wat levenswijze betreft, in hoofdzaken overeen. Als woonplaats
verlangen zij gewesten, die bedekt zijn met een dicht, laagstammig
woud, waarin ook open plekken voorkomen. Laag gelegen, rijk met
struiken begroeide dalen, bosschen, waar dicht onderhout den bodem
bedekt, steppen, die niet uitsluitend met grasachtige planten begroeid
zijn, hoogvlakten in het gebergte tot op een hoogte van 3000 M. en
zacht afhellende, met rotsblokken bezaaide, maar toch met een weelderig
plantenkleed bedekte glooiingen voldoen aan alle eischen, die zij aan
het terrein stellen. De gebergten van de Kaapverdische Eilanden die
aan spitsen en diepe kloven zoo rijk zijn, leveren het Parelhoen een
met zijn aard geheel overeenkomende woonplaats; daarom wordt het hier
zeer algemeen gevonden; hoe grooter en woester het eiland, hoe stiller
de wildernissen van de bergstreken zijn, des te veelvuldiger treft
de reiziger er deze Vogels aan. Zij verlevendigen hier in talrijke
troepen alle hoogten, vooral de lage wouden, die uit boomachtige
euphorbias bestaan, omdat deze door den mensch zelden bezochte
oorden hun veilige schuilplaatsen verschaffen. Daar de West-Indische
eilanden dergelijke terreinen bezitten, heeft het Parelhoen zich
hier spoedig aan de heerschappij van den mensch onttrokken en zijn
vrijheid herwonnen. Reeds voor honderd en tachtig jaar was het op
Jamaïca veelvuldig; tegenwoordig is het daar zoo algemeen, dat het
soms een landplaag wordt. Ook op Cuba vindt men het velerwege, vooral
in het oostelijke gedeelte van het eiland, omdat hier vele verlaten
koffieplantages voorkomen, welker eigenaars op gronden, die nog niet
door den roofbouw uitgemergeld waren, nieuwe landbouwondernemingen
begonnen zijn. Tamme Parelhoenderen bleven op de braakliggende gronden
achter; zij vermenigvuldigden zich hier sterk en verwilderden geheel.
De Parelhoenderen zijn standvogels, hoewel niet in den strengsten
zin van 't woord. Op plaatsen waar zij veelvuldig zijn, merkt men
ze spoedig op. Zij hebben er slag van de aandacht te trekken, al
ware het slechts door het op trompetgeschal gelijkend stemgeluid,
dat zij in de morgen- en avonduren laten hooren.
De Parelhoenderen vluchten altijd bij de nadering van een mensch. Zij
zijn minder voorzichtig, dan schuw: door een rundveekudde worden zij
verjaagd, een Hond doet hen letterlijk hun bezinning verliezen, een
mensch brengt minstens een groote ontroering bij hen te weeg. Het is
daarom niet gemakkelijk hun levenswijze na te gaan; men moet althans,
om ze te naderen, zekere voorzorgen niet uit het oog verliezen. Als men
goed gedekt een troep besluipt, welker geschreeuw men hoorde, dan ziet
men de Vogels over een open plek loopen, tusschen de rotsblokken door
rondzwerven of door het struikgewas sluipen. Gelijk de Indianen op het
krijgspad, loopen de Parelhoenderen in lange reeksen achter elkander
aan; wat de eene begint, wordt door de overige nagedaan. Afzonderlijke
paren ontmoet men hoogst zelden, familiën, die soms uit 18 à 20 stuks
bestaan, reeds vaker, gewoonlijk echter zeer talrijke troepen, die
soms uit 6 à 8 familiën samengesteld zijn. De familiën blijven goed
aaneengesloten en ook de troepen blijven steeds nauw verbonden. Als
een familie of een troep op de een of andere wijze verschrikt wordt,
splitst zij zich zoo, dat streng genomen ieder individu zijn eigen
weg kiest. Alle rennen, loopen, vliegen of fladderen zoo haastig
mogelijk naar een schuilplaats; zoodra de rust tot op zekere hoogte
in de gemoederen teruggekeerd is, laten de hanen hun trompetgeschal
weerklinken en lokken de geheele troep spoedig weer bijeen. Alleen
wanneer zij reeds vroeger vervolgingen van den mensch te verduren
hebben gehad, en nogmaals opgejaagd worden, zullen zij zich vliegend
trachten te redden; ook dan vertrouwen zij, zoolang dit eenigermate
mogelijk is, op hunne behendige voeten.
