houden zich voornamelijk op te midden van het struikgewas; zij leven
zooveel mogelijk verborgen in dichte wouden en worden daarom zelden
gezien. Nu en dan treft men ze in diergaarden aan; zij verdragen de
gevangenschap zeer goed, hoewel zij hier slechts bij uitzondering
broeden. Door hunne gewoonten komen zij meer met onze Huishoenderen
dan met onze Pauwen overeen.
In het jaar 1780 kwamen voor 't eerst huiden van prachtige Vogels, van
welker bestaan op Malakka, Sumatra en Borneo men reeds kennis droeg,
naar Europa en wekten hier de algemeene bewondering. Kort daarna (1785)
gaf Marsden het volgende bericht over de levenswijze van dit dier:
"De Koewau of Argus is een buitengewoon fraaie Vogel, misschien is
er geen fraaiere. Het is zeer moeielijk hem eenigen tijd in 't leven
te houden, nadat men hem in het woud gevangen heeft. Ik heb nooit
gezien, dat hij langer dan een maand de gevangenschap verdroeg. Hij
heeft een natuurlijken afkeer van het licht. Op een donkere plaats
is hij opgewekt van aard; hier hoort men soms zijn stem, waarvan
zijn naam een nabootsing is; deze klinkt niet zoo scherp als die
van den Pauw, maar is meer jammerend. Op klaarlichten dag zit hij
volkomen onbeweeglijk. Zijn vleesch smaakt als dat van den Gewonen
Fazant." Een oude Maleier, die door Wallace aangespoord werd, een van
de Argussen te schieten, welker stem hij in de wouden van Malakka
voortdurend hoorde, verzekerde, dat gedurende de 20 jaren van zijn
jagersleven zulk een Vogel hem nog nooit onder schot, en in de vrije
natuur zelfs nooit onder de oogen was gekomen. Toch wordt dit wild
door de Maleiers hoog geschat en volstrekt niet zelden gevangen. "Te
Padang, aan de westkust van Sumatra," schrijft Von Rosenberg, "werden
mij dikwijls door de inboorlingen levende Koewau's voor f 1.50 à f 2
per stuk aangeboden, waaruit af te leiden valt, dat zij in de wouden
van het gebergte veelvuldig voorkomen. De inboorlingen zeggen, dat
deze Vogel in Polygamie leeft. Zijn gang en houding komen overeen met
die van den Pauw; de fraaie vleugels worden stijf tegen het lichaam
aangedrukt en de staart horizontaal uitgestrekt. In den paartijd echter
ziet men het mannetje met uitgespreide, tot op den bodem afhangende
vleugels op open plekken in het woud fier rondstappen of "balderen";
het eigenaardig, snorrend geluid, waarmede hij de hennen lokt, gelijkt
niet op het geschreeuw, waarvan zijn naam een klankbeeld is. De hen
legt, naar ik vernam, 7 à 10 witte eieren, iets kleiner dan die van
een Gans, in een kunsteloos, in de dichte struiken verborgen nest. In
de vrije natuur voedt de Koewau zich met Insecten, Slakken, Wormen,
bladknoppen en zaden. Mijne gevangenen verkozen gekookte rijst boven
ieder ander voedsel."
