Het Korhoen onderscheidt zich gunstig van het Auerhoen door zijn

gezelligen aard. Zoowel de mannetjes als de wijfjes vormen ieder voor

zich meer of minder talrijke vluchten.

Volgens het oordeel van vele jagers levert de lente geen schooner

schouwspel op dan het balderen van het Korhoen. Aantrekkelijk is

deze liefdesdans wegens de ruimte van het hiervoor dienende terrein,

het ver gevorderde jaargetijde, het aantal hanen, die aan den dans

deelnemen, hun schoonheid en behendigheid, de afwisseling van hunne

dansen, de ver door het woud weerklinkende stemmen van de dansers en

meer dergelijke redenen.

In Duitschland begint het balderen, als de knoppen van de berk

opzwellen, dus gewoonlijk in de tweede helft van Maart; het wordt

voortgezet gedurende de geheele maand April en houdt eerst in Mei

op. In de hooge bergstreken en in de noordelijke landen begint het

balderen later en duurt soms tot het midden van Juni, ja zelfs tot

in Juli.

Het Korhoen kiest voor zijn spel een open plek in het woud, bij

voorkeur een weiland of een onbewoond terrein, soms ook wel een

houtkapping, waar het pas gezaaide geboomte nog geen bezwaar kan

opleveren. In streken waar de Korhoenderen talrijk zijn, komen op

gunstig gelegen dansplaatsen vele hanen bijeen, in het noorden dikwijls

30 à 40, soms wel 100 stuks. Gewoonlijk begint het spel van den haan

vóór het krieken van den dag; dit is volgens Tschudi evenzeer het geval

in hooge bergstreken: "Vóór den aanvang van de morgenschemering, bijna

één uur vóór zonsopgang hoort men in de Alpen het eerste vogelengezang,

de korte melodie van het Zwarte Roodstaartje; voor een poos is deze

stem de eenige, die aan de stilte van den nacht een einde maakt. Weldra

wordt zij gevolgd door den honderdstemmigen slag van de Belijster,

die, door alle bergdalen en langs alle rotswanden weergalmend, alle

Vogels wekt: de slapers van het donkere bergwoud zoowel als de bewoners

van de kromhoutdennen boven de grens van den boomgroei. Onmiddellijk

daarna, ruim een half uur vóór zonsopgang schalt voor het eerst de

klankrijke roepstem van het bolderende Korhoen ver in het rond, en

wordt zij beantwoord door zijne op allerlei plaatsen (op dezen Alp,

op gindschen rotsklomp, in het naburige, boschrijke bergdal, in de

afgelegen kromhoutwildernis) schuilende genooten. Meer dan een half

uur ver hoort men duidelijk het doffe gorgelen en het sissende blazen

van het Korhoen boven al het vogelgejubel uit."

Het balderen is zoowel een liefdedans als een liefdesgezang. Nadat

de haan, die het sein gaf, zich overtuigd heeft, dat alles veilig is,

laat hij in de eerste plaats het "slijpen" hooren, een merkwaardig, hol

klinkend gesis, dat ongeveer als "tsjj-ksj" klinkt; hierop volgt het

zoogenaamde "korren", dat Nilsson zeer juist nabootst door de geluiden

"roettoeroeroet-toe-roeïki-oerr-oerr-oerr-rrroettoeroe-roettoe-roeki."

Als de haan zeer opgewonden is, baldert hij aan één stuk door, zoodat

het korren en het slijpen voortdurend met elkander schijnen af te

wisselen en men het begin en het einde van de strophen nauwelijks

meer onderscheiden kan; hij gooit er ook wel eens een kraaiend

geluid tusschen in. Zelden komt het echter voor, dat hij, als het

Auerhoen, alles om zich heen vergeet en doet, alsof hij doof en blind

is. Zijne bewegingen gedurende het balderen zijn opgewonden, haastig

en vreemdsoortig. Alle bewegingen nemen nog zeer in hevigheid toe,

als verscheidene Korhoenderen op dezelfde plaats invallen; dan wordt

de dans vervangen door een verwoed gevecht, waarin de strijders vaak

menige veer verliezen. Hoe fel zij echter ook op elkander gebeten

schijnen, ernstige verwondingen komen zelden en misschien nooit voor;

het doel van den strijd schijnt te zijn: de tegenpartij te verjagen,

niet hem te kwetsen.