Op een andere wijze gedragen zich sommige soorten van Parelhoenderen
bij vervolging door een Hond of een ander viervoetig roofdier. Het
is hun bekend, dat zij dezen vijand loopend evenmin ontkomen kunnen,
als met behulp van hunne spoedig vermoeide vleugels. Daarom gaan zij
ten spoedigste in een boom zitten en zijn bijna niet meer te bewegen
om naar beneden te vliegen. Het schijnt, dat de eene vijand hun den
anderen doet vergeten; dom driest laten zij nu den mensch, dien zij
in andere omstandigheden zorgvuldig ontvlieden, in hun onmiddellijke
nabijheid komen, kijken den jager met angstige gebaren, maar zonder
een poging tot vlucht te wagen, in het geweer en vliegen eerst op,
als de knal van het schot hun ontzetting nog doet toenemen. Ook
nu handelen zij even onbezonnen als vroeger. Met het oog op den
Hond wagen zij geen lange vlucht, maar vliegen hoogstens naar de
naastbij gelegen boomen, gaan hier weer zitten en laten den jager
voor de tweede, derde en tiende maal naderen. Als zij door een niets
kwaads in 't zin hebbenden reiziger of door een jager, die geen buit
meer verlangt, opgejaagd en niet door schoten opgeschrikt worden,
vliegen zij evenals vroeger, maar begeven zich niet ver weg, strijken
op een hooggelegen punt neer, kijken den vervolger nieuwsgierig aan,
buigen den kop op een vreemdsoortige wijze voor- en achterover, laten
eindelijk een schel geschreeuw hooren en zetten daarna hun vlucht
voort. Om te slapen kiezen alle soorten hoog gelegen plaatsen uit,
die hen de grootste veiligheid beloven. Hunne liefste slaapplaatsen
zijn hooge boomen aan rivieroevers; ook stijgen zij, als de avond
nadert, in de gebergten bij rotswanden omhoog en zoeken hier kammen
en rotspunten uit, die voor andere dieren, althans voor roovende
Zoogdieren, ontoegankelijk zijn.
Hun voedsel is verschillend in verband met de door hen bewoonde
gewesten en terreinen en hangt ook af van het jaargetijde. In
de lente, in het regenseizoen, zullen Insecten waarschijnlijk hun
voornaamste voedsel uitmaken; later eten zij bessen, bladen, knoppen,
grassprietjes en eindelijk allerlei zaden. Op Jamaika komen zij in de
koelste maanden van het jaar in talrijke troepen uit hunne wouden,
verspreiden zich over de akkers en richten hier een aanzienlijke
schade aan. De hen legt 5 à 8 (soms meer) vuil geelachtig witte,
tamelijk glanzige buitengewoon hardschalige eieren en bebroedt ze 25
dagen. De haan en de hen verwijderen zich nooit ver van hun gebroed
en trachten door geschreeuw en door haastig heen en weer te loopen de
aandacht van den mensch van hun nest af te trekken en op hen zelve
te vestigen. De kuikens in het donskleed gelijken door uitzicht en
voorkomen op jonge Fazanten; zij worden kort na het verlaten van het
ei door hunne ouders weggeleid, groeien schielijk en nemen reeds,
als zij de helft van de grootte der volwassenen bereikt hebben, deel
aan al hunne zwerftochten; ook brengen zij dan geregeld met hen den
nacht in de boomen door.
