de Katoekoli der Maleiers (Gallus Sonnerati)--dat in de gebergten
van Vóór-Indië leeft en zich kenmerkt door zijne halsveeren, welker
schaften (bij den haan) op drie plaatsen tot hoornplaatjes verbreed
zijn--en het op Ceylon levende Dsjungelhoen (Gallus Stanleyi), dat door
de roode kleur der onderdeelen van het Bankiva-hoen verschilt. Beide
onderscheiden zich door hun stem; die van den Dsjungelhaan klinkt,
volgens Tennent, als "George-Joye"; die van den Sonnerathaan is
een hoogst zonderling, gebroken geluid, een onvolkomene, maar
onbeschrijfelijke soort van gekraai. Het Bankiva-hoen heet op Java
wegens het geluid van den haan "Bekéko". Alle vier soorten dragen veel
bij tot het verlevendigen van het woud. "Het is zeer gezellig," zegt
Von Möckern, "des morgens vroeg de talrijke hanen te hooren kraaien, ze
met fieren tred te zien loopen en getuige te zijn van hunne gevechten;
de hennen en de kuikens zwerven intusschen te midden van de boomen
en struiken rond." Ook Tennent roemt het in den nacht aanvangende en
lang voortgezette gekraai van den Dsjungelhaan als een der voornaamste
aantrekkelijkheden van den morgen in de met bosch bedekte bergen van
Ceylon. De wilde hanen doen in strijdlust niet onder voor de tamme;
de inboorlingen temmen ze voor de bij hen zoo geliefde hanengevechten;
daar zij ervaren hebben, dat, moge al de tamme haan soms sterker zijn
dan de wilde, hij dezen nooit evenaart in moed en behendigheid.
Zoomin bij de wilde als bij de tamme Hoenderen bemoeit de haan zich
met de opvoeding der jongen; bij beide verzorgt de hen hare kinderen
met gelijke teederheid. Kruisingen van de wilde Hoenderen onderling
en van deze met tamme Hoenderen komen niet zelden voor.
Alle wilde Hoenderen kunnen getemd worden; zij geraken echter niet
zoo spoedig aan de gevangenschap gewoon, als men misschien geneigd
is te veronderstellen. "Oud gevangen exemplaren," zegt Bernstein,
"worden nooit tam; wanneer men hunne eieren door Huishennen laat
uitbroeden, zullen toch de jongen, zoodra zij volwassen zijn, bij de
eerste de beste gelegenheid hun vrijheid trachten te herwinnen. Of
zij zich in de gevangenschap voortplanten, of met Huishoenderen paren,
kan ik op grond van eigen ervaring niet mededeelen; van verschillende
zijden heb ik echter vernomen, dat wilde Hoenderen, die van jongs
af in gevangenschap leefden, herhaaldelijk eieren legden." In onze
dierentuinen hebben alle soorten zich voortgeplant; men kan er echter
nooit vast op rekenen. Het is ons daarom nog steeds een raadsel,
hoe de mensch er in geslaagd is, de vrijheidlievende wilde Hoenderen
zoo volledig aan zich te onderwerpen. Geen geschiedverhaal, geen sage
maakt van de eerste temming dezer dieren gewag. Reeds in de oudste
geschriften wordt het Huishoen voorgesteld als een algemeen bekende
Vogel. Van Indië uit heeft het zich over alle landen van het oostelijk
halfrond verbreid. Bij de eerste ontdekking van de eilanden van den
Grooten Oceaan vond men er Huishoenderen; in historischen tijd zijn zij
alleen in Amerika ingevoerd. Bijzonder merkwaardig komt het mij voor,
dat zij nergens verwilderd zijn. Men heeft getracht ze in hiervoor
geschikte gewesten in vrijheid te laten leven, bosschen met hen te
bevolken om hierdoor een nieuwe wildsoort te verkrijgen; steeds zijn
deze pogingen mislukt. In de dorpen van de Noordoost-Afrikaansche
steppen en zelfs rondom hutten, die midden in 't woud gelegen zijn,
leeft het Huishoen in menigte bijna zonder de zorg van den mensch;
het moet zich zijn voedsel zelf zoeken; het broedt onder den een of
anderen struik, die het hiervoor geschikt acht, dikwijls op eenigen
afstand van de hut van zijn meester; het slaapt 's nachts in het woud
op een boom. Met bewonderenswaardige buigzaamheid schikt het zich in
de meest verschillende omstandigheden, verdraagt een klimaat, waarin
het van nature niet thuis behoort, zonder van aard te veranderen;
slechts in zeer hooge bergstreken of in het uiterste noorden schijnt
zijn vruchtbaarheid af te nemen. Overal echter, waar de mensch een
vaste woonplaats heeft, kan het leven; het is een volslagen huisdier
geworden.
