zijn inheemschen verwant; ook in dit opzicht mag men hem echter
sierlijker en lieftalliger noemen. Hij loopt buitengemeen snel en
met groote behendigheid, rent vlug tusschen rotsblokken en steenen
door, toont hier zelfs een groote bekwaamheid in 't klauteren en maakt
daarbij slechts zelden gebruik van zijne vleugels. Een karakteristieke
eigenschap van dezen Vogel is, dat hij gaarne op boomen gaat zitten,
en dit volstrekt niet uitsluitend in geval van nood, maar geregeld
doet, overal waar boomen zijn, ongetwijfeld met de bedoeling om van
uit de hoogte rond te kijken. Om te waarschuwen roept het mannetje
zoowel als het wijfje zacht "reb reb," bij 't opvliegen luid "sjerb."
Gedurende het grootste deel van het jaar zijn de Roode Patrijzen
vereenigd tot gezelschappen of koppels van 10 à 30 stuks, die dikwijls
uit verscheidene familiën bestaan; deze doorkruisen hetzelfde gebied,
maar doen dit niet zeer geregeld; ook komen zij niet op een bepaalden
tijd op de drinkplaats bijeen, daar zij zeer weinig behoefte aan
water hebben.
In Spanje wordt op deze Vogels druk jacht gemaakt. De vervolging
neemt reeds een aanvang, zoodra de jongen de grootte van een Kwartel
bereikt hebben. De jager spoort met behulp van Patrijshonden de
vluchten op, of doorkruist op goed geluk de streek, waar de Vogels
zich ophouden. In den herfst maakt men met goed gevolg gebruik van
een lokvogel of "reclamo". Dit geschiedt ook in den paartijd, de
meest geschikte tijd voor de jacht, die dan het aangenaamst en het
eigenaardigst is. De jager begeeft zich met den lokvogel, die in een
zoogenaamde klokkooi medegenomen wordt, naar oorden, waar hij Roode
Patrijzen hoopt te vinden, en bouwt van de hier liggende steenen een
muur van 1 M. hoogte, die hem als schuilplaats moet dienen; 10 à 15
schreden verder zet hij de kooi op een hoog gelegen plaats neer en
vervangt den doek, waaronder de kooi tot dusver verborgen was, door
een dunne laag rijsjes. Als de lokvogel goed is, begint hij dadelijk
eenige malen achtereen "tak tak" te roepen, waarop dan de eigenlijke
lokstem "takterak" volgt. In den regel komt nu binnen eenige minuten
een Roode Patrijs bij de kooi, om naar zijn kameraad te kijken. Daar
men in 't begin van den paartijd hanen als lokvogels gebruikt, zal de
jager zoowel hanen als hennen en dikwijls zelfs een paar, van deze
Vogels onder schot krijgen en ze gemakkelijk kunnen treffen, daar
zij zich ongedekt vertoonen. Deze jacht duurt ongeveer 14 dagen. Een
goede lokvogel wordt duur betaald, dikwijls kost hij 240 à 300 gulden;
niet zelden maakt de jager gedurende den "reclamo-tijd" 60 à 80 paar
Roode Patrijzen buit.
Op Sardinië, in sommige streken van Griekenland, veelvuldiger echter
in Noordwest-Afrika, met inbegrip van de Kanarische Eilanden, woont
de derde soort van het geslacht der Rotspatrijzen--het Klippenhoen
(Caccabis petrosa). Hij kenmerkt zich vooral, doordat de halsband
op kastanjebruinen grond van achteren wit gestippeld is. Evenals de
beide vorige soorten treft men hem dikwijls levend in diergaarden aan.