De Argus (Argus giganteus) verschilt van alle bekende Vogels door de
buitengewone lengte van de boven- en voorarmveeren. Deze verbreeden
zich naar den top en hebben een zachte schaft, maar stijve baarden;
de handpennen zijn zeer kort. Bij den stil zittenden Vogel is,
behalve de oogvlekken op de laatste armpen, niets te zien van
de eigenaardige pracht van het vederenkleed; deze valt eerst bij
het uitspreiden van de vleugels en van den staart in 't oog. De
kruin draagt korte, fluweelachtig zwarte veeren; de haarvormige
veeren van den achterhals zijn geel en zwart gestreept, die van den
middelrug hebben op geelbruinen grond ronde, donkerbruine stippels,
die van de onderzijde zijn tamelijk gelijkmatig met roodbruine,
zwarte en lichtgele banden en golflijnen geteekend. De buitenvlag
van de armpennen vertoont op grijsrooden grond een dichte reeks van
langwerpige, donkerbruine vlekken, die door een lichteren hof omgeven
zijn; het wortelgedeelte van de binnenvlag is dicht bij de schaft
op grijsrooden grond fijn wit gestippeld, overigens echter als de
buitenvlag geteekend. De lange schouderveeren hebben op een fraaie,
donker roodbruine grondkleur een teekening bestaande uit strepen,
roodbruine, door een donkeren hof omgeven stippels, vlekken, lijnen,
wolkjes, netbanden en groote, iriseerende, donker begrensde, licht
gezoomde oogvlekken. De oogvlekken staan dicht bij de schaft op de
buitenvlag en komen op de voorarmveeren duidelijker uit dan op de
schouderveeren. De buitengewoon lange staart bestaat uit 12 zeer
breede veeren, die elkander daksgewijs bedekken; vooral de beide
middelste pennen steken ver voorbij de overige uit; hun lengte
bedraagt 1.2 M., terwijl de geheele Vogel 1.7 à 1.8 M. lang is (de
vleugellengte bedraagt 75 cM.; zonder de voorarmveeren echter slechts
45 cM.). De langste stuurpennen zijn zwart; langs de schaft aschgrauw,
verder buitenwaarts roodbruin, beide vlaghelften versierd met witte
vlekken, die door een zwarten hof omgeven zijn; de overige stuurpennen
gelijken op de genoemde, met dit verschil, dat de vlekken kleiner,
meer in reeksen gerangschikt en dichter bijeengeplaatst zijn. De ring
om het oog is roodbruin, de snavel ivoorwit. De naakte zijden van
den kop zijn licht aschkleurig blauw; de karmijnroode voet is lang,
zwak en ongespoord. De hen is aanmerkelijk kleiner; haar kleed is
veel eenvoudiger van samenstelling en teekening.
Sedert 1860 komt deze Vogel enkele malen levend in onze diergaarden
voor.
Onder den naam van Kalkoenen (Meleagrinae) worden eenige Amerikaansche
Fazantvogels tot een onderfamilie vereenigd: zij zijn groot, slank
gebouwd, hoogpootig, kortvleugelig en kortstaartig. De snavel is
kort, dik, van boven gewelfd en gebogen, de loop tamelijk lang en met
lange teenen voorzien, bij het mannetje gespoord; de vleugels zijn
sterk afgerond, de derde slagpen is de langste; de staart, die uit
18 breede pennen bestaat en een weinig afgerond is, wordt gewoonlijk
hangend gedragen, maar kan door het mannetje opgericht worden; het zeer
schitterend gekleurde vederenkleed is goed gevuld, maar uit harde,
groote en breede veeren samengesteld. De kop en de bovenhals zijn
onbevederd en met wratten begroeid; van den wortel van den bovensnavel
hangt naar weerszijden een rolvormige, voor opzwelling vatbare lel
naar beneden; een slappe, hangende huidplooi bevindt zich aan den
gorgel. Als een bijzondere eigenaardigheid moet nog vermeld worden,
dat enkele veeren van het voorste deel van de borst borstelvormig
geworden zijn en ver voorbij de overige veeren uitsteken. Het vaderland
van dezen Vogel is het noorden en oosten van Amerika.
De Gewone of Noord-Amerikaansche Kalkoen (Meleagris gallopavo) is
op de bovenzijde bruinachtig geel, met prachtigen, metaalachtigen
weerschijn, elke veer met breeden, fluweelachtig zwarten zoom; de
benedenrug en de staartdekveeren zijn donker nootbruin met groene
en zwarte banden; de borst is geelachtig bruin, naar de zijden
donkerder wordend; de buik en de schenkels zijn bruinachtig grijs;
de stuit is zwartachtig; de slagpennen zijn zwartbruin (de handpennen
met grijsachtig witte, de armpennen met bruinachtig witte banden),
de stuurpennen op zwartbruinen grond met zwarte golflijnen, streepen
en spikkels, de naakte deelen van kop en hals licht hemelsblauw, onder
het oog ultramarijnblauw, de wratten lakrood. Het oog is grijsblauw, de
snavel witachtig hoornkleurig, de voet bleekviolet of lakrood. Totale
lengte 100 à 110, staartlengte 40 cM. Het vederenkleed van het wijfje
is minder fraai en minder helder van kleur.