Van het Huishoen komen tal van rassen en slagen voor, die door
den vorm en de houding van het lichaam, door de grootte, door de
ontwikkeling van den kam en de lellen, door de bevedering van
den kop en van den loop, de kleur van het vederenkleed en van
de onbevederde lichaamsdeelen enz. van elkander verschillen. Men
treft sommige zeer merkwaardige afwijkingen bij hen aan. Een van de
verwonderlijkste, hoewel niet een van de meest in 't oog vallende
eigenaardigheden is de aanwezigheid van vijf teenen aan iederen poot
bij verschillende rassen, o.a. bij de Dorkings, de Houdans, de Turken
en de Japansche Zijdehoenderen. De overtallige teen is drieledig,
aan hetzelfde middelvoetsbeen gehecht als de normale (tweeledige)
achterteen, maar een weinig hooger en meer naar 't midden van den
loop ingeplant.--Bij een aantal andere rassen, die men onder den
naam van Kuifhoenderen samenvat, en waarvan wij het Padua-ras als
voorbeeld kiezen, is het voorhoofdsbeen sterk gezwollen en vormen
de verlengde, overhangende veeren van de kruin een helm, die den
geheelen kop bedekt. De kam is bij de Padua-hoenderen, zeer klein; de
plaats van de keel- en oorlellen wordt ingenomen door "kinbaarden" en
"bakkebaarden". De Houdans hebben een halve, de Turken een volslagen
kuif.--De Zijdehoenderen zijn klein van stuk, hebben haarvormige,
zijdeachtige veeren en weinig ontwikkelde arm- en staartpennen; de
uitwendige huid, het beenvlies en de naakte plekken aan den kop zijn
meestal donker violet, zelfs het vleesch heeft een donkere kleur. Bij
het Japansche Zijdehoen gaan deze eigenaardigheden gepaard met zuiver
witte veeren en met het bezit van een vijfden teen.--De Bantammers,
die hun naam ontleenen aan het Javaansche landschap, van waar zij
het eerst naar Europa werden gebracht, maar die uit Japan afkomstig
zijn, onderscheiden zich o.a. door hun zeer geringe grootte; toch
zijn zij zeer krijgshaftig en toonen dit bij hanengevechten.--Zeer
zwaar, hoog op de pooten en dik van schenkel zijn de Cochinchina-
en Brahmapoetra-hoenderen; beide hebben een bevederden loop; bij
gene komt een enkelvoudige, bij deze een drievoudige kam voor. De
Brahmapoetras bereiken een hoogte van 65 à 70 cM. (zelden meer);
het gewicht van den haan bedraagt 5 à 7.5, dat van de hen 4 à 6.5 KG.
Een overgang van de Kamhoenderen tot de Edelfazanten vormen de
Fazanthoenderen (Euplocomus). Zij kenmerken zich door een slanken
lichaamsbouw, een tamelijk zwakken snavel, een middelmatig hoogen,
gespoorden loop, korte, afgeronde vleugels, een middelmatig langen,
uit 16 pennen samengestelden, dakvormigen staart, naakte, met wratten
bedekte wangen en een bevallig vederenkleed.
De Zilverfazant of Zilverlakensche Fazant (Euplocomus nycthemerus)
onderscheidt zich van andere Fazanthoenderen door een lange,
uit losbaardige veeren bestaande, hangende pluim op den kop en
een wigvormig verlengden, bij wijze van een dak dubbelgevouwen
staart, welks middelste veeren niet zijwaarts naar buiten gebogen en
slechts in geringe mate naar onderen gekromd zijn. De lange en dikke
vederbos aan den achterkop is glanzig zwart, de nek en het voorste
deel van den bovenhals zijn wit; de geheele overige bovenzijde is
wit met smalle, zwarte zigzaglijnen, die van de eene zijde naar de
andere zich uitstrekken; de zwarte onderzijde heeft een metaalachtig
blauwen weerschijn; de slagpennen zijn wit met smallen, zwarten zoom
en met onderling evenwijdige, breede, zwarte dwarsstrepen geteekend;
de staartvederen hebben op witten grond een soortgelijke versiering,
die des te duidelijker is, naarmate de pennen verder buitenwaarts
gelegen zijn; de onbevederde wangen zijn fraai karmijnrood. Het
oog is lichtbruin, de snavel blauwachtig wit, de voet lakrood
of koraalrood. Totale lengte 110, staartlengte 67 cM. De hen is
aanmerkelijk kleiner; de roestbruine grondkleur van haar vederenkleed
is zeer fijn grijs gesprenkeld; de kin en de wang zijn witachtig
grijs, de benedenborst en de buik witachtig, met roestbruine vlekken
en zwarte dwarsstrepen.
