De hen zoekt een stil plekje uit onder dicht struikgewas of hoog

opgeschoten kruiden, b.v. in het koorn, in biezen of in een weide,

woelt hier een ondiepe holte uit, krabt hierin een weinig nestmateriaal

uit de onmiddellijke nabijheid bijeen en legt nu hare 8 à 12 eieren

met geregelde tusschentijden van 40 à 48 uren. Als men haar de

eieren ontneemt, legt zij er meer, doch komt zelden boven de 16 of 18

stuks. De eieren zijn kleiner en ronder dan die van de huishen en effen

geelachtig grijsgroen van kleur. Onmiddellijk na het leggen van het

laatste ei begint zij te broeden en doet dit met bewonderenswaardigen

ijver. Zij zit zoo vast, dat zij haar gevaarlijksten vijand zeer

dicht bij laat komen, voordat zij het nest verlaat; gewoonlijk doet

zij dit niet vliegend, maar loopend. Als zij om andere redenen van

het nest afgaat, bedekt zij de eieren losjes met de neststoffen of

met eenige bladen en grashalmen, die zij bijeenkrabt. Na 25 of 26

dagen komen de jongen uit den dop. Deze blijven, totdat zij volkomen

droog geworden zijn, onder de vleugels van de hen, die ze vervolgens

meeneemt om voedsel te zoeken. Bij gunstige weersgesteldheid worden de

tamelijk vlugge kuikentjes binnen 12 dagen sterk genoeg om een weinig

te kunnen fladderen; zoodra zij de grootte van een Kwartel hebben,

"boomen" zij iederen avond geregeld met de hen. Deze tracht hare

kuikens zoo veel mogelijk te beveiligen tegen al wat hen kan schaden,

stelt zich met dit doel zonder aarzeling aan dreigende gevaren bloot,

maar smaakt toch zelden het genoegen al hare kinderen groot te brengen,

daar de jonge Fazanten zeer weekelijk en teer zijn. Tot laat in den

herfst blijven de jongen bij hun moeder en vormen met deze één toom;

daarna vertrekken eerst de jonge hanen en tegen den aanvang van de

lente ook de jonge hennen, die nu voor de voortplanting geschikt zijn.

In Middel- en Noord-Duitschland laten vele houders van Fazanten

in het begin van de lente eenige van hunne zoo goed als in 't wild

levende Vogels opvangen; deze worden in een groote kooi opgesloten

om hierin eieren te leggen. Met behulp van voor dit doel afgerichte

Honden worden tevens de nesten in 't vrije veld opgezocht; de hieruit

genomen eieren laat men uitbroeden door Kalkoenen, die later ook met

de zorg voor de jonge Fazanten worden belast.

Meer dan eenig ander Hoen wordt de Fazant door gevaren bedreigd. Eerder

dan zijne verwanten wordt een ongunstige weersgesteldheid voor

hem noodlottig; ook heeft hij veel meer te lijden van allerlei

roofgespuis. Zijn ergste vijand is de Vos, die bij deze jacht even

weinig omwegen maakt als de mensch, maar nog beter dan deze alle

gelegenheden waarneemt om het wild te verschalken. De jonge Fazanten

worden door Marters en Katten weggenomen, de eieren door Egels en

Ratten verslonden. Haviken, Sperwers, Wouwen en Kuikenduiven laten

zich evenmin onbetuigd; zelfs de plompe Buizerd, de Raaf, de Kraai,

de Ekster, de Vlaamsche Gaai rooven menig kuiken en overmeesteren

menigen volwassen Vogel.

