(Megaloperdix caucasica)--is de kleinste van haar geslacht en toch
nog 58 cM. lang, waarvan 17 op den staart komen. De kleur van de
bovendeelen wisselt af tusschen aschgrauw en zwartgrauw met een
breeden, bruinachtig grijzen kraag in den nek; de vleugeldekveeren
hebben lichtgele randen; de slagpennen zijn witachtig; een breede,
witte streep loopt van de oorstreek langs den hals naar beneden;
de keel is wit; de onderdeelen zijn zwart met witte en roestgele
teekening; de iris is roodbruin, de snavel geel, de voet bruin. Men
treft deze schuwe Vogels in kleine gezelschappen van 10 à 12 stuks
aan, waarvan er één op een hooggelegen punt de wacht houdt. Het is
uiterst moeielijk zoo dicht bij hen te komen, dat men ze kan schieten.
Onze Kwartel, ook wel Wachtel of Kwakkel genaamd (Coturnix communis),
vertegenwoordigt een scherp begrensd geslacht, dat ongeveer 20 soorten
bevat, die over alle rijken van de Oude Wereld en over Australië
verbreid zijn. De kenmerken van dit geslacht zijn gelegen in den
kleinen, zwakken, aan den wortel betrekkelijk hoogen, van hier tot
aan de spits zacht gebogen, aan de mondhoeken verbreeden snavel,
de korte, ongespoorde, langteenige voeten, de betrekkelijke lange
en spitse, weinig gewelfde vleugels, welker spits gewoonlijk door de
eerste of een der eerste handpennen wordt gevormd, den buitengewoon
korten, gewelfden, uit twaalf pennen samengestelden staart. Het kleed
biedt bij mannetjes, wijfjes en jongen slechts weinig verschil aan,
de kleine veeren zijn smal, de zeer ontwikkelde staart-wortelveeren
bedekken den staart geheel.
Onze Kwartel is aan de bovenzijde bruin met roestgele dwarse
en overlangsche strepen, op den kop donkerder dan op den rug;
de keel is roestbruin, de krop roestgeel, het midden van den buik
geelachtig wit; de zijden van borst en buik zijn roestrood, met
lichtgele overlangsche strepen; een lichtgeelbruine streep, die aan
den wortel van den bovensnavel begint, loopt boven het oog langs,
bij den hals naar beneden en omsluit de keel; hier echter is zij
begrensd door twee smalle, donkerbruine banden; de handpennen hebben
op zwartachtig bruinen grond roodachtig roestgele dwarsvlekken, die
samen banden vormen; de eerste handpen is op de buitenvlag versierd
met een smallen, geelachtigen zoom; de roestgele stuurpennen hebben
witte schaften en zwarte tot dwarsbanden vereenigde vlekken. Bij het
wijfje zijn alle kleuren lichter en minder in 't oog vallend, ook
is het keelveld minder duidelijk. Het oog is licht bruinroodachtig,
de snavel grijs, de voet roodachtig of lichtgeel. Totale lengte 20,
staartlengte 4 cM.
In slechts weinige landen van de Oude Wereld is onze Kwartel nog niet
gevonden. In Europa komt hij van 60° N. B. af overal, hoewel eerst
bezuiden den 50en graad N. B. geregeld voor. In Middel-Azië bewoont
hij een eenigszins verder zuidwaarts gelegen gordel; hij is hier op
geschikte plaatsen, vooral in de steppe, niet minder veelvuldig dan
in Europa; daar hij zoowel uit Europa, als uit Middel-Azië ieder jaar
zuidwaarts trekt, doorkruist hij ook geheel Afrika en geheel Zuid-Azië.