Op het vasteland van Middel-Amerika wordt de Gewone Kalkoen vervangen
door den iets kleineren, prachtig gekleurden Honduras-kalkoen of
Pauw-kalkoen (Meleagris ocellata), die op den staart en op den rug
blauwe, met zwart omzoomde, van achteren door een goudkleurigen band
begrensde dwarsvlekken heeft.
De beste beschrijving van de levenswijze van den wilden Kalkoen danken
wij aan Audubon. Ook thans nog komen deze Vogels in de wouden van de
staten Ohio, Kentucky, Illinois en Indiana, Arkansas, Tennessee en
Alabama vrij veelvuldig voor. In Georgië en Carolina zijn zij minder
talrijk, in Virginië en Pennsylvanië zeldzaam, in de dichtbevolkte
staten reeds uitgeroeid. Zij leven tijdelijk in groote gezelschappen en
zwerven ongeregeld rond; grazend doorkruisen zij de wouden, loopen over
dag op den grond en rusten 's nachts op hooge boomen. Tegen October,
als er nog slechts weinige boomzaden op den bodem gevallen zijn, reizen
zij naar de lage oeverlanden van den Ohio en den Mississippi. De
mannetjes vereenigen zich tot gezelschappen van 10 à 100 stuks en
zoeken hun voedsel voor zich alleen; de wijfjes en de halfvolwassen
jongen vormen afzonderlijke benden, die bijna even talrijk zijn en
denzelfden weg volgen. Zoo gaan zij verder, altijd te voet, zoolang
niet een Jachthond of een ander viervoetig roofdier hen komt storen
of een breede stroom hen den weg afsnijdt. Als een troep Kalkoenen
aan den oever van een rivier komt, verzamelen zij zich op het hoogste
punt en blijven hier soms dagen lang, als 't ware overleggend, voordat
zij tot het besluit komen om over te steken. De mannetjes zetten een
hooge borst op en kakelen, alsof zij elkander moed willen inspreken;
de wijfjes en de jongen volgen hun voorbeeld, zoo goed zij kunnen,
totdat ten slotte bij stil weer het waagstuk ondernomen wordt en alle
vliegend naar den overkant trekken. Eén van de hanen geeft hiertoe het
sein door het geluid "kloek." Voor de oude Vogels is het oversteken
van den stroom niet moeielijk, zelfs wanneer deze een Engelsche mijl
breed is; de jongere en minder sterke leden van het gezelschap vallen
echter dikwijls onderweg in het water en moeten dan den oever zwemmend
trachten te bereiken. Zij leggen te dien einde de vleugels dicht tegen
den romp aan, spreiden den staart uit, steken den hals naar voren en
slaan hunne pooten zoo ver mogelijk uit; gewoonlijk bereiken zij op
deze wijze den vasten wal. Hier loopen zij echter aanvankelijk rond,
alsof zij verdoofd zijn en verliezen de voorzichtigheid, waarvan
zij in andere omstandigheden blijken geven, zoo ver uit het oog, dat
zij den jager gemakkelijk ten buit vallen. Als de Kalkoenen in een
streek komen, die hun voedsel kan leveren, zijn zij gewoon zich in
kleinere troepen te verdeelen, waarin ouden en jongen dooreengemengd
zijn. Dit geschiedt gewoonlijk in 't midden van November. Later kan
het voorkomen, dat zij, afgemat door de reis, zich naar de boerderijen
begeven, bij de Huishoenderen voegen en met hen voedsel zoeken.
Tegen het midden van Februari begint de voortplantingstijd. Als een
wijfje haar loktoon laat hooren, antwoorden alle hanen in de buurt met
snel opeenvolgende, rollende geluiden. Als de loktoon van den grond
komt, vliegen alle onmiddellijk naar beneden, zetten, zoodra zij den
bodem bereiken, onverschillig of het wijfje dan zichtbaar is of niet,
den staart waaiervormig op, buigen den kop naar achteren, totdat hij
tusschen de schouders ligt, laten de vleugels hangen en geven door
de zonderlinge standen en geluiden, die wij van de tamme Kalkoenen
gewoon zijn, hun opgewondenheid te kennen. Niet zelden geraken twee
mannetjes dan met elkander in strijd en vechten zoo hevig, dat een
van hen er het leven bij inschiet.
