Naar men zegt, verkeeren alle Spiegelpauwen veel op den bodem en

houden zich voornamelijk op te midden van het struikgewas; zij leven

zooveel mogelijk verborgen in dichte wouden en worden daarom zelden

gezien. Nu en dan treft men ze in diergaarden aan; zij verdragen de

gevangenschap zeer goed, hoewel zij hier slechts bij uitzondering

broeden. Door hunne gewoonten komen zij meer met onze Huishoenderen

dan met onze Pauwen overeen.

In het jaar 1780 kwamen voor 't eerst huiden van prachtige Vogels, van

welker bestaan op Malakka, Sumatra en Borneo men reeds kennis droeg,

naar Europa en wekten hier de algemeene bewondering. Kort daarna (1785)

gaf Marsden het volgende bericht over de levenswijze van dit dier:

"De Koewau of Argus is een buitengewoon fraaie Vogel, misschien is

er geen fraaiere. Het is zeer moeielijk hem eenigen tijd in 't leven

te houden, nadat men hem in het woud gevangen heeft. Ik heb nooit

gezien, dat hij langer dan een maand de gevangenschap verdroeg. Hij

heeft een natuurlijken afkeer van het licht. Op een donkere plaats

is hij opgewekt van aard; hier hoort men soms zijn stem, waarvan

zijn naam een nabootsing is; deze klinkt niet zoo scherp als die

van den Pauw, maar is meer jammerend. Op klaarlichten dag zit hij

volkomen onbeweeglijk. Zijn vleesch smaakt als dat van den Gewonen

Fazant." Een oude Maleier, die door Wallace aangespoord werd, een van

de Argussen te schieten, welker stem hij in de wouden van Malakka

voortdurend hoorde, verzekerde, dat gedurende de 20 jaren van zijn

jagersleven zulk een Vogel hem nog nooit onder schot, en in de vrije

natuur zelfs nooit onder de oogen was gekomen. Toch wordt dit wild

door de Maleiers hoog geschat en volstrekt niet zelden gevangen. "Te

Padang, aan de westkust van Sumatra," schrijft Von Rosenberg, "werden

mij dikwijls door de inboorlingen levende Koewau's voor f 1.50 à f 2

per stuk aangeboden, waaruit af te leiden valt, dat zij in de wouden

van het gebergte veelvuldig voorkomen. De inboorlingen zeggen, dat

deze Vogel in Polygamie leeft. Zijn gang en houding komen overeen met

die van den Pauw; de fraaie vleugels worden stijf tegen het lichaam

aangedrukt en de staart horizontaal uitgestrekt. In den paartijd echter

ziet men het mannetje met uitgespreide, tot op den bodem afhangende

vleugels op open plekken in het woud fier rondstappen of "balderen";

het eigenaardig, snorrend geluid, waarmede hij de hennen lokt, gelijkt

niet op het geschreeuw, waarvan zijn naam een klankbeeld is. De hen

legt, naar ik vernam, 7 à 10 witte eieren, iets kleiner dan die van

een Gans, in een kunsteloos, in de dichte struiken verborgen nest. In

de vrije natuur voedt de Koewau zich met Insecten, Slakken, Wormen,

bladknoppen en zaden. Mijne gevangenen verkozen gekookte rijst boven

ieder ander voedsel."

De Argus (Argus giganteus) verschilt van alle bekende Vogels door de

buitengewone lengte van de boven- en voorarmveeren. Deze verbreeden

zich naar den top en hebben een zachte schaft, maar stijve baarden;