Zijne reizen zijn om allerlei redenen zeer merkwaardig. Hoewel zij
ieder jaar plaats hebben, verschillen zij niet onbelangrijk van den
trek van andere Vogels. Enkele Kwartels schijnen bijna gedurende het
geheele jaar op reis te zijn, en ook zij, die zich, met het oog op de
voortplanting, des zomers ergens voor eenigen tijd vestigen, verlaten
het door hen gekozen gebied bij lange na niet te gelijker tijd. Enkele
verschijnen reeds tegen het einde van Augustus in Egypte; in grooteren
getale komen zij er in September aan: in deze zelfde maand echter
vindt men, volstrekt niet zeldzaam, bij ons nog broedende wijfjes of
jongen in hun donskleed. Hoewel de trek hoofdzakelijk in September
plaats heeft, houdt hij de geheele maand October aan en dikwijls
zelfs gedurende een deel van November. Vele Kwartels overwinteren
op de drie zuidelijke schiereilanden van Europa, eenige reeds in
't zuiden van Frankrijk, in zachte winters zelfs in Duitschland; de
meeste echter trekken naar de keerkringsgewesten van Afrika en Azië;
eenige vinden zelfs hier geen rust, maar doorreizen Afrika tot aan het
Kaapland. Een bijeenkomst vóór de reis schijnt niet plaats te vinden;
gewoonlijk aanvaardt iedere Kwartel den tocht naar 't zuiden zonder
zich om zijne soortgenooten te bekommeren; onderweg evenwel voegt
de eene zich bij de anderen, en vóórdat de reizigers in Zuid-Europa
zijn aangekomen, hebben zich talrijke vluchten gevormd. Van het begin
van September af wemelt het van Kwartels op alle terreinen langs de
kust van de Middellandsche Zee. "Overal, uit het struikgewas langs de
afgronden, kanalen en weiden, uit ieder bos ruigte, van achter elke
aardkluit," zegt Graaf Von der Mühle met betrekking tot Griekenland,
"vliegt vóór den jager een Kwartel op; weinige uren zijn voldoende
voor 't vullen van den weitasch. Op menigen morgen treft men, nadat
's nachts de sirocco gewaaid heeft, geen enkelen Kwartel meer aan
op de plaatsen, waar den vorigen dag geheele gezelschappen lagen;
plotseling echter verschijnen zij weder bij groote vluchten; zoo gaat
hun aantal op en af, totdat de nachtvorsten de laatste doortrekkers
verdrijven." Evenzoo is het gesteld in Turkijë, in het zuiden van
Italië en in Spanje, niet anders rondom de Zwarte en de Kaspische
Zee, terwijl ook aan de kusten van de Japansche en de Chineesche zee
dezelfde verschijnselen worden waargenomen.
Alle reizende Kwartels maken, zoover zij kunnen, van het vasteland
gebruik; daarom komen zij aan de spits der naar 't zuiden gerichte
schiereilanden in talrijke scharen bijeen. Bij ongunstigen wind,
d. w. z. als de windrichting overeenstemt met de richting van de reis,
komt de tocht tot stilstand; zoodra echter de tegenwind aanvangt,
verlaat de zwerm het land en vliegt nu over zee in zuidwestelijke
richting verder. Als de windkracht onveranderd blijft en niet tot storm
aanwakkert, gaat de reis voorspoedig. De trekkende Vogels vervolgen
vliegend hun weg, zoolang de vleugels hen kunnen dragen; wanneer hun
vermoeidheid te groot wordt, strijkt, naar mij door geloofwaardige
zeelieden verzekerd werd, het geheele gezelschap op de golven neder,
om hier een tijdlang te rusten en vervolgens verder te vliegen. Anders
gaat het, wanneer de wind omslaat, of toeneemt tot storm. Voordewind
bemoeilijkt de reis over zee in hooge mate, storm verhindert haar
geheel. In dergelijke omstandigheden vallen de doodelijk vermoeide
Kwartels, als 't ware bewusteloos, op klippen te midden van de zee
of op het dek van schepen neer en blijven hier geruimen tijd zonder
beweging liggen; zij worden door zulk een tegenspoed zoo angstvallig en
radeloos, dat zij, zelfs wanneer het weer veranderd en de wind gunstig
geworden is, nog dagen lang op zulke toevluchtsoorden blijven, vóórdat
zij het wagen de reis voort te zetten. Dit heeft men waargenomen:
hoevele van deze Vogels echter in de zee vallen en hier verdrinken,
weet men niet.