In het midden van Mei maakt het Korhoen toebereidselen voor het

broeden. Het nest is, evenals dat van het Auerhoen, eenvoudig een

ondiep uitgeholde, hoogstens met eenig nestmateriaal bekleede holte,

die op een veilige plaats tusschen hoog gras, onder kleine struiken

of zoo iets gelegen is. Het nest bestaat uit 7 à 10, soms niet minder

dan 12 eieren, die op grijs-gelen, lichtgrijzen of roodachtig gelen

grond met donkergele, roest- of olijfbruine en grijze vlekken en

stippels dicht bestrooid zijn. Van de jeugd der kuikens en van hun

vederenwisseling valt ongeveer hetzelfde op te merken als van het

Auerhoen. Reeds op den eersten levensdag weten de jongen zich behendig

te verbergen, spoedig leeren zij fladderen en reeds na eenige weken

zijn zij in staat de ouden overal te volgen. Toch hebben ook zij nog

vele gevaren te verduren, voordat hun groei is afgeloopen.

Allerlei roofdieren en ook de mensch maken overal ijverig jacht op het

Korhoen. In Duitschland schiet men de oude hanen gedurende het balderen

en houdt in het najaar drijfjachten om de jongen te bemachtigen. In de

hooge bergstreken en in de noordelijke landen worden de Korhoenderen,

evenals de Auerhoenderen, gedurende het geheele jaar, behalve in

den paartijd, vervolgd. Het meest in trek is echter overal de jacht

gedurende het balderen, ook al, omdat de jager, zelfs wanneer hij

zijn doel niet bereikt, een schadeloosstelling voor zijn moeite vindt

in het aantrekkelijke schouwspel, dat hem geboden wordt. In Tirol

en in de Beiersche hooglanden wordt het Korhoen bijzonder ijverig

vervolgd, omdat zijne staartveeren zeer gewild zijn als versiersel

op den hoed van jonge knapen. Nog maar weinige tientallen van jaren

geleden werden Korhoen-veeren aangemerkt als een uitdaging en een

teeken van vechtlust, wanneer zij op een bepaalde wijze aan den hoed

waren gehecht. Volgens Tiroolsche overleveringen draagt de duivel,

wanneer hij, gelijk zoo vaak geschiedt, in de gestalte van een jager

zich vertoont, een halven Korhoen-staart op den hoed; niet aan de

linkerzijde zooals een christelijke jager, maar altijd rechts; de

vrome kan hem hieraan dus gemakkelijk herkennen en zich voor zijne

gevaarlijke verlokkingen wachten.

Oud gevangen Korhoenderen kan men bij behoorlijke verzorging jaren lang

in 't leven houden; zelfs in de gevangenschap planten zij zich voort,

wanneer men hun een voldoende ruimte verschaft. De pas uit het ei

gekomen jongen vereischen dezelfde zorg als de jonge Auerhoenderen,

maar veroorzaken, als zij eens volwassen zijn, weinig meer last dan

Huishoenderen.

In streken, waar Auerhoenderen en Korhoenderen in elkanders nabijheid

wonen en waar het aantal Auerhanen buitengewoon sterk verminderd is,

komt het soms voor, dat Auerhennen de bolderplaats van een Korhaan

bezoeken; iets dergelijks heeft men, hoewel zeldzamer, van wijfjes

van deze en mannetjes van gene soort opgemerkt. Op deze wijze en ook

door paring van gevangen exemplaren zijn bastaarden ontstaan, die

Rakkelhoenderen (Tetrao urogallo tetrix) worden genoemd. Men vindt

ze in Duitschland, in Zwitserland, maar vooral in Skandinavië. Wat

grootte, gestalte en kleur betreft, houden zij min of meer het midden

tusschen hunne ouders.

