Vol van wijze taal en hedendaagsche voorbeelden.
Shakespeare.
„Om ’s Hemels wil, Hector!” zei de oudheidkenner, den volgenden morgen
na het ontbijt, „ik wenschte dat gij onze zenuwen spaardet, en met het
afketsen van uw jachtgeweer wildet uitscheiden!”
„Wel oom, het spijt mij u verontrust te hebben; maar het is een mooi
geweer: het is een stuk van Manton, en kost veertig guinjes.”
„Een dwaas en zijn geld zijn weldra gescheiden, neef! Ik ben verheugd,
dat gij zoo vele guinjes weg te werpen hebt.”
„Iedereen naar zijn smaak, oom! – de uwe valt op boeken.”
„Ja, Hector, en als mijne verzameling de uwe was, zoudt gij die weldra
naar den geweermaker, de paardenmarkt en den hondenkramer brengen, –
coëmptos undique nobiles libros – mutare loricis Iberis.”
„Ik zou uwe boeken niet kunnen gebruiken, waarde oom, dat is waar: en
gij zult goed doen met te zorgen, dat ze in betere handen geraken dan
de mijne; maar reken de gebreken van mijn hoofd mijn hart niet toe. –
Ik zou van een olifant, die aan een ouden vriend toebehoord had, niet
scheiden willen om een stel paarden te bekomen gelijk dat van lord
Glenallan.”
„Ik geloof wel, mijn jongen, dat gij het niet zoudt doen; ik geloof het
wel! – Ik plaag u soms een weinig; het onderhoudt den geest van tucht
en ondergeschiktheid. – Gij zult hier uw tijd gelukkig doorbrengen,
daar gij mij bij u zult hebben om u te kommandeeren, in plaats van
kapitein of kolonel, of dapperen ridder, zoo als bij Milton staat, en
in plaats van de Franschen te bevechten hebt gij Gens humida ponti –
want zoo als Virgilius zegt:
„Sternunt se somno diversae in littore phocae.”
wat men zou kunnen overbrengen:
„Hier rusten phocae op het strand,
Binnen ’t bereik van Hector’s hand.”
„Neen, als gij kwaad wordt, schei ik er uit. – Ook zie ik Adam op de
plaats, met wien ik iets te doen heb. Dag, Hector! – Heugt het u nog,
hoe zij in de zee plaste gelijk haar God, Proteus, et se jactu dedit
aequor in altum?”
M’Intyre, hoewel wachtende tot zijn oom de deur achter zich had
toegetrokken, gaf zich toen ongestoord over aan zijne drift.
„Mijn oom is de beste mensch van de wereld, en op zijne wijze de
vriendelijkste; maar liever dan iets meer van die vervloekte phoca te
hooren, zoo als hij ze verkiest te noemen, zou ik dienst nemen naar
West-Indië, en hem nooit weêr zien!”
Mary M’Intyre, door dankbaarheid aan haren oom gehecht, en haren
broeder met geestdrift beminnende, trad bij dergelijke gelegenheden als
bemiddelaarster op. Zij haastte zich, haren oom bij zijnen terugkeer te
gemoet te gaan, eer hij in de zaal kwam.
„Welnu, Mary, vrouwmensch! wat beteekent dat smeekend gelaat? – heeft
Juno weêr iets misdaan?”
„Neen, oom, maar Juno’s meester is bang voor uwe spotternijen over den
zeehond. Ik verzeker u, hij voelt het meer dan gij wenschen zoudt; –
het is dwaas van hem, dat is zeker; maar gij weet ook iedereen zoo
belachelijk te maken!”
„Wel, kindlief, ik zal mijn spotlust beteugelen, en, zoo mogelijk,
nooit meer van de phoca spreken. Ik ben geenszins monitoribus asper,
maar de Hemel weet het, de zachtste, vreedzaamste en gemakkelijkste der
menschen, dien zuster, nicht en neef naar welbehagen bestieren.”