"Hoewel de Goudlakensche Fazant sinds lang in Europa bekend is," zegt

Bodinus zeer te recht, "kijkt iedereen nog steeds met bewondering

naar dezen Vogel. De macht der gewoonte heeft de belangstelling in

de prachtig schitterende kleuren van zijn vederenkleed niet kunnen

verminderen; ieder, die hem voor de eerste maal ziet, kan moeielijk

van dit verrukkelijk schouwspel scheiden." De Goudlakensche Fazant, de

Kinki (het "Goudhoen") der Chineezen (Phasianus pictus), waarschijnlijk

de Phoenix der ouden, is werkelijk een prachtige Vogel, zijne kleuren

zijn even fraai als zijn gestalte bevallig is. Hij vertegenwoordigt

het ondergeslacht der Kraagfazanten, gekenmerkt door een betrekkelijk

geringe grootte, slanke lichaamsbouw, een vederenpluim op den kop

en een zeer langen staart. De halskraag van den haan bestaat uit

veeren, die in den nek groeien, naar voren en naar onderen breeder

worden en van den hals afstaan. De genoemde soort heeft oranje-

of goudgele en eenigszins losbaardige kuifveeren; zij overschaduwen

den grooten halskraag, welks veeren grootendeels oranjerood zijn met

donker fluweelzwarten zoom, waardoor een reeks van evenwijdige, donkere

strepen ontstaat; de veeren van den mantel, die grootendeels door den

kraag overdekt is, zijn donker metaalglanzig groen met zwarten zoom,

waardoor zij gezamenlijk op een schubbenkleed gelijken; de benedenrug

en de bovendekveeren van den staart zijn hooggeel, het aangezicht,

de kin en de zijden van den hals geelachtig wit, de onderhals en het

onderlijf hoog saffraanrood, de vleugeldekveeren kastanjebruinrood, de

slagpennen roodachtig grijsbruin met roestrooden zoom, de stuurpennen

op bruinachtigen grond zwart gemarmerd of netsgewijs geteekend en de

verlengde, smalle bovendekveeren van den staart donkerrood. Het oog

is goudgeel, de snavel witachtig geel, de voet bruinachtig. Totale

lengte 85, staartlengte 60 cM. Bij 't wijfje is de grondkleur dof

roestrood, op de onderdeelen in roestkleurig grijsgeel overgaande.

De naaste verwant van den Goudlakenschen Fazant kreeg ter eere van Lady

Amherst, die hem het eerst naar Europa bracht, den naam (Phasianus

Amherstiae); wij zullen hem Diamantfazant noemen. De veeren van den

halskraag zijn met uitzondering van haar donkeren zoom zilverwit;

wit zijn ook de borst en de buik; de kuif is op het voorhoofd zwart,

overigens rood; de hals, de bovenrug en de bovendekveeren van

den vleugel zijn licht metaalachtig groen; door den donkeren zoom

der veeren ontstaat een schubvormige teekening; de benedenrug is

goudgeel, donker geschaduwd; de bovendekveeren van den staart hebben

op bleek roodachtigen grond zwarte banden en vlekken, de buitenste

zijn verlengd en koraalrood; de slagpennen zijn bruinachtig grijs

met lichteren buitenzoom, de overige meer muiskleurig. Het oog is

goudgeel, de naakte plek op de wangen blauwachtig, de snavel licht-,

de voet donkergeel. Totale lengte 125, staartlengte 90 cM. De hen

gelijkt op die van de vorige soort.

Trans-Baikalië en het oosten van Mongolië tot in de nabijheid van

den Amoer, benevens Zuid- en Zuidwest-China zijn het vaderland van

den Goudlakenschen Fazant. De Diamantfazant bewoont Oost-Sitsjoean,

Yuennan, Kweitsjow en Oost-Tibet. Beide houden zich in het gebergte

op; de eerstgenoemde echter in een lageren gordel dan zijn verwant,

die tusschen 2000 en 3000 M. boven den zeespiegel voorkomt. Dit gaat

ook dan nog door, als beide hetzelfde gebergte bewonen.

Hoewel het niet te loochenen valt, dat de Goudlakensche Fazant,

wat aard en vermogens betreft, in hoofdzaak overeenstemt met de

andere leden van zijn geslacht, mag men hem toch behendiger, vlugger,

schranderder en verstandiger noemen dan den Boschfazant. Hij beweegt

zich zeer sierlijk, kan sprongen doen, die wegens hun lichtheid

en bevalligheid bewondering wekken, kronkelt zich met verrassende

behendigheid tusschen de dichtste twijgen door en vliegt veel beter

dan andere Fazanten. Zijn stem, die men trouwens zelden hoort, is

een vreemdsoortig gesis. Hoewel er ook bij hem van hooge gaven geen

sprake kan zijn en de angstvalligheid, waardoor de leden van zijn

geslacht zich onderscheiden, ook bij hem in hooge mate schijnt voor

te komen, mag men toch zeggen, dat hij zich eerder dan zijn inheemsche

verwant in gewijzigde omstandigheden schikt en zich gemakkelijker laat

temmen. Exemplaren, die van jongs af onder de leiding van den mensch

zijn geweest, geraken weldra gewoon aan hun verzorger en onderscheiden

hem zonder fout van vreemden, hetgeen bij andere Fazanten niet het

geval is.

