moeilijker te jagen zijn dan de Patrijzen, houden de Amerikanen zich
gaarne met deze jacht bezig. De Boomkwartel wacht den Hond niet af,
maar tracht, wanneer hij gevaar bespeurt, zich loopend te redden en
vliegt eerst in den uitersten nood, gewoonlijk voor de voeten van den
jager op. Nog moeielijker wordt de jacht, als de Vogels zoo gelukkig
zijn het woud te bereiken, omdat zij hier na het opvliegen gewoonlijk
in een boom gaan zitten en zich op een dikken tak plat neerdrukken,
waar zij zelfs voor het oog van den geoefenden jager verborgen
zijn. Daar zij echter gehoor geven aan den loktoon, kan ieder, die
het geluid van het mannetje of het wijfje weet na te bootsen, een
flinken buit behalen. In Amerika maakt men om Boomkwartels te vangen
veel liever gebruik van strikken en netten dan van vuurwapens. Men
gaat in gezelschap te paard door de velden, lokt van tijd tot tijd,
om de plaats waar de Vogels zich ophouden, te leeren kennen, plaatst
het net en rijdt nu, een halvemaan vormend, op den zwerm toe. De
Kwartels loopen, zoo goed mogelijk gedekt, over den bodem weg en
komen, als zij goed gedreven worden, geregeld in het net. Op deze
wijze vangt men soms 16 à 20 stuks te gelijk.
De Pluimkwartels (Callipepla of Lophortyx) zijn kenbaar aan den
tooi van den kop. Op het midden van de kruin verheffen zich 2 à 10,
in den regel echter 4 à 6 veeren, die aan den wortel zeer versmald,
aan de spits verbreed en sikkelvormig naar voren omgebogen zijn. Deze
pluim is bij het mannetje sterker ontwikkeld dan bij het wijfje.
De meest bekende soort is de Kuifkwartel (Callipepla californica). Zijn
voorhoofd is stroogeel, elke veer met een donkerder schaft; deze
plek is van achteren begrensd door een voorhoofdstreep, die zich
achterwaarts verlengt tot een wenkbrauwstreep; de bovenkop is donker-,
de achterkop omberbruin; de langere, blauwgrijze veeren van den nek
zijn zwart op de schaft en aan den rand en hebben twee witachtige
vlekken aan den top; de zwarte keel is door een witten band omgeven;
de bovenborst is blauwgrijs, de onderborst geel, iedere veer met
lichtere spits en zwarten zoom; door de eveneens zwarte zoomen van de
bruinroode veeren op het midden van den buik ontstaan schelpvormige
figuren; de veeren van de flanken zijn bruin met breede, witte,
de onderdekveeren van den staart lichtgeel met donkere schaften;
de slagpennen zijn bruingrijs, de armpennen met geelachtigen zoom,
de stuurpennen zuiver grijs. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart,
de voet loodkleurig grijs. Totale lengte 24, staartlengte 9 cM.
Het vederenkleed van den verwanten Helmkwartel (Callipepla Gambeli)
vertoont een soortgelijke kleurenverdeeling; het zwarte aangezichtsveld
is hier echter grooter, de achterkop levendig roodbruin, de onderzijde
geel zonder schelpvormige teekening, de buik zwart en de veeren van
de flanken op prachtig roodbruinen grond met lichtgele, overlangsche
strepen geteekend; alle kleuren zijn bij deze soort schitterender.