Met deze kleine lofrede op zijne eigene lijdzaamheid trad de heer
Oldbuck de zaal binnen, en stelde zijnen neef eene wandeling voor naar
de Mosselklip. „Ik heb eenige vragen te doen aan eene vrouw in de hut
van Mucklebackit,” voegde hij er bij, „en ik had er gaarne een
verstandigen getuige bij; – dus, bij gebrek aan beteren, Hector, moet
ik mij met u behelpen.”
„Daar is de oude Adam, oom, of Caxon: – zouden die niet beter zijn dan
ik?”
„Op mijn woord, jonkman, gij verwijst mij naar zeer fraai gezelschap,
en ik ben allergevoeligst voor uwe beleefdheid. Neen, jongen, mijn
oogmerk is, dat de oude Blauwrok met mij gaan zal, – niet als getuige,
want hij is nu, zoo als onze vriend de Baljuw Littlejohn zegt, (God
zegene zijne geleerdheid!) tanquam suspectus, en gij zijt suspicione
major, zoo als onze wet zegt.”
„Ik wenschte dat ik majoor was, oom!” zeide Hector, die slechts het
laatste der Latijnsche woorden opving, als den meesten indruk makende
op het oor van een soldaat; „maar zonder geld en protectie is er weinig
kans voor mij, om het zoo ver te brengen.”
„Wel, wel, zeer dappere zoon van Priamus!” zei de oudheidkenner; „laat
u door uwe vrienden raden, en gij weet niet, wat er gebeuren kan. – Kom
met mij, en gij zult iets zien, dat u van nut kan zijn, als gij eens in
een krijgsraad zit.”
„Ik heb vele regiments-krijgsraden bijgewoond, oom!” antwoordde
M’Intyre. – „Maar hier is een nieuwe stok voor u.”
„Zeer verplicht, zeer verplicht!”
„Ik kocht hem van onzen tamboermajoor, die tot ons regiment kwam uit
het Bengaalsche leger, toen het de Roode Zee kwam afzakken. De stok
werd op de oevers van den Indus gesneden, dat verzeker ik u.”
„Op mijn woord, het is een schoone rotting, en vergoedt dien, welke de
pho – Bah! wat wilde ik zeggen?”
Het gezelschap, bestaande uit den oudheidkenner, zijn neef en den ouden
bedelaar, begaf zich nu op weg naar de Mosselklip, – de eerste, met den
grootsten lust bezield, om zijne wijsheid uit te kramen, en de anderen,
met het gevoel van vorige verplichtingen en eenige hoop op toekomende
gunsten, bescheiden en oplettend om hem aan te hooren. De oom en de
neef wandelden naast elkander, de bedelaar ongeveer anderhalve stap
achter hen, juist zoo dicht bij zijn beschermer, dat deze tot hem
spreken kon met eene lichte wending van het hoofd, zonder de moeite te
nemen van zich om te keeren. Petri, in zijne verhandeling over eene
goede opvoeding, opgedragen aan de magistraten van Edinburg, beveelt,
naar zijne eigene ondervinding als opvoeder in een aanzienlijk huis
verkregen, aan alle minderen van stand, huisonderwijzers en
afhankelijke lieden van elken aard, deze houding aan.
Dus begeleid, trok de oudheidkenner, met zijne geleerdheid bezield, op,
– gelijk een trotsch oorlogschip, zich elk oogenblik dan naar bakboord
en dan naar stuurboord wendende, om eene laag te lossen op degenen, die
hem, volgden.
„En gij denkt dus,” zeide hij tegen den bedelaar, „dat dit gelukje, –
deze arca auri, zoo als Plautus zegt, Sir Arthur niet veel helpen zal
in zijn nood?”
„Of hij zou tienmaal zoo veel moeten vinden!” antwoordde de bedelaar,
„en daaraan twijfel ik zeer. – Ik hoorde Puggie Orrock en den anderen
bode van het gerecht samen spreken, – en het moet er slecht uitzien,
als zulk volkje zoo plomp weg over de zaken van een groot heer spreekt.
