Deze soort--het Koningshoen, de Intaure van de bewoners van Georgië

(Megaloperdix caucasica)--is de kleinste van haar geslacht en toch

nog 58 cM. lang, waarvan 17 op den staart komen. De kleur van de

bovendeelen wisselt af tusschen aschgrauw en zwartgrauw met een

breeden, bruinachtig grijzen kraag in den nek; de vleugeldekveeren

hebben lichtgele randen; de slagpennen zijn witachtig; een breede,

witte streep loopt van de oorstreek langs den hals naar beneden;

de keel is wit; de onderdeelen zijn zwart met witte en roestgele

teekening; de iris is roodbruin, de snavel geel, de voet bruin. Men

treft deze schuwe Vogels in kleine gezelschappen van 10 à 12 stuks

aan, waarvan er één op een hooggelegen punt de wacht houdt. Het is

uiterst moeielijk zoo dicht bij hen te komen, dat men ze kan schieten.

Onze Kwartel, ook wel Wachtel of Kwakkel genaamd (Coturnix communis),

vertegenwoordigt een scherp begrensd geslacht, dat ongeveer 20 soorten

bevat, die over alle rijken van de Oude Wereld en over Australië

verbreid zijn. De kenmerken van dit geslacht zijn gelegen in den

kleinen, zwakken, aan den wortel betrekkelijk hoogen, van hier tot

aan de spits zacht gebogen, aan de mondhoeken verbreeden snavel,

de korte, ongespoorde, langteenige voeten, de betrekkelijke lange

en spitse, weinig gewelfde vleugels, welker spits gewoonlijk door de

eerste of een der eerste handpennen wordt gevormd, den buitengewoon

korten, gewelfden, uit twaalf pennen samengestelden staart. Het kleed

biedt bij mannetjes, wijfjes en jongen slechts weinig verschil aan,

de kleine veeren zijn smal, de zeer ontwikkelde staart-wortelveeren

bedekken den staart geheel.

Onze Kwartel is aan de bovenzijde bruin met roestgele dwarse

en overlangsche strepen, op den kop donkerder dan op den rug;

de keel is roestbruin, de krop roestgeel, het midden van den buik

geelachtig wit; de zijden van borst en buik zijn roestrood, met

lichtgele overlangsche strepen; een lichtgeelbruine streep, die aan

den wortel van den bovensnavel begint, loopt boven het oog langs,

bij den hals naar beneden en omsluit de keel; hier echter is zij

begrensd door twee smalle, donkerbruine banden; de handpennen hebben

op zwartachtig bruinen grond roodachtig roestgele dwarsvlekken, die

samen banden vormen; de eerste handpen is op de buitenvlag versierd

met een smallen, geelachtigen zoom; de roestgele stuurpennen hebben

witte schaften en zwarte tot dwarsbanden vereenigde vlekken. Bij het

wijfje zijn alle kleuren lichter en minder in 't oog vallend, ook

is het keelveld minder duidelijk. Het oog is licht bruinroodachtig,

de snavel grijs, de voet roodachtig of lichtgeel. Totale lengte 20,

staartlengte 4 cM.

In slechts weinige landen van de Oude Wereld is onze Kwartel nog niet

gevonden. In Europa komt hij van 60° N. B. af overal, hoewel eerst

bezuiden den 50en graad N. B. geregeld voor. In Middel-Azië bewoont

hij een eenigszins verder zuidwaarts gelegen gordel; hij is hier op

geschikte plaatsen, vooral in de steppe, niet minder veelvuldig dan

in Europa; daar hij zoowel uit Europa, als uit Middel-Azië ieder jaar

zuidwaarts trekt, doorkruist hij ook geheel Afrika en geheel Zuid-Azië.

