In vroegere tijden heeft het Auerhoen ongetwijfeld alle groo

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

VIERDE ORDE.

DE HOENDERVOGELS (Alectoridornithes).

Oken splitst de klasse der Vogels in twee hoofdgroepen of

"trappen": Nestblijvers en Nestvlieders. "Ik let," zegt hij, "op de

ontwikkeling der Vogels. Sommige komen naakt en blind uit het ei en

moeten daarom lang gevoederd worden. Deze noem ik Nestblijvers. De

overige komen ziende en reeds tamelijk dicht bevederd uit het ei,

kunnen bijna dadelijk loopen en hun voedsel zoeken. Hen noem ik

Nestvlieders. Deze gaan stappend, gene huppelend; men zou ze dus ook

"Stappers" en "Huppelaars" kunnen noemen. De laatstgenoemde houden

van hooggelegen plaatsen, en hun voornaamste wijze van beweging is

het vliegen; de eerstgenoemde blijven bij voorkeur op den grond of

op het water en vliegen slechts als de nood hen er toe dwingt; men

zou ze "Vliegers" en "Loopers" kunnen noemen. Gene maken gebruik van

één bepaalde soort van voedsel, leven van zaden en vruchten, die zij

van den stengel afplukken, of van dieren, die zich snel bewegen; deze

voeden zich met al wat zij krijgen kunnen, met afgevallen zaden en

vruchten en meestal met dieren, die langzaam kruipen, zooals Slakken

en Wormen, of met Visschen, Amphibiën, Vogels en Zoogdieren, die

traag van beweging zijn, met gekookt vleesch en groenten; men zou ze

"Eén-soort-voedsel-eters" en "Alleseters" kunnen noemen. Gene zijn

verder bijna doorgaans klein (de meeste blijven beneden de grootte

van de Raaf), deze daarentegen zijn meestal grooter dan een Hoen; gene

slapen staande, deze neergehurkt, enz."--Het valt niet te ontkennen,

dat deze verschilpunten werkelijk bestaan en belangrijk zijn; zij

leggen echter niet genoeg gewicht in de schaal om er een stelsel op te

grondvesten. Vele "Stappers, Loopers, Alleseters" en hoe Oken de leden

van een zijner "trappen" al niet meer genoemd heeft, zijn Nestblijvers

en geen Nestvlieders; wij zouden dus nauw verwante vormen van elkander

moeten scheiden, als wij het denkbeeld van Oken letterlijk wilden

toepassen. Dit neemt echter niet weg, dat de zienswijze van dezen

genialen onderzoeker behartiging verdient; in ieder geval mogen wij

niet onvermeld laten, dat de Vogels, die wij nu nog moeten beschrijven,

voor 't meerendeel Nestvlieders zijn. Echte Nestvlieders zijn ook de

leden van de eerstvolgende orde, hoe verschillend van aard ook zij

mogen schijnen. Het is zeer moeielijk en voor ons doel ook onnoodig om

algemeen geldige kenteekenen voor deze orde op te noemen. Fürbringer

voegt hierin zeer verschillende vormen bijeen, n.l. de Hoenderen,

de Kortstaarthoenderen of Tinamoes en de Snipstruisen of Kiwis; met

deze namen worden de drie onderorden van de Hoendervogels aangeduid.

De Hoenderen (Galliformes), die onder de Hoendervogels den hoogsten

rang innemen, zijn krachtig en zelfs plomp gebouwd; zij hebben korte

vleugels, stevige pooten en een rijk voorzien vederenkleed. Met den

gedrongen, korten en hoogborstigen romp is door een korten, hoogstens

middelmatig langen hals een kleine kop verbonden. De snavel, die zeer

verschillende vormen kan hebben, is in den regel kort, nauwelijks

half zoo lang als de kop, soms echter veel langer, bijna even lang

als de kop. In 't eerstgenoemde geval is hij breed en hoog, meer of

minder sterk gewelfd en aan de spits haakvormig benedenwaarts gebogen,

minstens tot een bollen hoornnagel uitgetrokken, het achterste deel

meestal met veeren bekleed, waartusschen zich een smalle, vliezige

schub bevindt, die het neusgat bedekt; soms dringt deze tusschen

de veeren van het voorhoofd door; bij uitzondering is zij met een

washuid overdekt. De pooten, de belangrijkste bewegingsorganen van de

Hoenderen, zijn steeds zeer krachtig gebouwd, meestal middelmatig hoog;

de teenen zijn lang en met korte nagels voorzien. Aan den poot komen

krachtige spieren voor; het scheenbeen is, evenals het dijbeen, door

een dikke vleeschmassa omgeven; de loop is dik, de voet soms meer, soms

minder sterk ontwikkeld. In den regel zijn alle vier teenen aanwezig;

soms echter is van den achterteen niets anders zichtbaar dan de nagel;

deze ontbreekt slechts zelden. Bij de Hoenderen, welke op den grond

leven, is de achterteen (die steeds hooger aangehecht is dan de

voorteenen) klein, bij de Boomhoenderen daarentegen tamelijk groot;

bij één groep zijn de teenen buitengewoon sterk ontwikkeld. De klauwen,

die bij enkele soorten op bepaalde tijden afgeworpen en door nieuwe

vervangen worden, zijn meestal kort, breed en stomp, soms echter lang

en smal, altijd echter weinig gebogen. De vleugel is in den regel kort

(in dit geval sterk, schildvormig gewelfd), bij uitzondering echter

zeer lang; het aantal handpennen bedraagt 10 of 11, dat der armpennen

12 à 20. De staart, die zeer verschillend kan zijn, wat samenstelling

en vorm betreft bestaat uit 12 à 20 stuurpennen; soms is hij kort,

soms middelmatig lang, soms zeer lang; in het laatstgenoemde geval

zijn de zijdelingsche stuurpennen sterk verkort. Vermelding verdient

de buitengewoon sterke ontwikkeling van de staartwortelveeren of van

de bovendekveeren van den staart (die den voornaamsten tooi vormen

van sommige Hoenderen) eveneens de merkwaardige vorm en omvang, die de

schouderveeren of bovenarmpennen bij enkele soorten hebben. De romp en

de hals zijn zeer overvloedig met veeren bezet; bij twee groepen strekt

de bevedering zich uit over den loop en tot op de teenen; daarentegen

blijven meer of minder groote gedeelten van den kop en aan den gorgel

soms onbevederd. Op soortgelijke wijze als andere lichaamsdeelen een

sterkere ontwikkeling van het vederenkleed vertoonen, zal de huid

van deze naakte plekken zich uitbreiden tot eeltachtige opzwellingen,

wratten, lellen, kammen en dergelijke aanhangselen, zelfs tot kleine

hoorntjes; al deze deelen prijken met sterk sprekende kleuren. De

Hoenderen over 't algemeen staan trouwens, wat kleurenpracht en

tooi betreft, nagenoeg niet achter bij de leden van andere orden;

vele van hen kunnen de vergelijking met de prachtigst gekleurde en

getooide leden van de geheele klasse zeer goed doorstaan. In geen

der Vogelgroepen valt het verschil in kleed tusschen de dieren van

ongelijke sekse duidelijker in 't oog dan bij de Hoenderen; bij vele

althans bestaat er tusschen de mannetjes en de op minder opzichtige

wijze uitgedoste wijfjes, zulk een in 't oog vallend onderscheid,

dat het soms moeite kan kosten, den eenen Vogel te herkennen als de

gade van den anderen. Het jeugdkleed is steeds anders dan het kleed

van de volwassenen en doorloopt in een verrassend korten tijd drie

ontwikkelingstrappen, voordat het een volkomen kleed wordt. Alle

Hoenderen van het hooge noorden zijn kleiner en hebben meer witte

gedeelten aan hun meer dofgekleurd kleed dan hunne naasten verwanten

uit Middel-Europa.