Behalve het Auerhoen en het Korhoen ontmoet men in de Europeesche

wouden nog een derde lid van hetzelfde geslacht, het Hazelhoen

(Tetrao bonasia). In vorm komt het met zijne beide reeds genoemde,

aanmerkelijk grootere verwanten overeen; de loop is echter slechts

voor drie vierde deel van de lengte bevederd en heeft naakte teenen,

de afgeronde staart bestaat uit 16 pennen; de veeren van de kruin zijn

vooral bij het mannetje sterk verlengd en kunnen tot een kuif worden

opgezet. De bovendeelen hebben witte vlekken op een roestroodgrijzen

grond, terwijl de meeste veeren bovendien met zwarte golflijnen

geteekend zijn; op de bovenzijde van den vleugel, welks kleur een

dooreenmenging van roestkleurig grijs en roestrood is, komen witte,

overlangsche strepen en witte vlekken duidelijk uit; de keel is zwart,

door een witten rand omgeven, de onderzijde overigens roestkleurig met

witte en bruine vlekken; de slagpennen zijn grijsbruin, op de smalle

buitenvlag roodachtig wit gevlekt; de stuurpennen zijn zwartachtig

met aschgrauw doormengd, de middelste met roestkleurige banden en

teekeningen. Het oog is nootbruin, de snavel zwart, het onbevederde

deel van den poot hoornbruin. Het wijfje heeft geen zwarte keel; hare

veeren zijn minder levendig van kleur, meer grijs dan roestrood. De

totale lengte bedraagt gemiddeld 45, die van den staart 13 cM. Het

wijfje is ongeveer een vijfde kleiner dan het mannetje.

Het verbreidingsgebied van het Hazelhoen strekt zich uit van de

Pyreneën tot aan den poolcirkel en van de kust van den Atlantischen

Oceaan tot aan die van de Stille Zuidzee. Het bewoont liever

bergstreken dan vlakten; maar houdt zich ook in gene slechts hier en

daar voortdurend op. In Nederland werd deze Vogel slechts éénmaal,

en wel in 1895 bij Winterswijk, gevangen. In het Alpengebied, in

Beieren, Silezië, Posen, Oost- en West-Pruisen is hij niet bijzonder

zeldzaam. Groote, donkere, gemengde wouden, vooral die, welke uit

eiken, berken, elzen en noteboomen, of althans uit naaldboomen,

berken en espen bestaan, en in deze wouden meer bepaaldelijk weinig

bezochte hellingen, die aan de zuidzijde liggen en aan steenachtige,

met bessendragende struiken begroeide glooiingen grenzen, worden bij

voorkeur door hem bewoond; in het zuivere naaldhoutbosch daarentegen

treft men hem zelden en altijd slechts eenzaam aan. In wouden, die

aan de gestelde eischen voldoen, vestigt hij zijn verblijf op dicht

begroeide plaatsen en zoekt hier zijn heil telkens als hem een gevaar

bedreigt. Vooral de hanen begeven zich in den herfst tamelijk geregeld

naar naburige bosschen of houtkappingen om zich aan velerlei bessen

te goed te doen.