Men weet niet zeker, wanneer de eerste levende Zilverfazanten naar
Europa zijn gebracht; vermoedelijk is dit niet vóór de 17e eeuw
geschied. Hun vaderland is Zuid-China, waar zij thans echter slechts
in weinige gewesten nog in 't wild voorkomen; tam vindt men ze in
geheel China en Japan zeer veelvuldig. In Europa gedijen zij bij
eenvoudige verzorging uitmuntend, in de vrije natuur even goed als
op het erf of in een groote kooi. De pogingen om met deze diersoort
onze wouden te bevolken zijn mislukt, omdat het mannetje wegens zijn
witte kleur meer aan de vervolging der roofdieren is blootgesteld dan
eenige andere Vogel van zijn grootte. Een niet minder groot bezwaar
is gelegen in den Fazant zelf. Hij is de moedigste en strijdhaftigste
van al zijne verwanten. Twee mannetjes, die hetzelfde gebied bewonen,
zijn voortdurend met elkander in strijd. Ook andere dieren hebben
veel te lijden van de heerschzucht van den Zilverfazant; hij vecht
op leven en dood met den huishaan en verdrijft, als hij in het woud
vrij kan rondzwerven, alle andere wilde Hoenderen, in de eerste plaats
natuurlijk den Gewonen Boschfazant. Daar deze meer nut oplevert dan
zijn vijand, wordt hij in het onbetwist bezit van het woud gelaten.
De Zilverfazant beweegt zich minder goed dan zijne verwanten en heeft
ook minder lust in beweging. Men is geneigd hem lui te noemen. Hij
vliegt niet anders dan in geval van nood, legt dan hoogstens een
korten weg af en strijkt dan weer op den bodem neer. Bij 't loopen
ontbreekt hem de behendigheid van den Goudlakenschen Fazant; ook is
zijn snelheid misschien geringer dan die van den Gewonen Fazant;
hij kan deze beweging echter langer volhouden dan zijne beide
verwanten. De stem verschilt al naar het jaargetijde. In de lente,
gedurende den paartijd, hoort men meestal een lang gerekt, klankvol
gefluit, in de andere jaargetijden meestal slechts een dof, als
"radara doekdoekdoek" klinkend gekakel, waaraan, zoodra de Vogel in
opgewonden toestand geraakt, het fluiten toegevoegd wordt.
De hen legt 10 à 18 eieren, die effen roodgeel van kleur of op
geelachtig witten grond met kleine, bruinachtige stippels geteekend
zijn. De moeder broedt met groote toewijding; na verloop van 25 dagen
komen de jongen te voorschijn: allerliefste diertjes, welker donzig
kleed een zeer bevallige teekening vertoont. Vrij spoedig ontwikkelen
zij zich zoo ver, dat zij vliegen of althans fladderen kunnen; eerst
in het tweede levensjaar verkrijgen zij echter het kleed en de groote
hunner ouders. In hun vroegste jeugd geven ook zij aan Insecten als
voedsel de voorkeur; later eten zij hoofdzakelijk zeer verschillende
soorten van groen voer; ten slotte gebruiken zij hardere spijzen,
vooral zaden van graanvruchten. Kool, salade en ooft zijn voor hen
lekkernijen.
Het vleesch van dit dier is even smakelijk als dat van iederen anderen
Fazant; den fijnsten wildsmaak verkrijgt het echter alleen dan, als
men den Vogel meer vrijheid laat en hem minstens veroorlooft zich op
het erf en in den tuin vrij te bewegen.