Het geraamte is stevig en bevat slechts weinige holle beenderen. De

slokdarm verwijdt zich tot een echten krop van aanzienlijke grootte. De

kliermaag is rijk aan klieren, de spiermaag sterk gespierd.

De Hoenderen zijn in ongeveer 400 soorten over alle werelddeelen

verbreid, in Azië telt deze groep echter de meeste en meest

verschillende vertegenwoordigers. Ieder werelddeel of ieder gebied

kenmerkt zich door het min of meer uitsluitend bezit van bepaalde

familiën. Het woud mag men als hun meest geliefde woonplaats

beschouwen, hoewel het de eenige niet is; want ook de schraal met

planten begroeide vlakten, de berghellingen van de Alpen onder de

sneeuwgrens, waar slechts armoedige struiken en grassen voorkomen en de

met deze oorden overeenkomende mossteppen van het noorden worden door

Hoenderen bewoond. De leden dezer orde hebben bijna de geheele aarde

in bezit genomen: op plaatsen waar het eene niet in zijn onderhoud

kan voorzien, vindt het andere zijn dagelijksch brood.

De hoenderen zijn niet buitengewoon begaafd. Hunne talenten zijn

zelfs gering. Slechts zeer weinige onder hen kunnen met andere

Vogels wedijveren, wat de geschiktheid voor 't vliegen betreft;

de meeste zijn min of meer vreemdelingen op de boomen, omdat zij

zich hier niet weten te redden; alle zonder uitzondering schuwen

het water. De vlakke bodem is hun rijk; voor de beweging op den

grond zijn zij uitmuntend geschikt; hunne krachtige en betrekkelijk

hooge pooten stellen hun in staat om niet slechts lang achtereen,

maar ook zeer snel te loopen. Als de kracht van de pooten niet

voldoende is, moeten de vleugels medewerken, meer echter om de romp

in evenwicht te houden dan om hem vooruit te stuwen. In den regel

zal het Hoen eerst dan vliegen, als het dit volstrekt noodig acht,

als het loopend het doel van zijne wenschen en plannen niet snel of

zeker genoeg meent te kunnen bereiken. Om te vliegen moeten de meeste

soorten vele en snelle slagen doen met de korte afgeronde vleugels;

deze beweging vereischt onverpoosde werkzaamheid van de spieren

en brengt daarom zeer schielijk vermoeienis te weeg. Maar ook op

dezen regel zijn vele uitzonderingen.--De stem van de Hoenderen is

steeds eigenaardig. Slechts weinige soorten geven zelden geluid, de

meeste schreeuwen dikwijls. Aangename tonen brengen zij niet voort,

wanneer men het geluid, waarmede de hen haar liefde voor hare kuikens

te kennen geeft, buiten rekening laat en alleen let op de stem van

den verliefden haan. Deze wordt met allerlei namen aangeduid, die

voor 't meerendeel klankbeelden zijn, zooals kraaien en schreien

(Huishoen, Patrijs), balderen of bolderen (Auerhaan, Korhoen),

kokkeren (Fazant); in sommige talen wordt het gezang van den haan

"gezang" genoemd; bij ons gebruikt de jager deze uitdrukking niet,

hoewel de geluiden van sommige hanen hem soms aangenamer in de ooren

klinken dan de slag van den Nachtegaal.

Over de hoogere begaafdheden van de Hoenderen, kan evenmin een

gunstig oordeel geveld worden. Naar het schijnt, zijn het gezicht en

het gehoor bij hen scherp en missen zij het vermogen om te ruiken

en te proeven niet, althans niet geheel; over het gevoel kunnen

wij niet oordeelen. Eenig verstand kan men hen niet ontzeggen; bij

nauwkeuriger waarneming bemerkt men echter spoedig, dat hun verstand

niet ver reikt. De Hoenderen toonen wel een goed geheugen, maar weinig

geschiktheid om te oordeelen. Zoodra de hartstocht in 't spel komt,

is er van schranderheid bij hen niets meer te bespeuren. In hooge

mate hartstochtelijk zijn alle Hoenderen, zelfs zij, die wij het

zachtmoedigst en vreedzaamst noemen. Van de hennen wordt gezegd, dat

zij zich gunstig onderscheiden van de hanen; zij verdienen dezen lof

echter slechts ten deele, want ook zij zijn twistziek en jaloersch,

zoo niet wegens de hanen dan toch wegens de kuikens. Hoewel zij hun

eigen kinderen met zelfopofferende liefde verzorgen, zich voor hen

aan de grootste en meest in 't oogloopende gevaren blootstellen,

terwille van hen honger en ontbering trotseeren, zelfs voor wezens

van een andere soort trouwe moeders zijn, wanneer deze door de warmte

van hun lichaam tot ontwikkeling kwamen, kennen zij geen mededoogen,

geen barmhartigheid, geen welwillendheid jegens het kroost van andere

Vogels, de kuikens van andere hennen; zij dooden ze met den snavel op

het bloote vermoeden, dat hare eigene kinderen door hen nadeel zouden

kunnen lijden.--Het karakter van den haan vertoont een nog scherper

tegenstelling van goede en slechte eigenschappen.--Geen enkele Vogel

bestrijdt zijn mededinger met langduriger woede, dan hij; weinige

Vogels vechten met dezelfde onvermoeide volharding als de hanen.--Bij

de Hoenderen, waar het mannetje door grootte en kleur aanmerkelijk van

het wijfje verschilt, laat de haan de zorg voor het kroost geheel of

althans grootendeels aan de hen over. Wanneer hij, evenals de hen,

grond- of zandkleurig is en ook overigens op haar gelijkt, neemt

hij reeds gedurende den broedtijd een meer of minder groot deel van

de zorg voor de nakomelingschap op zich. In 't eerstgenoemde geval

bekommert hij zich niet om de hen, zoolang deze de eieren bebroedt

en de jongen leidt, of bemoeit zich eerst dan weer met zijn gezin,

als de langdurige broedtijd gelukkig afgeloopen is, waarna hij als

geleider en waarschuwer van het thans bijeenbehoorende gezelschap

optreedt; soms zelfs krijgt hij zijne jongen niet te zien, voordat zij

volwassen zijn. In 't laatstgenoemde geval begint hij reeds bij het

leggen van het eerste ei voor de veiligheid van moeder en kroost te

waken en stelt zich in hun belang aan in 't oog loopende gevaren bloot.