Zijne reizen zijn om allerlei redenen zeer merkwaardig. Hoewel zij

ieder jaar plaats hebben, verschillen zij niet onbelangrijk van den

trek van andere Vogels. Enkele Kwartels schijnen bijna gedurende het

geheele jaar op reis te zijn, en ook zij, die zich, met het oog op de

voortplanting, des zomers ergens voor eenigen tijd vestigen, verlaten

het door hen gekozen gebied bij lange na niet te gelijker tijd. Enkele

verschijnen reeds tegen het einde van Augustus in Egypte; in grooteren

getale komen zij er in September aan: in deze zelfde maand echter

vindt men, volstrekt niet zeldzaam, bij ons nog broedende wijfjes of

jongen in hun donskleed. Hoewel de trek hoofdzakelijk in September

plaats heeft, houdt hij de geheele maand October aan en dikwijls

zelfs gedurende een deel van November. Vele Kwartels overwinteren

op de drie zuidelijke schiereilanden van Europa, eenige reeds in

't zuiden van Frankrijk, in zachte winters zelfs in Duitschland; de

meeste echter trekken naar de keerkringsgewesten van Afrika en Azië;

eenige vinden zelfs hier geen rust, maar doorreizen Afrika tot aan het

Kaapland. Een bijeenkomst vóór de reis schijnt niet plaats te vinden;

gewoonlijk aanvaardt iedere Kwartel den tocht naar 't zuiden zonder

zich om zijne soortgenooten te bekommeren; onderweg evenwel voegt

de eene zich bij de anderen, en vóórdat de reizigers in Zuid-Europa

zijn aangekomen, hebben zich talrijke vluchten gevormd. Van het begin

van September af wemelt het van Kwartels op alle terreinen langs de

kust van de Middellandsche Zee. "Overal, uit het struikgewas langs de

afgronden, kanalen en weiden, uit ieder bos ruigte, van achter elke

aardkluit," zegt Graaf Von der Mühle met betrekking tot Griekenland,

"vliegt vóór den jager een Kwartel op; weinige uren zijn voldoende

voor 't vullen van den weitasch. Op menigen morgen treft men, nadat

's nachts de sirocco gewaaid heeft, geen enkelen Kwartel meer aan

op de plaatsen, waar den vorigen dag geheele gezelschappen lagen;

plotseling echter verschijnen zij weder bij groote vluchten; zoo gaat

hun aantal op en af, totdat de nachtvorsten de laatste doortrekkers

verdrijven." Evenzoo is het gesteld in Turkijë, in het zuiden van

Italië en in Spanje, niet anders rondom de Zwarte en de Kaspische

Zee, terwijl ook aan de kusten van de Japansche en de Chineesche zee

dezelfde verschijnselen worden waargenomen.

Alle reizende Kwartels maken, zoover zij kunnen, van het vasteland

gebruik; daarom komen zij aan de spits der naar 't zuiden gerichte

schiereilanden in talrijke scharen bijeen. Bij ongunstigen wind,

d. w. z. als de windrichting overeenstemt met de richting van de reis,

komt de tocht tot stilstand; zoodra echter de tegenwind aanvangt,

verlaat de zwerm het land en vliegt nu over zee in zuidwestelijke

richting verder. Als de windkracht onveranderd blijft en niet tot storm

aanwakkert, gaat de reis voorspoedig. De trekkende Vogels vervolgen

vliegend hun weg, zoolang de vleugels hen kunnen dragen; wanneer hun

vermoeidheid te groot wordt, strijkt, naar mij door geloofwaardige

zeelieden verzekerd werd, het geheele gezelschap op de golven neder,

om hier een tijdlang te rusten en vervolgens verder te vliegen. Anders

gaat het, wanneer de wind omslaat, of toeneemt tot storm. Voordewind

bemoeilijkt de reis over zee in hooge mate, storm verhindert haar

geheel. In dergelijke omstandigheden vallen de doodelijk vermoeide

Kwartels, als 't ware bewusteloos, op klippen te midden van de zee

of op het dek van schepen neer en blijven hier geruimen tijd zonder

beweging liggen; zij worden door zulk een tegenspoed zoo angstvallig en

radeloos, dat zij, zelfs wanneer het weer veranderd en de wind gunstig

geworden is, nog dagen lang op zulke toevluchtsoorden blijven, vóórdat

zij het wagen de reis voort te zetten. Dit heeft men waargenomen:

hoevele van deze Vogels echter in de zee vallen en hier verdrinken,

weet men niet.

