NEGENENDERTIGSTE HOOFDSTUK

Vol van wijze taal en hedendaagsche voorbeelden.

Shakespeare.

„Om ’s Hemels wil, Hector!” zei de oudheidkenner, den volgenden morgen

na het ontbijt, „ik wenschte dat gij onze zenuwen spaardet, en met het

afketsen van uw jachtgeweer wildet uitscheiden!”

„Wel oom, het spijt mij u verontrust te hebben; maar het is een mooi

geweer: het is een stuk van Manton, en kost veertig guinjes.”

„Een dwaas en zijn geld zijn weldra gescheiden, neef! Ik ben verheugd,

dat gij zoo vele guinjes weg te werpen hebt.”

„Iedereen naar zijn smaak, oom! – de uwe valt op boeken.”

„Ja, Hector, en als mijne verzameling de uwe was, zoudt gij die weldra

naar den geweermaker, de paardenmarkt en den hondenkramer brengen, –

coëmptos undique nobiles libros – mutare loricis Iberis.”

„Ik zou uwe boeken niet kunnen gebruiken, waarde oom, dat is waar: en

gij zult goed doen met te zorgen, dat ze in betere handen geraken dan

de mijne; maar reken de gebreken van mijn hoofd mijn hart niet toe. –

Ik zou van een olifant, die aan een ouden vriend toebehoord had, niet

scheiden willen om een stel paarden te bekomen gelijk dat van lord

Glenallan.”

„Ik geloof wel, mijn jongen, dat gij het niet zoudt doen; ik geloof het

wel! – Ik plaag u soms een weinig; het onderhoudt den geest van tucht

en ondergeschiktheid. – Gij zult hier uw tijd gelukkig doorbrengen,

daar gij mij bij u zult hebben om u te kommandeeren, in plaats van

kapitein of kolonel, of dapperen ridder, zoo als bij Milton staat, en

in plaats van de Franschen te bevechten hebt gij Gens humida ponti –

want zoo als Virgilius zegt:

„Sternunt se somno diversae in littore phocae.”

wat men zou kunnen overbrengen:

„Hier rusten phocae op het strand,

Binnen ’t bereik van Hector’s hand.”

„Neen, als gij kwaad wordt, schei ik er uit. – Ook zie ik Adam op de

plaats, met wien ik iets te doen heb. Dag, Hector! – Heugt het u nog,

hoe zij in de zee plaste gelijk haar God, Proteus, et se jactu dedit

aequor in altum?”

M’Intyre, hoewel wachtende tot zijn oom de deur achter zich had

toegetrokken, gaf zich toen ongestoord over aan zijne drift.

„Mijn oom is de beste mensch van de wereld, en op zijne wijze de

vriendelijkste; maar liever dan iets meer van die vervloekte phoca te

hooren, zoo als hij ze verkiest te noemen, zou ik dienst nemen naar

West-Indië, en hem nooit weêr zien!”

Mary M’Intyre, door dankbaarheid aan haren oom gehecht, en haren

broeder met geestdrift beminnende, trad bij dergelijke gelegenheden als

bemiddelaarster op. Zij haastte zich, haren oom bij zijnen terugkeer te

gemoet te gaan, eer hij in de zaal kwam.

„Welnu, Mary, vrouwmensch! wat beteekent dat smeekend gelaat? – heeft

Juno weêr iets misdaan?”

„Neen, oom, maar Juno’s meester is bang voor uwe spotternijen over den

zeehond. Ik verzeker u, hij voelt het meer dan gij wenschen zoudt; –

het is dwaas van hem, dat is zeker; maar gij weet ook iedereen zoo

belachelijk te maken!”

„Wel, kindlief, ik zal mijn spotlust beteugelen, en, zoo mogelijk,

nooit meer van de phoca spreken. Ik ben geenszins monitoribus asper,

maar de Hemel weet het, de zachtste, vreedzaamste en gemakkelijkste der

menschen, dien zuster, nicht en neef naar welbehagen bestieren.”