Onze Patrijs, ook wel Veldhoen of Hoen genaamd (Perdix cinerea),
verschilt van den Rooden Patrijs, behalve door de kleur, ook door
de bekleeding van den loop, die zoowel aan de voorzijde als aan de
achterzijde twee reeksen van schilden vertoont, door het ontbreken
van de wratvormige spoor en door het maaksel van den vleugel, waarin
de derde, vierde en vijfde slagpen de langste zijn. Het vederenkleed,
dat vele kleurvariaties vertoont--in verband met het land, waar het
dier voorkomt, de plaatselijke gesteldheid en de ligging van zijn
woonplaats--is minder fraai dan dat van den Rooden Patrijs, maar
toch zeer bevallig. Het voorhoofd, een breede streep over en achter
het oog, de zijden van den kop en de keel zijn licht roestrood; de
bruinachtige kop is met geelachtige, overlangsche strepen, de grauwe
rug met roestroode dwarsbanden, lichte schaftstrepen en zwarte,
fijne zigzaglijnen geteekend; de borst prijkt met een breeden band,
die op aschgrauwen grond met zwarte golflijnen geteekend is, zich aan
weerszijden van het onderlijf voortzet en hier door roestroode, aan
weerszijden wit gerande dwarsbanden wordt afgebroken; op den witten
buik staat een groote, hoefijzervormige vlek van kastanjebruine
kleur. Het oog is nootbruin; een smalle, naakte ring om het oog en
een streep, die zich van hier naar achteren uitstrekt, zijn rood; de
snavel is blauwachtig grijs, de voet bruinachtig. Totale lengte 26,
staartlengte 8 cM. Het wijfje is kleiner dan het mannetje en heeft
nagenoeg dezelfde kleur; deze is echter minder fraai, de bruine vlek
op den buik minder groot en minder zuiver, de rug donkerder.
De Patrijs bewoont Nederland, Duitschland, Denemarken, Skandinavië,
Groot-Britannië, België, het noorden van Frankrijk, geheel Hongarije,
Turkije, een deel van Griekenland, Noord-Italië, Asturië, Leon,
Opper-Katalonië en eenige gewesten van Aragon, is veelvuldig in Middel-
en Zuid-Rusland, de Krim, Klein-Azië en wordt in andere Aziatische
landen vervangen door een soort, die veel op hem gelijkt. Op
Nieuw-Zeeland heeft men hem geacclimatiseerd. Overal verkiest hij
vlakten boven gebergten; in de lage streken van Zwitserland b.v. is
hij veelvuldig, men ontmoet hem hier op geen grootere hoogte dan 1000
M. boven den zeespiegel. Voor zijn welzijn heeft hij goed bebouwde
gewesten noodig, die rijk zijn aan afwisseling; hij houdt daarom van
streken, waar hier en daar boschjes, met struikgewas bedekte heuvels
of althans dichte hagen voorkomen. Het woud wordt door hem gemeden,
niet echter de woudzoom en de boschjes in de nabijheid; evenmin schuwt
hij natte, moerassige plaatsen, wanneer deze althans hier en daar
met houtgewas begroeid zijn en kleine eilandjes bevatten, die even
boven het water uitsteken. Bij ons houdt hij zich op in graanvelden
of op ander bouwland, maar ook bij heidevelden, op droge weilanden,
aan open plaatsen in het bosch, op geestgronden, in duinpannen of op
de duinen zelve.
Weinige Vogels blijven het eens door hen gekozen gebied standvastiger
bewonen dan de Patrijs. De ervaring leert, dat de jongen blijven
wonen in de streek, waar zij geboren zijn. Wanneer dit wild in een
jachtterrein is uitgeroeid, duurt het dikwijls lang, voordat van de
grenzen af weer enkele paren in de verlaten streek doordringen en
haar op nieuw bevolkt hebben. In Noord-Duitschland en ook hier te
lande heeft men opgemerkt, dat bijna in iederen herfst rondzwervende
Patrijzen verschijnen, soms in groote gezelschappen. Men beweert,
dat deze Hoenderen, die door de jagers "Trekpatrijzen" worden genoemd,
kleiner zijn dan de zoogenaamde "Stand-" of "Bergpatrijzen".