Verreweg de meeste Hoenderen broeden op den grond. Hun nest kan

verschillend zijn, maar verraadt nooit kunstvaardigheid. De moeder

toont een zekere zorgvuldigheid bij de keuze van de broedplaats, maar

schijnt het noodeloos te achten hier een nest te bouwen. In oorden,

die rijk zijn aan struiken, is de ondiepe holte, die de eieren zal

bevatten, onder een struik gelegen, in andere oorden tusschen hooge

grassen of korenhalmen, in ieder geval op een plaats, die zoo goed

verborgen is, dat het altijd moeite kost, het nest te vinden. Vele

soorten bekleeden de nestholte met eenige rijsjes of ook wel met

veeren, andere laten dit na. Gewoonlijk bevat het nest verscheidene

eieren. Deze zijn verschillend, hun teekening biedt echter eenige

overeenkomst aan. Vele Hoenderen leggen éénkleurige, zuiver witte,

grijsachtige, bruingeelachtige, blauwachtige eieren; die van andere

soorten zijn op een grond van de genoemde of van roodachtige kleur, nu

eens met fijne stippeltjes en puntjes, dan weer met grootere vlekken

en stippels van donkere, en dikwijls levendige kleur geteekend.--Het

is, alsof de hen door haar trouwe, opofferende zorg voor haar kroost

ook de liefde van den vader vergoeden wil; want er is geen Vogel,

die zich met grooter ijver aan haar nakomelingschap wijdt dan de

hen. Het schoone beeld in den bijbel is dus in ieder opzicht goed

gekozen. De broedende hen gunt zich ternauwernood den tijd om voedsel

te zoeken; zij verliest haar gewone schroomvalligheid en stelt zich

zonder aarzeling aan gevaren bloot om haar broedsel te beschermen.

De jonge Hoenderen zijn, zoodra zij het ei verlaten, zeer goed geschikt

om zich te bewegen en betrekkelijk hoog begaafd. Reeds den eersten

levensdag pikken zij het voedsel op, dat de moeder voor hen heeft

blootgelegd, gehoorzamen aan haar roepstem en verschuilen zich onder

hare vleugels, als zij vermoeid zijn of beschutting tegen ruw weder

noodig hebben. Zij groeien zeer snel. Weinige dagen na het verlaten van

het ei krijgen zij slagpennen, die hen in staat stellen om te vliegen

of althans te fladderen; in betrekkelijk korten tijd ontwikkelen

zich ook op de andere lichaamsdeelen veeren ter vervanging van de

eerste donsveeren, welker kleur, hoewel bont, steeds weinig afsteekt

bij die van den bodem. De slagpennen, die weldra niet meer geschikt

zijn om het intusschen zwaarder geworden lichaam te dragen, worden

zoo vaak gewisseld, dat zij nooit den dienst weigeren: het Hoen, dat

voor het eerst het volkomen kleed van zijn soort draagt, heeft reeds

driemaal de veeren van de vleugels gewisseld. Bij de meeste soorten

zijn de kuikens reeds vóór het einde van het eerste jaar op gelijke

wijze bevederd als de volwassene Vogels; bij andere duurt het 2 of

3 jaren, voordat zij het volkomen kleed bezitten. De eerstbedoelde

paren gewoonlijk reeds in den eersten herfst of lente van hun leven.

De Hoenderen hebben zoovele vijanden, dat zonder een buitengewoon

snelle vermenigvuldiging het evenwicht tusschen de vermindering en

de vermeerdering van het getal dezer Vogels moeielijk behouden zou

kunnen blijven. Alle roofdieren, groote en kleine, maken ijverig jacht

op de Hoenderen; overal treedt nevens deze (als 't ware natuurlijke)

vervolgers de mensch als hun gevaarlijkste vijand op. Overal wordt

door hem het eerst (en meer dan op alle overige Vogels te zamen) op

de Hoenderen jacht gemaakt. De mensch heeft sinds lang ingezien, dat

deze belangrijke dieren nog op geheel andere wijze voor hem nuttig

kunnen zijn. Reeds in overouden tijd heeft hij althans eenige van

hen met goed gevolg aan zich trachten te verbinden en ze van uit de

wouden van Zuid-Azië over de geheele wereld verbreid.

De Hoenderen worden verdeeld in twee groepen: de Hoenderen in engeren

zin (Galli) en de Kuifhoenderen (Opisthocomi). De eerstgenoemde groep

omvat twee familiën: de Fazantvogels (Gallidae) en de Hokkovogels

(Cracidae). Voor de Hoenderen in engeren zin en de Fazantvogels geldt

meer bepaaldelijk de bovenstaande beschrijving van de orde.

In de eerste onderfamilie vereenigen wij de Ruigpoothoenderen,

de Grouse der Engelschen (Tetraoninae). Zij kenmerken zich door

een gedrongen, krachtig gebouwd lichaam, een korten, dikken, zeer

gewelfden snavel, korte, krachtige pooten, welker loop in meerdere

of mindere mate bevederd is, korte of hoogstens middelmatig lange

vleugels, een korten, recht afgesneden, bij uitzondering echter

verlengden, wig- of gaffelvormigen staart, alsmede door een goed

gevuld, dicht vederenkleed, dat slechts kleine plekjes boven het oog

of aan den achterhals onbedekt laat. Een van deze, die het oog en meer

bepaaldelijk diens bovenrand omzoomt, is met wratvormige verhevenheden

bezet, die opzwellen kunnen en een roode, vettige kleurstof bevatten,

welke zeer spoedig verbleekt.

Het vaderland van de Ruigpoothoenderen is in het noordelijk halfrond

gelegen. Hun verbreidingsgebied strekt zich van den Himalaja en de

gebergten van Oost-Azië over geheel Azië en Europa uit; zij ontbreken

in Afrika geheel, maar worden in Noord-Amerika door talrijke soorten

vertegenwoordigd. Zij houden zich bij voorkeur in bosschen op; enkele

bewonen steppen en toendras, andere berghellingen in de nabijheid

van de sneeuwgrens, zonder zich veel te bekommeren om het gemis van

struiken of boomen. Alle zonder uitzondering zijn standvogels; jaar

uit jaar in blijven zij in dezelfde streek; hoogstens zwerven zij

na den broedtijd op ongeregelde wijze rond. Gedurende den broedtijd

leven zij bij paren of eenzaam, overigens altijd in troepen. Allerlei

boomvruchten, bessen, knoppen, bladen, ook naalden van dennen, sparren

enz., zaden, Insecten en hunne larven dienen hun tot voedsel; enkele

eten gedurende een deel van het jaar bijna niets anders dan bladen

en knoppen, omdat hun armoedig vaderland dan niets anders oplevert.