Wanneer men gedurende den eigenlijken trektijd op het een of ander punt

van de Noord-Afrikaansche kust op de Kwartels let, is men niet zelden

getuige van hun aankomst. Een donkere, laag over het water zwevende

wolk nadert schielijk en daalt tevens hoe langer hoe meer. In de

onmiddellijke nabijheid van de uiterste grens van het water, laat

de doodelijk vermoeide zwerm zich op den bodem zakken. Hier liggen

de arme schepsels in 't eerst verscheidene minuten achtereen als

verdoofd, bijna niet in staat om zich te verroeren. Deze toestand

gaat echter schielijk voorbij. Er komt beweging in de massa; een van

de Vogels geeft het voorbeeld; weldra sluipen en rennen alle haastig

over het kale zand naar gunstiger gelegen schuilplaatsen. Het duurt

lang, voordat de Kwartel er toe overgaat, om van zijne uitgeputte

borstspieren op nieuw diensten te vergen; op den eersten dag na zijn

aankomst vliegt hij stellig niet anders dan in den grootsten nood. Na

dezen tijd ontmoet men de Kwartels in Noordoost-Afrika overal;

nooit echter ziet men vliegende zwermen; altijd en allerwege treft

men afzonderlijke exemplaren aan, hier en daar trouwens in tamelijk

grooten getale. Als de lente aanvangt, begeven de Kwartels zich

allengs op den terugweg; in April verzamelen zij zich aan de zeekust;

nooit echter vormen zij dan zulke talrijke zwermen als in den herfst.

De Kwartel kiest tot zomerverblijf het liefst een plek in een

vruchtbare, graanrijke vlakte. Hij vermijdt hooggelegen, bergachtige

landstreken en is reeds in een heuvelachtig gewest zeldzamer dan

in de lage landen. Niet minder dan de hoogte schuwt hij het water

en wordt daarom in moerassen en broeklanden in 't geheel niet

gevonden. Onmiddellijk na zijn aankomst houdt hij zich het eerst op

in tarwe- of rogge-akkers; later toont hij zich minder kieskeurig;

toch mag men het als een regel aanmerken, dat hij zich niet op zijn

plaats gevoelt in oorden, waar geen tarwe wordt verbouwd; hier wordt

hij hoogstens in den trektijd aangetroffen. Gedurende de reis strijkt

hij soms in de struiken neer, des zomers verlaat hij het veld niet.

Hoewel de Kwartel zoomin fraai als begaafd kan heeten, is hij

geliefd bij jong en oud. Dit komt van zijn helderen, ver klinkenden

paringsroep, het bekende "buukwerwiek", dat algemeen in den smaak valt

en stellig veel bijdraagt tot het verlevendigen van een gewest. Behalve

dit geschreeuw brengt hij nog verscheidene geluiden voort, die echter

meestal te zwak zijn om anders dan van nabij gehoord te worden. De

loktoon van beide seksen is een zacht "bubiwi", de liefdestem een

iets luider "priekiek" of "bruubruub"; een zwak "goerr goerr" geeft

ontevredenheid, een onderdrukt "truulielil truulil" vrees te kennen:

voor schrik dient het evenmin ver hoorbare "truul rek rek rek", dat,

als de angst ten top gestegen is, in een piepend geluid verandert. De

paringsroep van het mannetje wordt gewoonlijk door het heesche "werre

werre" voorafgegaan; op dit voorspel volgt het vele malen herhaalde

"buukwerwiek".

