ACHTENDERTIGSTE HOOFDSTUK

Wel, ’t is noch diefstal noch valschmunten;

Gesteld, ik wist al wat gij mij opdringt:

Ofschoon ook het graf andermaal baarde,

En den schat hem gaf, die er niets van wist –

Nooit toch was deugdelijke ruiling roof,

Veel minder loutere mildheid. –

Oud tooneelspel.

De oudheidkenner, zich de gelegenheid willende ten nutte maken, om den

beschuldigde te ondervragen, verkoos naar het vertrek te gaan waarin

Ochiltree gevangen zat, liever dan aan het onderzoek een plechtig

voorkomen te geven door hem in de raadkamer te laten terugbrengen. Hij

vond den ouden man bij het venster zitten, dat op zee uitzag, en

terwijl hij daarop staarde, kwamen hem, zijns ondanks, heete tranen in

de oogen, die over zijne wangen en zijn witten baard vloeiden. Zijne

gelaatstrekken waren niettemin kalm en rustig, en zijne geheele houding

getuigde van geduld en gelatenheid. Oldbuck was hem genaderd zonder

opgemerkt te worden, en wekte hem uit zijne overpeinzingen op, door hem

vriendelijk te zeggen: „Het spijt mij, Adam, u zoo neêrslachtig te zien

over deze zaak.”

De bedelaar schrikte, droogde zich de oogen af met de mouw van zijn

rok, trachtte zijn gewonen onverschilligen en spottenden toon aan te

nemen, en antwoordde, maar met eene stem, die meer dan anders beefde:

„Ik had het wel kunnen gissen, Monkbarns, dat gij het waart, of uws

gelijken, die mij kwaamt storen; – want het is een groot voorrecht van

de gevangenissen en gerechtshoven, dat men zich de oogen kan uitweenen

als men wil, zonder dat iemand, die er bij hoort, ooit vragen zal

waarom?”

„Wel, Adam,” hernam Oldbuck, „ik hoop dat de tegenwoordige oorzaak van

uw verdriet niet zoo groot is, of ze zal nog wel uit den weg te ruimen

zijn.”

„En ik had gehoopt, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar op verwijtenden

toon, „dat gij mij te goed zoudt gekend hebben, om te gelooven dat deze

nietsbeteekenende kleinigheid tranen zou brengen in mijne oude oogen,

die vrij grooter leed gezien hebben. – Neen, neen! – Maar het arme

meisje, de dochter van Caxon, is hier geweest om troost te zoeken, en

heeft er maar weinig gevonden. Men heeft niets van Taffril’s brik

vernomen sedert den laatsten storm, en de menschen op de kaai

vertellen, dat er een koningsschip op de rotsen van Rattray geslagen en

met man en muis vergaan is. – God verhoede dat! want zoo zeker als gij

leeft, Monkbarns, moet dan de arme Lovel, dien gij zoo gaarne lijden

moogt, mede omgekomen zijn!”

„Ja, God verhoede het!” herhaalde de oudheidkenner. – „Ik zag liever

geheel Monkbarns in brand staan. Mijn arme, beste vriend en medewerker!

– Ik ga dadelijk naar de kade.”

„Ik ben zeker, dat gij er niets meer vernemen zult, dan ik u verteld

heb mijnheer,” hernam Ochiltree; „want de dienders hier waren zeer

beleefd (dat is op hunne wijze), en lazen al hunne brieven en berichten

na, en konden er geen licht in vinden.”

„Het kan niet waar zijn; – het zal niet waar zijn!” riep de

oudheidkenner, „en ik wil het niet gelooven, al is het waar. – Taffril

is een voortreffelijk zeeman, en Lovel (mijn arme Lovel!) heeft al de

hoedanigheden van een voorzichtigen en aangenamen metgezel te land en

ter zee; – iemand, Adam, dien ik om de eerlijkheid van zijn aard

uitzoeken zou, als ik ooit eene zeereis maakte (wat ik nooit doe, dan

alleen om het veer over te steken), fragilem mecum solvere phaselum, om

den metgezel van mijne onderneming te zijn, als iemand, tegen wien de

elementen geen wrok koesteren kunnen. – Het is een verdichtsel van die

leugenachtige snapster, die ik wenschte dat gehangen was, met hare

trompet om den hals, welker nachtuilstonen slechts brave lieden schrik

aanjagen en van streek brengen. – Zeg mij nu, hoe het met uwe zaak

staat?”

„Vraagt gij mij als magistraat, Monkbarns, of is het alleen uit

belangstelling?”