De Parelhoenderen schikken zich gemakkelijker dan eenig ander
wild Hoen in de gevangenschap, tam worden zij echter niet licht en
waarschijnlijk nooit geheel; zij planten zich alleen dan in de kooi
voort, als deze hun een groote ruimte aanbiedt. Daarentegen hechten de
gevangenen zich soms in korten tijd sterk aan hun nieuwe woonplaats,
zoodat men ze in huis en hof vrij kan laten rondloopen; zelfs aan den
wagen, waarmede zij vervoerd worden, wennen zij zoo zeer, dat men ze
op iedere pleisterplaats kan loslaten; des morgens, als het uur van
het vertrek gekomen is, zijn zij stipt bij den wagen terug en laten
zich zonder bezwaar opnieuw in hun kooi opsluiten. Zij zijn echter
twistziek, liggen met de Huishoenderen en Kalkoenen voortdurend
overhoop, worden zoo boosaardig, dat zij kinderen en volwassen
hanen aanvallen, zwerven ver in 't woud rond, verbergen hun nest
zooveel mogelijk, broeden niet ijverig en kunnen strenge koude niet
verdragen. Aan den anderen kant verschaffen zij hun eigenaar genoegen
door hun voortdurende bedrijvigheid, hun fraai vederenkleed en hunne
zonderlinge standen en bewegingen gedurende het loopen.
De Parelhoenderen hebben zeer vele vijanden. Alle leden van de
Kattenfamilie in Afrika, Luipaarden, Geparden, Lossen, enz.,
alle Jakhalzen en Vossen maken jacht op de ouden en de jongen, de
Civetkatten vooral op de eieren en kuikens; alle groote Roofvogels
vervolgen ijverig dit gemakkelijk te overmeesteren wild; zelfs
de Kruipende Dieren maken het niet zelden buit; in de maag van
een Reuzenslang van 2.5 M. lengte vond men een gaaf, volwassen
Parelhoen. De mensch maakt overal met zekere voorliefde jacht op deze
Vogels, daar zij zich zonder buitengewone inspanning laten verschalken,
ofschoon zij door vervolgingen weldra zeer schuw worden. Op Jamaïca
zet men hun graan voor, dat vooraf in rum of een dergelijk vocht
geweekt werd; zij eten er van, tot zij bedwelmd zijn en laten zich
zonder weerstand te bieden door den jager medenemen.
De Hokkovogels (Cracidae), die een hoogst eigenaardige familie van
Hoendervogels vormen, zijn groot of middelmatig groot en slank gebouwd;
de snavel is in den regel langer dan bij de meeste andere Hoenderen;
de washuid, die hem van achteren bedekt, strekt zich over de geheele
neusgroeve, gewoonlijk ook over den teugel en de oogstreek uit en
bekleedt een bij vele soorten op den snavelwortel aanwezigen knobbel;
de voeten zijn middelmatig dik en lang, de teenen dun en met lange,
tamelijk smalle, scherpe, flauw gekromde nagels gewapend, de vleugels
sterk afgerond; de staart is zeer lang en breed; de stuurpennen
naar de zijden een weinig verkort of nagenoeg gelijk van lengte. Het
vederenkleed bestaat uit breede, afgeronde veeren, welker schaften
meestal op een eigenaardige wijze verdikt zijn en eerst bij de spits
dunner en smaller worden. Bij enkele soorten is de schaft in het
midden wel tien- à twintig maal zoo dik als aan de spits en zes-
à tien maal zoo dik als aan den wortel. Sombere kleuren hebben de
overhand, hoewel ook lichtere voorkomen.
Bij de Hokko's (Crax) is de snavel hoog, op den rug sterk gekromd,
aan den wortel in den regel met een washuid bekleed en met knobbels
versierd, die gedurende den paartijd aanmerkelijk zwellen; de smalle,
stijve veeren van kruin en achterkop zijn meestal verlengd tot een
kamvormige kuif, en eerst flauw naar achteren, met de spits echter
naar voren gebogen. Alle soorten bewonen Zuid- en Middel-Amerika,
met inbegrip van het zuiden van Mexico.
De Gewone Hokko of Hokko-Pauwies (Crax alector), wiens naam op de
geheele groep is overgegaan, heeft een gelen, weeken knobbel op den
snavelwortel; met uitzondering van den buik, den stuit en den eindzoom
der stuurpennen, die wit zijn, is hij glanzig blauwzwart; het oog is
bruin, de voet vleeschkleurig. Totale lengte 95, staartlengte 32 cM.