Tegen het einde van April begint de baldertijd van den Goudlakenschen

Fazant; deze laat nu vaker dan gewoonlijk zijn sissende lokstem

hooren, beweegt zich meer dan vroeger, is zeer strijdlustig en schept

behagen in het aannemen van een sierlijke houding, waarbij hij den kop

benedenwaarts buigt, den kraag hoog opzet, de vleugels uitspreidt,

den staart opheft en op zeer bevallige wijze allerlei wendingen en

draaiingen maakt.

Al wat tot lof van den Goudlakenschen Fazant gezegd kan worden,

geldt ook, en in nog hoogere mate, van den Diamantfazant. Deze is nog

sierlijker, nog behendiger, vlugger, schranderder en, wat de hoofdzaak

is, meer gehard tegen ons klimaat, minder gevoelig dan zijn naaste

verwant. Het is niet onwaarschijnlijk, dat hem een groote toekomst

wacht; daar hij alle eigenschappen bezit, die een goeden uitslag van

zijn naturalisatie in onze gewesten, voor zoover deze mogelijk is,

waarborgen.

De meest typische vormen van de onderfamilie der Pauwvogels

(Pavoninae)--de Pauwen (Pavo)--onderscheiden zich van alle andere

Hoenderen door de sterke ontwikkeling van de bovendekveeren van den

staart, die alle gewone afmetingen overtreffen; hieraan kunnen zij

gemakkelijk herkend worden. De Pauwen zijn grooter dan de overige

Hoenderen, krachtig gebouwd, tamelijk langhalzig, kleinkoppig,

kortvleugelig, hoogpootig en langstaartig. De snavel is tamelijk dik,

op den rug gewelfd, aan de spits haakvormig naar beneden gekromd;

de lange loop draagt bij het mannetje een spoor. Het lichaam is met

een grooten overvloed van veeren bekleed, die voor een deel met ronde

vlekken (oogen) versierd zijn; de kop prijkt met een opgerichte en

lange pluim, die uit smalle of slechts aan de spits gebaarde veeren

bestaat; de huid om de oogen is naakt. In het derde levensjaar heeft

de Pauw zijn volle schoonheid bereikt. Zijn vaderland is Zuid-Azië.

De Pauw (Pavo cristatus), de stamvader van de fraaiste Vogels

van onzen hof, is op den kop, den hals en de voorborst prachtig

purperblauw met goudkleurigen en groenen weerschijn; de rug is groen

en schelpsgewijs geteekend, daar elke veer een koperkleurigen rand

heeft; de vleugels zijn wit met zwarte dwarsstrepen; het midden van

den rug heeft een donkerblauwe kleur; de onderdeelen zijn zwart;

de slagpennen en staartpennen hebben een licht nootbruine kleur; de

bovendekveeren van den staart, die den "sleep" vormen en de stuurpennen

geheel verbergen, zijn groen, losbaardig tot bij de hoekige spits,

waarvan de met een oogvlek prachtig versierde, schijfvormige vlag

het middelste deel uitmaakt; de 20 à 24 veeren van de kuif dragen

slechts aan de spits baarden. Het oog is donkerbruin, de naakte ring

er omheen witachtig; de snavel en de voet zijn hoornbruin. De lengte

bedraagt 110 à 125, de staartlengte 60 cM., de sleep is 1.2 à 1.3

M. lang. Bij het wijfje is de kuif aanmerkelijk korter en donkerder

gekleurd dan bij het mannetje; de kop en de bovenhals zijn nootbruin,

de veeren van den nek groenachtig met bruinachtig witten zoom, die

van den mantel lichtbruin met fijne, dwarse golflijnen; de gorgel,

de borst en de buik zijn wit, de slagpennen bruin, de stuurpennen

donkerbruin met witten zoom aan de spits.