Tegen het midden van April zoekt de hen een geschikte, zooveel mogelijk
verborgen plaats uit voor haar nest, dat uit een ondiepe, slordig met
veeren bekleede uitholling van den grond bestaat. De hen legt er 10
à 15, soms ook wel 20 eieren in, die op donker roestgelen grond rood
gestippeld zijn. Zij nadert het nest steeds met groote voorzichtigheid
en dekt, als zij weggaat, de eieren zorgvuldig toe met droge bladen,
zoodat het zeer moeielijk is een nest te vinden, tenzij door het
opjagen van de broedende moeder. Als deze gedurende het broeden
een vijand bespeurt, drukt zij zich neder en verroert zich niet,
totdat zij bemerkt, dat men haar ontdekt heeft. Soms komt het voor,
dat verscheidene hennen in één nest leggen: Audubon vond er eens drie
op 42 eieren zitten. In dit geval wordt het gemeenschappelijke nest
steeds door één van de wijfjes bewaakt, zoodat de eieren of jongen,
althans van een zwak roofdier, geen gevaar loopen.
Kort nadat de jongen uit den dop zijn gekomen, hetgeen gewoonlijk tegen
den avond geschiedt, maken zij, door de moeder begeleid, hun eerste
uitstapje, en keeren vervolgens in den regel naar het nest terug om
hier den eersten nacht door te brengen. Later echter begeeft de hen
zich met haar gezin naar het hoogste oord in den omtrek, omdat zij
te recht de vochtigheid als het ergst kwaad voor haar teere jongen
beschouwt. Reeds op den 14en levensdag zijn de kiekens, die tot dusver
op den bodem moesten blijven, in staat om de vleugels te gebruiken;
van nu af vliegt de familie iederen avond op een lagen tak; de jongen
brengen hier onder de gewelfde vleugels van de moeder den nacht
door. Nog iets later verlaat de oude met hare kuikens gedurende den
dag het woud om partij te trekken van den overvloed van verschillende
bessen, die op de open plekken van het bosch of op de weiden groeien
en om zich aan den weldadigen invloed van de zon bloot te stellen. Na
dien tijd groeien de jongen buitengewoon snel. Reeds in Augustus
zijn zij in staat om een aanval van viervoetige dieren te ontwijken;
de jonge haan komt tot het bewustzijn van zijn mannelijke kracht en
oefent zich in het statig rondstappen en in het kakelen. Omstreeks
dezen tijd vereenigen de ouden en de jongen van verschillende gezinnen
zich tot troepen, die te zamen rondzwerven.
Hoewel de Kalkoen aan pekan-noten en aan de vruchten van de winterdruif
(Vitis rotundifolia) de voorkeur geeft en steeds veelvuldig voorkomt
op plaatsen, waar deze vruchten overvloedig zijn, eet hij toch ook
gras en kruiden van allerlei soort, graan, bessen en andere vruchten,
voorts kleine Sprinkhanen en andere Insecten.
Onder 't loopen licht de Kalkoen zijne vleugels dikwijls een weinig op,
alsof het gewicht van zijn lichaam hem hindert, loopt dan eenige meters
ver met wijd geopende vleugels; soms springt hij twee- of driemaal
omhoog en zet daarna de reis over den bodem voort.--Zijne gevaarlijkste
vijanden zijn, behalve de mensch, de Los, de Sneeuwuil en de Ooruil.
In alle deelen van Amerika wordt met hartstochtelijken en niet
altijd verstandigen ijver op den Kalkoen jacht gemaakt. Het liefst
schiet men den haan, gelijk de Auerhaan, als hij aan het balderen
is, en dit, zooals soms geschiedt, op een boomtak doet; de jager
gebruikt ook wel Honden om het wild op te sporen, of tracht gewaar
te worden, waar het slaapt of bij voorkeur voedsel komt zoeken, om
het hier op te wachten. Deze jacht vereischt groote bedrevenheid en
is wegens de schuwheid van het wild in 't geheel geen vermaak voor
een zondagsjager. Gemakkelijker is het den dommen Vogel in een val
te lokken. Daartoe worden in het bosch stammen van 2 à 3 M. lengte
opeengestapeld tot een soort van blokhuis, dat men van boven met
takkebossen bedekt; een greppel, die groot genoeg is om een grooten
haan door te laten, leidt onder den wand door tot in het midden van
de val; daar hij, met uitzondering van een opening binnen en een
buiten het gebouw overdekt is, vormt hij een soort van tunnel. In de
val en op den weg daarheen wordt maïs gestrooid. De Kalkoenen, die
dit lokaas vinden, volgen het hierdoor aangeduide pad en laten zich
door den overvloed van voedsel verleiden om in de val te gaan. De
eene Vogel volgt den anderen, soms begeeft de geheele troep zich in
het ruime gebouw. Na het opvreten van de hier uitgestrooide korrels
kunnen de onnoozele Vogels de opening, waardoor zij zijn binnengegaan,
niet terugvinden, loopen steeds langs den binnenwand van het gebouw,
steken overal den kop tusschen de balken door en doen hier vruchtelooze
pogingen om naar buiten te komen. Geen hunner komt op het denkbeeld om
door het gat in 't midden van de vloer de val te verlaten, zoodat het
geheele gezelschap den volgenden morgen den vogelaar in handen valt.