Gewoonlijk stapt de Patrijs met ingetrokken hals en gekromden rug in
gebukte houding voort; als hij haast heeft, loopt hij meer rechtop met
vooruitgestoken hals. Even goed als zijne verwanten verstaat hij de
kunst van zich te verbergen, maakt hij gebruik van iederen schuilhoek,
en "drukt" zich in geval van nood op den vlakken grond, in de hoop
van niet opgemerkt te worden. Hoewel men zijn vlucht niet log kan
noemen, vereischt toch deze beweging veel inspanning en vermoeit
hem spoedig. Bij het opvliegen moet hij zijne vleugels snel en met
gedruisch bewegen; eens op een zekere hoogte gekomen, schiet hij
over groote afstanden met onbewogen vleugels door de lucht en geeft
slechts nu en dan door snelle vleugelslagen aan zijn lichaam een nieuwe
vaart. Hij vliegt niet graag hoog en zelden ver in één vlucht, vooral
niet bij een hevigen wind, daar deze hem letterlijk medesleurt. Evenals
zijne verwanten gaat hij niet op boomen zitten, althans niet, zoolang
hij gezond is; hierop komen echter uitzonderingen voor. Het behoort
reeds tot de zeldzaamheden, dat een Patrijs zich op het dak van een
huis neerzet. Daarentegen ziet men hem soms een kunst beoefenen, tot
welke men hem niet in staat geacht zou hebben: hij kan n.l. zwemmen.
Zijn gewoon geluid is de duidelijke, ver hoorbare klank "kirrhik," die
men zoowel van den vliegenden als van den zittenden Vogel verneemt. De
oude haan gebruikt dezen in "kirrhèk" veranderden loktoon zoowel om
zijn wijfje en zijne kinderen te roepen als om een tegenstander tot
den strijd uit te dagen. Beangste Hoenderen gillen "riepriepriepriep"
of brengen een als "tert" klinkend, ratelend geluid voort. De jongen
piepen als tamme kuikens en roepen later: "truupekier tuup." Een
prettige gemoedsstemming wordt door een dof "koerroek" aangeduid,
het waarschuwend sein is een zacht "koerr".
De Patrijs is schrander en verstandig, voorzichtig en schuw, maakt
wel degelijk onderscheidt tusschen vijanden en vrienden, wordt door
de ervaring wijzer en geeft blijken van groote geschiktheid om zich
in verschillende levensomstandigheden te voegen. Hij is gezellig,
vredelievend, trouw en offervaardig, buitengewoon teeder jegens zijn
wijfje en zijne kinderen; al deze goede eigenschappen toont hij echter
veeleer in den engen familiekring dan jegens andere dieren, al behooren
deze tot zijn eigen soort. Om zijn bezitting te verdedigen strijdt de
eene haan wakker met den anderen; een vereeniging van twee gezinnen
gaat steeds met vechtpartijen gepaard; daarentegen worden jongen,
die hunne ouders verloren hebben, zeer dikwijls in een vreemd gezin
opgenomen; de volwassene leiders van dit gezin toonen dan voor de
weezen evenveel liefde als voor hunne eigene kinderen.
Tegen den tijd, waarin de sneeuw smelt, ontwaakt bij de Patrijzen de
aandrift tot voortplanting. Reeds in Februari splitsen de vluchten,
die gedurende den winter trouw bijeenbleven, zich in paren en kiest
iedere haan een geschikte standplaats. Men hoort nu in den morgen-
en avonduren het uitdagende geschreeuw van de hanen, ook ziet men wel
eens twee van hen een ernstigen strijd om een wijfje uitvechten. Zij
springen dan tegen elkander op; ieder tracht zijn tegenstander met den
snavel en de klauwen te kwetsen. De zwakste partij moet wijken en de
overwinnaar keert jubelend naar zijn wijfje terug. Naar men beweert,
wordt een eens gesloten echtverbond alleen door den dood verbroken.