Alle mij bekende berichten over de levenswijze van den Kuifkwartel zijn
onvolledig. Gambel, wiens beschrijving de voorkeur verdient, zegt:
"Deze prachtige Vogels, die in geheel Californië zoo buitengemeen
veelvuldig zijn, vereenigen zich in den winter tot talrijke zwermen,
die in wouden, welke geschikt zijn om aan zoovele een schuilplaats
te bieden, soms uit meer dan duizend stuks bestaan. Even veelvuldig
als in het woud vindt men ze in de met kreupelhout begroeide vlakten
en hellingen van het heuvelachtige land. Niet minder waakzaam, maar
snelvoetiger dan de Boomkwartels, verijdelen zij de pogingen van
hunne vervolgers door verwonderlijk vlug weg te loopen en zich te
verbergen. Als een Kuifkwartel plotseling opgejaagd wordt, vliegt
hij gewoonlijk in een boom en drukt zich op horizontale takken
als een Eekhoorn neder; het vinden van den Vogel wordt dan zeer
moeielijk, omdat de kleur van zijn vederenkleed met die van boomschors
overeenkomt. Het nest wordt op den bodem aangelegd, gewoonlijk aan
den voet van een boom of onder de twijgen van een struik; het aantal
eieren is soms zeer groot. In een ondiepe uitholling, die aan den
voet van een eik uitgekrabd, aan den omtrek met eenige weinige bladen
en droog gras belegd, in het midden echter onbekleed was, vond ik 24
eieren. Het zou kunnen zijn, dat hier twee hennen in hetzelfde nest
hebben gelegd, daar 15 eieren het gewone getal schijnt te zijn."
Freyberg, die den Kuifkwartel eveneens in zijn vaderland heeft
nagegaan, zegt, dat hij een standvogel is, althans niet ver van zijn
broedplaats rondzwerft, van gras, zaden, bollen, look, knolgewassen
en dergelijke planten, van allerlei bessen en van Insecten leeft. Tot
woonplaats kiest hij bij voorkeur jonge hakhoutbosschen of in 't
algemeen dicht struikgewas, vanwaar hij zich zelden verder dan 40
à 50 schreden verwijdert en zich dus bijna niet buiten de schaduw
van het woud in het open veld begeeft. Bij vervolging door den Hond
blijft hij tamelijk lang loopen, gaat bij het opvliegen steeds in
den eersten den besten ouden boom zitten en gedraagt zich hier als
een Hazelhoen; in den winter graaft hij echter lange gangen in de
sneeuw. In Californië schiet men hem met een kleine buks uit den boom
of jaagt hem met behulp van een Hond; want dit wild is kostbaar en
moet gelijk gesteld worden met het Hazelhoen.
"Ieder die de gewoonten van den Helmkwartel wil leeren kennen,"
zegt Coues, die een uitmuntende levensbeschrijving van de soort
heeft gegeven, "moet zich alle geriefelijkheden van de beschaving
ontzeggen en van de westkust uit omstreeks duizend mijlen ver in
het binnenland doordringen. Hij komt dan in een wilde streek, waar
de Apache-Indiaan nog altijd heer en meester is en de blanke zich
slechts door een iederen dag herhaalden strijd kan handhaven. Het
land is verscheurd door gapende afgronden. Diep ingesneden dalen en
ravijnen, waarnevens reusachtige bergen zich verheffen; lava-massas,
uitgeworpen door sinds lang uitgedoofde en onkenbaar geworden vulkanen,
bedekken het. Men treft hier rivieren aan, op welker droge bedding de
reiziger van dorst kan versmachten; uitgestrekte vlakten, begroeid
met droge, scherpe grassen en lage struiken, dragen de duidelijke
kenteekenen van langdurig gebrek aan water. Deze gewesten zijn echter
vol tegenstellingen en wonderen. De minst gastvrije bergen omsluiten
liefelijke, vochtige, groene en vruchtbare dalen; uitgestrekte bosschen
van edele sparren en dennen en ceders wisselen af met dorre, eenzame
lavavelden; de heuvelhellingen zijn met eiken, mezquite-struiken
(Prosopis dulcis) en manzanitas bedekt, terwijl de toegangen tot de
oevers der door populieren (Populus monilifera en angulata), wilgen
en noteboomen omlijste stroomen, door bijna ondoordringbare wallen van
wijnstokken, pereskia-cactussen (met eetbare bessen en platte bladen),
sassaparilstruiken, rozen en allerlei andere soorten van klimmende en
rankende struiken versperd worden. De dieren- en de plantenwereld,
ja zelfs de rotsen hebben een vreemdsoortig, eigenaardig voorkomen;
zelfs de lucht schijnt een andere samenstelling te hebben dan bij
ons. Deze gewesten zijn het vaderland van ons Boomhoen.