Ik geloof, dat Sir Arthur voor zijne schulden geplakt zal worden, als
er niet spoedig een zekere hulp opdaagt.”
„Gij spreekt als een gek,” zei de oudheidkenner. – „Neef! het is iets
merkwaardigs, dat in dit gelukkig land niemand wettig voor schulden kan
gezet worden.”
„Inderdaad, oom!” antwoordde M’Intyre, „dat heb ik nooit te voren,
geweten. – Dit gedeelte van onze wet zou eenigen van mijn regiment goed
te pas komen.”
„En als zij niet voor schulden mogen opgesloten worden,” zeide
Ochiltree, „wat doen dan zoo vele arme schepsels in de gevangenis
ginds, te Fairport? Men zegt, dat zij gezet zijn door hunne
schuldeischers. – Inderdaad! zij moeten er meer van houden dan ik, als
zij het uit vrijen wil doen.”
„Eene zeer natuurlijke opmerking, Adam! – en menig wijzer man dan gij
zou ze maken; maar ze is geheel en al gegrond op onkunde van het
leenstelsel. Hector, wees zoo goed van op te letten, als gij niet
omziet naar eene andere – hm!” (Hector deed zich op dezen wenk geweld
aan om oplettend te zijn). „En u, Adam, zal het ook tot nut kunnen
strekken, rerum cognoscere causas. De aard en oorsprong van een bevel
tot arrestatie is iets haud alienum a Scaevolae studiis. Gij moet dan
weten, dat niemand in Schotland voor schulden in hechtenis kan genomen
worden.”
„Daaraan ligt mij niet veel gelegen, Monkbarns!” zei de oude man; „want
niemand zal ooit een duit aan een ouden bedelaar toevertrouwen.”
„Ik bid u zwijg! – Als een dwangmiddel, derhalve tot betaling, – iets,
waartoe geen schuldenaar zich geneigd voelt, zoo als ik getuigen kan
uit eigene ondervinding, – hadden wij in het eerst de brieven in vier
vormen, eene soort van beleefde uitnoodiging, waardoor onze Souvereine
Heer, de Koning, zich als Vorst latende gelegen liggen aan het regelen
van de bijzondere zaken zijner onderdanen, eerst bij zachte vermaning,
en daarna bij brieven van meer krachtigen aard, – wat kijkt gij naar
dien vogel, Hector? – het is eene zeemeeuw.”
„Het is eene zeezwaluw,” zeide Adam.
„En wat dan, – wat doet dat ter zaak? – Maar ik zie, dat gij ongeduldig
zijt; ik zal dus de brieven van vier vormen overslaan, en komen tot de
hedendaagsche manier van procedeeren. – Gij veronderstelt nu, dat een
man naar de gevangenis gezonden wordt, omdat hij zijne schulden niet
betalen kan? Geenszins! de waarheid is, dat de Koning de goedheid
heeft, op een verzoekschrift van den schuldeischer tusschenbeide te
komen, en den schuldenaar zijn koninklijk bevel te zenden, om binnen
zekeren tijd zijne schuld te voldoen, – vijftien, of zestien dagen,
naardat de zaak is. Nu, de schuldenaar verzet zich en is ongehoorzaam;
– wat is er het gevolg van? Wel, dat hij wettig en naar alle vormen
weêrspannig verklaard wordt tegen onzen genadigen Souverein (aan wiens
bevelen hij ongehoorzaam geweest is), met trompetgeschal op de markt te
Edinburg, de hoofdstad van Schotland. En hij wordt dan wettiglijk in de
gevangenis gezet, niet uithoofde van eene burgerlijke schuld, maar
omdat hij het koninklijk bevel heeft geschonden. Wat zegt gij hiervan,
Hector? – Dat is iets, dat gij nog niet wist.”
„Neen, oom, maar ik beken, dat als ik geld noodig had om mijne schulden
te betalen, ik den Koning veel dankbaarder zou zijn, als hij mij wat
zond, dan wanneer hij mij weêrspannig verklaarde, omdat ik niet deed,
wat ik niet doen kon.”