Tegen het einde van April, gewoonlijk eerst in het begin van Mei,
begint de hen te leggen. Haar nest is eenvoudig een ondiepe uitholling
in den vlakken bodem, die met eenige zachte halmen bekleed en dikwijls
op een zeer ondoelmatige plaats aangebracht wordt. Soms is het door een
struik bedekt; in de meeste gevallen echter staat het te midden van het
vroeg opschietende koorn, vooral in tarwe-, erwten- en koolzaad-akkers,
in de klaver of in het hooge gras van weiden, ook wel in het sinds
kort gekapte hout aan den rand van kleine boschjes te midden van het
veld. Elke hen legt 9 à 17 eieren; men onderstelt althans, dat de
nesten, waarin meer eieren gevonden werden, voor meer dan een hen
als legplaats dienden. De eieren zijn peervormig, glad van schaal,
niet zeer glanzig en lichtgroenachtig bruingrijs van kleur. De hen,
die voluit 26 dagen met ongeloofelijke zelfverloochening broedt en zoo
"vastzit", dat achtereenvolgens nagenoeg al hare buikveeren uitvallen,
verlaat het nest slechts zoolang, als volstrekt noodig is om voedsel
te zoeken. Terwijl de hen broedt, wijkt het mannetje niet uit haar
nabijheid, maar houdt oplettend de wacht, waarschuwt haar voor ieder
gevaar, aarzelt gewoonlijk niet zich hieraan bloot te stellen en keert
als het verdwenen is; weder naar zijn oude plaats terug. Daarom is na
het dooden van den haan in den regel ook een dergelijk lot aan de hen
beschoren. Trouwens een lang aanhoudende vervolging verdrijft soms
een paar Patrijzen van het nest, hoe groot de liefde van de ouders
voor hun kroost ook zij.
De jongen zijn allerliefste schepseltjes, ook reeds door hun
uiterlijk. Hun donzen kleed vertoont aan de bovenzijde een mengelmoes
van geelbruin, roestgeel, roestbruin en zwart, terwijl aan de
onderzijde lichtere kleuren de overhand hebben; de teekening bestaat
uit onafgebrokene reeksen van vlekken. Sinds hun eersten levensdag
bewegen zij zich zeer behendig, verlaten het nest reeds, voordat zij
geheel droog of van de aanhangende stukken eischaal bevrijd zijn en
strekken zeer schielijk partij van het onderricht hunner ouders. Deze
houden zich beide even ijverig met de opvoeding der jongen bezig;
de vader houdt de wacht, en waarschuwt en verdedigt hen, de moeder
leidt, voedt en beschut ze onder hare vleugels. Als een van de ouders
het leven verliest, neemt de overblijvende ook diens taak op zich, de
vader vervult dan tevens moederplichten. "De onvolprezen zorgvuldigheid
van de ouders voor hunne lievelingen," zegt Naumann, "treft ieder,
die deze Vogels bespiedt. Angstvallig rondziende of eenig gevaar zijn
gezin bedreigt en of het af te wenden is, loopt de vader heen en weer,
terwijl de moeder met een kort, waarschuwend geluid de jongen om zich
heen verzamelt, hen beveelt zich naar een schuilplaats te begeven,
ieder hunner er schielijk een aanwijst (in het koorn, in het gras,
in struiken, in een vore van den akker, in een wagenspoor enz.) en,
zoodra zij vermoedt, dat alle verborgen zijn, met den vader alle
middelen in 't werk stelt om den vijandelijken aanval te verijdelen
of af te wenden. Moedig stellen de beide ouders zich te weer, doen
echter, in 't besef van hun zwakheid, geen aanval op den vijand, maar
trachten zijn aandacht op hen zelf te vestigen, van de jongen af te
leiden, totdat zij van oordeel zijn, dat hij zich ver genoeg verwijderd
heeft. Dan vliegt eerst de moeder terug naar de jongen, die intusschen
geen voet breed afgeweken zijn van de hun aangewezen schuilhoek en
beijvert zich om ze zoo schielijk mogelijk een eind weegs verder te
brengen. Zoodra de vader zijne lievelingen in veiligheid acht, laat ook
hij den vervolger in den steek en vliegt terug. Wanneer alles in den
omtrek rustig en het gevaar voor een vijandelijke ontmoeting geweken
is, laat de haan zijn stem weerklinken, wacht het antwoord van het
wijfje af en voegt zich dadelijk weer bij zijn gezin. Geen roofdier
kan de waakzaamheid van de liefhebbende, zorgzame ouders verschalken,
zoomin over dag als 's nachts, indien niet bijzondere omstandigheden
den vijand begunstigen. Ook de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid,
de beminnelijke gehechtheid van de kinderen aan hunne ouders geven
dikwijls aanleiding tot bewondering."