"De maand Juni liep ten einde, toen ik op de plaats van bestemming,
in Arizona, aankwam. Spoedig vernam ik, dat de Helmkwartel hier
buitengewoon veelvuldig is. Reeds op mijn eerste jachttocht struikelde
ik, bij wijze van spreken, over een toom jonge kuikens, die zooeven
uit het ei gekomen waren; de kleine, vlugge diertjes renden weg
en verborgen zich zoo uitmuntend, dat ik er geen enkele van vinden
kon. In 't volgende jaar merkte ik op, dat de oude Vogels tegen
het einde van April gepaard hadden en zag ik in het begin van Juni
de eerste kuikens. Ik kwam tot de overtuiging, dat het broeden bij
deze soort gedurende de maanden Mei, Juni, Juli en Augustus plaats
vindt. Het grootste aantal kuikens van één broedsel, dat ik waarnam,
bedroeg 15 à 20, het kleinste 6 à 8. Wel trof ik een enkele maal ook
nog op den 1en October half volwassen kuikens aan; de meeste hadden
toen echter reeds geheel of bijna de grootte van de ouders en waren
zoo goed in staat om zich te bewegen, dat een eerlijke jager zich
niet geschaamd zou hebben, er een schot op te doen.
"Zoolang de jonge Vogels de ouderlijke zorg nog niet kunnen ontberen,
houden zij zich eng aaneengesloten; als hen een gevaar bedreigt, rennen
zij zoo snel weg en "drukken" zich op een zoo goed gekozen plaats,
dat het veel moeite kost om ze te doen opvliegen. Als dit gelukt,
stijgen alle te zamen in een gesloten zwerm omhoog, maar strijken
spoedig weer neder, in den regel op de lage takken van boomen
of struiken, dikwijls echter op den grond. Hier zitten de Vogels
gewoonlijk stil, dikwijls letterlijk opeengehoopt; omdat zij goed
verborgen meenen te zijn, kan men ze tot op een afstand van weinige
schreden naderen. Later in 't jaar, als zij hun definitieve grootte
bereikt hebben, gaan zij minder vaak op boomen zitten; zij zijn dan
voorzichtiger en niet gemakkelijk te naderen. De eerste aanduiding,
dat men zich in de nabijheid van een toom bevindt, krijgt men door
een geluid, dat twee- of driemaal snel achtereenvolgens herhaald
wordt; hierop volgt een geritsel van droge bladen, waaruit blijkt,
dat het geheele gezelschap zich zoo schielijk mogelijk voortspoedt;
als men nog een stap verder gaat, vliegen alle met snorrend gedruisch
op en verspreiden zich in alle richtingen.
"Evenals zijne verwanten, eet de Helmkwartel bij voorkeur zaden en
vruchten, hoewel Insecten een niet gering deel van zijn voedsel
uitmaken. In de eerste lentemaanden eet hij graag wilgeknoppen,
waardoor zijn vleesch een bitteren bijsmaak krijgt.
"De sierlijke kuif op den kop, die zooveel tot de verfraaiing van deze
soort bijdraagt, ontwikkelt zich reeds zeer vroegtijdig; men merkt
haar reeds op bij kuikens, die slechts weinige dagen oud zijn. Bij
hen bestaat zij trouwens slechts uit een klein, kort bosje van 3 of
4 veeren, die eerder bruin dan zwart, aan de spits niet verbreed en
recht naar boven gericht zijn. Eerst wanneer de Vogel volkomen tot
vliegen in staat is, krommen zij zich naar voren. Het aantal veeren,
waaruit de kuif bestaat, wisselt aanmerkelijk af. Soms vindt men
slechts één enkele veer, in andere gevallen 8 à 10 veeren.