Door eigenschappen en gewoonten, levenswijze en bewegingen verschilt de

Kwartel in vele opzichten van den Patrijs. Hij loopt vlug en behendig,

maar in een onbevallige houding, daar hij den kop terugtrekt en den

staart recht naar beneden laat hangen, zoodat zijn gedaante bolvormig

wordt; bij iederen stap knikt hij met den kop en neemt slechts zelden

een edeler voorkomen aan. Zijne vleugels doen hem snel, snorrend en

bij rukken voortschieten, veel vlugger en behendiger dan de Patrijs;

hij maakt soms zeer sierlijke zwenkingen, legt niet dan ongaarne in één

vlucht een grooten weg af en verheft zich slechts gedurende den trek

tot een aanzienlijke hoogte; de opgejaagde Kwartel daalt zoo schielijk

mogelijk weer op den grond neer, om loopend verder te vluchten.

Hoewel zijne zintuigen, vooral die van het gezicht en het gehoor,

goed ontwikkeld mogen heeten, schijnt zijn verstand gering te

zijn. Werkelijk schuw is hij niet, hoewel hij zich steeds beangst en

vreesachtig toont en bij felle vervolging echte dwaasheden begaat;

men zou zeggen, dat hij zich reeds veilig acht, wanneer alleen zijn

kop verborgen is. Gezelligheid is hem vreemd; alleen de nood, niet de

neiging geeft aanleiding tot vereeniging van soortgenooten. De hen

is een goede moeder en draagt met warme liefde zorg voor ouderlooze

kuikens; zij wordt echter snood verlaten door de kinderen, zoodra

deze haar niet meer noodig hebben. Zoolang de zon aan den hemel staat,

houdt de Kwartel zich zoo stil mogelijk verborgen tusschen de halmen

en bladen van de akkers; in de middaguren is hij gewoon te "gullen",

een zandbad te nemen, zich zoo gemakkelijk mogelijk uit te strekken en

door de zon te laten koesteren of te slapen; tegen het ondergaan van de

zon wordt hij wakker en bedrijvig. Dan laat hij bijna onverpoosd zijn

slag weerklinken; men ziet hem loopend of vliegend zijn schuilplaats

verlaten om voedsel te zoeken of zich naar de hennen te begeven en

met een mededinger te vechten.

Het voedsel van de Kwartels bestaat uit allerlei zaden,

uitspruitsels, bladen en knoppen en ongeveer in gelijke mate uit

allerlei Insecten. Deze worden, naar 't schijnt, steeds boven de

plantaardige stoffen verkozen, hoewel zij niet volstrekt noodig zijn

voor hun leven: de ervaring heeft geleerd, dat zij maanden lang met

tarwekorrels onderhouden kunnen worden. Steentjes ter bevordering van

de spijsvertering en versch drinkwater zijn voor hen een behoefte;

tot het lesschen van hun dorst is trouwens de dauw op de bladen

reeds voldoende; daarom ziet men hen slechts zelden bij bepaalde

drinkplaatsen vereenigd.