de handpennen zijn zeer kort. Bij den stil zittenden Vogel is,

behalve de oogvlekken op de laatste armpen, niets te zien van

de eigenaardige pracht van het vederenkleed; deze valt eerst bij

het uitspreiden van de vleugels en van den staart in 't oog. De

kruin draagt korte, fluweelachtig zwarte veeren; de haarvormige

veeren van den achterhals zijn geel en zwart gestreept, die van den

middelrug hebben op geelbruinen grond ronde, donkerbruine stippels,

die van de onderzijde zijn tamelijk gelijkmatig met roodbruine,

zwarte en lichtgele banden en golflijnen geteekend. De buitenvlag

van de armpennen vertoont op grijsrooden grond een dichte reeks van

langwerpige, donkerbruine vlekken, die door een lichteren hof omgeven

zijn; het wortelgedeelte van de binnenvlag is dicht bij de schaft

op grijsrooden grond fijn wit gestippeld, overigens echter als de

buitenvlag geteekend. De lange schouderveeren hebben op een fraaie,

donker roodbruine grondkleur een teekening bestaande uit strepen,

roodbruine, door een donkeren hof omgeven stippels, vlekken, lijnen,

wolkjes, netbanden en groote, iriseerende, donker begrensde, licht

gezoomde oogvlekken. De oogvlekken staan dicht bij de schaft op de

buitenvlag en komen op de voorarmveeren duidelijker uit dan op de

schouderveeren. De buitengewoon lange staart bestaat uit 12 zeer

breede veeren, die elkander daksgewijs bedekken; vooral de beide

middelste pennen steken ver voorbij de overige uit; hun lengte

bedraagt 1.2 M., terwijl de geheele Vogel 1.7 à 1.8 M. lang is (de

vleugellengte bedraagt 75 cM.; zonder de voorarmveeren echter slechts

45 cM.). De langste stuurpennen zijn zwart; langs de schaft aschgrauw,

verder buitenwaarts roodbruin, beide vlaghelften versierd met witte

vlekken, die door een zwarten hof omgeven zijn; de overige stuurpennen

gelijken op de genoemde, met dit verschil, dat de vlekken kleiner,

meer in reeksen gerangschikt en dichter bijeengeplaatst zijn. De ring

om het oog is roodbruin, de snavel ivoorwit. De naakte zijden van

den kop zijn licht aschkleurig blauw; de karmijnroode voet is lang,

zwak en ongespoord. De hen is aanmerkelijk kleiner; haar kleed is

veel eenvoudiger van samenstelling en teekening.

Sedert 1860 komt deze Vogel enkele malen levend in onze diergaarden

voor.

Onder den naam van Kalkoenen (Meleagrinae) worden eenige Amerikaansche

Fazantvogels tot een onderfamilie vereenigd: zij zijn groot, slank

gebouwd, hoogpootig, kortvleugelig en kortstaartig. De snavel is

kort, dik, van boven gewelfd en gebogen, de loop tamelijk lang en met

lange teenen voorzien, bij het mannetje gespoord; de vleugels zijn

sterk afgerond, de derde slagpen is de langste; de staart, die uit

18 breede pennen bestaat en een weinig afgerond is, wordt gewoonlijk

hangend gedragen, maar kan door het mannetje opgericht worden; het zeer

schitterend gekleurde vederenkleed is goed gevuld, maar uit harde,

groote en breede veeren samengesteld. De kop en de bovenhals zijn

onbevederd en met wratten begroeid; van den wortel van den bovensnavel

hangt naar weerszijden een rolvormige, voor opzwelling vatbare lel

naar beneden; een slappe, hangende huidplooi bevindt zich aan den

gorgel. Als een bijzondere eigenaardigheid moet nog vermeld worden,

dat enkele veeren van het voorste deel van de borst borstelvormig

geworden zijn en ver voorbij de overige veeren uitsteken. Het vaderland

van dezen Vogel is het noorden en oosten van Amerika.

De Gewone of Noord-Amerikaansche Kalkoen (Meleagris gallopavo) is

op de bovenzijde bruinachtig geel, met prachtigen, metaalachtigen

weerschijn, elke veer met breeden, fluweelachtig zwarten zoom; de

benedenrug en de staartdekveeren zijn donker nootbruin met groene

en zwarte banden; de borst is geelachtig bruin, naar de zijden

donkerder wordend; de buik en de schenkels zijn bruinachtig grijs;

de stuit is zwartachtig; de slagpennen zijn zwartbruin (de handpennen

met grijsachtig witte, de armpennen met bruinachtig witte banden),

de stuurpennen op zwartbruinen grond met zwarte golflijnen, streepen

en spikkels, de naakte deelen van kop en hals licht hemelsblauw, onder

het oog ultramarijnblauw, de wratten lakrood. Het oog is grijsblauw, de

snavel witachtig hoornkleurig, de voet bleekviolet of lakrood. Totale

lengte 100 à 110, staartlengte 40 cM. Het vederenkleed van het wijfje

is minder fraai en minder helder van kleur.