Deze soort wordt in het binnenland van Brazilië, van Guyana tot
Paraguay, in alle wouden gevonden, in Suriname o. a. menigvuldig.
Alle Hokko's zijn echte boschbewoners; zoo zij al het woud verlaten,
geschiedt dit slechts voor korten tijd. Hoewel men ze dikwijls op den
bodem aantreft, waar zij, voor zoover de grond effen is, met groote
snelheid rondloopen, ziet men ze in den regel op de twijgen der boomen,
gedurende den broedtijd paarsgewijs, in andere tijden van 't jaar
drie, vier en meer stuks bijeen. In de boomkronen bewegen zij zich
langzaam, hoewel betrekkelijk behendig; zij vliegen daarentegen laag,
steeds in horizontale richting en nooit lang achtereen. Alle soorten
trekken de aandacht door de stem; deze heeft steeds iets eigenaardigs,
maar is al naar de soort zeer verschillend. Eenige brommen, andere
fluiten, andere knorren, bij andere komt diep uit de borst het geluid
"hoe-hoe-hoe-hoe", van nog andere kan men de stem door de lettergrepen
"racka racka" nabootsen. Gedurende den paartijd schreeuwen zij het
meest, vooral in den vroegen morgen.
Het voedsel van de Hokko's in de vrije natuur bestaat hoofdzakelijk,
misschien geheel, uit vruchten. Bij 't zoeken van voedsel onderscheiden
zij en de Sjakoe-hoenderen zich van alle overige leden hunner orde,
doordat zij niet in den grond woelen, maar, gelijk de Duiven, opzoeken,
wat zich aan de oppervlakte bevindt, of afplukken, wat vastzit.
De Hokko's broeden niet op den bodem, maar op boomen. "Zij bouwen
hunne ondiepe nesten", zegt Von Martens, "uit rijsjes in takgaffels,
niet bijzonder hoog boven den grond. Uit eigen ervaring en door de
mededeelingen van de Indianen weten wij, dat het wijfje niet meer
dan twee witte eieren legt, die grooter en dikker zijn dan die van
Onze Hoenderen."
Daar hun vleesch zoo malsch is als dat van Duiven, en in smaak op dat
van Kalkoenen gelijkt, wordt op de Hokko's in Zuid-Amerika ijverig
jacht gemaakt, vooral in den paartijd, omdat zij dan hun verblijfplaats
verraden door hun luide stem. In het midden van het woud, ver van
bewoonde oorden, zijn zij, naar men zegt, niet schuw. Behalve van
het vleesch maken de Indianen ook gebruik van de stevige slag- en
stuurpennen der gedoode Vogels; zij verwerken ze tot waaiers.
De gevangen Hokko's, die men in nagenoeg alle nederzettingen van
Indianen vindt, zijn als eieren uit het nest genomen en door Hoenderen
uitgebroed; slechts in bijzonder gunstige omstandigheden planten de
Hokko's zich in de gevangenschap voort.
Volgens alle waarnemers kunnen deze Vogels gemakkelijk getemd
worden. Sonnini zag in Guyana troepen tamme Hokko's door de straat
rondloopen en zich, onbevreesd voor de menschen, vrij bewegen. Zij
bezochten de huizen, waar men hun eens voedsel had gegeven, geregeld
weer en leerden hunne verzorgers goed onderscheiden. Om te slapen,
gaan zij op hoog gelegen plaatsen zitten, in de bewoonde oorden dus,
evenals de Pauwen, op de daken der hooge huizen. BATES maakt melding
van een gevangen Hokko, die zeer gemeenzaam was met zijn meester,
zich als lid van het gezin scheen te beschouwen, bij iederen maaltijd
tegenwoordig was, om de tafel liep, van den eenen dischgenoot naar
den anderen ging om zich te laten voederen en soms den kop tegen den
wang of den schouder van zijne vrienden wreef. 's Nachts sliep hij uit
eigen verkiezing naast de hangmat van een klein meisje, waarvoor hij
een bijzondere genegenheid had opgevat en dat hij op alle wandelingen
volgde. Toch zijn tamme Hokko's niet bij iedereen gewild: zij zijn
vervelend van aard en toonen eenige onhebbelijkheden; zoo slikken
zij allerlei glinsterende voorwerpen, b.v. gouden knoopen, door en
bederven deze door de sterke drukking van de spieren van hun maagwand.