Het Hazelhoen leeft gaarne verborgen. Men krijgt het slechts zelden

te zien; om het te ontmoeten, heeft men de beste kans, wanneer men

op de loer gaat liggen en zich stil houdt bij een open plek, die het

moet passeeren, om van het eene bosch naar het andere te loopen; in

het koude jaargetijde kan men het ook soms op een dikken boomtak zien

zitten; dikwijls vleit het zich lang uit neer op den tak en laat zelfs

den kop er op rusten, zoodat het zeer goed verborgen is. Wanneer het

van een dunne twijg wordt opgejaagd, vliegt het meestal snel weg en

verbergt zich in de struiken op den bodem; wanneer het op den grond

verrast wordt, vliegt het in den regel in een der naburige boomen

en kijkt van daar nieuwsgierig naar den rustverstoorder uit. Het is

merkwaardig vlug en behendig en kan ook uitmuntend springen. Het

vliegt ongeveer op dezelfde wijze als de andere Ruigpoothoenders,

veel minder log, maar toch iets langzamer dan het Korhoen; alleen

in den beginne hoort men een zacht snorrend (nooit echter een luid

klaterend) gedruisch; later is dit nauwelijks merkbaar. De stem van

den haan verschilt vrij aanmerkelijk van die van de hen en biedt

vooral bij deze nog al eenige verscheidenheid aan. De loktoon van

de Hazelhoenderen, die in 't eerste levensjaar samenleven (tot een

"kluft", "klucht" of "vlucht" vereenigd zijn), klinkt als "pi pi pi

pi", zoowel van de hanen als van de hennen. Als de jongen, hoewel

nog tot een kluft vereenigd, geslachtsrijp geworden zijn, roepen zij

"tieh" of "tiehtie"; later voegen zij nog een derden klank aan hun

loktoon toe, zoodat deze dan als "tiehtieh-tiehtie" of als "tieh

tieh-tiete" klinkt. De volkomen ontwikkelde haan fluit een geheel

liedje, dat men door de lettergrepen "tieh tieh-titie tierie" heeft

trachten weer te geven. Deze deun wordt trouwens zoowel bij het begin

als bij het einde op velerlei wijze veranderd. De stem van de oude

hen verschilt aanmerkelijk van die van den haan; zij laat, vooral

bij het opvliegen, een zoogenaamden "looper" hooren, die zeer fijn en

zacht begint, al luider en breeder wordt en besloten wordt met tonen,

die zoo snel mogelijk opeenvolgen. Leijen tracht haar geluid weer te

geven door de syllaben "tititititititititikioelkioelkioelkioel."

De Hazelhoenderen zijn niet echt polygaam, maar leven meestal bij

paren of familiën. De Hazelhaan baldert min of meer in den trant

van den Auerhaan en den Korhaan; hij maakt daarbij echter geen in

't oog vallende bewegingen zooals de genoemde Vogels, maar geeft

eenvoudig door het opzetten van de kruin-, oor- en keelveeren en door

een zeer levendig trilleren en fluiten het gevoel, dat hem bezielt,

aan zijn wijfje te kennen. De hen zoekt onder struiken en rijshoopen,

achter steenklompen, te midden van varens enz. een zooveel mogelijk

verborgen plaats voor het uitkrabben van het kuiltje, waarin zij

hare betrekkelijk kleine eieren legt, welker gladde en glanzige

schaal op roodachtig bruinen grond rood en donkerbruin gevlekt en

gestippeld is; zij bebroedt ze drie volle weken lang zoo ijverig,

dat men in haar onmiddellijke nabijheid kan komen, voordat zij het

nest verlaat. Het nest is zeer moeielijk te vinden, omdat de hen

hiervoor steeds met zeer groote omzichtigheid een verborgen plaats

uitkiest. Ook de jongen krijgt men slechts toevallig een enkele

maal te zien. Nadat zij uit den dop zijn gekomen, verwarmt de hen

ze nog een tijdlang in het nest, totdat zij volkomen droog geworden

zijn; daarna geleidt zij de kinderschaar zoo schielijk mogelijk naar

geschikte voederplaatsen. Zoodra zij een gevaar bespeurt, brengt zij

alle middelen om zich te verbergen in praktijk, die bij de leden van

haar familie voorkomen; de kuikentjes, die geheel en al in kleur

met den bodem overeenkomen, "drukken" zich zoo behendig tusschen

mossen en kruiden, steenen, boomwortels en dergelijke voorwerpen,

dat zij voor het oog van den mensch onzichtbaar zijn, hoewel zij voor

den fijnen neus van den Vos of van den Staanden Hond niet verborgen

blijven. Zoodra de kinderen in staat zijn om te vliegen, komt ook de

vader weer bij zijn gezin terug; alle te zamen vormen nu een "kluft"

en blijven tot aan den herfst trouw vereenigd.