De Pauw bewoont het vasteland van Indië en Ceylon en wordt in Assam en

op Java [1] door twee verwante soorten vervangen. Hij bewoont wouden en

dsjungels, vooral bergachtige streken, die door open land omgeven of

met ravijnen doorsneden zijn; minder veelvuldig is hij in gewesten,

die op onze hoogstammige bosschen gelijken. In den Nilgiri en in

de gebergten van Zuid-Indië, komt hij voor tot op 2000 M. boven den

zeespiegel; hij ontbreekt echter in den Himalaja; op Ceylon ontmoet men

hem eveneens vooral in het gebergte. Volgens Williamson zijn wouden met

dicht onderhout of hoog gras zijne liefste verblijfplaatsen, wanneer

hier slechts geen gebrek aan water is; even gaarne houdt hij zich op

in aanplantingen, die hem beschutting kunnen verschaffen en enkele

hooge, voor slaapplaats geschikte boomen bevatten. In vele gewesten

van Indië wordt hij als een heilige en onschendbare Vogel beschouwd;

de inboorlingen achten het dooden van een Pauw een misdaad; de jager,

die zich hieraan niet stoort, stelt zich aan levensgevaar bloot. In

de nabijheid van vele Hindoe-tempels houden zich talrijke troepen

van halfwilde Pauwen op, welker verzorging een van de plichten der

geestelijken is; deze Vogels beseffen weldra de bescherming, die hun

verleend wordt en toonen zich, althans jegens Hindoes, weinig schuwer

dan de tamme exemplaren, die in onze hoenderparken grootgebracht zijn.

Tennent verzekert, dat men, om zich een denkbeeld beeld te kunnen

vormen van de schoonheid van den Pauw, hem in zijn eenzame

wildernissen gezien moet hebben. Op Ceylon treft men hem in

gewesten, waar zelden Europeanen komen en waar hij niet gestoord

wordt, buitengewoon veelvuldig aan. Over dag ziet men deze Vogels

bij honderden te gelijk; 's nachts kan men van hun voortdurend,

luid geschreeuw niet slapen. Het prachtigst doet de Pauw zich voor,

als hij in een boom is gaan zitten; de lange sleep, die soms half

door de bladeren verborgen, soms uitgespreid is, verschaft den boom

een heerlijk sieraad. Williamson beweert, dat hij in enkele deelen

van Indië wel eens 1200 à 1500 Pauwen bijeengezien heeft, maar ze

gewoonlijk bij troepen van 30 à 40 stuks aantrof. Over dag blijven

deze gezelschappen meestal op den grond; slechts in de voormiddag-

en avonduren bezoeken zij de open plekken in 't bosch of de naburige

velden, om hier voedsel te zoeken. Bij vervolging tracht de Pauw

zich zoo lang mogelijk loopend te redden; eerst als hij zekeren

voorsprong heeft, gaat hij tot vliegen over. Zijn vlucht is plomp en

ruischend. Gewoonlijk verheft de Vogel zich niet boven schothoogte;

zelden vliegt hij ver. Men zou kunnen meenen, dat een aan den vleugel

gewonde Pauw met een hevigen schok op den bodem zal neervallen; dit is

echter niet het geval: de gekwetste staat zeer spoedig op en loopt dan

zoo snel weg, dat hij in negen van de tien gevallen den jager ontkomt,

wanneer deze hem niet onmiddellijk achtervolgt. Voor een Hond, of in

't algemeen voor een groot, viervoetig roofdier is de Pauw veel meer

bevreesd dan voor den mensch, waarschijnlijk omdat hij van wilde

Honden en Tijgers onaangename ervaringen heeft opgedaan. Als een

Hond den Vogel op het spoor komt, begeeft deze zich zoo schielijk

mogelijk in een boom en laat zich van hier niet zoo licht meer

verdrijven. Ervaren jagers in Indië kunnen in streken, waar Tijgers

huizen, uit de bewegingen der Pauwen met volkomen zekerheid afleiden,

of een van deze Roofdieren zich in de nabijheid bevindt.

Als een echt Hoen ontleent de Pauw zijn voedsel zoowel aan het dieren-

als aan het plantenrijk. Hij eet alles wat ons Huishoen gebruikt,

maar is wegens zijne grootte en lichaamskracht in staat ook sterkere

dieren te overweldigen, o. a. Slangen van tamelijke lengte, die door

hem gedeeltelijk opgegeten, althans gedood worden. Als het jonge koorn

zich boven den grond verheft, begeeft hij zich geregeld naar de akkers

om hier te grazen; als de pipal-vruchten rijp worden, gebruikt hij

hiervan zooveel, dat zijn vleesch er een bitteren smaak door krijgt.