Zoodra de kuikens hunne vleugels kunnen gebruiken, wijzigt zich hun
gedrag en dat der ouders. Indien thans een vijand naakt, vliegen allen
op, bewegen zich gezamenlijk een eind verder en strijken weder neer;
als zij ook hier opgejaagd worden, verdeelen zij zich in afzonderlijke
troepen of individuën, vliegen in verschillende richtingen weg,
laten zich op den grond vallen en "drukken" zich plat op den bodem,
of trachten zich loopend of door andere wijzen van verschuilen te
redden. Als de vader meent, dat het gevaar voorbij is, begint hij te
lokken; achtereenvolgens antwoorden alle kinderen, waarna de trouwe
ouders allengs weder de geheele troep om zich heen verzamelen, doordat
de vader de jongen ieder afzonderlijk haalt en naar de moeder brengt,
die de reeds aangekomene onder haar hoede heeft genomen. Later moeten
de jongen den vader een deel van zijne zorgen ontnemen, door als
voorposten dienst te doen en op den uitkijk te staan. Deze oefening
in het wachthouden, waaraan alle jonge hanen om beurten deel nemen,
draagt aanmerkelijk bij tot hun ontwikkeling. Als de jongen hunne
ouders verliezen, voegen zij zich bij een ander gezin.
In hun vroegste kindsheid eten de Patrijzen bijna uitsluitend Insecten,
later bovendien ook plantaardige stoffen, waarmede zij zich ten slotte
bijna uitsluitend voeden. Tot aan den oogsttijd houden de koppels zich
hoofdzakelijk in de graanvelden op; na den oogst begeven zij zich naar
de aardappelen- en koolakkers, omdat zij zich hier het best kunnen
verschuilen. In het laatst van den herfst zoeken zij het stoppelland
of liever nog den reeds omgeploegden, braakliggenden bouwgrond op,
omdat zij hier in de voren een schuilplaats vinden. De naburige
weiden worden wegens de Sprinkhanen, de hakhoutboschjes wegens de
mierenpoppen gaarne bezocht; den nacht brengt de koppel altijd in
't open veld door. Des morgens verlaten de Patrijzen hun leger en
begeven zich in de eerste plaats naar de droge gedeelten van het veld,
zamelen hier hun ontbijt bijeen, zoeken vervolgens de weilanden op,
van waar de nachtelijke dauw nu verdampt is, gaan als de middagzon
hinderlijk is, in de struiken, nemen soms een stofbad ("gullen"),
keeren des namiddags naar het stoppelveld terug en vliegen tegen den
avond weer naar hunne slaapplaatsen. Op deze wijze slijten zij hunne
dagen, totdat de winter aanvangt. Deze is voor hen een zeer moeielijke
tijd; dikwijls brengt hij hun den hongerdood. Het is niet de koude,
die hen hindert, maar de sneeuw, daar deze hun voedsel bedekt en soms
zoo hard wordt, dat zij niet in staat zijn om zich een doortocht
te banen tot de aarde, die hun voedsel bevat. Dit is wel mogelijk,
zoolang zij in de sneeuw graven kunnen; zij kennen de velden, waarop
het winterkoren of het koolzaad staat, zeer goed en komen hier altijd
betrekkelijk gemakkelijk aan den kost; zoodra echter door afwisseling
van dooi en vorst op de sneeuwlaag een ijskorst is ontstaan, geraken
zij in den grootsten nood, matten zich hoe langer hoe meer af, worden
gemakkelijk buitgemaakt door roofdieren of sterven zelfs van honger. In
strenge winters vergeten zij al hun vrees voor den mensch, begeven
zich naar de dorpen, zoeken in de tuinen bescherming en voedsel,
komen zelfs op het erf en in de schuur en vallen begeerig aan op
de zaadkorrels, die milddadige handen voor hen uitstrooien. Soms
worden de Hazen hunne redders, daar zij door hun woelen verborgen
voedsel aan den dag brengen. In meer dan een jachtdistrict sterft
gedurende een strengen winter al het patrijzenwild. Doch even snel
als de rampspoed kwam, kan het lot hun weer gunstig worden. Zoodra de
grond door de samenwerking van een zoelen wind en de zon op sommige
plaatsen bloot komt te liggen, zijn de Veldhoenderen hun leed te boven;
wanneer zij eenige dagen achtereen hun genoegen gegeten hebben, keert
ook de vroolijke levenslust, waardoor zij zich zoozeer onderscheiden,
spoedig weer in hun gemoed terug.