De Oorfazanten (Crossoptilon), die ook wel tot de Pauwvogels gerekend
worden, maar zich van deze door het ontbreken der oogvlekken, van
de overige Fazanten door den forscheren lichaamsbouw onderscheiden,
hebben, evenals de Pauwen, de bovendekveeren van den staart zeer sterk
ontwikkeld. De snavel en de pooten zijn krachtig; de loop van den haan
is met een spoor gewapend, de sterk afgeronde vleugels zijn middelmatig
lang, evenals de staart, welks trapvormig van 't midden naar de
zijden in lengte afnemende pennen een daksgewijzen stand hebben; de
vier middelste stuurpennen zijn benedenwaarts gekromd en met lange,
losse baarden voorzien; de huid om de oogen is tot op de teugels en
de wangen naakt; het bosje naar boven gerichte veeren aan weerszijden
van den kop herinnert eenigermate aan de oorpluimpjes van de Uilen.
De vroegst bekende van de vier soorten van dit geslacht, de Oorfazant
of Oorpauw, de Maky (het "Blauwhoen") der Chineezen (Crossoptilon
auritum), is 110 cM. lang en heeft een 50 cM. langen staart. De kop is
van boven met zwarte, fluweelachtige veeren als met een kap bedekt; de
keel en de "ooren" zijn wit; de naakte plek om de oogen is hoog rood,
het oog bruin, de snavel roodachtig. De kleine veeren zijn blauwachtig
aschkleurig, de slagpennen zwart, de staartpennen aan den wortel wit,
overigens metaalachtig blauw, de middelste fraai iriseerend. Deze
Vogel bewoont de hooge gebergten van Tibet en China.
De gevangen Oorfazanten zijn zachtaardig en gemeenzaam, wennen licht
aan de kooi en aan hun verzorger, verdragen de gevangenschap zeer goed,
planten zich zonder bezwaar voort en vermenigvuldigen zich sterk.
De Echte Fazanten (Phasianus) hebben een dakvormigen, langen,
wigvormigen staart, welks 18 pennen naar de spits smaller worden; de
middelste zijn 6- à 8-maal zoo lang als de buitenste. De kop is, met
uitzondering van een kring om de oogen, geheel bevederd; de snavel is
middelmatig lang, aan de spits gewelfd; in de korte, afgeronde vleugels
zijn de vierde en de vijfde handpen de langste. De loop is middelmatig
lang en krachtig, glad, bij den haan met een niet bijzonder groote
spoor voorzien. Het kleed van het mannetje is zeer fraai, dikwijls
schitterend van kleur. De wijfjes zijn kleiner dan de mannetjes,
hebben een veel korteren staart en eenvoudiger gekleurde veeren.
De Gewone Fazant of Boschfazant (Phasianus colchicus) is zoo bont
van kleur, dat het moeite kost een nauwkeurige beschrijving van zijn
kleed te geven. De veeren van den kop en den bovenhals zijn groen,
met prachtig blauwen metaalglans, die van den onderhals, de borst,
den buik en de flanken roodachtig kastanjebruin met purperkleurigen
weerschijn, alle met glanzig zwarten zoom, die van den mantel vóór
den zoom met witte, halvemaanvormige vlekken versierd, de lange,
losbaardige staartwortelveeren donker koperrood met purperkleurigen
glans, de slagpennen met bruine en roestgele banden, de staartveeren
op olijfgrijzen grond zwart gestreept en met kastanjebruinen zoom. Het
oog is roestgeel, het naakte veld om het oog rood, de snavel licht
bruinachtig geel, de voet roodachtig grijs of loodkleurig. Totale
lengte 80, staartlengte 40 cM. De hen is kleiner, haar geheele
vederenkleed is op dof roodachtig grijsbruinen grond met zwarte en
donker-roestkleurige vlekken en banden geteekend. Vooral op den rug
komt de donkere teekening goed uit.