Op het vasteland van Middel-Amerika wordt de Gewone Kalkoen vervangen

door den iets kleineren, prachtig gekleurden Honduras-kalkoen of

Pauw-kalkoen (Meleagris ocellata), die op den staart en op den rug

blauwe, met zwart omzoomde, van achteren door een goudkleurigen band

begrensde dwarsvlekken heeft.

De beste beschrijving van de levenswijze van den wilden Kalkoen danken

wij aan Audubon. Ook thans nog komen deze Vogels in de wouden van de

staten Ohio, Kentucky, Illinois en Indiana, Arkansas, Tennessee en

Alabama vrij veelvuldig voor. In Georgië en Carolina zijn zij minder

talrijk, in Virginië en Pennsylvanië zeldzaam, in de dichtbevolkte

staten reeds uitgeroeid. Zij leven tijdelijk in groote gezelschappen en

zwerven ongeregeld rond; grazend doorkruisen zij de wouden, loopen over

dag op den grond en rusten 's nachts op hooge boomen. Tegen October,

als er nog slechts weinige boomzaden op den bodem gevallen zijn, reizen

zij naar de lage oeverlanden van den Ohio en den Mississippi. De

mannetjes vereenigen zich tot gezelschappen van 10 à 100 stuks en

zoeken hun voedsel voor zich alleen; de wijfjes en de halfvolwassen

jongen vormen afzonderlijke benden, die bijna even talrijk zijn en

denzelfden weg volgen. Zoo gaan zij verder, altijd te voet, zoolang

niet een Jachthond of een ander viervoetig roofdier hen komt storen

of een breede stroom hen den weg afsnijdt. Als een troep Kalkoenen

aan den oever van een rivier komt, verzamelen zij zich op het hoogste

punt en blijven hier soms dagen lang, als 't ware overleggend, voordat

zij tot het besluit komen om over te steken. De mannetjes zetten een

hooge borst op en kakelen, alsof zij elkander moed willen inspreken;

de wijfjes en de jongen volgen hun voorbeeld, zoo goed zij kunnen,

totdat ten slotte bij stil weer het waagstuk ondernomen wordt en alle

vliegend naar den overkant trekken. Eén van de hanen geeft hiertoe het

sein door het geluid "kloek." Voor de oude Vogels is het oversteken

van den stroom niet moeielijk, zelfs wanneer deze een Engelsche mijl

breed is; de jongere en minder sterke leden van het gezelschap vallen

echter dikwijls onderweg in het water en moeten dan den oever zwemmend

trachten te bereiken. Zij leggen te dien einde de vleugels dicht tegen

den romp aan, spreiden den staart uit, steken den hals naar voren en

slaan hunne pooten zoo ver mogelijk uit; gewoonlijk bereiken zij op

deze wijze den vasten wal. Hier loopen zij echter aanvankelijk rond,

alsof zij verdoofd zijn en verliezen de voorzichtigheid, waarvan

zij in andere omstandigheden blijken geven, zoo ver uit het oog, dat

zij den jager gemakkelijk ten buit vallen. Als de Kalkoenen in een

streek komen, die hun voedsel kan leveren, zijn zij gewoon zich in

kleinere troepen te verdeelen, waarin ouden en jongen dooreengemengd

zijn. Dit geschiedt gewoonlijk in 't midden van November. Later kan

het voorkomen, dat zij, afgemat door de reis, zich naar de boerderijen

begeven, bij de Huishoenderen voegen en met hen voedsel zoeken.

Tegen het midden van Februari begint de voortplantingstijd. Als een

wijfje haar loktoon laat hooren, antwoorden alle hanen in de buurt met

snel opeenvolgende, rollende geluiden. Als de loktoon van den grond

komt, vliegen alle onmiddellijk naar beneden, zetten, zoodra zij den

bodem bereiken, onverschillig of het wijfje dan zichtbaar is of niet,

den staart waaiervormig op, buigen den kop naar achteren, totdat hij

tusschen de schouders ligt, laten de vleugels hangen en geven door

de zonderlinge standen en geluiden, die wij van de tamme Kalkoenen

gewoon zijn, hun opgewondenheid te kennen. Niet zelden geraken twee

mannetjes dan met elkander in strijd en vechten zoo hevig, dat een

van hen er het leven bij inschiet.