„Uwe opvoeding heeft u voor diergelijke zaken niet vatbaar gemaakt,”
hernam zijn oom; „gij zijt niet in staat, om de schoonheid van deze
vinding te waardeeren, en de wijze, waarop ze die strengheid, welke
men, ter bescherming van den koophandel, noodig gevonden heeft tot de
halsstarrige schuldenaren uit te strekken, vereenigt met de meeste
bezorgdheid voor de vrijheid van den onderdaan.”
„Ik weet het niet, oom! maar als iemand zijne schulden moet betalen of
naar de gevangenis gaan, maakt het weinig onderscheid, of hij als
weêrspannig aan de wet of als schuldenaar er in gaat, zou ik denken.
Maar gij zegt, dit bevel van den Koning geeft een uitstel van zoo en
zoo vele dagen; nu, inderdaad, als ik in den nood ware, zou ik met
stille trom vertrekken en den Koning en de schuldenaar de zaak onder
elkander laten vereffenen, eer zij tot dwangmaatregelen overgingen.”
„Dat zou ik ook doen,” zeide Adam; „ik zou stilletjes optrekken.”
„Juist; maar omtrent degenen, welke de wet verdacht houdt van niet
voornemens te zijn haar plechtig bezoek af te wachten, gaat zij korter
en met minder omslag te werk, dan met lieden, aan wie geduld en
toegeeflijkheid geheel en al verspild zouden wezen.”
„Ja,” zeide Ochiltree, „met bevelschriften voor het aanhouden van
vluchtelingen: – ik heb er eenige ondervinding van. – In Zuid-Schotland
hebben zij er nog andere kunstjes bij, – die dadelijk en streng werken.
Ik werd op die wijze eens op de Sint-Jacobs kermis aangehouden en een
heelen dag en nacht in de oude kerk te Kelso bewaard; en dat was eene
sombere en akelige plaats, dat verzeker ik u. – Maar wie is die vrouw
met hare mand, op den rug? Het is, geloof ik, de arme Maggie zelve.”
Zij was het. De smart van de arme vrouw, ofschoon niet verminderd, was
evenwel bedaarder geworden door de noodzakelijkheid, om in het
onderhoud van haar huisgezin te voorzien; en de groet, dien zij Oldbuck
toebracht, was eene vermenging van haren gewonen spreektrant, waarmede
zij hare klanten zocht te lokken, en van den klagenden toon over haar
pas geleden verlies.
„Hoe gaat het vandaag, Monkbarns? – Ik heb u nog niet kunnen bedanken
voor de eer, die gij den armen Steven bewezen hebt, door zijn hoofd in
een vroegtijdig graf te leggen, den armen jongen!” Hier steunde zij en
veegde zich de oogen af met het puntje van haar blauwe voorschoot. –
„Maar de vischvangst gaat zoo slecht niet, ofschoon mijn man het hart
niet gehad heeft, om zelf naar zee te gaan. Wel zou ik hem graag
zeggen, dat het hem goed zou doen, de hand aan het werk te slaan; –
maar ik schrik er van, om hem toe te spreken, en het is ook niet goed,
dat eene vrouw zoo spreekt van haar man. – Maar ik heb toch eenige
lekkere schelvisschen, en ze kosten maar drie schelling het dozijn;
want ik heb nu geen lust om lang te kibbelen, en moet juist nemen wat
een Christenmensch geven wil, met weinig woorden en zonder omwegen.”
„Wat zullen wij doen, Hector?” zeide Oldbuck stilstaande. „Ik haalde
mij eens het ongenoegen van mijn vrouwvolkje op den hals, omdat ik een
slechten koop met haar had aangegaan. Deze zeedieren, Hector, brengen
ongeluk over ons geslacht.”
„Hoe, oom! wat gij doen moet? – De arme Maggie geven wat zij vraagt, of
mij vergunnen, een schotel visch naar Monkbarns te zenden.”