Het Hazelhoen wordt in Duitschland, ondanks de bescherming die het

geniet, ongelukkig van jaar tot jaar zeldzamer. Hiervoor levert

het verslinden van vele jongen door viervoetige en gevleugelde

roovers nog geen voldoende verklaring. Uit vele gewesten, waar de

Hazelhoenderen veelvuldig waren, zijn zij thans verdwenen, zonder

dat men precies kan zeggen waarom. In enkele wouden vestigen zij

zich trouwens opnieuw. Dit is o.a. gebeurd in eenige boschstreken

aan de zuidelijke helling van het Ertsgebergte, waar thans reeds weer

aanzienlijke vluchten voorkomen.

Overal waar de Hazelhoenderen veelvuldig zijn, worden zij in

grooten getale gedood; algemeen wordt erkend, dat geen der overige

Hoendervogels zulk een kostelijk wildbraad oplevert. De jacht geschiedt

met behulp van een Staanden Hond of ook wel (en misschien tot grooter

genoegen voor den jager) met het zoogenoemde "lokbeentje". Dit is

een fluitje, waarmede men het uitdagend geschreeuw van den haan

op bedriegelijk nauwkeurige wijze nabootsen en ieder strijdlustig

mannetje tot zich lokken kan.

Gevangen Hazelhoenderen worden zelden tam, hoewel hun voeding geen

bezwaren levert. Die, welke zich aan 't leven in de kooi gewend

hebben, zijn als huisgenooten even lieftallig en bekoorlijk als in

de vrije natuur.

Van de Ruigpoothoenderen van Amerika verdient het Prairiehoen

(Tetrao Cupido) vermelding. Het onderscheidt zich van de andere

Boschhoenderen door het bezit van twee lange pluimen, die ieder uit

ongeveer 18 smalle veeren samengesteld zijn, aan beide zijden van den

hals afhangen en hier de naakte gedeelten van de huid bedekken, die

de ligging van blaasvormige, met de luchtpijp in gemeenschap staande,

vliezige zakken aanduiden. Het mannetje en het wijfje verschillen bijna

niet in kleur; bij den haan zijn de pronkveeren echter langer dan bij

de hen. De bovendeelen zijn zwart, de onderdeelen lichtbruin, gene met

lichtroode en witte vlekken, deze met witte dwarsbanden, waardoor een

moeilijk te beschrijven mengelmoes van de genoemde kleuren ontstaat;

de buik is witachtig. Totale lengte 45, staartlengte 12 cM.

"Toen ik mij voor de eerste maal in Kentucky ophield," verhaalt Audubon

van het Prairiehoen, "was dit wild hier zoo veelvuldig, dat het niet

hooger geschat werd dan gewoon vleesch; geen echt jager achtte het

de moeite waard er jacht op te maken. Men was op deze Hoenderen even

weinig gesteld als in andere deelen van de Vereenigde Staten op de

Kraaien, wegens de schade, die zij 's winters in de vruchtboomen

en tuinen, 's zomers op den akker aanrichtten. De boerenkinderen

of de negerjongens waren van 's morgens tot 's avonds bezig om

deze ongenoode gasten met ratels te verdrijven; allerlei vallen en

strikken werden gebruikt om ze te vangen. Destijds gebeurde het niet

zelden, dat de Prairiehoenderen 's winters aan de boerenerven een

bezoek brachten en hier met de Hoenderen medeaten, dat zij zich op

de huizen neerzetten of in de dorpsstraat rondliepen." In hetzelfde

land, waar men negentig jaar geleden een Prairiehoen voor een halven

stuiver kon koopen, worden deze Vogels tegenwoordig nagenoeg niet meer

gevonden. Evenals de Indianen hebben zij Kentucky verlaten en zich al

verder en verder naar 't westen teruggetrokken om den moordlust van

de blanken te ontgaan. Zoo zij in de oostelijke staten nog voorkomen,

danken zij dit aan de jachtwetten, die ter hunner bescherming zijn

uitgevaardigd. De jager, die ze nog in grooten getale bijeen wil zien,

moet ver westwaarts reizen, want de door Audubon beschreven vervolging

duurt thans nog steeds voort.

