Nieuwe Wereld verbreid. Van Duitschland bewoont het slechts den
noordoostelijksten hoek. In de landen, die ten noorden en ten oosten
van dit grensgebied gelegen zijn, komt het op alle geschikte plaatsen
veelvuldig voor. In Europa bewoont het dus geheel Noord-Rusland
(met inbegrip van de Oostzeeprovinciën) en Skandinavië, in Azië,
geheel Siberië en eindelijk in het hooge noorden van Amerika, alle
"pelterijdistricten" tusschen den 50en en 70en graad N.B. Binnen deze
grenzen zijn de Groote Sneeuwhoenderen zwerfvogels, die bij het naderen
van den winter, tot talrijke zwermen vereenigd, zuidwaarts trekken,
hoewel zij zelfs in de strengste winters in boschrijke gewesten op
67° N.B. in grooten getale gevonden worden. Van Koerland en Littauen
begeven zich ook thans nog iederen winter Groote Sneeuwhoenderen
naar Oost-Pruisen; enkele zijn zelfs, naar men zegt, in Pommeren
waargenomen. In zuidelijker gelegen gewesten heeft deze Vogel zich
nooit vertoond; ook in het hoogste noorden, op Groenland en zelfs op
IJsland, ontbreekt hij geheel.
In de toendra bewoont het Groote Sneeuwhoen de vlakten zoowel als de
lage heuvels, de hellingen zoowel als de dalen in nagenoeg gelijken
getale, omdat al deze terreinen nagenoeg dezelfde eigenaardigheden
vertoonen; in Skandinavië daarentegen blijft het beperkt tot de
middelste gedeelten van het gebergte; in de eigenlijke dalen komt
het slechts nu en dan en nooit anders dan voor korten tijd. De reden
hiervoor is duidelijk, als men weet, dat deze Vogels gehecht zijn
aan de berken en wilgen, welker rijk eerst begint boven de grenzen
van het naaldboomenwoud. Op de hoogvlakten van Skandinavië en in
de toendra zijn zij op sommige plaatsen ongeloofelijk overvloedig,
veelvuldiger stellig dan eenig ander Hoen. Het eene paar woont dicht
bij het andere en ieders gebied is zoo weinig uitgestrekt, dat het
zelden een middellijn van 500 schreden heeft. Gedurende de lente
verdedigt de haan de grenzen van zijn klein rijk ijverzuchtig tegen
iederen indringer.
Men mag het Groote Sneeuwhoen als betrekkelijk hoog begaafd
beschouwen. Het is een van de bedrijvigste en levendigste Hoenderen;
het is behendig en daarom zelden in rust; het heeft er slag van zich
in de meest verschillende omstandigheden behoorlijk te bewegen. De
breede, dicht bevederde voeten zijn uitnemend geschikt voor een snelle
beweging, zoowel over het bedrieglijke mostapijt als over de versch
gevallen sneeuw, waarschijnlijk ook voor 't zwemmen. Zijn wijze van
gaan is ongelijk. Gewoonlijk loopt het stappend in gebukte houding
met eenigszins gekromden rug en hangenden staart; het rent echter met
ongelooflijke snelheid voort, wanneer het vervolgd wordt. Het vliegt
met gemak en fraai. Zijn vlucht gelijkt meer op die van het Korhoen,
dan op die van den Patrijs, maar verschilt toch van beide. Het
mannetje laat, als het voor een korten poos gaat vliegen, bij het
opstijgen in den regel zijn luidklinkend "ver-rek-ek-ek-ek" hooren
en onmiddellijk na het neerstreken de doffe keelgeluiden "gaba-oe
gaba-oe"; het vliegende wijfje zwijgt steeds. In den winter graaft dit
Hoen diepe gangen in de sneeuw, niet alleen om zijn voedsel te kunnen
bereiken, maar ook om een schuilplaats te zoeken tegen de aanslagen
van Roofvogels; loodrecht uit de lucht naar beneden schietend, duikt
het dan als 't ware onder in de losse sneeuw. In strenge winters
zoekt het zich hier te beveiligen tegen den snerpenden wind: soms
hebben alle leden van den zwerm op deze wijze gehandeld en is ieder
zoover onder de sneeuw bedolven, dat slechts de kop er boven uitsteekt.