Met deze kleine lofrede op zijne eigene lijdzaamheid trad de heer

Oldbuck de zaal binnen, en stelde zijnen neef eene wandeling voor naar

de Mosselklip. „Ik heb eenige vragen te doen aan eene vrouw in de hut

van Mucklebackit,” voegde hij er bij, „en ik had er gaarne een

verstandigen getuige bij; – dus, bij gebrek aan beteren, Hector, moet

ik mij met u behelpen.”

„Daar is de oude Adam, oom, of Caxon: – zouden die niet beter zijn dan

ik?”

„Op mijn woord, jonkman, gij verwijst mij naar zeer fraai gezelschap,

en ik ben allergevoeligst voor uwe beleefdheid. Neen, jongen, mijn

oogmerk is, dat de oude Blauwrok met mij gaan zal, – niet als getuige,

want hij is nu, zoo als onze vriend de Baljuw Littlejohn zegt, (God

zegene zijne geleerdheid!) tanquam suspectus, en gij zijt suspicione

major, zoo als onze wet zegt.”

„Ik wenschte dat ik majoor was, oom!” zeide Hector, die slechts het

laatste der Latijnsche woorden opving, als den meesten indruk makende

op het oor van een soldaat; „maar zonder geld en protectie is er weinig

kans voor mij, om het zoo ver te brengen.”

„Wel, wel, zeer dappere zoon van Priamus!” zei de oudheidkenner; „laat

u door uwe vrienden raden, en gij weet niet, wat er gebeuren kan. – Kom

met mij, en gij zult iets zien, dat u van nut kan zijn, als gij eens in

een krijgsraad zit.”

„Ik heb vele regiments-krijgsraden bijgewoond, oom!” antwoordde

M’Intyre. – „Maar hier is een nieuwe stok voor u.”

„Zeer verplicht, zeer verplicht!”

„Ik kocht hem van onzen tamboermajoor, die tot ons regiment kwam uit

het Bengaalsche leger, toen het de Roode Zee kwam afzakken. De stok

werd op de oevers van den Indus gesneden, dat verzeker ik u.”

„Op mijn woord, het is een schoone rotting, en vergoedt dien, welke de

pho – Bah! wat wilde ik zeggen?”

Het gezelschap, bestaande uit den oudheidkenner, zijn neef en den ouden

bedelaar, begaf zich nu op weg naar de Mosselklip, – de eerste, met den

grootsten lust bezield, om zijne wijsheid uit te kramen, en de anderen,

met het gevoel van vorige verplichtingen en eenige hoop op toekomende

gunsten, bescheiden en oplettend om hem aan te hooren. De oom en de

neef wandelden naast elkander, de bedelaar ongeveer anderhalve stap

achter hen, juist zoo dicht bij zijn beschermer, dat deze tot hem

spreken kon met eene lichte wending van het hoofd, zonder de moeite te

nemen van zich om te keeren. Petri, in zijne verhandeling over eene

goede opvoeding, opgedragen aan de magistraten van Edinburg, beveelt,

naar zijne eigene ondervinding als opvoeder in een aanzienlijk huis

verkregen, aan alle minderen van stand, huisonderwijzers en

afhankelijke lieden van elken aard, deze houding aan.

Dus begeleid, trok de oudheidkenner, met zijne geleerdheid bezield, op,

– gelijk een trotsch oorlogschip, zich elk oogenblik dan naar bakboord

en dan naar stuurboord wendende, om eene laag te lossen op degenen, die

hem, volgden.

„En gij denkt dus,” zeide hij tegen den bedelaar, „dat dit gelukje, –

deze arca auri, zoo als Plautus zegt, Sir Arthur niet veel helpen zal

in zijn nood?”

„Of hij zou tienmaal zoo veel moeten vinden!” antwoordde de bedelaar,

„en daaraan twijfel ik zeer. – Ik hoorde Puggie Orrock en den anderen

bode van het gerecht samen spreken, – en het moet er slecht uitzien,

als zulk volkje zoo plomp weg over de zaken van een groot heer spreekt.