Wanneer men gedurende den eigenlijken trektijd op het een of ander punt
van de Noord-Afrikaansche kust op de Kwartels let, is men niet zelden
getuige van hun aankomst. Een donkere, laag over het water zwevende
wolk nadert schielijk en daalt tevens hoe langer hoe meer. In de
onmiddellijke nabijheid van de uiterste grens van het water, laat
de doodelijk vermoeide zwerm zich op den bodem zakken. Hier liggen
de arme schepsels in 't eerst verscheidene minuten achtereen als
verdoofd, bijna niet in staat om zich te verroeren. Deze toestand
gaat echter schielijk voorbij. Er komt beweging in de massa; een van
de Vogels geeft het voorbeeld; weldra sluipen en rennen alle haastig
over het kale zand naar gunstiger gelegen schuilplaatsen. Het duurt
lang, voordat de Kwartel er toe overgaat, om van zijne uitgeputte
borstspieren op nieuw diensten te vergen; op den eersten dag na zijn
aankomst vliegt hij stellig niet anders dan in den grootsten nood. Na
dezen tijd ontmoet men de Kwartels in Noordoost-Afrika overal;
nooit echter ziet men vliegende zwermen; altijd en allerwege treft
men afzonderlijke exemplaren aan, hier en daar trouwens in tamelijk
grooten getale. Als de lente aanvangt, begeven de Kwartels zich
allengs op den terugweg; in April verzamelen zij zich aan de zeekust;
nooit echter vormen zij dan zulke talrijke zwermen als in den herfst.
De Kwartel kiest tot zomerverblijf het liefst een plek in een
vruchtbare, graanrijke vlakte. Hij vermijdt hooggelegen, bergachtige
landstreken en is reeds in een heuvelachtig gewest zeldzamer dan
in de lage landen. Niet minder dan de hoogte schuwt hij het water
en wordt daarom in moerassen en broeklanden in 't geheel niet
gevonden. Onmiddellijk na zijn aankomst houdt hij zich het eerst op
in tarwe- of rogge-akkers; later toont hij zich minder kieskeurig;
toch mag men het als een regel aanmerken, dat hij zich niet op zijn
plaats gevoelt in oorden, waar geen tarwe wordt verbouwd; hier wordt
hij hoogstens in den trektijd aangetroffen. Gedurende de reis strijkt
hij soms in de struiken neer, des zomers verlaat hij het veld niet.
Hoewel de Kwartel zoomin fraai als begaafd kan heeten, is hij
geliefd bij jong en oud. Dit komt van zijn helderen, ver klinkenden
paringsroep, het bekende "buukwerwiek", dat algemeen in den smaak valt
en stellig veel bijdraagt tot het verlevendigen van een gewest. Behalve
dit geschreeuw brengt hij nog verscheidene geluiden voort, die echter
meestal te zwak zijn om anders dan van nabij gehoord te worden. De
loktoon van beide seksen is een zacht "bubiwi", de liefdestem een
iets luider "priekiek" of "bruubruub"; een zwak "goerr goerr" geeft
ontevredenheid, een onderdrukt "truulielil truulil" vrees te kennen:
voor schrik dient het evenmin ver hoorbare "truul rek rek rek", dat,
als de angst ten top gestegen is, in een piepend geluid verandert. De
paringsroep van het mannetje wordt gewoonlijk door het heesche "werre
werre" voorafgegaan; op dit voorspel volgt het vele malen herhaalde
"buukwerwiek".