Het voedsel van dezen Vogel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardige
stoffen, in den winter uitsluitend uit de bladknoppen en verdroogde
bessen van allerlei struiken, in den zomer uit malsche bladen,
bloemen en uitspruitsels; ook eet het verschillende Insecten, die
bij het zoeken van dit voedsel binnen zijn bereik komen.
Het Groote Sneeuwhoen is een van de meest gezochte wildsoorten. Door
zijn verbazingwekkende veelvuldigheid verschaft het den niet al te
onhandigen jager een overvloedigen buit; vele bewoners van noordelijke
landen zijn daarom hartstochtelijke liefhebbers van deze jacht. Vooral
in den winter heeft zij plaats, omdat de gedoode dieren dan het best
overal heen gezonden kunnen worden zonder te bederven. Met het oog op
de kosten geschiedt de vangst meer met netten en strikken dan met het
geweer. Men kent de legerplaats van de Hoenderen en plaatst strikken
tusschen de berkenstruiken, waarheen zij zich moeten begeven om hun
voedsel te zoeken. Dat de vangst soms zeer overvloedig is, kan men
afleiden uit het feit, dat één wildhandelaar, in den loop van één
winter, op Dovrefjeld alleen 40.000 stuks verzamelen kon. Dit wild
wordt niet slechts naar Stockholm en Kopenhagen, maar in iederen
eenigszins strengen winter ook naar Duitschland en Groot-Brittannië
verzonden. De smaak van de jonge Sneeuwhoenderen komt volkomen overeen
met die van onze jonge Patrijzen.
In gevangenschap vindt men deze fraaie Vogels zelfs in Skandinavië
zelden.
Van het Gewone Sneeuwhoen, den Grey Ptarmigan der Engelschen (Lagopus
mutus), komen in verband met de ligging en de gesteldheid van zijn
woonplaats, verscheidene meer of minder verschillende, standvastige
ondersoorten voor, die door enkele onderzoekers als soorten
worden beschouwd. Zelfs in hetzelfde gebied ontmoet men talrijke
kleurverscheidenheden, vooral in den zomer. In de Zwitsersche Alpen
is het, volgens Schinz, al naar den tijd van het jaar zoo verschillend
van kleur, dat deze als 't ware in iedere zomermaand verandert. Steeds
zijn bij het mannetje de buik, de onderdekveeren van den staart,
de voorste dekveeren van den vleugel, de slagpennen en de loop wit;
de slagpennen hebben zwartachtige schaften en de staart is zwart. In
den zomer zijn de overige lichaamsdeelen echter zeer ongelijk van
kleur. Bij het voorjaarsruien, dat in het midden van April begint,
komen hier en daar zwartachtige veeren te voorschijn, waardoor het
kleed zwarte vlekken verkrijgt. In het begin van Mei zijn de kop,
de hals, de rug, de bovenste dekveeren van den vleugel en de borst
zwart, roestkleurig en wit gevlekt: sommige veeren zijn namelijk
geheel en al zwart met zeer onduidelijke, roestkleurige dwarsstrepen;
andere zijn zwart met licht roestgele en witachtige dwarsbanden;
aan de keel en aan de zijden van den hals treedt het wit het meest
op den voorgrond. De gekleurde veeren staan bont door elkander heen,
niet zelden met eenige zuiver witte er tusschen; alle verbleeken
echter langzamerhand zoo sterk, dat het kleed tegen het einde van
Augustus of in September vooral op den rug fraai licht aschgrauw is
geworden met roode stippels; de roestkleurige banden aan den hals en
den kop zijn bijna geheel wit geworden, hoewel meestal nog eenige
zeer onregelmatig roestgeel en zwart gestreepte veeren tusschen
de andere voorkomen. Bij het wijfje zijn al deze deelen zwart met
roestgele golflijnen en de banden veel breeder en duidelijker. In den
winter wordt het geheele vederenkleed wit met uitzondering van de
zwarte, thans licht gezoomde stuurpennen (bij het mannetje blijven
ook de teugelveeren zwart); soms zijn echter eenige bonte veeren
overgebleven. Gedurende het najaarsruien, dat in October begint,
zien de Sneeuwhoenderen er bont uit; reeds in November echter zijn
zij sneeuwwit geworden. Boven ieder oog bevindt zich een roode, met
wratten bedekte, aan den bovenrand uitgetakte huidplooi, die bij het
mannetje veel sterker ontwikkeld is dan bij het wijfje. Het oog is
donkerbruin, de snavel zwart. Totale lengte 35, staartlengte 10 cM.