Ik geloof, dat Sir Arthur voor zijne schulden geplakt zal worden, als

er niet spoedig een zekere hulp opdaagt.”

„Gij spreekt als een gek,” zei de oudheidkenner. – „Neef! het is iets

merkwaardigs, dat in dit gelukkig land niemand wettig voor schulden kan

gezet worden.”

„Inderdaad, oom!” antwoordde M’Intyre, „dat heb ik nooit te voren,

geweten. – Dit gedeelte van onze wet zou eenigen van mijn regiment goed

te pas komen.”

„En als zij niet voor schulden mogen opgesloten worden,” zeide

Ochiltree, „wat doen dan zoo vele arme schepsels in de gevangenis

ginds, te Fairport? Men zegt, dat zij gezet zijn door hunne

schuldeischers. – Inderdaad! zij moeten er meer van houden dan ik, als

zij het uit vrijen wil doen.”

„Eene zeer natuurlijke opmerking, Adam! – en menig wijzer man dan gij

zou ze maken; maar ze is geheel en al gegrond op onkunde van het

leenstelsel. Hector, wees zoo goed van op te letten, als gij niet

omziet naar eene andere – hm!” (Hector deed zich op dezen wenk geweld

aan om oplettend te zijn). „En u, Adam, zal het ook tot nut kunnen

strekken, rerum cognoscere causas. De aard en oorsprong van een bevel

tot arrestatie is iets haud alienum a Scaevolae studiis. Gij moet dan

weten, dat niemand in Schotland voor schulden in hechtenis kan genomen

worden.”

„Daaraan ligt mij niet veel gelegen, Monkbarns!” zei de oude man; „want

niemand zal ooit een duit aan een ouden bedelaar toevertrouwen.”

„Ik bid u zwijg! – Als een dwangmiddel, derhalve tot betaling, – iets,

waartoe geen schuldenaar zich geneigd voelt, zoo als ik getuigen kan

uit eigene ondervinding, – hadden wij in het eerst de brieven in vier

vormen, eene soort van beleefde uitnoodiging, waardoor onze Souvereine

Heer, de Koning, zich als Vorst latende gelegen liggen aan het regelen

van de bijzondere zaken zijner onderdanen, eerst bij zachte vermaning,

en daarna bij brieven van meer krachtigen aard, – wat kijkt gij naar

dien vogel, Hector? – het is eene zeemeeuw.”

„Het is eene zeezwaluw,” zeide Adam.

„En wat dan, – wat doet dat ter zaak? – Maar ik zie, dat gij ongeduldig

zijt; ik zal dus de brieven van vier vormen overslaan, en komen tot de

hedendaagsche manier van procedeeren. – Gij veronderstelt nu, dat een

man naar de gevangenis gezonden wordt, omdat hij zijne schulden niet

betalen kan? Geenszins! de waarheid is, dat de Koning de goedheid

heeft, op een verzoekschrift van den schuldeischer tusschenbeide te

komen, en den schuldenaar zijn koninklijk bevel te zenden, om binnen

zekeren tijd zijne schuld te voldoen, – vijftien, of zestien dagen,

naardat de zaak is. Nu, de schuldenaar verzet zich en is ongehoorzaam;

– wat is er het gevolg van? Wel, dat hij wettig en naar alle vormen

weêrspannig verklaard wordt tegen onzen genadigen Souverein (aan wiens

bevelen hij ongehoorzaam geweest is), met trompetgeschal op de markt te

Edinburg, de hoofdstad van Schotland. En hij wordt dan wettiglijk in de

gevangenis gezet, niet uithoofde van eene burgerlijke schuld, maar

omdat hij het koninklijk bevel heeft geschonden. Wat zegt gij hiervan,

Hector? – Dat is iets, dat gij nog niet wist.”

„Neen, oom, maar ik beken, dat als ik geld noodig had om mijne schulden

te betalen, ik den Koning veel dankbaarder zou zijn, als hij mij wat

zond, dan wanneer hij mij weêrspannig verklaarde, omdat ik niet deed,

wat ik niet doen kon.”