De Spanjaarden, die aan het rijk der Azteken in Mexico een einde
maakten, troffen hier den Gewonen Kalkoen als huisdier aan. Oviedo
is de eerste schrijver, die van deze Vogels melding maakt. "In
Nieuw-Spanje", zegt hij, "vindt men zeer groote en smakelijke Pauwen,
waarvan er vele naar de eilanden en naar de provincie Castilia del
Oro gebracht zijn en hier in de huizen van de Christenen opgefokt
worden. De hennen zien er slecht uit; de hanen echter zijn fraai en
pronken dikwijls met den staart, hoewel deze niet zoo groot is als die
van de Pauwen in Spanje." De berichten over het voorkomen van den in
't wild levenden Kalkoen in Noord-Amerika zijn, volgens Baldamus,
uit lateren tijd afkomstig. In Virginië vond men hem in 1584, in
Pennsylvanië in 1753. Smyth trof hem in de onbebouwde gewesten ten
westen van Virginië in kudden van meer dan 5000 stuks aan. Men is
van oordeel, dat deze soort de stamvorm is van den Mexicaanschen,
zoowel als van onzen Tammen Kalkoen, hoewel de bronskleur van het
vederenkleed en de bundels van haarvormige veeren aan de voorborst,
die den Wilden Kalkoen kenmerken, bij de meeste getemde rassen te loor
gegaan zijn. In 1557 was de Tamme Kalkoen in Europa nog zoo zeldzaam
en kostbaar, dat de Raad van Venetië, tot het tegengaan van de weelde,
bepaalde, op wiens tafel "Indische Hoenderen" mochten komen. Dezen
naam en ook de namen "Turkey" (in Engeland) en "Kalkoen" kregen de
nieuwe huisvogels waarschijnlijk ten gevolge van de onderstelling, dat
zij uit Calcutta of Turkije afkomstig zouden zijn. In Engeland werden
zij, naar men zegt, het 15e jaar van de regeering van Hendrik VIII
(dus in 1524), in Duitschland omstreeks het jaar 1534, in Frankrijk
nog iets later ingevoerd. Tegenwoordig zijn zij als huisvogels overal
verbreid. Het veelvuldigst vindt men ze misschien in Spanje en vooral
in de boerderijen, die ver van de dorpen te midden van de dorre Campo
gelegen zijn. Hier zag ik kudden van vele honderden stuks onder
de leiding van herders, die hen 's morgens naar de weide drijven,
over dag bijeenhouden en 's avonds weer naar huis geleiden. Hier te
lande worden de Kalkoenen (behalve in de Betuwe) zelden gehouden,
hoewel het fokken en mesten van deze dieren op groote schaal wel
winstgevend is. Sommige hoenderfokkers schatten hen hoog; de meeste
menschen mogen hen wegens hun geraasmakenden, opvliegenden aard niet
lijden. Hun domheid is ongeloofelijk; ieder ongewoon verschijnsel
brengt hen geheel van streek. "Men wordt er akelig van," zegt Lenz,
"dat zij in den zomer, vooral als zij voor kuikens te zorgen hebben,
dikwijls den geheelen dag naar den hemel kijken en onophoudelijk
een jammerend "jaoeb jaoeb" laten hooren, alsof zij de zon voor een
Arend en de wolken voor Gieren houden." Belachelijk is het te zien,
hoe zij voor een kleinen Torenvalk vol angst op de vlucht gaan,
alsof de duivel hen op de hielen zit. Zij hebben echter ook zeer
goede eigenschappen; vooral de moederliefde van de hen, die in alle
omstandigheden even groot blijft, verdient een eervolle vermelding.