De Sneeuwhoenderen in het noorden wijken van die der Alpen meer
of minder sterk af, zoowel in grootte als door de kleur van het
zomerkleed; dit is echter altijd in overeenstemming met de kleur van
het gesteente, waarop zij leven.
Het Gewone Sneeuwhoen bewoont den Alpenketen in zijn geheele
uitgestrektheid, de Pyreneën, de Schotsche Hooglanden, alle hooge
bergtoppen van Skandinavië, IJsland, de gebergten van Noord-Siberië en
die van Noord-Azië in 't algemeen, het noorden van het Amerikaansche
vasteland en Groenland. Van de Alpen dwaalt het soms af naar het
Schwarzwald. In tegenstelling met het Groote Sneeuwhoen bewoont het
Gewone uitsluitend kale, niet met struiken begroeide oorden; op de
Alpen treft men het altijd boven den gordel van den boomgroei aan,
dicht bij sneeuw en ijs, in Noorwegen op naakte, met rolsteenen bedekte
bergtoppen; alleen op IJsland en Groenland bewoont het gedurende den
broedtijd lagere gewesten, zelfs vlakten in de onmiddellijke nabijheid
van de zee.
Het Gewone Sneeuwhoen verschilt in levenswijze aanmerkelijk van zijne
verwanten. Het is rustiger van aard en geeft blijken van minder
ontwikkelde geestvermogens. Het loopt en vliegt nagenoeg als het
Groote Sneeuwhoen, misschien zelfs met geringer inspanning. Lang
achtereen vliegt het echter slechts zelden en nooit anders dan
wanneer het vervolging te verduren heeft. In één opzicht toont het
duidelijk een grootere begaafdheid: het zwemt, zooals meermalen werd
opgemerkt, niet slechts in geval van nood, maar ook zonder dringende
noodzakelijkheid. Ook wat de stem betreft, bestaat er een aanmerkelijk
verschil. "Bij zwaren nevel," zegt Schinz, "en als er sneeuw of
regen in aantocht is, schreeuwen de Sneeuwhoenderen onophoudelijk
"kreu-geu-geu-eugreu" of ook wel "eueu-geueu-euneu-geueu." Het geluid
waarmede de oude Vogels hunne jongen lokken of tegen een Roofvogel
waarschuwen, klinkt als "gè-gè gagè-è", dat van de jongen als "tsiep
tsiep tsiep"." Andere waarnemers maken alleen melding van een zeer dof,
rochelend, diep uit de keel komend "aah," verbonden met een ratelend
geluid, dat niet goed door klankteekens kan worden uitgedrukt.
Het voedsel van het Sneeuwhoen bestaat hoofdzakelijk uit plantaardige
stoffen. Op de Alpen vindt men zijn krop gevuld met bladen van
Alpenwilgen en heide, met knoppen van dennen, Alpenrozen, boschbessen
en braambessen, verschillende bloemen enz.; het pikt op de wegen
haverkorrels op uit den mest van Paarden en Muilezels en maakt in
den zomer jacht op allerlei Insecten.