Door eigenschappen en gewoonten, levenswijze en bewegingen verschilt de
Kwartel in vele opzichten van den Patrijs. Hij loopt vlug en behendig,
maar in een onbevallige houding, daar hij den kop terugtrekt en den
staart recht naar beneden laat hangen, zoodat zijn gedaante bolvormig
wordt; bij iederen stap knikt hij met den kop en neemt slechts zelden
een edeler voorkomen aan. Zijne vleugels doen hem snel, snorrend en
bij rukken voortschieten, veel vlugger en behendiger dan de Patrijs;
hij maakt soms zeer sierlijke zwenkingen, legt niet dan ongaarne in één
vlucht een grooten weg af en verheft zich slechts gedurende den trek
tot een aanzienlijke hoogte; de opgejaagde Kwartel daalt zoo schielijk
mogelijk weer op den grond neer, om loopend verder te vluchten.
Hoewel zijne zintuigen, vooral die van het gezicht en het gehoor,
goed ontwikkeld mogen heeten, schijnt zijn verstand gering te
zijn. Werkelijk schuw is hij niet, hoewel hij zich steeds beangst en
vreesachtig toont en bij felle vervolging echte dwaasheden begaat;
men zou zeggen, dat hij zich reeds veilig acht, wanneer alleen zijn
kop verborgen is. Gezelligheid is hem vreemd; alleen de nood, niet de
neiging geeft aanleiding tot vereeniging van soortgenooten. De hen
is een goede moeder en draagt met warme liefde zorg voor ouderlooze
kuikens; zij wordt echter snood verlaten door de kinderen, zoodra
deze haar niet meer noodig hebben. Zoolang de zon aan den hemel staat,
houdt de Kwartel zich zoo stil mogelijk verborgen tusschen de halmen
en bladen van de akkers; in de middaguren is hij gewoon te "gullen",
een zandbad te nemen, zich zoo gemakkelijk mogelijk uit te strekken en
door de zon te laten koesteren of te slapen; tegen het ondergaan van de
zon wordt hij wakker en bedrijvig. Dan laat hij bijna onverpoosd zijn
slag weerklinken; men ziet hem loopend of vliegend zijn schuilplaats
verlaten om voedsel te zoeken of zich naar de hennen te begeven en
met een mededinger te vechten.
Het voedsel van de Kwartels bestaat uit allerlei zaden,
uitspruitsels, bladen en knoppen en ongeveer in gelijke mate uit
allerlei Insecten. Deze worden, naar 't schijnt, steeds boven de
plantaardige stoffen verkozen, hoewel zij niet volstrekt noodig zijn
voor hun leven: de ervaring heeft geleerd, dat zij maanden lang met
tarwekorrels onderhouden kunnen worden. Steentjes ter bevordering van
de spijsvertering en versch drinkwater zijn voor hen een behoefte;
tot het lesschen van hun dorst is trouwens de dauw op de bladen
reeds voldoende; daarom ziet men hen slechts zelden bij bepaalde
drinkplaatsen vereenigd.
Hoogst waarschijnlijk leeft de Kwartel in polygamie. De haan is,
zoo mogelijk, nog jaloerscher dan al zijne verwanten, tracht uit zijn
gebied alle mededingers te verdrijven en strijdt op leven en dood om
de alleenheerschappij. De hen begint eerst laat, d. w. z. nagenoeg
niet voor den aanvang van den zomer, haar nest in te richten, krabt,
bij voorkeur op erwten- en tarweakkers, een ondiepe holte uit,
bekleedt deze met eenige droge plantendeelen en legt hierop 8 à 14
betrekkelijk groote, peervormige eieren met gladde schaal, die op
licht bruinachtigen grond glanzig donkergroen of zwartbruin gevlekt
zijn, en, wat kleur en teekening betreft, veel van elkander kunnen
verschillen. Zij broedt met volhardenden ijver 18 à 20 dagen lang,
laat zich bijna niet van haar nest verjagen en wordt daarom dikwijls
een slachtoffer van haar toewijding. Onmiddellijk na het verlaten van
de eischaal loopen de jongen met de moeder mede, worden door haar
zorgvuldig gehoed en tot eten aangespoord, zoeken aanvankelijk bij
slecht weer een toevlucht onder hare vleugels, worden ook in andere
opzichten zoo goed mogelijk verzorgd, groeien opmerkelijk snel,
letten weldra niet meer op de lokstem van hun moeder en trachten zich
in geval van nood alleen te redden. Reeds in de tweede week van hun
zelfstandig leven fladderen zij, in de vijfde of zesde hebben zij hun
volledige grootte en een voldoende bekwaamheid in 't vliegen bereikt
om in den herfst de reis naar 't zuiden te kunnen ondernemen.