Het is moeielijk de Hokko's bij ons in 't leven te houden. Wel is
waar zijn zij met het voedsel, dat voor hen bestemd is, tevreden
en stellen in dit opzicht geen hooge eischen; maar zij verlangen
in den winter een warmen stal, omdat hun anders minstens de teenen
bevriezen. Ook zijn zij volstrekt niet verdraagzaam, maar twisten
aanhoudend met andere dieren van hun soort of met andere Hoenderen;
bij het gewone pluimvee kan men ze dus niet houden. Alleen wanneer men
hun een ruime woning verschaft, kan men eenig genoegen van hen hebben.
De Sjakoehoenderen (Penelope) hebben een slankeren romp dan de Hokko's,
hun snavel is langer, lager en aan den wortel met een breede washuid
bekleed, de voet korter, de staart betrekkelijk lang en sterk afgerond;
zij hebben een naakte plek om het oog, een bijna naakte, slechts
schraal met korte, kwastvormige of lange, haarachtige veeren bekleede
keel; de verlengde veeren van den kop vormen een kap of kuif, maar
nooit een kam. Aan de bovenzijde hebben somber metaalglanzig groen,
bruin enz. de overhand; op de onderdeelen, vooral op de borst, zijn
vele veeren lichter gezoomd.
De Sjakoepemba (Penelope superciliaris) kenmerkt zich door een
betrekkelijk aanzienlijke grootte, een middelmatig langen staart,
handpennen die aan de spits sterk versmald zijn en een zacht
vederenkleed; de kop draagt een middelmatig lange pluim en is op
het voorhoofd, en aan de zijden naakt, zoo ook aan de keel. Het
vederenkleed is op den bovenkop, den nek, den hals en de borst
leikleurig zwart, op den rug, de vleugels en den staart metaalachtig
groen met witgrijze en roestroodgele zoomen; op den buik en den
stuit roestgeelachtig rood met bruine, dwarse golflijnen of bruin
met roestgeelachtig roode zoomen. Het oog is bruin, de naakte plek
er omheen zwart, de naakte keel donker vleeschkleurig, de snavel
grijsbruin, de voet grijsachtig vleeschbruin. Totale lengte 60,
staartlengte 27 cM.
Middel- en Zuid-Amerika, van het zuiden van Texas tot Paraguay en
Chili, zijn het vaderland van de Sjakoehoenderen; hoogstammige wouden
verschaffen hun verblijfplaatsen. De verschillende soorten leven
gewoonlijk naast, soms echter onder elkander, de eene aan de kust,
de andere in bergstreken, eenige in de hooge gebergten tot op 2000
M. boven den zeespiegel. De Sjakoepemba bewoont de wouden van de
oostkust van Brazilië. Alle leden van groote soorten leven eenzaam,
die van kleine zijn gewoonlijk vereenigd tot talrijke vluchten,
welke aangroeien kunnen tot troepen van 100 of meer stuks. In den
regel staat aan het hoofd van zulk een troep een mannetje, waaraan
alle Vogels gehoorzamen.
In verband met het eigenaardige maaksel van hun luchtpijp staat hun
zonderlinge stem. De Sjakoehoenderen kondigen eerder dan andere
Vogels door hun geroep het krieken van den dag aan, maar worden
ook op latere uren nog vaak genoeg gehoord. Dit geschreeuw klinkt
onaangenaam en kan niet goed in klankteekens uitgedrukt worden,
hoewel de namen "Sjakoe," "Goean", "Pararakwa," "Apeti" en "Aboerri"
geen verkeerd gekozen klankbeelden zijn. Volgens Owen maken sommige
Sjakoehoenderen een bijna oorverdoovend getier. Een der leden van
de troep begint met eenige sjirpende geluiden, de overige vallen
achtereenvolgens in, het geschreeuw neemt meer en meer toe, totdat
het eindelijk een voor het oor van den mensch bijna onverdragelijke
hoogte bereikt. Hierna vermindert het en verstomt eindelijk geheel,
hoewel slechts voor korten tijd.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomvruchten en bessen. De
Prins Von Wied vond in de maag van de door hem gedoode exemplaren
ook steeds overblijfselen van Insecten.