In Mei ziet men de Sneeuwhoenderen gepaard; het mannetje blijft bij het
wijfje, zoolang het broeden duurt, maar verwijdert zich voor eenigen
tijd van zijn gezin, als de jongen uit het ei gekomen zijn, en brengt
in het hooge gebergte den warmsten tijd van den zomer door. Hij was
vóór dien tijd stil en treurig, maar wordt nu opgewekt, laat dikwijls
zijn stem hooren, vliegt zeer vlug en met geringe vleugelbeweging
voor zijn genoegen rond, stijgt in schuine richting omhoog, blijft een
oogenblik met trillende vleugels op dezelfde plaats "staan" en stort
zich daarna plotseling naar beneden; soms neemt hij ook standen aan,
die eenigermate herinneren aan den dans van andere Ruigpoothoenderen
gedurende het balderen. Hij bemoeit zich zoomin met het broeden als
met de opvoeding der jongen.
De hen zoekt tegen het midden of het einde van Juni onder een lagen
struik of onder een beschuttenden steen een geschikte plaats voor haar
nest uit, graaft hier een ondiep kuiltje, bekleedt dit op kunstelooze
wijze met droge bladen en legt hier op 9 à 14, soms wel 16 eieren,
die op roodgelen grond met donkerbruine vlekken gestippeld zijn. Het
wijfje bebroedt ze met zelfverloochenenden ijver, zoodat na ongeveer
3 weken de jongen uitkomen.
Het donskleed van de kuikens is zeer bont, maar stemt toch niet minder
dan dat van andere jonge Hoenderen met de kleur van den bodem overeen.
Op IJsland en Groenland, waar de Sneeuwhoenderen dikwijls ook in de
dalen broeden, ziet men de gezinnen in het einde van Augustus nog in de
lage landen; in het begin van October echter begeeft de hen zich met
hare nu geheel volwassen jongen naar de hooge bergen; hier vereenigen
zich de tot dusver gescheiden troepen en vormen zwermen, die dikwijls
zeer talrijk zijn. Deze blijven gewoonlijk gedurende den geheelen
winter in de bergstreken en leiden een tamelijk geregeld leven. Reeds
bij 't aanbreken van den dag ziet men ze bezig met het opzoeken van hun
voedsel; zelden echter vliegen zij, voordat de middag reeds eenigen
tijd voorbij is. Tot kleine troepen vereenigd, begeven zij zich dan
naar het dal, naar de zeekust enz. In den regel keeren zij spoedig
naar de bergen terug; wanneer de dalen vrij zijn van sneeuw, blijven
zij er langer. Bij zeer lage temperatuur bestaat de nevel op de toppen
van hooge bergen en in de poolstreken meestal uit fijne ijskristallen,
die den vorm hebben van zeshoekige plaatjes en zich overal afzetten;
door dit zoogenaamde "ijsstof" verkeeren de Sneeuwhoenderen in de
onmogelijkheid om voedsel te vinden; zij zoeken dan hun toevlucht
in lager gelegen oorden, moeten soms ver rondzwerven en groot gebrek
lijden. Faber verhaalt, dat de uitgehongerde Vogels op Groenland en
IJsland zelfs in menschelijke woningen binnendringen of over mijlen
breede zeearmen heenvliegen naar kleine eilanden, die met weinig
sneeuw bedekt zijn en hun een rijk weideveld beloven. In Noorwegen
handelen zij evenzoo, in Zwitserland komt iets dergelijks voor.