De Ruigpoothoenderen zijn betrekkelijk goed begaafd. Zij gaan

stappend en zeer snel, vliegen echter op logge wijze, met ruischende

vleugelslagen en, naar het schijnt, met moeite; zelden is hun vlucht

ver, nooit hoog. Hunne zintuigen, vooral de beide edelste, zijn

goed ontwikkeld.

Bij enkele soorten heeft ieder mannetje één wijfje, andere leven

in polygamie. Gedurende den paartijd zijn zij zeer opgewonden; de

mannetjes toonen dit door zonderlinge gebaren en geluiden, door een

volslagen wijziging van hun gewone levensmanier en een gedrag, dat wij

dwaas kunnen noemen, maar dat toch in hooge mate onze belangstelling

wekt. Alle soorten vermenigvuldigen zich sterk. Het wijfje legt 8

à 16 eieren; deze gelijken veel op elkander, zijn eivormig, glad van

schaal en op geelachtige grond bruin gevlekt. Zij bouwen geen eigenlijk

nest, maar krabben op een verborgen plaatsje hoogstens een ondiepe

holte in den grond en bekleeden deze op slordige wijze met eenig

nestmateriaal, soms ook met eenige veeren. Grooten ijver toonen de

hennen echter bij het broeden; zij verlaten haar nest eerst, als zij

door een onmiskenbaar gevaar worden bedreigd, blijven op haar post

in weerwil van de groote veranderingen, die in haar onmiddellijke

nabijheid plaats grijpen, laten over 't algemeen hare eieren of

kuikens nooit in den steek, kwijten zich met de grootst mogelijke

teederheid van hare moederplichten, van 't oogenblik, waarin de jongen

uit den dop komen tot aan het tijdstip, waarin zij voor 't vliegen

geschikt zijn en begeven zich zonder aarzeling in levensgevaar,

wanneer zij dit noodig achten in 't belang van de veiligheid van

hare kuikens. Deze groeien zeer schielijk, maar moeten verscheidene,

ook uitwendig zichtbare ontwikkelingsstadiën doorloopen, voordat zij

het volkomen kleed verkrijgen. Alleen daar, waar de bosschen op een

geregelde wijze geëxploiteerd worden, genieten de Ruigpoothoenderen

de bescherming, die zij zoo noodig hebben; op alle andere plaatsen,

waar zij nog veelvuldig zijn, staan zij in alle jaargetijden bloot

aan de onmeedoogende vervolging van iederen boer; hier wacht hun

waarschijnlijk het lot van langzamerhand uitgeroeid te worden; in

Middel-Europa is dit hun nagenoeg overal reeds ten deel gevallen.

Het grootste en edelste van alle Ruigpoothoenderen is het Auerhoen, de

Capercailzie der Schotten, de Cock-of-the-woods der Engelschen (Tetrao

urogallus). Weinige op den grond levende Europeesche Vogels overtreffen

het in grootte; het is een sieraad van het woud, het begeerlijkste

doelwit van den jager. Het is een vertegenwoordiger van het geslacht

der Boschhoenderen (Tetrao), welker overigens naakte teenen langs

de zijranden bezet zijn met op franje gelijkende, smalle en puntige

schubjes, die men als onontwikkelde veeren beschouwt. De kruin en de

keel zijn zwartachtig; de hals is donker aschgrauw, van achteren zwart,

van voren zwartachtig aschgrauw gesprenkeld; de rug is op zwartachtigen

grond fijn aschgrauw en roestbruin bepoederd, het bovenste deel van

den vleugel zwartbruin, sterk roestbruin gesprenkeld; de staartveeren

zijn zwart met een gering aantal witte vlekken; de borst is glanzig

metaalachtig groen, de overige onderdeelen zijn met zwarte en witte

vlekken geteekend, die vooral op den stuit dicht bijeenstaan. Het oog

is bruin; de naakte wenkbrauwstreep daarboven bevat een eigenaardige

kleurstof; zij is, evenals de naakte, met wratten bezette plek er

omheen, lakrood, de snavel hoornwit. De haan is niet veel kleiner

dan een Kalkoen: totale lengte 100 à 110, staartlengte 34 à 35 cM.,

gewicht 5 à 6 KG. De jonge hanen verschillen in kleur slechts weinig

van de oude. De hen is ongeveer een derde kleiner dan de haan en zeer

bont van kleur.

In vroegere tijden heeft het Auerhoen ongetwijfeld alle groote,

samenhangende wouden van Noord-Azië en Europa bewoond, thans is het in

vele gewesten geheel uitgeroeid. Toch is zijn verbreidingsgebied nog

altijd zeer uitgestrekt. Van Klein-Azië, Griekenland, de Cantabrische

gebergten en de Pyreneën reikt het door Lapland tot de Noordelijke

IJszee en oostwaarts door Rusland, tot Kamtschatka en China. In

Engeland, Ierland, Nederland en Denemarken, voorts in Amerika,

Afrika en Australië ontbreekt het Auerhoen geheel; zeer zeldzaam is

het tegenwoordig in Opper-Italië, Frankrijk en België, overvloediger

in de Duitsche, Oostenrijksch-Hongaarsche en Zwitsersche Alpen en in

de Middelgebergten van deze landen, in de Balkanstaten, in Rumenië, in

Schotland, het talrijkst in Noorwegen, Zweden, Europeesch en Aziatisch

Rusland (met uitzondering van het zuidelijkst gedeelte van Europeesch

Rusland en van den Kaukasus). Oorspronkelijk was het geen bewoner van

het gebergte. De bebouwing van den grond heeft het echter, evenals

verscheidene andere "Alpendieren", langzamerhand teruggedrongen naar

de kalmere, boschrijke bergstreken; in Duitschland is zijn verblijf in

de vlakte beperkt tot eenige weinige dennenbosschen (in de Lausitz op

de Tucheler Heide), die het bijzonder gaarne bewoont. Het begeeft zich

naar het noorden tot den 70en graad N.B. en naar boven tot een hoogte

van 1500 à 2000 M. boven den zeespiegel; het Korhoen gaat in beide

richtingen verder, het Hazelhoen minder ver. Het aantal van de beide

laatstgenoemde soorten van Boschhoenderen vermindert tegenwoordig

merkbaar op alle plaatsen, waar hun gebied door het ontginnen van

den bodem gesmaldeeld wordt; het Auerhoen daarentegen wordt op

nagenoeg alle plaatsen, die het thans bewoont, veelvuldiger. Toch

is dit wild in Duitschland, waar het in de Hardt, het Schwarzwald,

het Odenwald, het Fichtelgebergte, het Bohemer en Thuringer Woud,

in het Ertsgebergte, het Reuzengebergte en de Hartz een schuilplaats

vindt, nergens overvloedig. In Schotland, waar het was uitgeroeid,

heeft men het sedert 1837 van uit Noorwegen weer ingevoerd met het

reeds genoemde succes.