„Alleen uit belangstelling,” antwoordde de oudheidkenner.

„Zoo! – dan steek uw zakboek en potlood op; want ik spreek niet ronduit

tegen u, zoolang gij uw schrijfgereedschap in handen hebt; – dat is

iets afschrikkends voor onwetende menschen als ik. – Inderdaad, een van

de klerken hier is in staat zooveel wit op zwart te zetten, als genoeg

is om een man te hangen, eer hij weet wat hij zegt.”

Monkbarns gaf den ouden man zijn zin, en stak zijn zakboekje op.

Adam doorliep nu met groote rondborstigheid dat gedeelte der

geschiedenis dat den lezer reeds bekend is, beschreef den oudheidkenner

het tooneel, dat hij bijgewoond had tusschen Dousterswivel en zijn

patroon, in de bouwvallen van St. Ruth, en bekende openhartig, dat hij

de gelegenheid niet had kunnen laten voorbijgaan, om den goudzoeker nog

eenmaal naar het graf van Misticot te lokken, met oogmerk om hem eene

kleine bestraffing te geven voor zijne kwakzalverij. Het had hem weinig

moeite gekost, om Steven, die een ondernemende, onnadenkende jongen

was, over te halen, om hem op dien gang te vergezellen, en de grap was

onverwachts verder gedreven dan men bedoeld had. Hij beschreef wat het

zakboek betrof, de verwondering en de smart die hij aan den dag gelegd

had, zoodra hem gebleken was, dat het zoo onvoorzichtig meêgenomen was;

en dat Steven openlijk, voor al de bewoners der hut, op zich genomen

had, om het den volgenden dag terug te bezorgen, en daarin alleen door

den dood was belet geworden.

De oudheidkenner dacht een oogenblik na, en zeide toen: „Uw verhaal

komt mij zeer waarschijnlijk voor, Adam, naar hetgeen mij van de

partijen bekend is; – maar het komt mij mede waarschijnlijk voor, dat

gij meer weet van die schatontdekking, dan gij goedgevonden hebt mij te

verhalen. – Ik vermoed, dat gij eenigszins de rol van den Lar

familiaris in Plautus gespeeld hebt, – eene soort van beschermgeest of

toovenaar, Adam, die over verborgen schatten waakt. Ik herinner mij dat

gij de eerste persoon waart dien wij ontmoetten, toen Sir Arthur zijn

gelukkigen aanval op Misticot’s graf deed, en ook dat, toen de

arbeiders den moed opgaven, gij, Adam, weêr de eerste waart, die in de

opening sprongt, en ook nog de ontdekking van den schat deedt. Dit

alles nu moet gij mij verklaren, als gij niet wilt dat ik u zoo

ongemakkelijk behandel als Euclio Staphyla behandelt in de Aulularia

van Plautus.”

„Om ’s Hemels wil, mijnheer! wat weet ik van Howlularia? – dat gelijkt

meer op honden- dan op menschentaal.”

„Gij wist toch, dat de kist met den schat dáár was?” vervolgde Oldbuck.

„Mijn goede heer! hoe zou dat waarschijnlijk zijn? Gelooft gij, dat

zulk een arm oud schepsel als ik, van iets dergelijks weten zou zonder

er gebruik van te maken? – en gij weet wel, dat ik niets zocht en niets

kreeg. Hoe zou ik er van weten?”

„Dat is het juist, wat ik van u verlang te vernemen; want ik blijf er

stellig bij, gij wist dat het er was!”

„Mijnheer spreekt stellig, – en – voor een stellig sprekenden man moet

ik bekennen, dat gij dikwijls gelijk hebt.”

„Gij stemt dus toe, dat mijn vermoeden gegrond is?”

Adam knikte van ja.

„Wees dan zoo goed mij de geheele zaak te ontvouwen van het begin tot

het einde,” zei de oudheidkenner.

„Als het mijn eigen geheim was, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar,

„zoudt gij het mij niet tweemaal vragen; want ik heb het achter uw rug

gezegd, dat gij, in weêrwil van de ongerijmdheden, waarmede gij soms

vervuld zijt, de verstandigste en beste van onze heeren hier zijt. Maar

ik zal openhartig met u zijn, en zeggen, dat dit het geheim is van een

vriend, en dat men mij met wilde paarden zou kunnen vaneenscheuren, of

in tweeën zagen, zoo als zij de kinderen Ammons deden, zonder dat ik

één woord meer zeggen zou, dan dit: dat er niets kwaads meê bedoeld

werd, maar zeer veel goeds; en het oogmerk was, om degenen te dienen,

die tweehonderd maal meer waard zijn dan ik. Maar er is geen wet,

geloof ik, die het tot eene zonde maakt te weten waar het geld van

anderen is, als wij er onze handen van afhouden!”