De Boschfazant, die oorspronkelijk de kustlanden van de Kaspische
zee en West-Azië bewoonde, werd reeds in overoude tijden in
Europa gefokt. Volgens de overlevering vonden de Grieken, die den
Argonautentocht ondernamen, dezen prachtigen Vogel aan de oevers
van de rivier Phasis in het land Colchis en namen hem mede naar hun
vaderland. Van hier heeft hij zich over Zuid-Europa verspreid; door de
Romeinen, die hoogen prijs stelden op dit kostelijk wild, werd het ook
naar Zuid-Frankrijk en Duitschland overgebracht. "De Fazant", schrijft
Schlegel, "werd ook in Nederland vroegtijdig ingevoerd en in met hout
begroeide streken in eenige deelen van ons land verplant. Hij teelt ook
in het wild voort; daar er echter, uit gebrek aan voedsel, vooral bij
hooge sneeuw, dikwijls vele omkomen, moet men, om dit te voorkomen en
het jachtveld steeds genoegzaam met deze wildsoort bevolkt te houden,
tegen den winter zeker getal hennen en hanen opvangen en deze tot in
Maart op zolders of in hokken houden, als wanneer zij wederom uitgezet
kunnen worden. Intusschen verlaten deze halfwilde Fazanten somtijds
vrijwillig de bosschen, waarin zij uitgebroeid en opgegroeid zijn,
gaan zich zelfstandig vestigen, leven het geheele jaar door volkomen
in den wilden staat, telen voort, vermenigvuldigen en vormen koloniën,
die zonder hulp van den mensch bestaan. Er zijn intusschen voorbeelden,
dat dergelijke koloniën, zonder eenige blijkbare oorzaak, plotseling
verhuizen en spoorloos verdwijnen." "Eenige jaren geleden," schreef
Mr. H. Albarda in 1884, "is deze Vogel ingevoerd in Opsterland,
Schoterland en Ooststellingwerf, waar hij thans geheel in het
wild leeft en voortteelt. Vooral in eerstgenoemde gemeente is hij
zeer menigvuldig. Hij heeft zich van daar ook over een deel van
Smallingerland uitgebreid." "In alle provincies van Nederland behalve
Groningen en Drente leeft hij thans" (1897) "in volkomen wilden
staat." Dit is ook het geval in Zuid-Duitschland, vooral echter in
Oostenrijk en Boheme. In Noord-Duitschland bewoont hij onder de hoede
van den mensch zoogenaamde "wilde" of "tamme" fazantenperken. Hij
komt zeer veelvuldig voor in Hongarije en Zuid-Rusland, is zeldzamer
in Italië, zeer zeldzaam in Spanje; ook in Griekenland, waar hij
vroeger algemeen was, gaat hij zijn uitroeiing te gemoet.
Onder de naaste verwanten van den Boschfazant, die met hem het
ondergeslacht der Edelfazanten vormen, verdient vooral vermelding
de Koningsfazant, de Djeuki (het Pijlhoen) der Chineezen (Phasianus
Revesii); hij is de grootste van alle; zijn totale lengte bedraagt
2.1 M., waarvan 1.6 M. op den staart komen. Op de bovendeelen zijn de
veeren goudachtig okergeel met zwarte zoomen, op de onderdeelen wit
met breede, purperachtig bruinroode zoomen en zwarte, pijlvormige
vlekken. Deze soort bewoont de gebergten ten oosten en ten noorden
van Peking en ook die, welke Sjensi van Honan en Hoepe van Sitsjoean
scheiden.
Alle Fazanten vermijden de aaneengeschakelde, hoogstammige wouden,
vooral naaldhoutbosschen; zij bewonen bij voorkeur bosschen of dichte
kreupelhoutboschjes, die door vruchtbare akkers of weiden omgeven
en niet arm aan water zijn. Vruchtdragende graanvelden schijnen
voor hun gedijen wel niet volstrekt onmisbaar, maar toch zeer
gewenscht. Gedurende den geheelen dag houden zij zich op den grond
bezig, sluipen van den eenen struik naar den anderen, kruipen door
doornachtige heesterboschjes, waarin zij voedsel hopen te vinden,
begeven zich ook wel naar de randen van het woud en van hier op de
akkers, waar zij, al naar het jaargetijde, het pasgezaaide koren of
de rijpgeworden vrucht opeten en zoeken eerst met het vallen van den
avond den boom op, die hun als standplaats moet dienen.
In vroegere tijden achtte men het noodig en nuttig, in een bosch,
dat overigens voldeed aan de eischen door den Fazant gesteld, van
tijd tot tijd berookingen te doen plaats hebben; men meende hierdoor
dit wild beter in het bosch te kunnen houden en het zelfs van elders
daarheen te kunnen lokken. Deze handelwijze is in onbruik gekomen.