Alle Sjakoehoenderen bouwen hunne nesten te midden van de twijgen,
of waarschijnlijk slechts bij uitzondering op den grond. Het nest
bestaat uit droge of bebladerde takken en is tamelijk los gebouwd. De
hen legt meestal 2 of 3 (soms 4 à 6) groote, witte eieren.
Jong uit het nest genomen Sjakoehoenderen worden spoedig tam; het
kost geen bijzondere moeite hen aan een bepaalde verblijfplaats te
gewennen. Als Huishoenderen gaan zij af en aan in het oord, waar zij
grootgebracht zijn, en komen er dikwijls na lange afwezigheid weer
terug; zij ontbreken daarom nooit in de nederzettingen der Indianen
en behooren tot hunne meest geliefde huisvogels. Slechts in één
opzicht laten zij zich niet gaarne de wet stellen. Een stal of over
't algemeen een ruimte die afgesloten kan worden, bevalt hun niet als
nachtverblijf; liever brengen zij op het dak van een huis of op een
boom in de buurt den nacht door. Als men zich niet hen bemoeit, worden
zij zeer gemeenzaam en laten zich zelfs op schoot nemen. Toch zijn
zij niet voor huisdieren geschikt, daar zij zich in de gevangenschap
niet voortplanten. Hierbij komt nog, dat zij, evenmin als de Hokko's,
aan ons klimaat kunnen wennen, zeer gevoelig zijn voor ruw weder en
hiervan werkelijk veel te lijden hebben.
Daar de Sjakoehoenderen wegens hun uitmuntend vleesch ijverig gejaagd
worden, zijn enkele soorten in sommige streken reeds uitgeroeid,
terwijl van andere het aantal zeer verminderd is. De aanhoudende
vervolging heeft hen zeer schuw gemaakt. Wanneer het den Indiaanschen
jager gelukt is een troep van deze Vogels tot op geringen afstand
te naderen, richt hij er gewoonlijk eene groote slachting onder aan;
want hij kan er 3 of 4 met de blaaspijp dooden, voordat de overige hem
opmerken en de vlucht nemen. De Vogel, die door het zonder gedruisch
geschoten pijltje getroffen wordt, valt uit den boom, zonder dat zijne
metgezellen iets anders weten te doen dan voor een oogenblik hunne
werkzaamheden te staken, den naar beneden tuimelenden kameraad met
lang uitgestrekten hals na te staren en schuw om zich heen te kijken
naar de oorzaak van het ongeval.
De Loophoenderen (Megapodidae) onderscheiden zich door hun wijze van
broeden niet slechts van hunne verwanten, maar van alle Vogels der
aarde. Zij leggen hunne buitengewoon groote eieren in een uit aarde
en bladen samengesteld heuveltje, dus in een aan alle zijden gesloten
nest, waarin de temperatuur door de rotting van de plantaardige stoffen
tot zulk een hoogte stijgt, dat de eieren tot ontwikkeling komen. De
jongen banen zich na het verlaten van de eierschaal een weg door den
afval, die hen omgeeft; zij zijn bedekt met een dicht, donzig kleed,
hebben volkomen ontwikkelde vleugels, maar geen staart; reeds op den
eersten dag kunnen zij vliegen en zich zonder hulp van hunne ouders
redden. De Loophoenderen vormen een uit 27 soorten bestaande familie,
welker gebied zich van Celebes en Lombok over de Filippijnen, een
deel van Polynesië en het Australische vasteland uitstrekt. Door
hun lichaamsbouw zijn zij aan de Fazantvogels verwant, hoewel zij,
althans eenige van hen, door hunne bewegingen en vooral door hun
wijze van vliegen op de Ralvogels gelijken. Zij zijn middelmatig
groot en kenmerken zich vooral door de hooge, langteenige, met
stevige klauwen gewapende en dus in alle opzichten goed ontwikkelde
voeten. Hun geraamte wijkt in enkele opzichten van dat der overige
Hoendervogels af; vooral valt de wijdte van het bekken in 't oog,
hetwelk met den buitengewonen omvang van het ei in verband schijnt te
staan. De geringe grootte van de hersenen en de zeer eigenaardige wijze
van uitbroeding der eieren wijzen op een lagen trap van ontwikkeling.