In tegenstelling met zijne tot dusver beschrevene verwanten bewoont het

Prairiehoen uitsluitend vlakten zonder bosschen of boomen. Het houdt

verblijf op dorre zandgronden, die wel met gras doch slechts schraal

met struiken begroeid zijn, maar zoekt ook de akkers op, wegens den

overvloed van voedsel, dien het hier vindt. Zijne bewegingen herinneren

in vele opzichten aan die van ons Huishoen en zijn veel logger dan

die van het Hazelhoen. Zijn voedsel bestaat uit plantaardige stoffen

en uit allerlei kleine dieren. In den loop van den zomer zoekt het

de weiden en korenvelden op, in den herfst de tuinen en wijnbergen,

in den winter gewesten, waar vele bessen groeien.

Tegen den winter vereenigen de Prairiehoenderen zich overal, waar zij

veelvuldig zijn, tot talrijke vluchten, die zich bij het aanbreken

van de lente in troepen van 20 en meer stuks verdeelen. Ieder van

deze gezelschappen kiest eene bepaalde plaats uit, waar zijne leden

dagelijks samenkomen, om liefdespelen en dansen uit te voeren. In

streken, waar het Prairiehoen weinig van den mensch te lijden heeft,

hoort men zijn gebrom en getoeter niet slechts in de vroege morgenuren,

maar van zonsopgang tot zonsondergang. Zijn gewone stem verschilt niet

veel van het kakelen van ons Huishoen; gedurende den paartijd hoort

men echter van den haan hoogst eigenaardige geluiden. Om deze voort

te brengen blaast hij de luchtzakken aan weerszijden van den hals op,

zoodat zij in vorm, grootte en kleur op kleine oranjeappels gelijken

en buigt den kop tot op den grond; bij geopenden snavel ontstaan nu

achtereenvolgens verscheidene, soms meer, soms minder luid rollende

tonen, eenigszins gelijkend op die van een grooten trommel. Als

de voorraad lucht uitgeput is, wordt de kop opgeheven; zoodra de

luchtzakken weer gevuld zijn, kan het getoeter weer opnieuw beginnen.

De hen broedt slechts eens per jaar, van het begin van April tot

het einde van Mei, vroeger of later al naar het klimaat van de

woonplaats. Indien de eerste eieren weggenomen worden, tracht het

wijfje dit verlies te vergoeden door nogmaals te leggen. De kuikens

zijn in het midden van October volwassen.

"Gevangen Prairiehoenderen worden," volgens Audubon, "zeer

spoedig tam en broeden ook licht in de gevangenschap. Het heeft

mij vaak verwonderd, dat zij niet reeds lang tot huisdieren gemaakt

zijn. Terwijl ik mij te Henderson ophield, kocht ik 60 levende, voor

't meerendeel jonge Prairiehoenderen, die men voor mij gevangen had,

kortwiekte ze en liet ze in een tuin van 4 acre vrij rondloopen. Na

verloop van eenige weken waren zij reeds zoozeer aan mij gewend,

dat ik naar hen toe kon gaan, zonder dat zij verschrikt werden. Ik

gaf hun graan en zij zelve pikten verscheidene andere plantaardige

stoffen op. Gedurende den winter lieten zij alle vrees varen, liepen

in den tuin rond als tamme Hoenderen, mengden zich ook wel onder

deze en aten mijn vrouw het voer als 't ware uit de hand. Toen de

lente kwam, zette zij een hooge borst op, toeterden en vochten als

in de vrije natuur. Vele hennen legden eieren en broedden een flink

aantal jongen uit. Maar wegens de schade die deze Hoenderen in mijn

tuin aanrichtten, moest ik ze wel dooden."