Hoogst waarschijnlijk leeft de Kwartel in polygamie. De haan is,

zoo mogelijk, nog jaloerscher dan al zijne verwanten, tracht uit zijn

gebied alle mededingers te verdrijven en strijdt op leven en dood om

de alleenheerschappij. De hen begint eerst laat, d. w. z. nagenoeg

niet voor den aanvang van den zomer, haar nest in te richten, krabt,

bij voorkeur op erwten- en tarweakkers, een ondiepe holte uit,

bekleedt deze met eenige droge plantendeelen en legt hierop 8 à 14

betrekkelijk groote, peervormige eieren met gladde schaal, die op

licht bruinachtigen grond glanzig donkergroen of zwartbruin gevlekt

zijn, en, wat kleur en teekening betreft, veel van elkander kunnen

verschillen. Zij broedt met volhardenden ijver 18 à 20 dagen lang,

laat zich bijna niet van haar nest verjagen en wordt daarom dikwijls

een slachtoffer van haar toewijding. Onmiddellijk na het verlaten van

de eischaal loopen de jongen met de moeder mede, worden door haar

zorgvuldig gehoed en tot eten aangespoord, zoeken aanvankelijk bij

slecht weer een toevlucht onder hare vleugels, worden ook in andere

opzichten zoo goed mogelijk verzorgd, groeien opmerkelijk snel,

letten weldra niet meer op de lokstem van hun moeder en trachten zich

in geval van nood alleen te redden. Reeds in de tweede week van hun

zelfstandig leven fladderen zij, in de vijfde of zesde hebben zij hun

volledige grootte en een voldoende bekwaamheid in 't vliegen bereikt

om in den herfst de reis naar 't zuiden te kunnen ondernemen.

Niet zelden ontmoet men nog tegen het einde van den zomer een oude

Kwartelhen met kleine, onvolwassen jongen, die in den naderenden

herfst waarschijnlijk geen voldoenden tijd zullen vinden voor

hun ontwikkeling. Zulke broedsels gaan vermoedelijk in den regel

te niet. Maar ook die, welke te rechter tijd uit het ei kwamen,

hebben veel te lijden van allerlei loopende en vliegende roofdieren;

zonder overdrijving mag men het er voor houden, dat nauwelijks de

helft van alle Kwartels, die geboren worden, in 't leven blijven tot

aan het tijdstip, waarop de reis naar 't zuiden aanvangt. Deze reis

gaat met nog grootere gevaren gepaard, want nu treedt de mensch als

de ergste vijand van de Kwartels op. De noordelijke, westelijke en

zuidelijke kusten van de Middellandsche zee zijn bij den aanvang van

deze reis met netten, strikken en vallen dicht bezet. Het eiland Capri

is beroemd geworden door de groote opbrengst van de kwartelvangst;

in vroegeren tijd hadden de bisschoppen, tot welker gebied het eiland

behoorde, een aanzienlijk deel van hun inkomen aan de kwartelvangst te

danken. In Rome worden, naar Waterton bericht, soms op één dag 17000

stuks van deze Vogels veraccijnsd. Aan de Spaansche kust is de vangst,

die hier trouwens hoofdzakelijk in de lente plaats vindt, niet minder

belangrijk. "In de Maina," zegt Graaf Von der Mühle, "vooral echter

op de eilanden, houden gedurende den doortrek van de Kwartels jong

en oud zich met de jacht en de bereiding van deze Vogels bezig. Men

vangt ze met poot- en halsstrikken, met lijmroeden en slagnetten,

vooral echter met een "tiras", een zeer groot, van vischnetgaren

vervaardigd net, dat den Vogel over 't lichaam wordt geworpen;

zelfs worden bijzonder vette en zeer stil liggende exemplaren door

knapen met stokken doodgeslagen. Men plukt de Vogels, snijdt hun den

kop en de voeten af, neemt de ingewanden er uit, spalkt hun de borst

open en pakt ze als Haringen in tonnen om ze te verzenden. Deze bron

van verdiensten is voor sommige gewesten van zooveel belang, dat de

voormalige Minister Coletti, toen in het jaar 1834 bij het oproer

in de Maina het voorstel werd gedaan om den verkoop van kruit daar

geheel te verbieden, in den ministerraad zich er tegen verklaarde,

omdat de inwoners hierdoor van hun belangrijkste bron van inkomsten

verstoken of althans in hun bedrijf zeer bemoeielijkt zouden worden."

Wanneer men in aanmerking neemt, dat van de Kwartels, die aan den

mensch en de roofdieren ontkomen, nog duizenden in de zee hun graf

vinden, heeft men reden om zich er over te verwonderen, dat hun

vermenigvuldiging, hoe snel dan ook, voldoende is om de geleden

verliezen weder aan te vullen.