„Uwe opvoeding heeft u voor diergelijke zaken niet vatbaar gemaakt,”

hernam zijn oom; „gij zijt niet in staat, om de schoonheid van deze

vinding te waardeeren, en de wijze, waarop ze die strengheid, welke

men, ter bescherming van den koophandel, noodig gevonden heeft tot de

halsstarrige schuldenaren uit te strekken, vereenigt met de meeste

bezorgdheid voor de vrijheid van den onderdaan.”

„Ik weet het niet, oom! maar als iemand zijne schulden moet betalen of

naar de gevangenis gaan, maakt het weinig onderscheid, of hij als

weêrspannig aan de wet of als schuldenaar er in gaat, zou ik denken.

Maar gij zegt, dit bevel van den Koning geeft een uitstel van zoo en

zoo vele dagen; nu, inderdaad, als ik in den nood ware, zou ik met

stille trom vertrekken en den Koning en de schuldenaar de zaak onder

elkander laten vereffenen, eer zij tot dwangmaatregelen overgingen.”

„Dat zou ik ook doen,” zeide Adam; „ik zou stilletjes optrekken.”

„Juist; maar omtrent degenen, welke de wet verdacht houdt van niet

voornemens te zijn haar plechtig bezoek af te wachten, gaat zij korter

en met minder omslag te werk, dan met lieden, aan wie geduld en

toegeeflijkheid geheel en al verspild zouden wezen.”

„Ja,” zeide Ochiltree, „met bevelschriften voor het aanhouden van

vluchtelingen: – ik heb er eenige ondervinding van. – In Zuid-Schotland

hebben zij er nog andere kunstjes bij, – die dadelijk en streng werken.

Ik werd op die wijze eens op de Sint-Jacobs kermis aangehouden en een

heelen dag en nacht in de oude kerk te Kelso bewaard; en dat was eene

sombere en akelige plaats, dat verzeker ik u. – Maar wie is die vrouw

met hare mand, op den rug? Het is, geloof ik, de arme Maggie zelve.”

Zij was het. De smart van de arme vrouw, ofschoon niet verminderd, was

evenwel bedaarder geworden door de noodzakelijkheid, om in het

onderhoud van haar huisgezin te voorzien; en de groet, dien zij Oldbuck

toebracht, was eene vermenging van haren gewonen spreektrant, waarmede

zij hare klanten zocht te lokken, en van den klagenden toon over haar

pas geleden verlies.

„Hoe gaat het vandaag, Monkbarns? – Ik heb u nog niet kunnen bedanken

voor de eer, die gij den armen Steven bewezen hebt, door zijn hoofd in

een vroegtijdig graf te leggen, den armen jongen!” Hier steunde zij en

veegde zich de oogen af met het puntje van haar blauwe voorschoot. –

„Maar de vischvangst gaat zoo slecht niet, ofschoon mijn man het hart

niet gehad heeft, om zelf naar zee te gaan. Wel zou ik hem graag

zeggen, dat het hem goed zou doen, de hand aan het werk te slaan; –

maar ik schrik er van, om hem toe te spreken, en het is ook niet goed,

dat eene vrouw zoo spreekt van haar man. – Maar ik heb toch eenige

lekkere schelvisschen, en ze kosten maar drie schelling het dozijn;

want ik heb nu geen lust om lang te kibbelen, en moet juist nemen wat

een Christenmensch geven wil, met weinig woorden en zonder omwegen.”

„Wat zullen wij doen, Hector?” zeide Oldbuck stilstaande. „Ik haalde

mij eens het ongenoegen van mijn vrouwvolkje op den hals, omdat ik een

slechten koop met haar had aangegaan. Deze zeedieren, Hector, brengen

ongeluk over ons geslacht.”

„Hoe, oom! wat gij doen moet? – De arme Maggie geven wat zij vraagt, of

mij vergunnen, een schotel visch naar Monkbarns te zenden.”