En hij reikte haar het geld toe; maar Maggie trok de hand terug. „Neen,
neen, kapitein! gij zijt te jong en te los met uw geld. – Gij moet eene
vischvrouw nooit haren eersten eisch geven; en wellicht ook sluit ik
een koopje met de oude huishoudster op Monkbarns, of met jufvrouw
Grizelda. – En ik moet zien, hoe die malle Jenny het maakt; – zij
zeggen, dat zij niet wel geweest is; – zij zal over Steven getobd
hebben, de onnoozele meid, alsof hij ooit naar haars gelijke zou hebben
willen omzien! – Wel, Monkbarns! het zijn schoone, versche
schelvisschen, en zij behoeven mij maar weinig aan uw huis te bieden,
als gij vandaag visch noodig hebt.”
En zoo stapte zij verder met haren last, terwijl smart, dankbaarheid
voor de deelneming van hare meerderen, en de gewone zucht tot handel en
winst zich in hare gedachten verdrongen.
„En nu, daar wij voor de hut zijn,” zeide Ochiltree, „wenschte ik wel
te weten, Monkbarns, wat u bewogen heeft, u dezen geheelen weg over met
mij te kwellen? Ik zeg u oprecht, ik heb geen lust om daar binnen te
gaan. Ik mag er niet aan denken, hoe de jongen allen wegsterven, en mij
als een onnutten, ouden stam achtergelaten hebben met nauwelijks één
groen blad meer over.”
„De oude vrouw zond u met eene boodschap naar den graaf van Glenallan,
niet waar?”
„Ja!” antwoordde de verwonderde bedelaar; „hoe weet gij dat?”
„Lord Glenallan verhaalde het mij zelf, dus is er geene verklikkerij, –
geene schennis van vertrouwen van uw kant, – en daar hij wenscht, dat
ik hare getuigenis zou afnemen over eenige gewichtige familiezaken,
koos ik u uit om mede te gaan, omdat het, in haren toestand, die
tusschen verkindschdheid en bewusteloosheid zweeft, mogelijk is, dat
uwe verschijning herinneringen opwekken zal, waartoe ik buiten staat
zou zijn. – De menschelijke geest, – wat doet gij, Hector?”
„Ik floot mijn hond slechts, oom! die loopt altijd te ver af. – Ik
vreesde al, dat ik u hinderen zou.”
„In het geheel niet, in het geheel niet!” zeide Oldbuck den draad
hervattende. – „De menschelijke geest behoort behandeld te worden als
eene streng verwarde zijde, waarvan men eerst voorzichtig een einde
moet zien te vatten, eer men eenige vorderingen kan maken met ze te
winden.”
„Daar heb ik geen verstand van,” zei de bedelaar; „maar als de oude
niet zeer veranderd is, kan het gebeuren, dat zij ons wat vreemd zal
doen opkijken. Het is verschrikkelijk, haar te zien en te hooren, als
zij zoo met de armen zwaait en haar zuiver Engelsch praat, en als een
gedrukt boek spreekt, – ofschoon zij maar een oud vischwijf is. Maar
zij kreeg, inderdaad, eene voorname opvoeding, en was zeer gezocht, eer
zij een weinig beneden haren stand trouwde. Zij is een tiental jaren
ouder dan ik; – maar het heugt mij nog goed, dat men even veel sprak
over haar huwelijk met Simon Mucklebackit, den vader van dezen
Saunders, alsof zij een meisje van hoogen stand geweest was. Maar zij
was eerst eene gunstelinge van de gravin, en dan was zij het weêr niet,
zoo als ik haar zoon heb hooren vertellen, toen hij nog zeer jong was;
en toen kregen zij veel geld, en verlieten het land van de gravin, en
kwamen hier wonen. Maar het ging hun toch nooit goed. Maar zij is eene
vrouw, die wat geleerd heeft, en als zij aan haar Engelsch gaat, zoo
als ik haar eens op een goeden dag heb gehoord, zal zij ons misschien
nog allen vast zetten.”