Het Auerhoen verkiest de wouden van het gebergte boven die der

vlakte, hoewel het deze niet mijdt. In de eerste plaats is het er op

gesteld, dat zij uitgestrekt zijn, dat zij zoowel naald- als loofhout,

nevens oude ook jonge boomen, voorts boomlooze plekken, boschweiden

en dergelijke open ruimten bevatten en dat zijn bodem vochtig, op

sommige plaatsen moerassig is. Overal waar gemengde wouden voorkomen,

kiest het bij voorkeur deze tot verblijfplaats. Het is een standvogel,

hoewel niet in de ruimste beteekenis van het woord. Bij langdurige,

strenge koude en als er veel sneeuw ligt, verlaat het soms zijn

woonplaats in het hooge gebergte en daalt naar een lageren gordel

af; het keert echter gewoonlijk ten spoedigste naar de hoogte terug,

zoodra de weersgesteldheid zachter wordt. De Auerhoenderen, die de

middelgebergten of heuvelachtige gewesten bewonen, begeven zich soms

van het eene gebied naar het andere, zonder dat men hiervoor eene

grondige reden weet aan te geven. Hierbij valt echter op te merken,

dat het Auerhoen gedurende strenge winters soms weken achtereen in

de boomen verblijf houdt, zonder op den grond af te dalen; hierdoor

kan de waarnemer licht op een dwaalspoor gebracht worden en meenen,

dat het wild een andere standplaats heeft opgezocht.

In gewone omstandigheden is het Auerhoen over dag op den bodem te

vinden; het geeft de voorkeur aan plaatsen, die aan de eerste stralen

van de morgenzon zijn blootgesteld, waar kleine, open plekken, die de

gelegenheid aanbieden om te grazen, afwisselen met terreinen, begroeid

met laag houtgewas, boschbessen, braambessen en heidestruiken, en

waar ook helder water in de nabijheid voorkomt. Hier zoekt het zijn

voedsel, terwijl het op den bodem rondloopt of kruipend zich een weg

baant door struikgewas en kreupelhout; het staakt dezen arbeid en

vliegt op, zoodra het een ongewoon verschijnsel opmerkt, hoewel het

zich ook voortreffelijk onder struiken of tegen boomstammen weet te

"drukken", zoodat men het niet vinden kan. Tegen den avond verlaten de

haan en de hen elkander en begeven zich, zoodra de duisternis invalt,

op den boom, waar zij den nacht doorbrengen. Zij vliegen nooit tot

in den top, maar blijven in den regel in 't midden van den boom;

als de morgen aanbreekt, keeren zij op den grond terug. Het voedsel

van het Auerhoen bestaat uit boomknoppen, bladen of naalden, klaver

en gras, boschbessen, zaden en Insecten. De haan gebruikt grover

voedsel dan de hen en de jongen. Misschien hangt het groote verschil

in smaak tusschen het vleesch van den haan en dat van de hen hiermede

samen; hoogstwaarschijnlijk eet de haan meestal knoppen van sparren,

zilversparren en dennen, de hen daarentegen gewoonlijk malschere

plantendeelen.

Deze Vogels zijn plomp, log en schuw. Zij loopen vlug, hoewel minder

snel dan de Veldhoenderen, Trappen, Pluvieren en Ruiters. Door snelle

vleugelslagen bespoedigen zij hun plompe, ruischende vlucht; zij volgen

een rechtlijnigen weg en pauzeeren niet zonder voldoende reden. In

hooge mate schuw, worden zij door hunne uitmuntende zintuigen, meer

bepaaldelijk door het gezicht en het gehoor, in staat gesteld om een

gevaar reeds op grooten afstand te ontdekken en te ontwijken. Hun

aard is, zooals men dien bij leden dezer orde kan verwachten. De haan

is onverdraagzaam, opvliegend en twistziek. Uit de wijze waarop hij

zich als gevangene gedraagt, valt af te leiden, dat hij voortdurend

overhoop ligt met de andere vertegenwoordigers zijner sekse en daarom

wel een kluizenaarsleven moet leiden.

Het vreemdsoortige en onstuimige gedrag van den Auerhaan gedurende

den paartijd stelt den jager in staat dit prachtige, doch schuwe dier

tot op korten afstand te naderen; uitvoerige beschrijvingen van het

"balderen" van het minnespel van den Auerhaan hebben wij daarom niet

alleen aan den natuuronderzoeker, maar ook aan den jager te danken. Als

de weersgesteldheid gunstig is, begint het balderen omstreeks het

midden van April, zoodra des morgens witte strepen in het oosten

verschijnen, ongeveer om drie uur na middernacht of een weinig later:

ieder die dit schouwspel wil genieten, moet dus in 't holle van den

nacht uit de veeren; de echte jager zorgt er voor, reeds om twee uur,

op zijn laatst om half drie, ter bestemder plaatse te zijn.

De "balder-aria" bestaat uit drie afdeelingen, voorafgegaan door

eigenaardige slikbewegingen (het zoogenaamde "kroppen" of "worgen"),

die met een knorrend geluid gepaard gaan. Als het zoogenaamde

"ratelen", "klippen" of "knappen" begint, steekt de haan den kop

vooruit, zet de veeren van kop en keel op en laat ratelende geluiden

hooren, die al sneller en sneller opeenvolgen, tot een klappend gesmak

(de "hoofdslag") weerklinkt, waarna het "slijpen" begint. Dit bestaat

uit geluiden, welke veel gelijken op het zachte wetten van een snijdend

werktuig: verscheidene aaneengekoppelde reeksen van sissende geluiden

volgen elkander op; de laatste toon wordt lang gerekt. Gewoonlijk reeds

bij het begin van de vertooning, minder dikwijls in het midden van

de eerste afdeeling, licht de haan den staart een weinig op, breidt

hem waaiervormig uit en houdt de eenigszins afhangende vleugels van

't lichaam verwijderd. Bij het "knappen" trippelt hij soms op den tak;

bij het "slijpen" zet hij bijna alle veeren op en draait zich niet

zelden om.