Gevangen Kwartels worden te recht als aardige huisgenooten

beschouwd. Zij verliezen hun schuwheid, althans voor een deel,

kunnen gemakkelijk in 't leven worden gehouden en verontreinigen

hun kooi slechts weinig. Als men hun het noodige verschaft om een

genoegelijk leven te leiden, gevoelen zij zich weldra zoo zeer thuis

in hun door traliën begrensde woning, dat zij zich hier voortplanten;

in de volières onzer dierentuinen brengen zij niet zelden hunne

jongen groot. Niet zoo licht gelukt hun dit in de kooi, hoewel zij

ook hier dikwijls broeden. Losloopende Kwartels verschaffen hunne

verzorgers veel genoegen door hun vroolijken aard, door het verdelgen

van allerlei ongedierte en door hun gemeenzaamheid met Honden, Katten

en anderen huisdieren. Evenals bij ons is de Kwartel in vele landen

een zeer geliefde kamervogel, o. a. bij de Perzen en Boekharen. Bij

Tsardsjoeï aan den Oxus wordt hij niet slechts veelvuldig in de kooi

gehouden, maar ook als levend speelgoed, dat men voortdurend in de

handen houdt en koestert, door sommige personen hoog geschat.

De Amerikaansche Patrijzen of Boomhoenderen (Odontophorinae), die

een uit ongeveer 50 soorten bestaande onderfamilie vormen, zijn

klein of middelmatig groot en sierlijk gebouwd; hun snavel is kort,

zeer hoog, zijdelings samengedrukt, de zijranden van de ondersnavel

dikwijls getand, aan weerszijden met 2 of meer soms zeer onduidelijke

inkervingen voorzien; de voet heeft een langen ongespoorden loop en

lange teenen; de vleugels zijn middelmatig lang, maar zeer afgerond:

de vierde, vijfde of zesde handpen is de langste; de middelmatig

lange of korte, van buiten afgeronde staart bestaat uit 12 pennen. Bij

vele is een naakte plek om 't oog aanwezig. Het vederenkleed is goed

ontwikkeld, bij de meeste soorten niet zeer levendig, bij vele evenwel

zeer fraai van kleur en bij alle op een bevallige wijze geteekend.

Middel-Amerika is het vaderland van de meeste Boomhoenderen; in Zuid-

en Noord-Amerika komen betrekkelijk weinig soorten voor. Ook zij

bewonen de meest verschillende terreinen. Eenige leven in het veld en

in de vlakte, andere in het kreupelhout, enkele ook in het hoogstammige

woud; deze herinneren door hun levenswijze aan het Hazelhoen, gene aan

de Patrijzen, hoewel alle den naam van Boomhoenderen verdienen. Alle

zijn vlug van beweging, loopen snel en vaardig, vliegen met gemak,

hoewel niet lang achtereen, weten zich te midden van de twijgen zeer

goed te redden, zijn scherp van gezicht en gehoor, geven blijken van

een verstandige beoordeeling van gewijzigde toestanden en kunnen

daarom zonder groote moeite getemd worden. Door lieftalligheid en

sierlijkheid winnen zij de vriendschap van ieder die hen leert kennen;

hun vruchtbaarheid en onschadelijkheid hebben aanleiding gegeven

tot pogingen om de Noord-Amerikaansche Boomhoenderen in Europa te

acclimatiseeren, welker uitslag aanvankelijk niet ongunstig kan worden

genoemd; verscheidene andere soorten zijn voorloopig reeds een sieraad

van onze dierentuinen.

Een Boomhoen, dat in Europa burgerrecht heeft gekregen, daar het

in ons werelddeel veelvuldig getemd voorkomt, is de Boomkwartel,

ook wel Colijnhoen genaamd, de Colin van de Anglo-Amerikanen (Ortyx

virginianus), vertegenwoordiger van een gelijknamig geslacht. Alle

veeren van de bovenzijde zijn roodachtig bruin met zwarte vlekken,

stippels en banden en geel gezoomd; die van de onderzijde hebben een

witachtig gele kleur met roodbruine, overlangsche strepen en zwarte,

dwarse golflijnen. Een witte band, die op het voorhoofd begint en over

het oog naar de achterzijde van den hals loopt, de witte keel, een over

dezen lichten band zich uitstrekkende, zwarte voorhoofdsstreep en een

dergelijke streep, die, vóór het oog ontspringend, de keel omsluit,

benevens de zwarte, witte en bruine stippels op de zijden van den hals

vormen gezamenlijk een sierlijken tooi van den kop. Totale lengte 25,

staartlengte 11 cM.