In verband met de ligging van het door hem bewoonde gebied broedt de

Pauw vroeger of later in 't jaar, in Zuid-Indië gewoonlijk tegen het

einde van 't regenseizoen, in noordelijker gewesten ongeveer van April

tot October. Volgens Irby verliest de haan zijn sleep in September;

eerst in Maart heeft hij hem volkomen terug en kan dan dus aan de

paring denken. Hij toont thans aan het wijfje zijne pronkveeren in

haar vollen luister en gedraagt zich over 't algemeen op dezelfde

wijze als zijn getemde afstammeling. Het nest, dat men gewoonlijk op

een kleine verhevenheid, in het woud onder een grooten struik vindt,

bestaat uit dunne takjes, droge bladen en dergelijke materialen en is

even slordig gebouwd als dat van de andere Hoendervogels. De hen legt

4 à 15 eieren, bebroedt ze met grooten ijver en verlaat ze slechts

in den uitersten nood. "Bij verscheidene gelegenheden," zegt Jerdon,

"heb ik wijfjes van wilde Pauwen op haar nest waargenomen. Als ik

ze niet stoorde verroerden zij zich niet, hoewel ze mij duidelijk

gezien hadden."

De tijd, waarin de Pauw voor 't eerst naar Europa werd overgebracht,

is niet met zekerheid bekend. Alexander de Groote kende geen getemde

Pauwen, gelijk blijkt uit zijn bewondering voor de wilde, die hij

gedurende zijn krijgstocht in Indië voor 't eerst zag. Hoewel de

overlevering meldt, dat de eerste getemde Pauwen door Alexander

naar Europa zijn zijn gebracht, was deze prachtige Vogel reeds veel

vroeger naar 't westen verbreid. "Van Indië, waar hij vrij in de wouden

leeft," schrijft Victor Hehn, "voerden Phoenicische zeehandelaars hem

naar het gebied van de Middellandsche Zee. Dit blijkt, behalve uit

een bepaald feit, dat op het begin van de 10e eeuw wijst, ook uit

de vergelijking van de namen. De schepen, die Koning Salomo in de

Edomitische havensteden liet uitrusten, brachten van hun reis naar

Ophir, nevens andere kostbaarheden, ook Pauwen mede." Ten tijde van

Pericles moet de Pauw in Griekenland nog zoo zeldzaam zijn geweest,

dat men van verre kwam om hem te zien. Aristoteles noemt hem een door

't geheele land bekenden Vogel. Bij de feestmaaltijden der Romeinsche

keizers speelde hij reeds een zeer belangrijke rol. Vitellius

en Heliogabalus onthaalden hunne gasten op een gerecht, dat uit

tongen en hersens van Pauwen en de duurste specerijen van Indië was

samengesteld. Te Samos werden Pauwen gehouden in den tempel van Juno

en was deze Vogel op de munten afgebeeld. In Duitschland en Engeland

was hij, naar het schijnt, in de 14e en 15e eeuw nog zeer zeldzaam;

daar het als een bewijs van rijkdom gold, dat Engelsche baronnen bij

groote feestelijkheden een gebraden Pauw lieten opdragen, die met

zijn eigen veeren versierd, en met pruimen, die destijds nog zeer

zeldzaam waren, omgeven was. Gessner, wiens werk over natuurlijke

geschiedenis in 1557 verscheen, was zeer goed met den Pauw bekend en

gaf een uitvoerige beschrijving van dit dier.

De meest in 't oog loopende karaktertrek van den Pauw is trotschheid

en ijdelheid; hij toont deze eigenschappen niet slechts in het verkeer

met zijn wijfje, maar ook jegens den mensch. Hij is echter bovendien

vervuld van eigenwaan en heerschzucht. In een hoenderpark is hij

dikwijls onuitstaanbaar lastig, omdat hij zonder eenige aannemelijke

reden zwakkere dieren aanvalt en met verraderlijke boosaardigheid

mishandelt of doodt.