Door de armoede en onherbergzaamheid van zijn woonplaats komt het
Sneeuwhoen niet zelden in grooten nood. Wel stelt het geringe eischen,
wel weet het bestendig storm en ruw weer te ontwijken, tegen iedere
weersgesteldheid is het echter niet opgewassen. Sneeuwbuien in den
winter leveren bij weinig bewogen lucht geen groot bezwaar op, al
duren zij dagen achtereen; onder lawinen, onder sneeuwmassa's, die bij
de bergen naar beneden rollen, wordt echter menig Hoen verpletterd;
menig ander sterft van honger, als een harde ijskorst de sneeuwlaag
bedekt. Maar niet alleen de natuur behandelt deze weerlooze Vogels
ruw en soms zelfs vijandig; de mensch en alle roofdieren doen dit
ook en in nog veel hoogere mate; ieder jaar worden zij bij duizenden,
bij honderdduizenden zelfs gevangen, zoowel door den met een geweer
gewapenden jager, als door de Vossen en Veelvraten, den Jachtvalk en
den Sneeuwuil.
Oud gevangen Sneeuwhoenderen worden tam, d. w. z. geraken gewoon aan de
kooi en aan het voedsel, dat de mensch hun verschaft; men kan ze zelfs
lang in 't leven houden. Jonge Vogels vereischen zulk een zorgvuldige
verpleging, dat het slechts zelden gelukt ze groot te brengen.
De Veldhoenderen (Perdicinae), die de tweede, goed begrensde
onderfamilie van de Fazantvogels vormen, onderscheiden zich van de
Ruigpoothoenderen door een slanke gestalte, een betrekkelijk kleinen
kop en een onbevederden loop.
Met uitzondering van het hooge noorden bewonen zij alle landen van
de Oude Wereld en hier alle gewesten, van het zeestrand tot op zeer
aanzienlijke hoogten in het gebergte.
Hoewel verreweg de meeste, in overeenstemming met hun naam, aan een
open, niet met boomen begroeid terrein de voorkeur geven, zijn er
toch ook vele, die juist het woud tot verblijfplaats kiezen en hier
een even verborgen leven leiden als eenig ander Hoen. Zij hebben vele
kenmerkende eigenaardigheden. Vlugger en behendiger dan vele andere
vertegenwoordigers hunner orde, vliegen zij tamelijk snel, ofschoon
eenigszins log en zelden hoog en ver; zooveel mogelijk vermijden
zij een zitplaats op boomen. Door hunne geestvermogens staan zij,
naar het schijnt althans, boven de Ruigpoothoenders. Scherpzinnig en
betrekkelijk schrander, schikken zij zich licht in zeer verschillende
omstandigheden en toonen een zekere list bij het ontwijken van
gevaren; bovendien zijn zij moedig en strijdlustig. Voor zoover bekend,
leven alle Veldhoenderen in monogamie (ieder mannetje met slechts één
wijfje). Het mannetje zorgt voor de veiligheid van het broedende wijfje
en van de jongen. De hen legt in een kunsteloos nest een betrekkelijk
groot aantal eieren; deze zijn éénkleurig of op lichtgeelachtigen
(bruinachtigen) grond donker gevlekt. Als de jongen volwassen zijn,
komt het dikwijls voor, dat verscheidene familiën zich vereenigen en
talrijke vluchten vormen. Het voedsel van de Veldhoenders verschilt
in zoover van dat der Ruigpoothoenders, dat zij bijna geen andere
dan weeke, deels plantaardige, deels dierlijke stoffen eten. Van
dennennaalden en dergelijk slecht voedsel, waarmede het Auerhoen zich
behelpt, leeft stellig geen der leden van deze onderfamilie; alle maken
ijverig jacht op allerlei Insecten en hunne larven; de meesten houden
meer van zaden dan van andere plantendeelen, zooals bladen en knoppen.
Op alle soorten van deze groep, geen enkele uitgezonderd, wordt met een
eenigszins hartstochtelijken ijver jacht gemaakt. Allerlei middelen
doen hierbij dienst. Geweren en andere wapenen, netten en strikken,
gedresseerde Valken en Honden doen ieder jaar en overal duizenden
Veldhoenderen sneven; bijna overal worden de aldus gedunde rijen
dezer Vogels door hun snelle voortplanting schielijk weer aangevuld.