Alle viervoetige roofdieren bedreigen vooral de eieren en de jongen
van onzen Patrijs; de Havik en de Edelvalk, de Sperwer, de Buizerd,
de Kuikendief, de Raaf en de Vlaamsche Gaai zitten zoowel de ouden
als de jongen voortdurend op de hielen. Als men zich de gevaren voor
den geest haalt, waaraan een Patrijs is blootgesteld, voordat hij
zijn vollen wasdom bereikt heeft en bedenkt, dat hij bovendien nog
weerstand moet bieden aan het ruwe weer, kost het moeite te begrijpen,
hoe het mogelijk is, dat er nog Patrijzen bestaan. Dichte hagen of
kleine struikboschjes, zoogenaamde "remises", die bestemd zijn om
dit wild een toevluchtsoord te verschaffen, moesten op alle vlakten
aangelegd en zoo goed mogelijk onderhouden worden. Bovendien zou men
nog overal er op uit moeten zijn om den nood, dien iedere strenge
winter brengt, zooveel mogelijk te verzachten, door in de nabijheid
van zulke "remises" voedsel te strooien, voor de hier vertoevende
hongerlijders de tafel te dekken. De Patrijs veroorzaakt nergens
en niemand schade, draagt aanmerkelijk bij tot het verlevendigen
van onze velden, verblijdt iedereen door de lieftalligheid van zijne
handelingen, geeft aanleiding tot een der aangenaamste jachtbedrijven
en doet eindelijk voordeel door zijn uitmuntend vleesch.
Jong opgenomen en verstandig behandelde Patrijzen worden zeer tam,
geraken zeer gehecht aan hunne verzorgers, onderscheiden hen zeer
nauwkeurig van andere personen, klagen op een voor ieder verstaanbare
wijze over hun afwezigheid, begroeten hun komst met vreugdegeschreeuw,
liefkoozen hen en toonen zich op de duidelijkste wijze erkentelijk
voor de hun betoonde genegenheid, kortom, zij gedragen zich als leden
van het gezin. Een groote, stille volière is echter een vereischte
voor hun voortplanting in den gevangen staat.
De Frankolijns (Pternistes) kunnen beschouwd worden als overgangsvormen
tusschen de Patrijzen en de Fazanten. Van de eerstgenoemde
onderscheiden zij zich door het bezit van een langeren snavel, van een
langeren loop, die in den regel met één, soms ook wel met twee sporen,
gewapend is, van een langeren staart en van een dichter en dikwijls
zeer bont gekleurd vederenkleed. Men kent er tegenwoordig ongeveer 50
soorten van, die over Afrika, West-, Zuid- en Zuidoost-Azië verbreid
zijn. (Kort geleden was dit geslacht ook nog in Zuid-Europa door één
soort vertegenwoordigd). Zij leven bij paren of familiën in gewesten,
die rijk zijn aan struiken of kreupelhout, ook wel in echte bosschen,
waarschijnlijk echter bijna niet in het hoogstammige woud, maar liever
in oorden, waar lage struiken de overhand hebben en slechts hier en
daar enkele hooge boomen zich boven de omgeving verheffen. Zij zijn
alleseters in den letterlijken zin van het woord. Hunne begaafdheden
staan niet veel achter bij die van de andere leden der orde. Zij
loopen uitmuntend, hebben er meesterlijk slag van zich te midden van
het dichtste struikgewas te bewegen of door de verwardste rotskloven
heen te wringen, en vliegen, als het noodig is, met gemak en fraai,
hoewel zij zelden in één vlucht een grooten weg afleggen.
