door de nog geringere ontwikkeling (of de volslagen afwezigheid)
der voorste en de kolossale afmetingen der achterste ledematen,
voorts door den korten snavel, welke aan dien van den struis
herinnert. Sommige (Dinornis) missen den achterteen, andere
(Palapteryx) niet. Uit sommige feiten blijkt, dat deze thans
geheel uitgestorven dieren tijdgenooten waren van den mensch en
met hem in het gemeenschappelijk bewoonde gebied in aanraking zijn
geweest. De heldensagen van de Maoris of oorspronkelijke bewoners van
Nieuw-Zeeland hebben tot onderwerp den strijd van hunne voorouders
met Reuzenvogels, die zij Moa's noemen. Nevens de overblijfselen van
deze dieren, die in groote hoeveelheid in de holen, alluviale gronden
en moerassen van Nieuw-Zeeland voorkomen, vindt men soms steenen
werktuigen, asch en andere sporen van de werkzaamheid van menschen uit
vroegere tijdperken. De grootste skeletten, die men gevonden heeft
(Dinornis maximus, ingens etc.), hebben een hoogte van 3 à 4 M. met
scheenbeenderen van 80 cM. lengte en teenkootjes zoo groot als die
van een Olifant. Deze skeletten zijn zoo veelvuldig, dat Julius
von Haast bijna alle groote verzamelingen in Europa met volledige
exemplaren heeft kunnen voorzien. Soms zijn alle beenderen nagenoeg
in hun natuurlijken stand bijeen blijven liggen; eenige malen vond
men daarnevens veeren en deelen van de huid, zelfs eieren, die een
kuiken bevatten en op welker schaal de kleuren nog niet verbleekt zijn.
AANTEEKENING
[1] De Javaansche of Groenhalzige Pauw (Pavo muticus), die soms ook
getemd voorkomt, verschilt van den Gewonen vooral door den vorm van
de kuifveeren; deze zijn aan 't einde niet verbreed, maar over haar
geheele lengte met een smalle vlag voorzien. Bovendien is de naakte
huid van den kop, in plaats van zwart, om het oog lichtblauw, om
de oorstreek fraai geel; de hals is groen in plaats van blauw. "De
met oogen gesierde staart," schrijft Wallace, "is even groot en even
schoon" als die van den Gewonen Pauw. Hij wordt op Java menigvuldig
langs de boschkanten aangetroffen.