De begaafdheden van de Edelfazanten zijn gering. Hoewel de Fazant
op statige wijze rondstapt en er slag van heeft zijn schoonheid te
doen uitkomen, kan hij zich toch met den Huishaan niet meten. De
hen heeft steeds een bescheiden houding. Juist van de Edelfazanten
geldt in hooge mate, wat hierboven van de Fazantvogels in 't algemeen
gezegd werd: zij loopen voortreffelijk, maar vliegen slecht. Hunne
zintuigen zijn, naar het schijnt, vrij gelijkmatig ontwikkeld;
hun verstand is ongetwijfeld gering. Alle Edelfazanten zijn even
bekrompen van geest, even onbekwaam ter rechter tijd de beste
maatregelen te kiezen. Onder hunne prijzenswaardige hoedanigheden
bekleedt onbegrensde vrijheidsliefde een eerste plaats. De Fazant
geraakt gewoon aan een bepaald gebied, wanneer zijne wenschen er
bevredigd worden, maar kan toch het rondzwerven niet nalaten. Het
bewustzijn van zijn zwakheid, het gevoel van ongeschiktheid om zich
tegen sterkere dieren te verdedigen, spoort hem aan, zich zooveel
mogelijk te verbergen; daarom onttrekt hij zich ook gaarne aan het
toezicht van zijn verzorger. Het is dus geenszins uit ondankbaarheid
voor alle aan zijn opvoeding en verzorging besteede moeite, gelijk
Winckell meent, die hem op zulk een wijze doet handelen, maar puur
en alleen tegenzin in het blijven op een bepaalde plaats, koppigheid
en bekrompenheid. De Fazant wordt nooit werkelijk tam, omdat hij zijn
verzorger niet van andere personen leert onderscheiden en in iederen
mensch een vijand ziet, dien hij te vreezen heeft. Hij houdt zich
niet aan een bepaalde standplaats, wijl hij de bekwaamheid mist om
in zijn gebied de plek te vinden, die hem het best schikt. Hij ducht
aanhoudend gevaren, omdat zijn verstand niet groot genoeg is om hem
te redden, wanneer een werkelijk onheil hem bedreigt.
"Moeielijk zal men wild kunnen vinden," zegt Dietrich aus dem Winckell
zeer te recht, "dat zoo licht van streek te brengen is en daardoor
ongeschikt wordt om een besluit te nemen. Als de komst van een
mensch of van een Hond den Fazant verrast, schijnt hij te vergeten,
dat de natuur hem vleugels heeft gegeven: hij blijft bedaard zitten
op de plek, waar hij zich bevindt, drukt zich plat op den grond
en verbergt den kop, of loopt zonder doel heen en weer. Niets is
voor zijn leven gevaarlijker dan het stijgen van het water in een
stroom, die in de nabijheid van zijn standplaats vloeit. Als hij
aan den waterkant staat, blijft hij onbeweeglijk op hetzelfde punt,
kijkt, zonder den blik er af te wenden in het water, totdat zijne
veeren doornat zijn; hierdoor vermeerdert zijn gewicht zoozeer dat
hij niet meer opvliegen kan. Hij is dan in den echten zin van 't
woord een slachtoffer van zijn domheid." Winckell zag een Fazant,
die in dezen toestand verkeerde, niet slechts de middelen om zich
te redden verzuimen, maar zelfs al verder en verder in den stroom
op waden. Toen zijn pooten den grond niet meer konden bereiken en
hij reeds begon af te drijven, wachtte hij in stille berusting zijn
noodlot af. Met als een haak dienenden, afgesneden boomtak trok men
hem op 't droge, zoodat hij voor ditmaal aan 't gevaar ontkwam. "De
Fazant," zegt Naumann, "is boven alle beschrijving angstvallig. Een
voorbijloopende Muis maakt hem hevig verschrikt; zelfs door een naar
haar nest kruipende Slak wordt de hen genoopt oogenblikkelijk haar
woning te verlaten; bij 't naken van een werkelijk gevaar blijft zij
als dood er op liggen." Deze bekrompenheid van geest doet merkbaar
afbreuk aan de vermenigvuldiging en verspreiding van dit wild. Jegens
zijne soortgenooten is de Fazant volstrekt niet verdraagzaam. Als twee
hanen elkander ontmoeten, vechten zij verwoed, tot hunne veeren in
't rond vliegen en hun bloed stroomt; de eene zal zelfs den anderen om
't leven brengen, indien hij hiertoe kans ziet.
In den paartijd, die in 't laatst van Maart begint, ondergaat
het gedrag van onzen Vogel een belangrijke verandering. In gewone
omstandigheden laat hij zelden zijn stem hooren, alleen bij 't "boomen"
(bij 't gaan zitten in een boom) roept hij, luid kakelend als een Hoen,
"koekoekoek koekoekoek" door het woud; in den paartijd echter kraait
hij, maar op een afschuwelijke wijze. Wel herinnert zijn geschreeuw aan
het welluidende "kiekeriekie" van onzen Huishaan; het is echter kort
afgebroken en heesch, als 't ware onvolledig; het behaagt ons niet,
daar wij het onwillekeurig met het gewone hanengekraai vergelijken.