Kanada is de noordelijke, het Rotsgebergte de westelijke, de Golf

van Mexico de zuidelijke grens van het verbreidingsgebied van den

Boomkwartel. Hij kiest een soortgelijke standplaats als onze Patrijs,

geeft de voorkeur aan bouwland, maar verlangt kreupelhout, hagen en

dergelijke gelegenheden tot het zoeken van een schuilplaats; naar

het schijnt, bezoekt hij van tijd tot tijd ook het binnenste van het

woud. Zijn stem is rijker aan klank en afwisseling, dan die van onzen

Patrijs. Zij bestaat uit twee geluiden, die soms nog door een voorslag

aangekondigd en meestal vele malen achtereenvolgens herhaald worden. De

naam Bob White, die door het volk aan den Boomkwartel wordt gegeven,

is een nabootsing van zijn stem ("bobwaait").

In 't begin van de lente gaan de zwermen, die gedurende den winter

samengeleefd hebben, uiteen. Iedere haan verwerft zich, dikwijls

eerst na langen strijd, een hen en kiest een geschikt woongebied

uit. Weinig later, maar toch zelden voor het begin van Mei, begint

de hen haar nest te bouwen. Zij gaat hierbij zorgvuldiger te werk

dan onze Patrijs, want niet slechts de standplaats van het nest

wordt steeds met voorzichtigheid gekozen, maar ook wordt dit met een

zekere kunstvaardigheid in den grond uitgekrabd en tamelijk netjes

met grassen, halmen en bladen bekleed. De eieren zijn peervormig, dun

van schaal en zuiver wit van kleur of met flauwe, leemgele stippels

geteekend. Hun aantal wisselt af van 20 tot 24; men heeft er echter

ook wel 32 in een nest gevonden. De beide ouders broeden om beurten

en het mannetje houdt bovendien trouw bij 't nest de wacht.

Gedurende den zomer voedt de Boomkwartel zich met Insecten en allerlei

plantaardige stoffen, vooral met graankorrels; in den herfst maken

de laatstgenoemde zijn voornaamste voedsel uit. Zoolang de velden

groen zijn, leiden ouden en jongen een zorgenvrij en vroolijk leven;

gedurende den winter komen echter ook deze Hoenderen dikwijls in

grooten nood; vele worden er door genoopt naar zuidelijker landen te

trekken. Op deze reizen vinden vele den dood, want het rooversgespuis

zit hen onophoudelijk op de hielen en de mensch doet wat hij kan,

om zich van dit smakelijke wild meester te maken.

De Boomkwartel is zoowel voor temming geschikt als voor invoering in

gewesten, waar de eischen, die hij aan 't leven stelt, verwezenlijkt

zijn. Gevangen Boomkwartels zijn, wanneer zij verstandig behandeld

worden, reeds na eenige dagen met hun lot verzoend, verliezen weldra al

hun schuwheid en geraken in opmerkelijk korten tijd aan hun verzorger

gewoon. Nog gemakkelijker is het, de exemplaren, die onder het toezicht

van den mensch zijn opgegroeid, te temmen. 50 à 100 paar Boomkwartels

zouden voldoende zijn, om in de eerste plaats een fazanten-perk

en van hier uit een streek, die voor de vermenigvuldiging van dit

veelbelovende wild gunstig gelegen is, te bevolken. In Engeland is

men hierin reeds geslaagd.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 04: De Hoendervogels · 第 5 / 12 段