"De jacht op den Helmkwartel is moeielijker dan die op den
Boomkwartel. Wel is waar vliegt de eerstgenoemde niet plotseling op
en beweegt zich ook niet sneller dan zijn verwant: wanneer echter
een kluft opgejaagd is en één of twee van hare leden geschoten
zijn, zal men bezwaarlijk voor de derde maal met goeden uitslag
kunnen vuren. Zij liggen, behalve in bepaalde gevallen, zeer los;
als zij opgevlogen zijn en weder "strijken", zoeken zij dikwijls
een schuilplaats op den grond en laten zich niet weer opjagen, of
loopen zoo snel en zoo ver mogelijk, zoodat men ze òf niet, òf eerst
op een tamelijk grooten afstand van hun uitgangspunt terugvindt. Hun
gewoonte om loopend het gevaar te ontvluchten, vermoeit niet slechts
den jager, maar ook den Hond in zoo hooge mate, dat zelfs het best
gedresseerde dier weinig of in 't geheel niets uitrichten kan. Wel
is de jager dikwijls in de gelegenheid een loopend Hoen te dooden,
maar wie zou op zoo'n roemlooze wijze met zulk edel wild den weitasch
willen vullen! Het vliegt buitengewoon snel en krachtig, doch steeds
op gelijke hoogte en rechtuit, zoodat het voor een geoefend schutter
niet zeer moeielijk is, het te treffen."
In 1852 werden 6 paar Kuifkwartels in Frankrijk ingevoerd. Reeds
in het volgende jaar brachten zij jongen groot. Men heeft later
herhaaldelijk getracht dezen fraaien Vogel ook in Frankrijk te
acclimatiseeren, maar tot dusver nog geen blijvende uitkomsten
verkregen. Ook in Duitschland zijn zulke proeven genomen met hetzelfde
gevolg. Over 't algemeen zal men, om op succes te mogen hopen, de
proef moeten nemen in zulke gewesten, waar Fazanten zonder de hulp
van den mensch gedijen. Het meest geschikt hiervoor zijn wouden,
die de grootst mogelijke verscheidenheid van boomsoorten bevatten en
een dicht begroeiden bodem hebben, zoodat het geheel een moeielijk
doordringbare wildernis van doornstruiken, wilgen, hooge grassen en
klimplanten vormt. Kuifkwartels, die in een park zijn grootgebracht
en op ongeschikte terreinen worden losgelaten, ontsnappen hieruit,
zoodra zij kunnen.
In de vierde onderfamilie vereenigen wij de Fazanten (Phasianinae). Ook
bij hen is de romp gedrongen, maar toch gestrekter gebouwd dan bij
de Boschhoenderen; de snavel is middelmatig lang en sterk gewelfd,
de bovensnavel over den ondersnavel benedenwaarts gebogen, soms aan
de spits verlengd en nagelvormig verbreed; de middelmatig lange loop
is bij den haan altijd gespoord; de teenen zijn lang, de vleugels
middelmatig lang of kort, sterk afgerond; de staart is gewoonlijk lang
en breed en uit 12 à 18 pennen samengesteld, de kop gedeeltelijk naakt,
dikwijls met kammen en lellen, soms bovendien met hoornen en ook wel
met vederbossen versierd; het vederenkleed is prachtig van kleur en
glanzig, maar bij mannetjes, wijfjes en jongen verschillend.