Tegen het midden van April zoekt de hen een geschikte, zooveel mogelijk

verborgen plaats uit voor haar nest, dat uit een ondiepe, slordig met

veeren bekleede uitholling van den grond bestaat. De hen legt er 10

à 15, soms ook wel 20 eieren in, die op donker roestgelen grond rood

gestippeld zijn. Zij nadert het nest steeds met groote voorzichtigheid

en dekt, als zij weggaat, de eieren zorgvuldig toe met droge bladen,

zoodat het zeer moeielijk is een nest te vinden, tenzij door het

opjagen van de broedende moeder. Als deze gedurende het broeden

een vijand bespeurt, drukt zij zich neder en verroert zich niet,

totdat zij bemerkt, dat men haar ontdekt heeft. Soms komt het voor,

dat verscheidene hennen in één nest leggen: Audubon vond er eens drie

op 42 eieren zitten. In dit geval wordt het gemeenschappelijke nest

steeds door één van de wijfjes bewaakt, zoodat de eieren of jongen,

althans van een zwak roofdier, geen gevaar loopen.

Kort nadat de jongen uit den dop zijn gekomen, hetgeen gewoonlijk tegen

den avond geschiedt, maken zij, door de moeder begeleid, hun eerste

uitstapje, en keeren vervolgens in den regel naar het nest terug om

hier den eersten nacht door te brengen. Later echter begeeft de hen

zich met haar gezin naar het hoogste oord in den omtrek, omdat zij

te recht de vochtigheid als het ergst kwaad voor haar teere jongen

beschouwt. Reeds op den 14en levensdag zijn de kiekens, die tot dusver

op den bodem moesten blijven, in staat om de vleugels te gebruiken;

van nu af vliegt de familie iederen avond op een lagen tak; de jongen

brengen hier onder de gewelfde vleugels van de moeder den nacht

door. Nog iets later verlaat de oude met hare kuikens gedurende den

dag het woud om partij te trekken van den overvloed van verschillende

bessen, die op de open plekken van het bosch of op de weiden groeien

en om zich aan den weldadigen invloed van de zon bloot te stellen. Na

dien tijd groeien de jongen buitengewoon snel. Reeds in Augustus

zijn zij in staat om een aanval van viervoetige dieren te ontwijken;

de jonge haan komt tot het bewustzijn van zijn mannelijke kracht en

oefent zich in het statig rondstappen en in het kakelen. Omstreeks

dezen tijd vereenigen de ouden en de jongen van verschillende gezinnen

zich tot troepen, die te zamen rondzwerven.

Hoewel de Kalkoen aan pekan-noten en aan de vruchten van de winterdruif

(Vitis rotundifolia) de voorkeur geeft en steeds veelvuldig voorkomt

op plaatsen, waar deze vruchten overvloedig zijn, eet hij toch ook

gras en kruiden van allerlei soort, graan, bessen en andere vruchten,

voorts kleine Sprinkhanen en andere Insecten.

Onder 't loopen licht de Kalkoen zijne vleugels dikwijls een weinig op,

alsof het gewicht van zijn lichaam hem hindert, loopt dan eenige meters

ver met wijd geopende vleugels; soms springt hij twee- of driemaal

omhoog en zet daarna de reis over den bodem voort.--Zijne gevaarlijkste

vijanden zijn, behalve de mensch, de Los, de Sneeuwuil en de Ooruil.