Tot dusver is de voortplanting van het Prairie-hoen in onze

dierentuinen nog niet gelukt.

De Sneeuwhoenderen, in Engeland Ptarmigan genoemd (Lagopus), behooren

zoowel door hun opmerkelijke en nog niet voldoende onderzochte

vederwisseling als wegens hun levenswijze tot de meest belangwekkende

leden van hun familie. Zij hebben een zeer gedrongen gestalte,

een kleine snavel van middelmatige lengte en dikte, betrekkelijk

korte pooten, welker loop en teenen met haarvormige veeren bekleed

zijn (hierop berust de wetenschappelijke naam van het geslacht, die

"hazepoot" beteekent). In de middelmatig lange vleugels is de derde

slagpen de langste; de korte, flauw afgeronde of recht afgesneden

staart bestaat uit 18 pennen; de kleur van het zeer goed voorziene

vederenkleed wisselt in den regel met het jaargetijde af. De

Sneeuwhoenderen hebben naar verhouding grooter klauwen dan eenig

ander Ruigpoothoen; zelfs deze worden ieder jaar gewisseld. Tusschen

het mannetje en het wijfje is het onderscheid niet groot; de jongen

krijgen spoedig het kleed van hunne ouders.

Het Groote Sneeuwhoen (Lagopus albus) houdt, wat zijn grootte betreft,

ongeveer het midden tusschen het Korhoen en den Patrijs; de haan

is 40 cM. lang (staartlengte 11 cM.), het wijfje 2 cM. korter. Het

winterkleed van het Sneeuwhoen is wel eenvoudig, maar toch fraai:

alle veeren zijn schitterend wit, met uitzondering van de buitenste

staartpennen; deze zijn, op het witte wortelgedeelte na, donkerzwart

met witte kanten; de zes groote slagpennen hebben op de buitenvlag

een lange, bruinzwarte streep. In het bruiloftskleed is de grondkleur

kastanjebruin (soms lichter, soms donkerder) met een uit fijne,

zwarte streepjes en vlekjes bestaande teekening, welker volledige

beschrijving ons te ver zou voeren; alleen de handpennen zijn dan wit

als in den winter. Boven het oog bevindt zich een halvemaanvormige,

naakte plek, die in den voortplantingstijd bijna kamvormig opzwelt en

een karmijnroode kleur verkrijgt. In den loop van den zomer verbleeken

de veeren. Vele onderzoekers zijn van oordeel, dat deze Vogel tweemaal

ruit: in den herfst zouden alle, in de lente alleen de kleine veeren

gewisseld worden. Het vervangen van het winterkleed door het zomerkleed

en dit door het winterkleed geschiedt zeer langzaam; dit heeft zelfs

aanleiding gegeven tot de meening, dat het Sneeuwhoen viermaal in

't jaar ruit. Amerikaansche onderzoekers zijn echter tot het besluit

gekomen, dat de kleine veeren in den herfst niet gewisseld worden,

maar eenvoudig verkleuren; deze verandering zou aan de spits van de

veeren beginnen en zoo snel voortschrijden, dat zij in 8 à 10 dagen

afgeloopen is.

Als een verscheidenheid van het Groote Sneeuwhoen beschouwt men het

Schotsche Sneeuwhoen, de Brown Ptarmigan of Red Grouse der Engelschen

(Lagopus albus scoticus), dat de veengronden van Groot-Britannië,

vooral die van Schotland bewoont. Zijn kleed, dat in hooge mate

gelijkt op het zomerkleed van het Groote Sneeuwhoen, is 's winters

niet wit, maar slechts weinig anders gekleurd dan gedurende den zomer;

bovendien zijn de slagpennen bruin, de pooten grijs in plaats van

wit. In grootte, levenswijze en gewoonten komt deze soort volkomen

overeen met de vorige.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 04: De Hoendervogels · 第 2 / 12 段