In Middel-Afrika worden de Frankolijns ijverig gejaagd en vaak
gevangen. De jacht op hen heeft bijna uitsluitend plaats met behulp van
uitmuntende Windhonden, die de loopende Hoenderen vervolgen en grijpen,
ja zelfs na het opvliegen voor hen nog gevaarlijk kunnen zijn, daar
zij door een geweldigen sprong zeer dikwijls den beoogden buit nog
bereiken. Voor het vangen van dit wild dienen netten, die dwars door
de struikbosschen worden gespannen, en strikken, die zóó tusschen de
struiken worden geplaatst, dat het door 't boschje sluipende Hoen
met den hals in den strik geraakt en zich worgt, of bij de pooten
wordt vastgehouden.
Nog voor omstreeks 50 jaren werd één soort van dit geslacht in
verscheidene landen van Zuid-Europa gevonden: vooral op Sicilië,
op eenige eilanden van de Grieksche Zee en in de nabijheid van het
meer Albufera bij Valencia in Spanje. Tegenwoordig is deze Vogel,
naar het schijnt, op al deze plaatsen geheel uitgeroeid en wordt in
geheel Europa niet meer gevonden. In vrij grooten getale komt hij
echter nog voor op Cyprus en in Klein-Azië, nog overvloediger in
Palestina, Syrië, Kaukasië, Perzië en het noorden van Indië.
De Frankolijn (Pternistes vulgaris) is een zeer fraaie Vogel. De
bovenkop en de nek zijn zwartachtig grijs, de zijden van den kop,
de kin en de keel zwart, de oorstreek wit; de kaneelbruine veeren van
den middelhals vormen een breeden, ringvormigen band, de veeren van
den bovenrug zijn op zwarten grond met witte, parelvormige vlekken
geteekend, aan den wortel zwart, omstreeks het midden gedeeltelijk
bruin en aan weerszijden met 1 à 3 langwerpig ronde, geelachtig
witte vlekken versierd, de donkerbruin-zwarte mantelveeren hebben
breede, geelachtig witte zijdestreepen en een geelachtigen zoom op de
buitenvlag; de onderrug, de staartwortel en de bovendekveeren van den
staart zijn zwart met talrijke, fijne dwarsstreepjes, de borst en de
zijden donkerzwart, de zijden met witachtige bij paren gerangschikte
vlekken, de buikveeren vosbruin met grijzen zoom, de onderdekveeren
van den staart donkerbruin; de vaal grijsbruine slagpennen hebben op de
buitenvlag ronde, leemgele vlekken, de grauwzwarte staartveeren op de
wortelhelft geelachtig witte dwarsbanden. De iris is donkerbruin, de
snavel zwart, de voet roodachtig geel. Totale lengte 34, staartlengte
10 cM.
Gevangen Frankolijns waren nog voor een 25 jaar niet bijzonder
zeldzaam in onze diergaarden, terwijl men ze tegenwoordig slechts
bij uitzondering een enkele maal te zien krijgt. Dit is niet slechts
een gevolg van de algemeene vermindering van het aantal dezer Vogels,
maar ook van hun geringe tembaarheid. Als zij eens tam geworden zijn,
planten zij zich in gunstige omstandigheden ook hier te lande in de
kooi voort.
De grootste soorten van de onderfamilie zijn leden van het geslacht
der Rotshoenderen (Megaloperdix). De zeer stevige pooten van het
mannetje zijn met een schopvormige spoor gewapend. Zij bewonen de
hooge gebergten van Azië; één soort komt echter in den Kaukasus voor
en kan dus nog onder de Europeesche Vogels gerekend worden.