In alle deelen van Amerika wordt met hartstochtelijken en niet

altijd verstandigen ijver op den Kalkoen jacht gemaakt. Het liefst

schiet men den haan, gelijk de Auerhaan, als hij aan het balderen

is, en dit, zooals soms geschiedt, op een boomtak doet; de jager

gebruikt ook wel Honden om het wild op te sporen, of tracht gewaar

te worden, waar het slaapt of bij voorkeur voedsel komt zoeken, om

het hier op te wachten. Deze jacht vereischt groote bedrevenheid en

is wegens de schuwheid van het wild in 't geheel geen vermaak voor

een zondagsjager. Gemakkelijker is het den dommen Vogel in een val

te lokken. Daartoe worden in het bosch stammen van 2 à 3 M. lengte

opeengestapeld tot een soort van blokhuis, dat men van boven met

takkebossen bedekt; een greppel, die groot genoeg is om een grooten

haan door te laten, leidt onder den wand door tot in het midden van

de val; daar hij, met uitzondering van een opening binnen en een

buiten het gebouw overdekt is, vormt hij een soort van tunnel. In de

val en op den weg daarheen wordt maïs gestrooid. De Kalkoenen, die

dit lokaas vinden, volgen het hierdoor aangeduide pad en laten zich

door den overvloed van voedsel verleiden om in de val te gaan. De

eene Vogel volgt den anderen, soms begeeft de geheele troep zich in

het ruime gebouw. Na het opvreten van de hier uitgestrooide korrels

kunnen de onnoozele Vogels de opening, waardoor zij zijn binnengegaan,

niet terugvinden, loopen steeds langs den binnenwand van het gebouw,

steken overal den kop tusschen de balken door en doen hier vruchtelooze

pogingen om naar buiten te komen. Geen hunner komt op het denkbeeld om

door het gat in 't midden van de vloer de val te verlaten, zoodat het

geheele gezelschap den volgenden morgen den vogelaar in handen valt.

De Spanjaarden, die aan het rijk der Azteken in Mexico een einde

maakten, troffen hier den Gewonen Kalkoen als huisdier aan. Oviedo

is de eerste schrijver, die van deze Vogels melding maakt. "In

Nieuw-Spanje", zegt hij, "vindt men zeer groote en smakelijke Pauwen,

waarvan er vele naar de eilanden en naar de provincie Castilia del

Oro gebracht zijn en hier in de huizen van de Christenen opgefokt

worden. De hennen zien er slecht uit; de hanen echter zijn fraai en

pronken dikwijls met den staart, hoewel deze niet zoo groot is als die

van de Pauwen in Spanje." De berichten over het voorkomen van den in

't wild levenden Kalkoen in Noord-Amerika zijn, volgens Baldamus,

uit lateren tijd afkomstig. In Virginië vond men hem in 1584, in

Pennsylvanië in 1753. Smyth trof hem in de onbebouwde gewesten ten

westen van Virginië in kudden van meer dan 5000 stuks aan. Men is

van oordeel, dat deze soort de stamvorm is van den Mexicaanschen,

zoowel als van onzen Tammen Kalkoen, hoewel de bronskleur van het

vederenkleed en de bundels van haarvormige veeren aan de voorborst,

die den Wilden Kalkoen kenmerken, bij de meeste getemde rassen te loor

gegaan zijn. In 1557 was de Tamme Kalkoen in Europa nog zoo zeldzaam

en kostbaar, dat de Raad van Venetië, tot het tegengaan van de weelde,

bepaalde, op wiens tafel "Indische Hoenderen" mochten komen. Dezen

naam en ook de namen "Turkey" (in Engeland) en "Kalkoen" kregen de

nieuwe huisvogels waarschijnlijk ten gevolge van de onderstelling, dat

zij uit Calcutta of Turkije afkomstig zouden zijn. In Engeland werden

zij, naar men zegt, het 15e jaar van de regeering van Hendrik VIII

(dus in 1524), in Duitschland omstreeks het jaar 1534, in Frankrijk

nog iets later ingevoerd. Tegenwoordig zijn zij als huisvogels overal

verbreid. Het veelvuldigst vindt men ze misschien in Spanje en vooral

in de boerderijen, die ver van de dorpen te midden van de dorre Campo

gelegen zijn. Hier zag ik kudden van vele honderden stuks onder

de leiding van herders, die hen 's morgens naar de weide drijven,

over dag bijeenhouden en 's avonds weer naar huis geleiden. Hier te

lande worden de Kalkoenen (behalve in de Betuwe) zelden gehouden,

hoewel het fokken en mesten van deze dieren op groote schaal wel

winstgevend is. Sommige hoenderfokkers schatten hen hoog; de meeste

menschen mogen hen wegens hun geraasmakenden, opvliegenden aard niet

lijden. Hun domheid is ongeloofelijk; ieder ongewoon verschijnsel

brengt hen geheel van streek. "Men wordt er akelig van," zegt Lenz,

"dat zij in den zomer, vooral als zij voor kuikens te zorgen hebben,

dikwijls den geheelen dag naar den hemel kijken en onophoudelijk

een jammerend "jaoeb jaoeb" laten hooren, alsof zij de zon voor een

Arend en de wolken voor Gieren houden." Belachelijk is het te zien,

hoe zij voor een kleinen Torenvalk vol angst op de vlucht gaan,

alsof de duivel hen op de hielen zit. Zij hebben echter ook zeer

goede eigenschappen; vooral de moederliefde van de hen, die in alle

omstandigheden even groot blijft, verdient een eervolle vermelding.