Niet zelden ontmoet men nog tegen het einde van den zomer een oude
Kwartelhen met kleine, onvolwassen jongen, die in den naderenden
herfst waarschijnlijk geen voldoenden tijd zullen vinden voor
hun ontwikkeling. Zulke broedsels gaan vermoedelijk in den regel
te niet. Maar ook die, welke te rechter tijd uit het ei kwamen,
hebben veel te lijden van allerlei loopende en vliegende roofdieren;
zonder overdrijving mag men het er voor houden, dat nauwelijks de
helft van alle Kwartels, die geboren worden, in 't leven blijven tot
aan het tijdstip, waarop de reis naar 't zuiden aanvangt. Deze reis
gaat met nog grootere gevaren gepaard, want nu treedt de mensch als
de ergste vijand van de Kwartels op. De noordelijke, westelijke en
zuidelijke kusten van de Middellandsche zee zijn bij den aanvang van
deze reis met netten, strikken en vallen dicht bezet. Het eiland Capri
is beroemd geworden door de groote opbrengst van de kwartelvangst;
in vroegeren tijd hadden de bisschoppen, tot welker gebied het eiland
behoorde, een aanzienlijk deel van hun inkomen aan de kwartelvangst te
danken. In Rome worden, naar Waterton bericht, soms op één dag 17000
stuks van deze Vogels veraccijnsd. Aan de Spaansche kust is de vangst,
die hier trouwens hoofdzakelijk in de lente plaats vindt, niet minder
belangrijk. "In de Maina," zegt Graaf Von der Mühle, "vooral echter
op de eilanden, houden gedurende den doortrek van de Kwartels jong
en oud zich met de jacht en de bereiding van deze Vogels bezig. Men
vangt ze met poot- en halsstrikken, met lijmroeden en slagnetten,
vooral echter met een "tiras", een zeer groot, van vischnetgaren
vervaardigd net, dat den Vogel over 't lichaam wordt geworpen;
zelfs worden bijzonder vette en zeer stil liggende exemplaren door
knapen met stokken doodgeslagen. Men plukt de Vogels, snijdt hun den
kop en de voeten af, neemt de ingewanden er uit, spalkt hun de borst
open en pakt ze als Haringen in tonnen om ze te verzenden. Deze bron
van verdiensten is voor sommige gewesten van zooveel belang, dat de
voormalige Minister Coletti, toen in het jaar 1834 bij het oproer
in de Maina het voorstel werd gedaan om den verkoop van kruit daar
geheel te verbieden, in den ministerraad zich er tegen verklaarde,
omdat de inwoners hierdoor van hun belangrijkste bron van inkomsten
verstoken of althans in hun bedrijf zeer bemoeielijkt zouden worden."
Wanneer men in aanmerking neemt, dat van de Kwartels, die aan den
mensch en de roofdieren ontkomen, nog duizenden in de zee hun graf
vinden, heeft men reden om zich er over te verwonderen, dat hun
vermenigvuldiging, hoe snel dan ook, voldoende is om de geleden
verliezen weder aan te vullen.