Zeer eigenaardig is de geringe kracht van de geluiden. Het ratelen

klinkt, alsof iemand twee dunne, glad gemaakte stokjes tegen elkander

slaat; hoe zwak dit geluid ook zij, toch kan men het 200 à 300 schreden

ver in het woud hooren en reeds op een tamelijk grooten afstand

nauwkeurig onderscheiden. Elke reeks van tonen begint met langzaam

opeenvolgende, afgebroken slagen; de duur der tusschentijden neemt

echter op nagenoeg evenredige wijze af; ten slotte volgen de slagen zoo

schielijk opeen, dat zij ook zelf ingekrompen moeten worden; eerst na

den hoofdslag komt een korte pauze voor. "De eerste slag," zegt Geijer,

"is te vergelijken met den klank "tend"; daarop volgt "tend tend tend

tend" en eindelijk steeds sneller "tend end end end end end" enz.,

tot aan den zoogenaamden hoofdslag, die ongeveer als "glak" klinkt en

duidelijker hoorbaar is dan de voorafgaande tonen. Daarna begint het

merkwaardige "slijpen", "wetten", "inspelen", dat ook wel "vers-maken"

wordt genoemd. Dit duurt ongeveer 3 1/2, nooit meer dan 4 seconden,

kan ongeveer vergeleken worden met het wetten van een lang tafelmes

of van een zeis en klinkt ongeveer als "haide haide haide haide haide

haide haide haiderai." Gedurende dit laatste bedrijf is de Vogel als

't ware doof en blind van opgewondenheid. Deze toestand (waarvan

de reden wel eens toegeschreven wordt aan verwondingen van den kop)

maakt het eenigszins verklaarbaar, dat de balderende Auerhaan soms

de ongelooflijkste dwaasheden begaat. Zoo is het, gelijk Wildungen

bericht, wel eens voorgekomen, dat hij plotseling een aanval deed

op houthakkers, die aan het zagen waren, hen met de vleugels sloeg,

met den snavel pikte en zich nauwelijks liet wegjagen. Een ander

exemplaar vloog, volgens denzelfden schrijver, naar een akker en ging

voor de ploegpaarden staan, zoodat deze schichtig werden; een derde

viel iedereen aan, die zijn standplaats naderde, zelfs de Paarden

van de werklieden in het bosch.

In den regel klimt de moed van den Auerhaan niet tot zulk een hoogte;

een zekere strijdlust toont hij echter gedurende het balderen

altijd. Een oude haan duldt geen jonge mannetjes in zijn nabijheid

binnen een kring van ongeveer 500 schreden, laat niet toe, dat een jong

dier baldert en vecht met iederen mededinger, die weerstand biedt,

op leven en dood. In 't gunstigste geval brengen zij elkaar zware

wonden aan den kop toe; het behoort echter niet tot de zeldzaamheden,

dat een van hen dood op de kampplaats blijft liggen. Jonge hanen laten

zich slechts zachtjes hooren, als zij weten, dat een oude balderende

strijder zich in hun nabijheid bevindt.

Het balderen duurt tot na zonsopgang en heeft gewoonlijk bij 't

aanbreken van den dag met het meeste vuur plaats. Als het geheel en

al dag geworden is, houdt de haan op en begeeft zich naar de hennen,

die op eenigen afstand rondloopen.

Nadat in de derde of vierde week van den baldertijd de hanen hun kalmte

herkregen hebben, keeren zij terug naar hunne gewone standplaatsen, die

dikwijls ver verwijderd zijn van de balderplaatsen; de hennen beginnen

dan haar nest in orde te maken. Iedere hen kiest een hiervoor geschikte

gelegenheid uit en scheidt zich af van de andere wijfjes. Het nest

is een ondiepe, hoogstens met eenige dorre takjes bekleede uitholling

naast een oude boomstomp of een afzonderlijk staanden, sterk vertakten

spar, tusschen heide- of boschbessenstruiken. Ongelukkig is de hen

niet voorzichtig genoeg in de keuze van een nestplaats; de meeste

nesten liggen zonder eenige beschutting naast begaanbare wegen en

voetpaden; dit is een van de redenen van de geringe vermenigvuldiging

van het Auerhoen. Het aantal eieren hangt af van den ouderdom van de

hen. Jonge hennen leggen zelden meer dan 6 à 8, oudere wel eens 10 à

12 eieren. Deze zijn in verhouding tot den Vogel klein, slechts 52 à

62 mM. lang en 40 à 43 mM. dik, op geelbruinen of vuilgelen, zelden

grijsbruinachtig gelen grond zijn zij meer of minder dicht bezaaid

met grijsgele, bruinachtig vuilgele, lichtbruine en kastanjebruine

vlekken en stippels, soms ook donker gesprenkeld. Zij worden door de

moeder met een waarlijk treffende zelfverloochening bebroed. Zoo kan

men b. v. de hen, althans wanneer het broeden bijna afgeloopen is,

met de handen van het nest optillen en haar weer neerzetten, zonder

dat zij eenige vrees toont, of van haar nest afvliegt. "Men zou om

de vermenigvuldiging van het Auerhoen te bevorderen," zegt Geijer,

"alle nesten, die meer bepaaldelijk aan gevaar blootgesteld zijn,

kunnen omgeven door een soort van omrastering, met een opening juist

voldoende voor het in- en uitgaan van de hen. Deze handelwijze wordt

"hoeden" genoemd; de hen laat zich er niet door storen.

"Eenige uren na het verlaten van de eischaal, zoodra de jongen

behoorlijk droog geworden zijn, volgen zij de moeder, die hen steeds

met bijzondere liefde en zorgvuldigheid behulpzaam is. Treffend is het,

te zien met welk een geschreeuw en opgewondenheid de kloek een mensch

ontvangt, die haar en hare kuikens onverhoeds komt overvallen. In

een oogwenk zijn alle jongen verdwenen; zij weten zich zoo goed te

verbergen, dat het werkelijk moeite kost er een te ontdekken. Dit

danken zij hoofdzakelijk aan hun kleur. Grooter gevaar loopt het gezin,

als Reintjes onfeilbare neus het heeft opgespoord. De moeder tracht

dit gevaar af te wenden, door steeds 3 of 4 passen voor den Vos uit te

loopen en te fladderen, zich te houden, alsof hare vleugels verlamd

zijn. Wanneer zij door deze (ook door andere Vogels toegepaste) list

er in geslaagd is, Reintjes aandacht van haar kroost af te leiden,

vliegt zij plotseling op en keert terug naar de plaats, waar zij hare

jongen heeft achtergelaten; zij geeft hun door de welbekende tonen

"kloek kloek" te kennen, dat het gevaar voorbij is, waarna alle zich

zoo schielijk mogelijk in een richting tegenovergesteld aan die van

den Vos uit de voeten maken. Indien de list van de hen niet gelukt,

wacht den jongen meestal een droevig lot, niet zelden blijft er geen

van over."