Meleager's zusters, ontroostbaar over den dood van haar broeder,

werden in Vogels veranderd, welker veeren als met tranen besprenkeld

schenen. Uit deze overlevering blijkt, dat reeds de ouden bekend

waren met de Vogels, die wij Parelhoenderen noemen. In verscheidene

geschriften uit den ouden tijd worden zij zoo nauwkeurig beschreven,

dat wij althans bij benadering de beide soorten kunnen bepalen, die

destijds bekend waren. Tevens berichten zij ons, dat de Parelhoenderen

in Griekenland zeer veelvuldig gefokt worden, zoodat arme lieden ze

als offers konden brengen. Na den Romeinschen tijd heeft men, naar

't schijnt, weinig acht op hen geslagen; misschien waren zij geheel

uit Europa verdwenen, want eerst in de 14e eeuw wordt weder melding

van hen gemaakt. Kort na de ontdekking van Amerika is de meest gewone

soort door zeelieden naar de Nieuwe Wereld overgebracht, waar zij

een voor haar uitnemend geschikt klimaat vond en weldra verwilderde.

De Parelhoenderen (Numidinae), die de laatste onderfamilie van

de Fazantvogels vormen, kenmerken zich door een krachtigen romp,

korte vleugels, een middelmatig langen staart met zeer verlengde

bovendekveeren, een over 't geheel goed gevuld vederenkleed,

middelmatig hooge, gewoonlijk ongespoorde voeten met korte teenen

en een krachtigen snavel; de kop en de bovenhals zijn in meerdere of

mindere mate naakt en met pluim, kuif, kraag, helm en lellen versierd;

een groote overeenstemming heerscht in hun vederenkleed, welks kleur en

teekening--lichte, parelvormige vlekken op een donkeren grond--evenals

de koptooi, bij beide seksen nagenoeg dezelfde zijn.

Eenige minder bekende soorten, zooals het prachtige Oost-Afrikaansche

Gierparelhoen (Numida vulturina) en het Kuifparelhoen (Numida

cristata), van de Goudkust, vermelden wij slechts terloops en beginnen

onmiddellijk met de beschrijving van den meest bekenden Vogel uit

deze groep.

Het Gewone Parelhoen (Numida meleagris), draagt een meer of minder

langen, harden, helmachtigen kam of hoorn op het midden van de kruin

en twee breede, tamelijk lange, vleezige, hangende lellen achter aan

de onderkaak. Deze Vogel, die bij de ouden Meleagris werd genoemd en

de stamvader is van het bij ons onder den naam Poule pintade bekende

huisdier, heeft de bovenborst en de nek ongevlekt, lilakleurig, den

rug en den staartwortel op grijzen grond met kleine, witte, donkerder

gerande, parelvormige vlekken bezet, die op de bovenvleugeldekveeren

grooter worden, gedeeltelijk ook ineenvloeien en op de buitenvlag

der armpennen in smalle dwarsbanden veranderen; de onderdeelen

zijn op zwartachtig grijzen grond tamelijk gelijkmatig met groote

ronde, parelvormige vlekken versierd, de slagpennen bruinachtig

(op de buitenvlag met witte banden, op de binnenvlag onregelmatig

gestreept en gestippeld), de donkergrijze stuurpennen fraai bepareld

en slechts de zijdelingsche voor een deel met banden versierd, die

door het ineenvloeien van vlekken ontstaan. Het oog is donkerbruin,

de wangstreek blauwachtig wit, de vleezige deelen van den kam, de

keellellen, de washuidachtige opzwelling aan den snavelwortel rood, de

helm hoornkleurig, de snavel geelachtig rood, de voet vuil leikleurig

grijs, boven de plaats van aanhechting der teenen vleeschkleurig. De

lengte bedraagt ongeveer 50 cM. De in gevangenschap gefokte, van

vroeger getemde exemplaren afkomstige Parelhoenderen zijn echter vaak

aanmerkelijk grooter.

West-Afrika is het vaderland van deze soort; in de wouden van

Middel-Amerika en op de West-Indische eilanden komt zij verwilderd

voor.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 04: De Hoendervogels · 第 9 / 12 段