Van den winter heeft de Pauw weinig last: zelfs het bezit van een warm

hok weerhoudt hem niet om bij de strengste koude gebruik te maken van

de hooggelegen slaapplaats, die hij zich in den zomer uitkoos. Als het

sneeuwt, laat hij zich niet zelden onbekommerd door de vlokken bedekken

en lijdt er geen schade door. Wanneer men hem meer vrijheid laat,

toont hij zich niet veeleischend en is met gewoon kippenvoer tevreden;

trouwens gedurende zijne wandelingen over het erf en in den tuin zoekt

hij een groot deel van zijn voedsel zelf. Hij eet met smaak allerlei

soorten van groente; deze zijn, naar het schijnt, onmisbaar voor hem.

De Pluimhoenderen (Lophophorus), die men tegenwoordig tot de Pauwvogels

rekent, onderscheiden zich van de overige Hoenderachtigen hoofdzakelijk

door den korten, flauw afgeronden staart, welks pennen niet dakvormig

gerangschikt zijn, maar in één vlak liggen. Voorts kenmerken zij zich

door den betrekkelijk krachtigen romp, de middelmatig lange vleugels,

de nagelvormig verbreede en vooruitstekende spits van den bovensnavel,

den middelmatig hoogen loop, die bij het mannetje met een spoor

gewapend is en het prachtige vederenkleed van den haan. Het oog is

met een naakte plek omgeven. Aan den achterkop komt een kuif voor,

die uit vele aan den wortel baardelooze veeren bestaat, welke alleen

aan de spits een vlag hebben.

In de hooge woudstreken van den Himalaja, van de voorbergen in

Afghanistan tot het uiterste oosten van het gebergte in Sikkim en

Boetan, leeft op hoogten van 2000 à 3000 M. een prachtig Hoen,

misschien het fraaiste van de geheele orde--het Pluimhoen, dat

door de inboorlingen Monaul of Monal wordt genoemd (Lophophorus

impeyanus). Het is moeielijk van de prachtige, metaalglanzige

kleuren van dezen Vogel, die hieraan den naam "Glansfazant" dankt,

een beschrijving te geven. De kop (met inbegrip van de pluim, die als

't ware uit gouden aren samengesteld is) en de keel zijn metaalachtig

groen, de bovenhals en de nek iriseerend purper- of karmijnrood met

robijnachtigen glans, de onderhals en de rug bronskleurig groen met

goudgelen weerschijn, de mantel en de vleugeldekveeren, de bovenrug

en de bovendekveeren van den staart violet- of blauwachtig groen,

even glanzig als het overige vederenkleed, eenige veeren van den

onderrug wit, de onderdeelen zwart, op het midden van de borst met

groenen en purperen weerschijn, op den buik donker en zonder glans,

de slagpennen zwart, de stuurpennen kaneelrood. Het oog is bruin,

de naakte plek er omheen blauwachtig, de snavel donker hoornkleurig,

de voet dof grijsgroen. De haan is 65 cM. lang, waarvan 21 cM. op

den staart komen. De hen is aanmerkelijk kleiner en heeft geen pluim;

hare kleuren (bruin met zwarte vlekken) missen den metaalglans.

In de gewesten van Indië, die door den Monaul bewoond worden, kan

men zich licht levende Hoenderen van deze soort verschaffen; als

bergbewoners zijn zij echter niet bestand tegen de hooge temperaturen

van de lagere landen; de meeste sterven onderweg. Hoewel zij den

winter even goed verduren als de andere Fazanten, en de Vogels, die

in volwassen toestand gevangen zijn, gemakkelijk aan het leven in de

kooi gewend geraken, behooren zij in de dierentuinen nog steeds tot

de zeldzaamheden. Hier houden zij zich, evenals in de vrije natuur,

zooveel mogelijk verborgen, verschuilen zich bij voorkeur, als iemand

nadert, zijn althans steeds eenigszins schuw, graven voortdurend in

de zoden van hun perk en brengen hier weldra een groote wanorde teweeg.