De Veldhoenders geraken licht aan het leven in gevangenschap gewoon;
vele kan men bij eenigszins zorgvuldige behandeling jaren lang in de
kooi houden; de meeste planten zich hier zelfs voort.
Bij de Rotspatrijzen (Caccabis) is de romp zwaar, de hals kort, de kop
betrekkelijk groot, de snavel tamelijk lang, maar krachtig, de loop met
een stompe spoor of althans met een hoornachtig knobbeltje voorzien;
de spits van den middelmatig langen vleugel wordt door de derde en de
vierde handpen gevormd; het vederenkleed is goed gevuld, hoewel het
glad tegen het lichaam aanligt. De roodachtig grijze hoofdkleur gaat
bij sommige soorten in leikleur over; de voorhals en de bovenborst
benevens de flanken onderscheiden zich door in 't oog vallende kleuren.
Bij den Steenpatrijs (Caccabis saxatilis) zijn de bovenzijde en de
borst blauwgrijs met roodachtigen weerschijn; twee banden, waarvan
de eene de witte keel omsluit, en de andere, onmiddellijk achter
den snavelwortel beginnend, zich over het voorhoofd uitstrekt,
benevens een vlekje aan de kin aan iederen hoek van de onderkaak,
zijn zwart; de veeren van de flanken zijn afwisselend geelroodbruin
en zwart gestreept, de overige veeren van de onderzijde roestgeel;
de slagpennen zijn zwartachtig bruin met geelachtig witte schaften en
roestgeelachtige strepen aan den kant van de buitenvlag, de buitenste
stuurpennen roestrood. Het oog is roodbruin, de snavel koraalrood,
de voet lichtrood. Totale lengte 35, staartlengte 10 cM.; het wijfje
is, zooals gewoonlijk, iets kleiner.
In de 16e eeuw kwam de Steenpatrijs nog voor in de rotsachtige
gebergten langs den Rijn, vooral in de buurt van St. Goar; thans
is hij, wat Middel-Europa betreft, tot de Alpen beperkt en wel tot
Boven-Oostenrijk, Opper-Beieren, Tirol en Zwitserland. Veelvuldiger
treft men hem aan ten zuiden van dit gebergte, in Zuid-Tirol en
Italië, waar hij vooral de gebergten van Ligurië en de provincie
Rome bewoont. Zeer algemeen is hij in geheel Griekenland, Turkije,
Klein-Azië, Palestina en Arabië. Volgens sommigen zouden de
Steenpatrijzen, die Middel-Azië, van de Grieksche Eilanden tot
Zuid-China, benevens Perzië en Indië bewonen, een afzonderlijke
soort--de Tsjoekar--vormen. Vermelding verdient het, dat de
Steenpatrijzen, die de Alpen duidelijk de voorkeur geven aan de
hoogten boven de laagten en het veelvuldigst aangetroffen worden
op zonnige, min of meer met gras bedekte, uit steengruis bestaande
glooiingen tusschen de houtgrens en de sneeuwgrens, in het zuiden
ook de vlakten bevolken.
Door behendigheid, scherpzinnigheid, schranderheid, moed,
vechtlust en geschiktheid om getemd te worden, onderscheidt de
Steenpatrijs zich, evenals al zijne verwanten, zeer gunstig van andere
Hoenderen. Zijn stem herinnert in vele opzichten aan het kakelen van
de Huishoenderen. Zijn voedsel bestaat uit verscheidene plantaardige
stoffen en velerlei kleine dieren. In het hooge gebergte voeden
de Steenpatrijzen zich o.a. met de knoppen van de Alpenroos, met
bessen, malsche bladen en verschillende zaden, bovendien echter ook
met Spinnen, Insecten, larven enz.; in lager gelegen streken bezoeken
zij de akkers, vooral zoolang de graanhalmen nog kort en groen zijn,
en verslinden dan soms niets anders dan de topspruitjes van de jonge
tarwe en van het overige groene koren; in den winter eten zij ook wel
jeneverbessen en behelpen zich met sparrenaalden. Op plaatsen, waar
de Steenpatrijzen veelvuldig zijn, vereenigen zich in den naherfst
dikwijls verscheidene familiën tot talrijke vluchten.