Gevangen Kwartels worden te recht als aardige huisgenooten
beschouwd. Zij verliezen hun schuwheid, althans voor een deel,
kunnen gemakkelijk in 't leven worden gehouden en verontreinigen
hun kooi slechts weinig. Als men hun het noodige verschaft om een
genoegelijk leven te leiden, gevoelen zij zich weldra zoo zeer thuis
in hun door traliën begrensde woning, dat zij zich hier voortplanten;
in de volières onzer dierentuinen brengen zij niet zelden hunne
jongen groot. Niet zoo licht gelukt hun dit in de kooi, hoewel zij
ook hier dikwijls broeden. Losloopende Kwartels verschaffen hunne
verzorgers veel genoegen door hun vroolijken aard, door het verdelgen
van allerlei ongedierte en door hun gemeenzaamheid met Honden, Katten
en anderen huisdieren. Evenals bij ons is de Kwartel in vele landen
een zeer geliefde kamervogel, o. a. bij de Perzen en Boekharen. Bij
Tsardsjoeï aan den Oxus wordt hij niet slechts veelvuldig in de kooi
gehouden, maar ook als levend speelgoed, dat men voortdurend in de
handen houdt en koestert, door sommige personen hoog geschat.
De Amerikaansche Patrijzen of Boomhoenderen (Odontophorinae), die
een uit ongeveer 50 soorten bestaande onderfamilie vormen, zijn
klein of middelmatig groot en sierlijk gebouwd; hun snavel is kort,
zeer hoog, zijdelings samengedrukt, de zijranden van de ondersnavel
dikwijls getand, aan weerszijden met 2 of meer soms zeer onduidelijke
inkervingen voorzien; de voet heeft een langen ongespoorden loop en
lange teenen; de vleugels zijn middelmatig lang, maar zeer afgerond:
de vierde, vijfde of zesde handpen is de langste; de middelmatig
lange of korte, van buiten afgeronde staart bestaat uit 12 pennen. Bij
vele is een naakte plek om 't oog aanwezig. Het vederenkleed is goed
ontwikkeld, bij de meeste soorten niet zeer levendig, bij vele evenwel
zeer fraai van kleur en bij alle op een bevallige wijze geteekend.
Middel-Amerika is het vaderland van de meeste Boomhoenderen; in Zuid-
en Noord-Amerika komen betrekkelijk weinig soorten voor. Ook zij
bewonen de meest verschillende terreinen. Eenige leven in het veld en
in de vlakte, andere in het kreupelhout, enkele ook in het hoogstammige
woud; deze herinneren door hun levenswijze aan het Hazelhoen, gene aan
de Patrijzen, hoewel alle den naam van Boomhoenderen verdienen. Alle
zijn vlug van beweging, loopen snel en vaardig, vliegen met gemak,
hoewel niet lang achtereen, weten zich te midden van de twijgen zeer
goed te redden, zijn scherp van gezicht en gehoor, geven blijken van
een verstandige beoordeeling van gewijzigde toestanden en kunnen
daarom zonder groote moeite getemd worden. Door lieftalligheid en
sierlijkheid winnen zij de vriendschap van ieder die hen leert kennen;
hun vruchtbaarheid en onschadelijkheid hebben aanleiding gegeven
tot pogingen om de Noord-Amerikaansche Boomhoenderen in Europa te
acclimatiseeren, welker uitslag aanvankelijk niet ongunstig kan worden
genoemd; verscheidene andere soorten zijn voorloopig reeds een sieraad
van onze dierentuinen.