De naaste verwanten van de Pluimhoenderen zijn de Saterhoenderen

(Ceratornis), zoo genaamd, omdat de kop van den Haan voorzien is van

twee "hoorntjes": uitwassen van de huid, die opgericht kunnen worden

en dan boven of achter den kop uitpuilen; zij ontspringen aan den

achterrand van de naakte plek, die het oog omgeeft, waarvan zij als

't ware een voortzetting vormen. Deze plek strekt zich bovendien uit

over de wangen en tot aan de onderkaak, hangt van voren samen met

een naakte, voor opzwelling vatbare plek aan de keel en loopt naar

beneden, aan weerszijden uit in een groote lel. Den aanzienlijksten

omvang en de levendigste kleuren hebben deze huidaanhangsels,

die door aandrang van bloed naar de vaten opzwellen, gedurende het

"balderen" als de opgewondenheid van den haan haar grootste hoogte

heeft bereikt. Onmiddellijk daarna verkrijgen zij een bescheidener

voorkomen: de sterk gekrompen hoorntjes hangen slap naar beneden of

verbergen zich tusschen de veeren, de lellen worden teruggetrokken en

vormen een dwarsgerichte huidplooi, de naakte huid van het keelveld is

aan een gerimpelden zak gelijk. Het mannetje is ongeveer zoo groot als

een flinke Huishaan. Het zeer rijke, prachtig gekleurde en sierlijk

geteekende vederenkleed is op den achterkop tot een kuif verlengd. De

hen mist de naakte plekken aan den kop en is eenvoudiger gekleed.

Het Saterhoen (Ceratornis satyra), dat het oostelijke gedeelte

van het Himalaja-gebied, Nepal en Sikkim bewoont, heeft een vurig,

bruinachtig rood vederenkleed met witte, zwart gezoomde vlekken;

het voorhoofd en de kruin zijn zwart, de schuins naar buiten en naar

achteren gerichte hoornen, de naakte keelplek en de lellen blauw met

roode en gele vlekken.

Bij den Jewar (Ceratornis melanocephala) is, behalve de kruin,

ook de kuif op den achterkop zwart; van het vederenkleed is de

hoofdkleur zwartachtig, op de bovendeelen met witachtig bruine,

dwarse zigzagstrepen, op de onderdeelen met rood geschakeerd; de

hals is van achteren en aan de zijden schel bruinrood; nagenoeg alle

bovendeelen zijn met witte, ronde vlekken geteekend. In zijn meest

uitgezetten toestand heeft het keelschild een tweelobbigen onderrand

en vertoont een sterk naar voren gewelfd, spoelvormig middelveld (welks

koornbloemen-blauwe grondkleur met licht kobaltblauwe vlekken geteekend

is) en twee randvelden (met bloedroode vlekken op helder hemelsblauwen

grond); de hoorntjes zijn turkooisblauw en loodrecht omhoog gericht.

In de rijkst voorziene Europeesche dierentuinen treft men sedert

eenige jaren Saterhoenderen aan (het eerste kwam in 1836 te Londen);

zij zijn echter nog steeds hoog in prijs. De veelvuldigst voorkomende

(Ceratornis Temminckii, uit China) kost ± 180, Ceratornis satyra ±

300 gulden, de overige soorten zijn nog duurder. Zij verdragen de

gevangenschap vrij goed en hebben zich zelfs in de kooi voortgeplant.

De Spiegelpauwen (Polyplectron) verdienen een plaats tusschen de

Pauwen en de Argusfazanten. Zij hebben een slanken romp, ongeveer

zoo groot als die van een huishen; de lange, dunne loop is met 2 à 6

sporen gewapend. De meeste soorten hebben een breeden staart, waarvan

de pennen en de bovendekveeren bij de spits met een groote, eironde,

metaalglanzig blauwe of groene, zwart gezoomde vlek versierd zijn.

De fraaiste soort is de Tsjinkwis (Polyplectron chinquis, ook

wel bicalcaratum genoemd, wegens zijn met twee sporen gewapenden

loop). Deze bewoont Sumatra, Malakka, Assem en Birma. De hoofdkleur

van zijn vederenkleed is bruin met fijne, donkerder golflijnen en

lichtere stippels. Behalve de veeren van den staart, hebben ook die

van den mantel, den rug en den staartwortel benevens de vleugelveeren

groote, groenachtig blauwe oogvlekken, die een purperen weerschijn

vertoonen. Totale lengte 60, staartlengte 25 cM.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 04: De Hoendervogels · 第 8 / 12 段