Inamboe

of Ynamboeï (verbasterd tot Tinamoe) (Rhynchotus rufescens); hij

onderscheidt zich door den betrekkelijk langen snavel (zoo lang als de

kop) en een vrij aanzienlijke grootte; een korte staart en een kleine

achterteen zijn hier aanwezig. De hoofdkleur is roestroodachtig geel;

iedere veer van de bovenzijde, behalve de handpennen, heeft breede

zwarte dwarsstrepen; de keel is witachtig. Oog, snavel en voet zijn

bruin. Totale lengte 42, staartlengte 5 cM.

De Inamboe behoort thuis in het Campos-gebied van Middel-Brazilië,

vooral in de provinciën Minas Geraes en Goyaz, maar komt ook in vele

gewesten van Argentië veelvuldig voor. Men vindt hier deze Vogels

nooit tot troepen vereenigd, altijd alleen, op sommige plaatsen

echter in zeer grooten getale. Zij zijn hier algemeen bekend,

het meest gezochte wild van den jager, aan voortdurende vervolging

blootgesteld en daarom schuw en voorzichtig. Den naderenden mensch

ontvluchten zij loopend in 't hooge gras; slechts in den uitersten

nood maken zij van hunne vleugels gebruik. Zij zijn zoo onbeholpen,

dat zelfs knapen er vele van buit maken met een hoogst eenvoudigen

lazo of werpstrik. Zij behooren tot het beste wild, dat den reiziger in

Brazilië of Argentië wordt voorgezet. Het nest, dat zich op den bodem

in het dichte struikgewas bevindt, bevat 7 à 9 donkergrijsachtige,

naar paars zweemende eieren, welker schaal buitengewoon glanzig is.

In de Europeesche dierentuin treft men soms Inamboe's aan; zij

verdragen de gevangenschap uitmuntend, zijn niet veeleischend en

planten zich, als zij behoorlijk verzorgd worden, ook wel in de

kooi voort.

De Snipstruisen (Apterygiformes), die de laatste onderorde van de

Hoendervogels vormen, hebben uitwendig weinig overeenkomst met hunne

ordegenooten. Hun romp is betrekkelijk ineengedrongen, de hals kort

maar dik, de kop niet bijzonder groot, de snavel lang en dun, de

voet betrekkelijk kort en vierteenig; de vleugels zijn zoo gebrekkig

ontwikkeld, dat hun aanwezigheid eigenlijk eerst bij de beschouwing

van het skelet blijkt; daar tusschen de veeren slechts korte stompjes

te vinden zijn, die eenige onvolkomen, maar dikke schaften dragen;

de staart ontbreekt geheel. De huid is met lange, lancetvormige,

los afhangende veeren bekleed, die van de hals af naar onderen in de

lengte toenemen; zij hebben een losbaardige vlag en een zijde-achtigen

glans. Bij oppervlakkige beschouwing zou men den snavel met dien van

een Ibes kunnen vergelijken; hij onderscheidt zich echter van dezen

en van iederen anderen vogelsnavel door de plaatsing der neusgaten

aan de spits. Aan het achterste uiteinde komt een washuid voor en

van hier naar de spits strekken zich groeven uit. De pooten zijn

zeer dik en kort, de drie voorteenen lang en forsch, met krachtige,

voor 't graven geschikte klauwen gewapend; de dikkere en kortere

achterteen, die een bijna verticalen stand heeft en bij het gaan

den bodem niet aanraakt, draagt een nog forscheren klauw en gelijkt

meer op de spoor van een Huishaan dan op een teen. Harde schilden

bekleeden netsgewijs den loop, schubben de bovenzijde der teenen;

aan de zijden hebben deze een smallen huidzoom.

In het skelet onderscheidt men een bovenarm van 3, een voorarm van 2

en een hand van 1 cM. lengte, de laatste voorzien met een scherpen

klauw. In verband met de uiterst geringe ontwikkeling der voorste

ledematen ontbreekt de kam op het borstbeen. Alle Vogels, die in

't laatstgenoemde opzicht overeenstemmen, werden vroeger onder den

naam van "Gladborstigen" aan de overige Vogels (de "Kamborstigen")

tegenovergesteld.