Een Boomhoen, dat in Europa burgerrecht heeft gekregen, daar het
in ons werelddeel veelvuldig getemd voorkomt, is de Boomkwartel,
ook wel Colijnhoen genaamd, de Colin van de Anglo-Amerikanen (Ortyx
virginianus), vertegenwoordiger van een gelijknamig geslacht. Alle
veeren van de bovenzijde zijn roodachtig bruin met zwarte vlekken,
stippels en banden en geel gezoomd; die van de onderzijde hebben een
witachtig gele kleur met roodbruine, overlangsche strepen en zwarte,
dwarse golflijnen. Een witte band, die op het voorhoofd begint en over
het oog naar de achterzijde van den hals loopt, de witte keel, een over
dezen lichten band zich uitstrekkende, zwarte voorhoofdsstreep en een
dergelijke streep, die, vóór het oog ontspringend, de keel omsluit,
benevens de zwarte, witte en bruine stippels op de zijden van den hals
vormen gezamenlijk een sierlijken tooi van den kop. Totale lengte 25,
staartlengte 11 cM.
Kanada is de noordelijke, het Rotsgebergte de westelijke, de Golf
van Mexico de zuidelijke grens van het verbreidingsgebied van den
Boomkwartel. Hij kiest een soortgelijke standplaats als onze Patrijs,
geeft de voorkeur aan bouwland, maar verlangt kreupelhout, hagen en
dergelijke gelegenheden tot het zoeken van een schuilplaats; naar
het schijnt, bezoekt hij van tijd tot tijd ook het binnenste van het
woud. Zijn stem is rijker aan klank en afwisseling, dan die van onzen
Patrijs. Zij bestaat uit twee geluiden, die soms nog door een voorslag
aangekondigd en meestal vele malen achtereenvolgens herhaald worden. De
naam Bob White, die door het volk aan den Boomkwartel wordt gegeven,
is een nabootsing van zijn stem ("bobwaait").
In 't begin van de lente gaan de zwermen, die gedurende den winter
samengeleefd hebben, uiteen. Iedere haan verwerft zich, dikwijls
eerst na langen strijd, een hen en kiest een geschikt woongebied
uit. Weinig later, maar toch zelden voor het begin van Mei, begint
de hen haar nest te bouwen. Zij gaat hierbij zorgvuldiger te werk
dan onze Patrijs, want niet slechts de standplaats van het nest
wordt steeds met voorzichtigheid gekozen, maar ook wordt dit met een
zekere kunstvaardigheid in den grond uitgekrabd en tamelijk netjes
met grassen, halmen en bladen bekleed. De eieren zijn peervormig, dun
van schaal en zuiver wit van kleur of met flauwe, leemgele stippels
geteekend. Hun aantal wisselt af van 20 tot 24; men heeft er echter
ook wel 32 in een nest gevonden. De beide ouders broeden om beurten
en het mannetje houdt bovendien trouw bij 't nest de wacht.
Gedurende den zomer voedt de Boomkwartel zich met Insecten en allerlei
plantaardige stoffen, vooral met graankorrels; in den herfst maken
de laatstgenoemde zijn voornaamste voedsel uit. Zoolang de velden
groen zijn, leiden ouden en jongen een zorgenvrij en vroolijk leven;
gedurende den winter komen echter ook deze Hoenderen dikwijls in
grooten nood; vele worden er door genoopt naar zuidelijker landen te
trekken. Op deze reizen vinden vele den dood, want het rooversgespuis
zit hen onophoudelijk op de hielen en de mensch doet wat hij kan,
om zich van dit smakelijke wild meester te maken.
De Boomkwartel is zoowel voor temming geschikt als voor invoering in
gewesten, waar de eischen, die hij aan 't leven stelt, verwezenlijkt
zijn. Gevangen Boomkwartels zijn, wanneer zij verstandig behandeld
worden, reeds na eenige dagen met hun lot verzoend, verliezen weldra al
hun schuwheid en geraken in opmerkelijk korten tijd aan hun verzorger
gewoon. Nog gemakkelijker is het, de exemplaren, die onder het toezicht
van den mensch zijn opgegroeid, te temmen. 50 à 100 paar Boomkwartels
zouden voldoende zijn, om in de eerste plaats een fazanten-perk
en van hier uit een streek, die voor de vermenigvuldiging van dit
veelbelovende wild gunstig gelegen is, te bevolken. In Engeland is
men hierin reeds geslaagd.