De Eigenlijke Loophoenderen (Megapodius) vertoonen een zekere
overeenkomst met de Rallen en Waterhoenderen. Hun romp is slank, de
hals middelmatig lang, de snavel meestal korter dan de kop, recht, aan
den wortel laag, vóór de spits gewelfd, de vleugels breed en stomp,
de uit tien pennen samengestelde staart kort en afgerond, de loop
zeer forsch en nog iets langer dan de lange, krachtige middelste
voorteen, die, evenals alle overige teenen, met krachtige, lange,
slechts weinig gebogen nagels voorzien is. De omgeving van het oog,
de keel en de hals zijn naakt; de veeren van het achterhoofd zijn een
weinig bij wijze van een kuif verlengd. Het vederenkleed is gewoonlijk
goed voorzien, zwartachtig of bruinachtig. In grootte evenaren zij
een middelmatige kip.
Het Gewone Loophoen (Megapodius tumulus) van Noord-Australië houdt
zich voornamelijk op aan het dicht met struiken en boomen begroeide
zeestrand. Weinige Vogels zijn zoo schuw en moeilijk te naderen
als deze; hij leeft paarsgewijs of eenzaam; zijn voedsel bestaat uit
wortels, die zonder moeite met de krachtige klauwen worden losgekrabd,
ook wel uit zaden en Insecten, vooral groote Kevers. Zijn stem gelijkt
op het klokken van de Huishen en eindigt met een geschreeuw, gelijkend
op dat van den Pauw.
De nesthoopen zijn zeer verschillend van vorm, grootte en
bestanddeelen. De meeste zijn dicht bij den waterkant gelegen en
bestaan uit zand en schelpen, eenige bevatten slib en vermolmd hout. De
nesthoopen van de Loophoenderen op Nieuw-Guinea zijn, volgens Haacke,
doorgaans uit bladen samengesteld. Gilbert vond er een van bijna 5
M. hoogte en 27 M. omtrek; terwijl van een tweede de omtrek ongeveer
50 M. bedroeg. Hoogst waarschijnlijk worden de kolossaalste van deze
heuvels door verscheidene opeenvolgende geslachten gebruikt en ieder
jaar vergroot. De eieren liggen 2 M. diep onder den top en staan
altijd loodrecht, met het dikke einde naar boven; zij zijn tamelijk
verschillend van grootte, maar ongeveer gelijk van vorm.
Gould's Loophoen (Megapodius Gouldii) werd door Wallace op Lombok
waargenomen. "Het is ongeveer zoo groot als een kleine kip en
vertoont slechts donker olijfkleurige en bruine tinten. Zijn voedsel
is van gemengden aard, daar het uit afgevallen vruchten, Aardwormen,
Slakken en Duizendpooten bestaat. Zijn vleesch is, als het goed wordt
toebereid, blank en smakelijk." "De meeste dezer Vogels houden zich op
in het schrale kreupelhout langs het strand, waar de bodem zandig is en
overblijfselen van takjes, bladeren, schelpen, zeewier en dergelijke in
overvloed gevonden worden. Van al die vuilnis maken de Loophoenderen
ontzaglijke hoopen." "Toen ik deze hoopen op het eiland Lombok voor
het eerst zag, kon ik nauwelijks gelooven, dat zij het werk waren
van zulke kleine Vogels; ik heb ze later dikwijls ontmoet en één-
of tweemaal verrast, terwijl zij bezig waren nesten te maken. Zij
verwijderen zich eenige schreden, grijpen een bundel afval met één
poot en werpen dien een heel eind achter zich. Zijn de eieren eens
naar behooren begraven, dan schijnen zij er niet meer naar om te zien."