Gewoonlijk rekent men tot deze onderfamilie, ongeveer 75 soorten,
waarvan er elf in Afrika, slechts drie (de Kalkoenen) in Amerika,
alle overige in Zuid- en Middel-Azië thuis behooren. Alle soorten
bewonen boschrijke of althans met struikgewas begroeide gewesten
waar zij goed gedekt zijn: sommige hooge bergstreken, andere het
laagland. Zij zijn standvogels; bij de keuze van een woonplaats gaan
zij zeer zorgvuldig te werk en verlaten deze daarna niet meer. Alle
hebben min of meer de neiging om na den broedtijd rond te zwerven
en dan terreinen te bezoeken, waar men ze in andere tijden van 't
jaar niet vindt. Tot echte reizen zijn zij wegens de gebrekkigheid
van hunne bewegingsorganen niet in staat. Zij zijn goed ter been en
kunnen, als zij willen, in het hardloopen bijna met ieder ander Hoen
wedijveren; zij vliegen echter slecht en doen dit daarom slechts in
den uitersten nood. In lichaamsoefeningen schijnen zij geen behagen te
scheppen; zelfs gedurende den paartijd gedragen zij zich rustiger dan
de andere Hoenderen. Gewoonlijk stappen zij op hun gemak en zonder
zich te haasten rond, met ingetrokken of gebogen hals, den fraaien
staart, hun voornaamsten tooi, zoo ver opgeheven, dat de middelste
veeren niet over den grond sleepen; om sneller te loopen buigen zij
den kop tot dicht bij den grond en lichten den staart iets hooger op;
in geval van nood maken zij ook van hunne vleugels gebruik. Hun wijze
van vliegen vereischt krachtige vleugelslagen en gaat daarom vooral
bij het opvliegen met een klapperend gedruisch gepaard; wanneer echter
de Fazant eens een zekere hoogte bereikt heeft, fladdert hij weinig,
maar schiet met uitgespreide vleugels en staart volgens een hellend
vlak in benedenwaartsche richting snel vooruit. In de kroon van hooge
boomen is hij gewoon rechtop te staan of met sterk gebogen pooten zich
geheel op den tak neer te vleien en den langen staart bijna loodrecht
naar beneden te laten hangen. Zijne zintuigen zijn goed ontwikkeld,
de geestvermogens over 't algemeen gering. Onder elkander leven de
Fazanten in vrede, zoolang de liefde niet in 't spel komt; in den
paartijd ziet men echter, evenals bij de overige Hoendervogels, de
mannelijke leden van het gezelschap in opgewonden toestand verkeeren
en soms zeer ernstige gevechten leveren.
Tot aan den paartijd verbergen de Fazanten zich zooveel mogelijk. Als
zij niet gestoord worden, gaan zij eerst kort vóór hun slaaptijd in den
boom zitten en houden gedurende het overige deel van den dag verblijf
op den grond, waar zij, tusschen struiken en gras hun voedsel zoeken,
open plekken bijna angstvallig vermijden en van de eene schuilplaats
naar de andere sluipen. Iedere haan heeft de leiding over een aantal
hennen; men ontmoet echter ook zeer gemengde kluften, d. w. z. zulke,
die uit verscheidene hanen en vele hennen bestaan. Groote gezelschappen
zijn het niet; wanneer dit een enkele maal voorkomt, blijven zij in
den regel niet lang bijeen. Buiten den broedtijd neemt het zoeken van
voedsel hun tijd bijna geheel in beslag. Zij eten van 's morgens tot
's avonds; hoogstens rusten zij in de middaguren, zooveel mogelijk
in een stoffige kuil, half begraven onder het reinigende stof, van
de vermoeienissen van den arbeid uit. Vooral in den vroegen morgen en
tegen den avond zijn zij ijverig in de weer en tot rondzwerven geneigd;
met zonsondergang begeven zij zich ter rust. Hun voedsel bestaat uit
de meest verschillende soorten van plantaardige stoffen, zaden en
vruchten, knoppen zoowel als ontplooide bladen; bovendien eten zij
Insecten in allerlei ontwikkelingstoestanden, Slakken, Weekdieren,
ook wel kleine Gewervelde Dieren; vooral maken zij jacht op jonge
Kikvorschen, Hagedissen en Slangen.