De eerste Snipstruis, wiens overblijfselen in 1812 naar Europa werden

overgebracht, kreeg den naam Apteryx australis (australis = zuidelijk),

omdat hij, naar gezegd werd, in de wouden bij de Duskybaai op de

zuidwestkust van het Zuidelijke eiland van Nieuw-Zeeland gedood was;

een tweede exemplaar, dat van dezelfde plaats afkomstig heette te zijn,

kwam in het Britsch Museum; andere voorwerpen van deze soort schijnen

niet bekend te zijn geworden. (Zij hebben de grootte van een Huishen;

lengte 67 cM.) Bijna alle Snipstruisen, die thans in de verzamelingen

voorkomen, zijn van het Noordelijke eiland afkomstig en behooren tot

een tweede soort (Apteryx Mantelli); deze zullen wij aanduiden met

den naam Kiwi, waaronder hij bij de inboorlingen bekend is. Volgens

Bartlett is zij iets kleiner dan de vorige, heeft naar verhouding

een langeren loop met kortere teenen en klauwen en vertoont ook eenig

verschil in kleur en bevedering. Een nog iets kleinere soort (Apteryx

Oweni) werd in het noordelijke gedeelte van het Zuidelijke eiland

gevonden; hiervan zijn de exemplaren zeer zeldzaam. Ook onderscheidt

men nog een vierde soort (Apteryx maxima). Sommige onderzoekers

erkennen echter slechts twee soorten. De Kiwi wordt in de onbewoonde,

boschrijke streken van het Noordelijke eiland ook thans nog gevonden;

in de bewoonde gewesten is hij echter geheel uitgeroeid; het is dus

niet gemakkelijk er een exemplaar van te verkrijgen.

Wat men van de levenswijze van den Kiwi weet, geldt waarschijnlijk

voor alle Snipstruisen. Zij zijn nachtvogels, die zich over dag in

gaten van den grond, bij voorkeur onder de wortels van groote boomen

in het woud, verborgen houden en niet anders dan 's nachts op voedsel

uitgaan. Dit bestaat uit Insecten en hunne larven, Wormen en zaden van

verschillende gewassen. Zij leven paarsgewijs en kunnen buitengewoon

snel loopen en springen. Na den mensch zijn Honden en Katten hunne

gevaarlijkste vijanden. De inboorlingen lokken hen (natuurlijk 's

nachts) door het nabootsen van hun geschreeuw. De Vogels worden door

het fakkellicht van de jagers zoo in de war gebracht, dat deze hen

met de handen grijpen of met een stok doodslaan kunnen. Voor deze

jacht worden ook wel Honden afgericht. Aan de vervolging, die hij

te verduren had, is het toe te schrijven, dat de Kiwi in bewoonde

streken sinds lang niet meer gevonden wordt.