Als alles goed gaat, groeien de kuikentjes onder de trouwe zorg van

de moeder schielijk aan. Hun voedsel bestaat bijna uitsluitend uit

Insecten. De kloek gaat met hen naar plaatsen, waar buit te vinden

is, krabt hier den grond open, lokt hare kinderen met een teeder,

als "bak bak" klinkend geluid bij zich, legt hun een Vlieg, een

Kever, een made, een rups, een worm, een slakje of een dergelijk

lekker hapje op den snavel en gewent hen zoo aan 't opsporen van

't voedsel. Bij voorkeur zoeken zij in hun prille jeugd de poppen

van allerlei soorten van Mieren. Later gebruiken zij nagenoeg alle

stoffen, die de moeder eet. Binnen weinige weken zijn hunne veeren

zoover ontwikkeld, dat zij in een boom vliegen of althans fladderen

kunnen; het kleed der volwassenen krijgen zij echter eerst veel later.

In het laatst van den herfst ondergaat de samenstelling van het

gezin verandering: alleen de jonge wijfjes blijven bij de moeder;

de jonge hanen zwerven gemeenschappelijk rond, laten af en toe hun

stem hooren, vechten soms met elkander en beginnen in de volgende

lente de levenswijze van hun vader.

Het Auerhoen heeft behalve den Vos en den Havik nog vele andere

vijanden. De oude hanen zijn tegen hen meestal beveiligd door hun

voorzichtigheid en hun nachtverblijf op boomen. De zwakke jongen en

vooral de eieren hebben echter veel te lijden van allerlei roofdieren;

de grootste van deze zijn ook gevaarlijk voor de hennen, die dikwijls

een prooi worden van Arenden en Ooruilen. Een echte jager zal nooit een

Auerhen dooden. Dat hij op den haan slechts gedurende den baldertijd

jacht maakt, zal iedereen verklaarbaar vinden, die, zij het slechts één

enkele maal, in het vroege morgenuur naar 't bosch gegaan is, om den

balderenden Auerhaan te beluisteren en zoo mogelijk te schieten. Dit

is een jachtbedrijf van eenige beteekenis, want de haan blijft zelfs

gedurende zijn minnespel in den regel nog voorzichtig en kan slechts

door een geoefenden jager verschalkt worden. Maar juist de moeiten

van de jacht maken haar aangenaam. Het genoegen wordt ook niet weinig

verhoogd door het uur en de plaats, waarop men bezig moet zijn. "Bij

maneschijn, vóór het aanbreken van den dag," schrijft Von Kobell,

"begeeft men zich naar het woud; als de lucht donker is, steekt

men een fakkel aan om den weg te vinden tot in de nabijheid van de

balderplaats. Het pad leidt dikwijls tusschen oude boomen door, die

bij het licht van de brandende fakkels een phantastisch schouwspel

opleveren; het loopt ook wel eens over een met kromhout bedekt

terrein, welks dooreengekronkelde takken allerlei vreemdsoortige

figuren vormen. Steeds hooger wordt de verwachting gespannen. Van

tijd tot tijd blijft men staan om te luisteren, of in de stilte van

den nacht het gebalder weerklinkt, waarnaar de jager misschien nog

meer verlangt dan de hen, voor wie het bestemd is. Wanneer er niets

te hooren is, bekruipt hem de vrees, dat de haan misschien geen lust

heeft in 't balderen, gelijk dikwijls geschiedt. Zoodra echter uit de

duistere wildernis het "smakken" weerklinkt en het zachte "slijpen"

gehoord wordt, komt het bloed van den jager in snellere beweging en is

al zijn aandacht gericht op het "aanspringen" gedurende het "slijpen"".

Het "aanspringen" vereischt eenige ervaring, want een enkele

onbedachtzame beweging is voldoende om den haan te verjagen. De jager

komt telkens als hij den "hoofdslag" gehoord heeft, bij het zoogenaamde

"inspelen", met 2 of 3 sprongen of groote schreden nader, en wacht

dan weer bedaard het einde van het "vers" af, zonder intusschen de

noodige voorzichtigheid uit het oog te verliezen. Met het aanspringen

gaat men op dezelfde wijze voort, totdat men uit den klank van

de stem van den haan kan afleiden, dat hij binnen het bereik van

den geweerkogel is. Als men den Vogel ziet, haalt men den haan van

het geweer over, legt aan gedurende het "voorspel," wacht kalm het

volgende "vers" af en schiet. Indien het schot goed gemikt was, zal de

zanger ruischend tusschen de twijgen door vallen en log op den bodem

neerploffen. Wanneer men den kolossalen Vogel bij de eerste stralen van

de morgenzon herkent als een volslagen oude "Pekhaan," verkeeren alle

aanwezigen in een opgewonden stemming; ieder steekt zich dan gaarne de

fraaie, zwarte, aan den top wit gesprenkelde staartveeren op den hoed.

Gevangen Auerhoenderen behooren in alle diergaarden tot de

zeldzaamheden. Het is niet gemakkelijk hun voedsel te verschaffen,

dat hun goed bekomt. Zeer veel moeite kost het, de jongen, die men

uit de gevonden eieren verkregen heeft, groot te brengen. Overal

waar de Auerhoenderen nog geregeld voorkomen, kan men hunne eieren

gemakkelijk krijgen; deze kunnen zeer goed door een Kalkoen en zelfs

door een huishen uitgebroed worden, hoewel de laatstgenoemde zes dagen

langer op deze eieren moet zitten dan op haar eigen; het bezwaar van

het fokken van Auerhoenderen is hierin gelegen, dat de door huishennen

uitgebroede jongen op de roepstem van hun pleegmoeder volstrekt geen

acht slaan, maar van haar wegloopen. Allen die Auerhoenderen trachten

op te kweeken, hebben deze ervaring opgedaan.

Het Korhoen, ook wel Korhaan, Berkhaan of Moerhaan genoemd, de Black

Cock der Engelschen (Tetrao tetrix), is betrekkelijk slank gebouwd;

zijn snavel is middelmatig lang en dik; de buitenste en de binnenste

voorteen zijn even lang; behalve de loop zijn ook de spanvliezen,

die de teenen bij den wortel verbinden, bevederd; de vleugel is kort,

maar naar evenredigheid langer dan bij het Auerhoen, trogvormig

gewelfd, stomp afgerond; de staart bestaat uit 18 pennen en is bij

het wijfje ondiep ingesneden, bij het mannetje daarentegen zoo diep

gegaffeld, dat de langste onderdekveeren verder uitsteken dan de

zes middelste of kortste stuurpennen, die gelijk van lengte zijn;

de overige stuurpennen nemen van de middelste tot de buitenste in

lengte toe en zijn hoornvormig gebogen, zoodat de geheele staart

liervormig is. Het vederenkleed van het mannetje is zwart, op den

kop, den hals en den onderrug met prachtigen, metaalblauwen glans,

op de toegevouwen vleugels met sneeuwwitte banden geteekend, welke

gevormd worden door de witte wortelgedeelten der armpennen en der

overigens glanslooze, zwarte, groote bovendekveeren van den vleugel; de

onderdekveeren van den staart zijn zuiver wit, de slagpennen van buiten

zwartbruin, grijs uitvloeiend en met witte schaften, de stuurpennen

zwart. Het oog is bruin, de pupil blauwzwart, de snavel zwart; de

teenen zijn bruinachtig grijs, de wenkbrauwen en een naakte plek om

het oog hoogrood. Het wijfje gelijkt op de Auerhen; de kleur van hare

donkere veeren is een mengsel van roestgeel en roestbruin met zwarte

dwarsbanden en vlekken. Het mannetje is 60 à 65 cM. lang en heeft

een staart van 20 cM. lengte; het wijfje is ongeveer 15 cM. korter.