De meeste, hoewel geenszins alle Fazanten leven in polygamie. Iedere
haan verzamelt, wanneer zijne mededingers dit toelaten, vijf à
zeven hennen om zich heen. Hoewel hij niet minder jaloersch is dan
de andere mannetjes zijner orde en zijne mededingers zeer moedig en
dapper bestrijdt, geeft hij zich geen bijzondere moeite om de gunst
van zijn wijfje deelachtig te worden. Ook bij hem komen verschijnselen
voor, die aan het balderen der Ruigpoothoenderen herinneren, ofschoon
hij nooit in den toestand van verliefde razernij vervalt, die deze
kenmerkt. Hij loopt in verschillende houdingen om de hennen heen,
spreidt de vleugels uit, zet de veeren van de kuif, van de oorpluimen
en van den halskraag op, verheft den staart iets meer dan gewoonlijk,
doet de voor uitzetting vatbare huidaanhangsels opzwellen, acht het
zelfs niet beneden zijn waardigheid eenige danspassen te maken en
kraait of fluit, terwijl hij herhaaldelijk de vleugels tegen elkander
slaat. Na de paring bekommert hij zich niet meer om de hennen, die
over 't algemeen meer hem zoeken dan hij haar; maar zwerft naar eigen
goedvinden in het bosch rond, voegt zich hier soms bij andere hanen,
vecht in het eerst nog wel eens met dezen of genen, maar leeft toch,
als het aantal mannetjes toeneemt, met de leden van zijn gezelschap
in vrede. De hen zoekt een stil plekje op, graaft hier een kuiltje,
bedekt dit achteloos met eenige bladen en andere nestmaterialen en
begint te broeden, zoodra zij 6 à 10 of soms ook 12 eieren gelegd
heeft. De kuikens zijn lief geteekend, behendig en vlug, leeren in de
tweede week van hun leven fladderen, gaan in de derde in de boomen
slapen en ruien na verloop van 2 of 3 maanden; tot in den herfst
blijven zij echter nog onder de hoede van hunne ouders.
Het meest bekende geslacht van de onderfamilie der Fazanten is dat
van de Kamhoenderen (Gallus), waaraan wij ons Huishoen te danken
hebben. Zij kenmerken zich vooral door het bezit van een naakten,
vertikalen, meestal getakten kam op de kruin en van twee naar beneden
hangende lellen aan den ondersnavel; de wang is onbevederd. De tamelijk
lange loop is bekleed met drie vertikale reeksen van schilden en
heeft bij den haan een sterke spoor. De middelmatig lange staart
bestaat uit 14 pennen, die naar de zijden weinig in lengte afnemen;
hij wordt dakvormig gebogen en opgewipt gedragen; de staartwortelveeren
of bovendekveeren van den staart zijn bij den haan sterk verlengd en
sikkelvormig gekromd; zij overdekken de stuurpennen en hangen achter
deze of langs de zijden van het achterlijf naar beneden. In de korte
afgeronde vleugels zijn de 4e tot 7e handpennen even lang en langer
dan de overige. Het lichaam is rijk bekleed met prachtige veeren.
Indië en de Maleische landen zijn het vaderland van deze Hoenderen. Men
kent er zes soorten van, die het woud bewonen en een verborgen leven
leiden, hoewel alle door hun stem de aandacht trekken.