Meleager's zusters, ontroostbaar over den dood van haar broeder,
werden in Vogels veranderd, welker veeren als met tranen besprenkeld
schenen. Uit deze overlevering blijkt, dat reeds de ouden bekend
waren met de Vogels, die wij Parelhoenderen noemen. In verscheidene
geschriften uit den ouden tijd worden zij zoo nauwkeurig beschreven,
dat wij althans bij benadering de beide soorten kunnen bepalen, die
destijds bekend waren. Tevens berichten zij ons, dat de Parelhoenderen
in Griekenland zeer veelvuldig gefokt worden, zoodat arme lieden ze
als offers konden brengen. Na den Romeinschen tijd heeft men, naar
't schijnt, weinig acht op hen geslagen; misschien waren zij geheel
uit Europa verdwenen, want eerst in de 14e eeuw wordt weder melding
van hen gemaakt. Kort na de ontdekking van Amerika is de meest gewone
soort door zeelieden naar de Nieuwe Wereld overgebracht, waar zij
een voor haar uitnemend geschikt klimaat vond en weldra verwilderde.
De Parelhoenderen (Numidinae), die de laatste onderfamilie van
de Fazantvogels vormen, kenmerken zich door een krachtigen romp,
korte vleugels, een middelmatig langen staart met zeer verlengde
bovendekveeren, een over 't geheel goed gevuld vederenkleed,
middelmatig hooge, gewoonlijk ongespoorde voeten met korte teenen
en een krachtigen snavel; de kop en de bovenhals zijn in meerdere of
mindere mate naakt en met pluim, kuif, kraag, helm en lellen versierd;
een groote overeenstemming heerscht in hun vederenkleed, welks kleur en
teekening--lichte, parelvormige vlekken op een donkeren grond--evenals
de koptooi, bij beide seksen nagenoeg dezelfde zijn.
Eenige minder bekende soorten, zooals het prachtige Oost-Afrikaansche
Gierparelhoen (Numida vulturina) en het Kuifparelhoen (Numida
cristata), van de Goudkust, vermelden wij slechts terloops en beginnen
onmiddellijk met de beschrijving van den meest bekenden Vogel uit
deze groep.
Het Gewone Parelhoen (Numida meleagris), draagt een meer of minder
langen, harden, helmachtigen kam of hoorn op het midden van de kruin
en twee breede, tamelijk lange, vleezige, hangende lellen achter aan
de onderkaak. Deze Vogel, die bij de ouden Meleagris werd genoemd en
de stamvader is van het bij ons onder den naam Poule pintade bekende
huisdier, heeft de bovenborst en de nek ongevlekt, lilakleurig, den
rug en den staartwortel op grijzen grond met kleine, witte, donkerder
gerande, parelvormige vlekken bezet, die op de bovenvleugeldekveeren
grooter worden, gedeeltelijk ook ineenvloeien en op de buitenvlag
der armpennen in smalle dwarsbanden veranderen; de onderdeelen
zijn op zwartachtig grijzen grond tamelijk gelijkmatig met groote
ronde, parelvormige vlekken versierd, de slagpennen bruinachtig
(op de buitenvlag met witte banden, op de binnenvlag onregelmatig
gestreept en gestippeld), de donkergrijze stuurpennen fraai bepareld
en slechts de zijdelingsche voor een deel met banden versierd, die
door het ineenvloeien van vlekken ontstaan. Het oog is donkerbruin,
de wangstreek blauwachtig wit, de vleezige deelen van den kam, de
keellellen, de washuidachtige opzwelling aan den snavelwortel rood, de
helm hoornkleurig, de snavel geelachtig rood, de voet vuil leikleurig
grijs, boven de plaats van aanhechting der teenen vleeschkleurig. De
lengte bedraagt ongeveer 50 cM. De in gevangenschap gefokte, van
vroeger getemde exemplaren afkomstige Parelhoenderen zijn echter vaak
aanmerkelijk grooter.
West-Afrika is het vaderland van deze soort; in de wouden van
Middel-Amerika en op de West-Indische eilanden komt zij verwilderd
voor.