Het verbreidingsgebied van het Korhoen komt ongeveer overeen met dat

van het Auerhoen, het strekt zich echter zuidwaarts niet zoo ver en

noordwaarts iets verder uit. In Nederland komt het op sommige eenzame,

met hooge heide begroeide gronden van Gelderland, Overijsel, Drente,

Groningen en Friesland (Ooststellingwerf, Weststellingwerf, Opsterland,

Smallingerland en Achtkarspelen) voor en heeft zich in den laatsten

tijd ook in de provincie Utrecht vertoond. In Duitschland wordt het

waarschijnlijk nog in alle staten en provinciën aangetroffen, niet

overal echter, maar alleen in de voor zijn levenswijze geschikte

wouden van de vlakten en van het hooge gebergte. Deze Vogel is

n.l. wel keurig, wat betreft het terrein, maar niet wat betreft

de streek. Meer of minder veelvuldig ontmoet men hem thans nog

in alle Duitsche middelgebergten, niet zeldzaam is hij in het

Vogtland, Sauerland, Odenwald, de Mark en Lausitz, in Silezië,

Posen, Oost- en West-Pruisen, Pommeren, Hannover en op sommige

plaatsen van Noord-Sleeswijk en Jutland, eveneens veelvuldig in het

geheele Alpengebied, in Bohemen, in Schotland, gemeen in Lijfland

en Esthland, in Skandinavië en Rusland, alsmede in Siberië tot in

het Amoergebied. Hij verlangt oorspronkelijke, verwilderde en door

vuur, storm of Insecten vernielde, slecht of liever in 't geheel

niet onderhouden bosschen, die rijk zijn aan lage struiken. De boom,

waaraan hij de voorkeur geeft, is de berk. Deze verkiest hij boven

iedere andere boomsoort; van naaldhoutbosschen maakt hij slechts bij

gebrek aan iets beters gebruik. Ook van veengrond houdt hij zeer veel;

men ontmoet hem ook daar, waar de moerasplanten de overhand hebben,

de heide en de struiken verdringen, evenwel niet in het eigenlijke

broekland of moeras.

In Zwitserland bewoont het Korhoen zoowel de wouden van de hooge

bergstreken als de middelste woudgordel; gaarne verheft het zich tot

den grens van den boomgroei; hier bezoekt het dan de open plaatsen,

die met heide of met boschbessen en braamstruiken dicht bezet zijn en

de wildernissen der kromhoutdennen, die het een goede schuilplaats

verschaffen. "In Zwitserland," zegt Tschudi, "is ongetwijfeld geen

gebied rijker aan Korhoenderen dan Grauwbunderland; hier zijn zij

het talrijkst in het met donkere bergwouden en sombere rotswanden

gevulde Val Mingen, een zelden bezochte zijarm van het Val da Scarl

in Beneden-Engadin. In de struikachtige kromhout-, bergdennen- en

arvebosschen van dit gewest hoort men de hanen in de lente overal

om zich heen balderen." Op de Oostenrijksche Alpen bewoont het

Korhoen steeds een hoogeren gordel dan het Auerhoen; het is hier

even veelvuldig als in de Karpathen en de Beiersche Alpen. Ook in de

dichtbegroeide hooge veengronden wordt het overal aangetroffen. Deze

worden in Beieren "Filze" genoemd en bestaan uit veenmos (Sphagnum),

begroeid met struikheide, andromeda, boschbessen en met kromhoutdennen,

die uitgestrekte wouden van 3 à 4 dM. hoogte vormen. Op de "Filzen" van

Weilheim, Diessen, Rosenheim, Reichenhall, enz. kan men in het laatst

van den herfst en in den winter dikwijls 80 à 100 hanen bijeenzien.

In Nederland zoowel als in Duitschland is het Korhoen standvogel,

hoewel misschien niet in de strengste beteekenis van het woord; in de

hooge bergstreken en het noorden onderneemt het op bepaalde tijden van

't jaar zwerftochten.

Het Korhoen, hoewel ook nog plomp, is toch in al zijne bewegingen

behendiger dan het Auerhoen, o.a. kan het sneller loopen. Hoewel

zijne vleugels kort zijn, vliegt het toch zeer goed, rechtuit, met

buitengewoon snelle vleugelslagen en dikwijls over groote afstanden

in één vlucht. Voor deze beweging heeft het zich, naar het schijnt,

minder in te spannen dan het Auerhoen, het maakt met de vleugels een

minder sterk ruischend geluid. Het heeft zeer scherpe zintuigen. Het

ziet, hoort en ruikt uitmuntend en is ook steeds zeer voorzichtig. De

stem is bij het mannetje en het wijfje ongelijk. Beider loktoon is

een helder, kort afgebroken gefluit; als uitdrukking van teederheid

dient de zachte klank "bak bak"; het stamelen van de jongen is een

fijn gepiep; gedurende den paartijd beschikt de haan over een rijkdom

van tonen, die men van den overigens zoo stillen Vogel niet verwacht

zou hebben.

Het voedsel van het Korhoen verschilt aanmerkelijk van dat van

't Auerhoen; het bestaat altijd uit malschere stoffen, n.l. uit

boomknoppen, katjes, bladen, bessen, zaden en Insecten. Des zomers

plukt het blauwbessen en krakelbessen, in den winter jeneverbessen

en hagedoornvruchten; bovendien eet het de knoppen van heide, berk,

esp, hazelaar, els, wilg en beuk; bij uitzondering voedt het zich

ook wel met jonge, groene dennekegels, zooals uit het onderzoek van

den krop van oude hanen gebleken is; naaldvormige bladen gebruikt

het echter bijna nooit. Even gaarne als plantaardige stoffen eet

het dierlijk voedsel: slakjes, Wormen, larven en poppen van Mieren,

Vliegen, Kevers, enz.; de jongen worden uitsluitend met weeke Insecten

grootgebracht. De zwerftochten van de Korhoenderen, die noordelijke

gewesten bewonen, geschieden hoofdzakelijk met het doel om voedsel te

vinden. Zaden versmaadt het Korhoen niet; in de gevangenschap geraakt

het licht aan dergelijk voedsel gewoon. De drang tot het verzwelgen

van kwartskorreltjes staat hiermede in verband.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 04: De Hoendervogels · 第 1 / 12 段