De meeste aanspraken op de eer van het stamvaderschap van ons Huishoen,
kan het Gewone Boschhoen of Bankiva-hoen, de Kasintoe der Maleiers,
op Sumatra Ajam-Rimboe geheeten (Callus ferrugeneus), doen gelden. De
kop, de hals en de lange, naar beneden hangende nekveeren hebben bij
den haan een goudgelen weerschijn; de geelbruin gezoomde rugveeren zijn
purperbruin, in het midden glanzig oranjerood; de eveneens verlengde,
naar beneden hangende bovendekveeren van den staart gelijken in kleur
op die van den kraag; de groote dekveeren zwartgroen, de donkerzwarte
borstveeren goudgroen iriseerend; de handpennen zijn donker zwartachtig
grijs met lichteren zoom, de armpennen op de buitenvlag roestkleurig,
op de binnenvlag zwart, de staartpennen eveneens zwart: de middelste
iriseerend, de overige zonder glans. Het oog is oranjerood, de koptooi
rood, de snavel bruinachtig, de voet leikleurig zwart. Totale lengte
65, staartlengte 27 cM. De hen is kleiner, haar staart heeft een meer
horizontalen stand; van den kam en de lellen zijn slechts aanduidingen
voorhanden; de langwerpige halsveeren zijn zwart met witgeelachtigen
zoom, de veeren van den mantel bruinzwart gesprenkeld, die van de
onderdeelen, evenals de slag- en stuurpennen, bruinzwart.
Het verbreidingsgebied van het Bankiva-hoen omvat geheel Indië en de
Maleische landen. Het is veelvuldig in het westen van Vóór-Indië zoowel
als in het noordelijke heuvelenland, algemeen in Assam, Silhet, Birma,
Malakka, op de Soenda-eilanden en de Philippijnen; het komt ook op
Timor en verscheidene eilanden van den Grooten Oceaan voor; zeldzaam
is het in Middel-Indië. De levenswijze van deze en alle overige wilde
Hoenderen is vrij onvolledig bekend; dit ligt waarschijnlijk aan de
bezwaren, die zich tegen het waarnemen van deze Vogels verzetten. Het
door hen bewoonde woud legt den onderzoeker zoowel als den jager
dikwijls onoverkomelijke hinderpalen in den weg. Als men deze wouden
doortrekt, ontmoet men, volgens Jerdon, dikwijls wilde Hoenderen. Zij
houden zich gaarne op in de nabijheid van de wegen, omdat zij hier in
den drek van het Rundvee en van de Paarden een overvloed van voedsel
vinden; de Honden, die met den wagen meeloopen, doen vele Hoenderen
opvliegen en in de boomen neerstrijken; ook ziet men deze Vogels in
de buurt van de wouden op de akkers, waar zij dikwijls voedsel gaan
zoeken, voorts gedurende de jachten, die op hen gehouden worden. De
beide op Java levende soorten van wilde Hoenderen zijn, volgens
Bernstein, zeer schuw; het is daarom moeielijk ze in de vrije natuur
te bespieden. Dit geldt vooral voor het Groene Boschhoen, den Gangegar
of Ajamalas, gewoonlijk Vorkstaarthoen (Gallus furcatus) genoemd,
omdat de staart, wegens de zijwaartsche richting der middelste veeren,
er gevorkt uitziet; het onderscheidt zich door het bezit van slechts
één zeer groote, met fraaie roode, gele en blauwe tinten prijkende
lel aan de keel. Deze Hoenderen houden zich bij voorkeur op in de met
doornstruiken en andere planten dicht bedekte vlakten, waar zij zich
bijna altijd aan de blikken van den onderzoeker onttrekken; bovendien
verbergen zij zich dadelijk bij het geringste verdachte gedruisch,
of loopen, zonder op te vliegen, tusschen de alang-alang-halmen
weg. Zij zouden dus niet opgemerkt worden, indien niet de haan van
tijd tot tijd zijn stem liet hooren; deze klinkt heesch als "kukru-u
koekru." Te zien krijgt men hem echter slechts zelden, hoe vaak men
hem ook hoort. Het best gelukt dit nog in den vroegen morgen, omdat de
Hoenderen, zich veilig achtend, dan de wildernis verlaten om op open
plaatsen hun voedsel te zoeken, dat uit allerlei zaden en knoppen,
maar vooral uit Insecten bestaat. Zeer gaarne eten zij Termieten;
zij zoeken daarom de woningen dezer diertjes dikwijls op.