En hij reikte haar het geld toe; maar Maggie trok de hand terug. „Neen,

neen, kapitein! gij zijt te jong en te los met uw geld. – Gij moet eene

vischvrouw nooit haren eersten eisch geven; en wellicht ook sluit ik

een koopje met de oude huishoudster op Monkbarns, of met jufvrouw

Grizelda. – En ik moet zien, hoe die malle Jenny het maakt; – zij

zeggen, dat zij niet wel geweest is; – zij zal over Steven getobd

hebben, de onnoozele meid, alsof hij ooit naar haars gelijke zou hebben

willen omzien! – Wel, Monkbarns! het zijn schoone, versche

schelvisschen, en zij behoeven mij maar weinig aan uw huis te bieden,

als gij vandaag visch noodig hebt.”

En zoo stapte zij verder met haren last, terwijl smart, dankbaarheid

voor de deelneming van hare meerderen, en de gewone zucht tot handel en

winst zich in hare gedachten verdrongen.

„En nu, daar wij voor de hut zijn,” zeide Ochiltree, „wenschte ik wel

te weten, Monkbarns, wat u bewogen heeft, u dezen geheelen weg over met

mij te kwellen? Ik zeg u oprecht, ik heb geen lust om daar binnen te

gaan. Ik mag er niet aan denken, hoe de jongen allen wegsterven, en mij

als een onnutten, ouden stam achtergelaten hebben met nauwelijks één

groen blad meer over.”

„De oude vrouw zond u met eene boodschap naar den graaf van Glenallan,

niet waar?”

„Ja!” antwoordde de verwonderde bedelaar; „hoe weet gij dat?”

„Lord Glenallan verhaalde het mij zelf, dus is er geene verklikkerij, –

geene schennis van vertrouwen van uw kant, – en daar hij wenscht, dat

ik hare getuigenis zou afnemen over eenige gewichtige familiezaken,

koos ik u uit om mede te gaan, omdat het, in haren toestand, die

tusschen verkindschdheid en bewusteloosheid zweeft, mogelijk is, dat

uwe verschijning herinneringen opwekken zal, waartoe ik buiten staat

zou zijn. – De menschelijke geest, – wat doet gij, Hector?”

„Ik floot mijn hond slechts, oom! die loopt altijd te ver af. – Ik

vreesde al, dat ik u hinderen zou.”

„In het geheel niet, in het geheel niet!” zeide Oldbuck den draad

hervattende. – „De menschelijke geest behoort behandeld te worden als

eene streng verwarde zijde, waarvan men eerst voorzichtig een einde

moet zien te vatten, eer men eenige vorderingen kan maken met ze te

winden.”

„Daar heb ik geen verstand van,” zei de bedelaar; „maar als de oude

niet zeer veranderd is, kan het gebeuren, dat zij ons wat vreemd zal

doen opkijken. Het is verschrikkelijk, haar te zien en te hooren, als

zij zoo met de armen zwaait en haar zuiver Engelsch praat, en als een

gedrukt boek spreekt, – ofschoon zij maar een oud vischwijf is. Maar

zij kreeg, inderdaad, eene voorname opvoeding, en was zeer gezocht, eer

zij een weinig beneden haren stand trouwde. Zij is een tiental jaren

ouder dan ik; – maar het heugt mij nog goed, dat men even veel sprak

over haar huwelijk met Simon Mucklebackit, den vader van dezen

Saunders, alsof zij een meisje van hoogen stand geweest was. Maar zij

was eerst eene gunstelinge van de gravin, en dan was zij het weêr niet,

zoo als ik haar zoon heb hooren vertellen, toen hij nog zeer jong was;

en toen kregen zij veel geld, en verlieten het land van de gravin, en

kwamen hier wonen. Maar het ging hun toch nooit goed. Maar zij is eene

vrouw, die wat geleerd heeft, en als zij aan haar Engelsch gaat, zoo

als ik haar eens op een goeden dag heb gehoord, zal zij ons misschien

nog allen vast zetten.”

De oudheidkenner · 第 44 / 54 题