Den Kiwi wordt de onbruikbaarheid van de vleugels tot op zekere hoogte

vergoed door de snelheid zijner voeten. In het nachtelijk halfdonker

beweegt hij zich voorzichtig en zoo stil als een loopende Rat, waaraan

zijn verschijning dan eenigszins herinnert. Als hij staan blijft,

trekt hij den hals in en schijnt dan geheel rond te zijn. Soms laat

hij tot steun in deze houding de spits van den snavel op den grond

rusten. Wanneer men hem over dag stoort, gaapt hij herhaaldelijk,

spert althans op zeer vreemdsoortige wijze den snavel wijd open. Een

uitdaging beantwoordt hij door een rechtstandige houding aan te

nemen, den eenen voet tot aan de borst op te tillen en met dit wapen,

zijn eenig, maar niet onbeduidend verdedigingsmiddel, even snel als

behendig naar voren en naar achteren te slaan. Terwijl hij zijn voedsel

zoekt, brengt hij aanhoudend een snuffelend gedruisch voort met de

neusgaten, alsof hij speuren wil; het is echter niet uitgemaakt,

of hij zich door het tastzintuig dan wel door het reukzintuig laat

leiden; waarschijnlijk doen beide in dit geval dienst. Het is een

zeer aardig schouwspel een Kiwi jacht te zien maken op de Wormen,

die zijn voornaamste voedsel uitmaken. De Vogel beweegt zich hierbij

zeer weinig, steekt echter zijn langen snavel telkens weer in den

weeken grond, waarin deze meestal tot aan den wortel doordringt,

en trekt hem daarna onmiddellijk terug, al of niet met een tusschen

de spitsen van de snavelhelften vastgeklemden Worm; steeds geschiedt

dit door een langzame beweging van den kop, zonder eenige medewerking

van den romp. Nooit scheurt hij den gevangen Worm met een snellen

ruk uit zijn schuilplaats naar boven; integendeel de meest mogelijke

voorzichtigheid wordt in acht genomen om den buit ongeschonden te

doen blijven. Als het lange dier eindelijk boven aarde gekomen is,

brengt hij het door een plotselingen ruk in het keelgat en zwelgt het

door. Af en toe eet hij ook verschillende Insecten en enkele bessen;

bovendien slikt hij steentjes in.

Over de voortplanting van de Snipstruisen waren een tijdlang

wonderbaarlijke berichten in omloop; door waarnemingen aan gevangen

exemplaren is men echter achter de waarheid gekomen. Waarschijnlijk

heeft Webster van het broeden de eerste duidelijke beschrijving

gegeven. "Voor ongeveer 14 jaren," schrijft hij aan Layard, "vond een

inboorling het ei van een Kiwi in een kleine holte onder de wortels

van een kauripijnboom (Dammara australis); hij trok, na het ei,

uit het diepste van het hol ook den ouden Vogel naar buiten. De

Nieuw-Zeelander, die den Kiwi scheen te kennen, verzekerde, dat

deze altijd slechts één ei legt en dat het nest altijd een door den

Vogel zelf gegraven hol is, dat gewoonlijk in drogen grond onder

een boomwortel gemaakt wordt. Het ei wordt, naar zijn zeggen, met

bladen en mos bedekt; de broeiing van deze plantaardige stoffen zou

de noodige hoeveelheid warmte leveren om het ei te doen uitkomen;

dit deel van de ontwikkelingsgeschiedenis zou 6 weken duren. Als het

jong het ei verlaten heeft, zou de moeder komen om het te helpen."

Gelukkig zijn wij in staat om deze mededeelingen tot op zekere hoogte

te bevestigen, op grond van hetgeen men in den Londenschen dierentuin

aan gevangen Snipstruisen waargenomen heeft. Sedert het jaar 1852

heeft men hier herhaaldelijk één of meer van deze zonderlinge Vogels

verpleegd. Het eerst aangekomen exemplaar was een wijfje; deze heeft

verscheidene malen eieren gelegd, het eene ongeveer drie maanden

na het andere; meermalen trachtte zij het ei uit te broeden en liet

zich slechts met moeite van haar nest verdrijven. In 1865 kreeg dit

wijfje een mannetje tot gezelschap; in 1867 gaven beide het voornemen

te kennen om een paar te worden; het eerst maakte men dit op uit

een luid geroep van het mannetje, waarop het wijfje met een korter

en zachter geluid antwoordde. Den 2en Januari legde het wijfje het

eerste ei, waarop zij een dag of iets langer bleef zitten. Toen zij

het nest verlaten had, nam het mannetje haar plaats in en broedde

van nu af onophoudelijk door. Den 7en Februari legde zij een tweede

ei en verliet het nest onmiddellijk daarna. Bartlett, aan wien wij de

bovenstaande berichten te danken hebben, vond de eieren in een kuil van

het stroo op den vloer van het hok; zij lagen dicht bij elkander. Het

mannetje zat er niet overlangs, maar overdwars op; zijn smal lichaam

zou anders niet voldoende geweest zijn om de eieren, welker spitsen

men naar buiten zag steken, te bedekken. IJverig bleef hij in dezelfde

houding broeden tot aan den 25en April; toen hij eindelijk uitgeput

het nest verliet, waren de eieren bedorven. Deze zijn buitengewoon

groot, want hun gewicht bedraagt ongeveer het vierde gedeelte van

het lichaamsgewicht der moeder.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 04: De Hoendervogels · 第 11 / 12 段