Dat de Steenpatrijs gemakkelijk getemd kan worden is den Grieken,
Zwitsers, Indiërs en Perzen wel bekend; men vindt daarom bij hen dezen
Vogel vaak in een kooi. Een mannetje en een wijfje leven hier in vrede;
twee mannetjes liggen met elkander voortdurend overhoop, niet zelden
bijt het eene het andere dood. Hun onverdraagzaamheid en strijdlust
was reeds aan de ouden bekend; deze hielden de Steenpatrijzen vooral
gevangen om ze tot vermaak van de toeschouwers te laten vechten. Dit
geschiedt ook thans nog in Indië en China, waar men de Steenpatrijzen
zoo tam maakt, dat zij volslagen huisdieren zijn. Zij loopen vrij
rond, maken als 't ware deel uit van 't gezin en volgen hun meester
over het erf en door den tuin. Enkele worden zoo overmoedig, dat zij
zich allerlei plagerijen veroorloven tegen vreemdelingen of tegen
de huisbedienden, van welker ondergeschiktheid zij bewust schijnen
te zijn.
In Zuidwest-Europa wordt de Steenpatrijs vervangen door den
Rooden Patrijs (Caccabis rufa), die zich van den eerstgenoemden
vooral onderscheidt, doordat op de bovendeelen de roode kleur de
overhand heeft, terwijl bovendien de halskraag breeder is en zich
van onderen in zwarte vlekken splitst. De roodachtig grijze kleur
van de bovenzijde is op den achterkop en in den nek het helderst,
bijna zuiver roestrood, slechts op de kruin grijsachtig; de borst
en de bovenbuik zijn zuiver bruinachtig aschgrauw, de onderbuik en
de onderdekveeren van den staart geel; de verlengde veeren van de
flanken vertoonen op licht aschgrauwen grond witachtig roestkleurige
en kastanjebruine dwarsbanden, die door donkerzwarte strepen scherper
begrensd worden. Een witte band, die op het voorhoofd begint, vormt
door zijn achterwaartsche verlenging een duidelijk in 't oog vallende
wenkbrauwstreep; het door den halskraag omsloten, naar binnen scherp
begrensde, bijna zuiver witte keelveld steekt scherp bij zijn omgeving
af. Het oog is lichtbruin, de ring om het oog vermiljoenrood, de snavel
bloedrood en de voet karmijnrood. Totale lengte 38, staartlengte 11 cM.
Het verbreidingsgebied van den Rooden Patrijs is eerst door
onderzoekingen uit den laatsten tijd met eenige zekerheid bepaald;
vroeger werd hij dikwijls met zijne verwanten verward. Hij bewoont
uitsluitend het zuidwesten van ons werelddeel, te beginnen bij
het zuiden van Frankrijk, voorts Spanje, Portugal, Madera en de
Azoren. Reeds op Malta behoort hij tot de zeldzaamheden en verder
oostwaarts ontmoet men hem waarschijnlijk niet meer. Ongeveer een eeuw
geleden heeft men hem in Groot-Britannië geacclimatiseerd; tegenwoordig
is hij hier in eenige oostelijke graafschappen bijna nog talrijker
dan de Gewone Patrijs. Ook in ons vaderland komt deze Vogel nu en
dan voor. Meer dan eens werd hij te Mook (Limburg) geschoten en ook
eenmaal bij Maastricht. De Roode Patrijs houdt veel van bergstreken,
die met bouwlanden afwisselen. In Spanje vindt men hem op bijna alle
bergen, met uitzondering misschien van de ketens langs de noordkust,
tot op een hoogte van 2000 M. boven den zeespiegel.