Oldbuck wandelde een paar maal de kamer op en neder, om, zoo mogelijk,

eenige waarschijnlijke reden te ontdekken voor zulke geheimzinnige

handelingen; maar zijne scherpzinnigheid schoot hier te kort. Daarop

plaatste hij zich weêr voor den gevangene.

„Deze uwe historie, vriend Adam, is mij een volslagen raadsel, en er

zou een tweede Oedipus moeten komen, om het op te lossen; – wie Oedipus

was, zal ik u een andermaal vertellen, als gij er mij aan herinnert. –

Intusschen, hetzij dan uit verstand, of uit de grilligheid die ge mij

toekent, ben ik zeer geneigd te gelooven dat gij de waarheid gesproken

hebt; te meer, omdat gij geen dier beroepen op hoogere machten gebezigd

hebt, waarvan ik merk, dat gij en uwe makkers u altijd bedient, als gij

de menschen bedriegen wilt.” (Hier kon Adam een glimlach niet

bedwingen). „Indien gij mij dus ééne vraag wilt beantwoorden, dan zal

ik trachten uwe in vrijheidstelling te bewerken.”

„Als gij mij de vraag eerst laat hooren,” zeide Adam, met de

voorzichtigheid van een doortrapten Schot, „zal ik zeggen, of ik die

beantwoorden wil of niet.”

„Het is eenvoudig dit,” zeide de oudheidkenner: „Wist Dousterswivel

iets van het verbergen van de kist met staven?”

„Hij, de leelijke schelm!” antwoordde Adam; „er zou weinig van te recht

zijn gekomen, als Dousterswivel geweten had dat het dáár was; – het zou

weggesmolten zijn als boter voor het vuur!”

„Dat dacht ik ook,” zeide Oldbuck. „Wel, Adam, indien ik u in vrijheid

stel, moet gij woord houden, en op den bepaalden dag opkomen om mijn

borgtocht te zuiveren: want het zijn geene tijden voor een voorzichtig

man, om verbeurdverklaringen te ondergaan, tenzij gij een ander aulam

auri plenam quadrilibrem, een ander „Zoek No. 1,” aanwijzen kunt!”

„Och!” zei de bedelaar, het hoofd schuddende, „ik geloof dat de vogel

gevlogen is, die de gouden eieren legde; – ik wil hem geene gans

noemen, ofschoon hij zoo heet in de kinderboekjes. – Maar ik zal woord

houden, Monkbarns! gij zult door mij geen stuiver te kort komen. – En,

wezenlijk ik wil er graag uit, nu het weêr goed is, en dan heb ik de

beste kans, om het eerste nieuws van mijne vrienden te hooren.”

„Wel, Adam, daar het bonsen en stampen beneden opgehouden heeft,

veronderstel ik dat de Baljuw Littlejohn zijn onderwijzer in de

krijgskunst heeft weggezonden, en van den dienst van Mars tot dien van

Themis is teruggekeerd; ik zal hem eens gaan spreken. – Maar ik kan,

noch wil iets gelooven van het ongelukkig nieuws dat gij mij verteld

hebt.”

„God geve, dat gij gelijk hebt!” zei de bedelaar, terwijl Oldbuck de

kamer verliet.

De oudheidkenner vond den magistraat, afgemat door de vermoeienissen

der wapenoefening, in zijn leuningstoel gezeten, het deuntje neuriënde:

„Hoe vroolijk leeft de krijgsman, en tusschen elke maat zijn troost

zoekende in een lepel vol schildpadsoep. Hij bestelde eene dergelijke

verkwikking voor Oldbuck, die het van de hand wees met de aanmerking,

dat hij, geen soldaat zijnde, niet geneigd was van zijne gewoonte af te

gaan van op geregelde uren te spijzigen. – „Soldaten als gij, Baljuw,”

zeide hij, „moeten hun voedsel nemen, als zij er tijd en middel toe

vinden. – Maar het spijt mij ongelukkig nieuws te hooren van de brik

van den jongen Taffril.”

„Och, de arme jongen! – hij was eene eer voor de stad, – en

onderscheidde zich zoo op den eersten Juni.”

„Maar,” zeide Oldbuck, „het doet mij leed, dat gij van hem in den

verleden tijd spreekt!”

„Ja, ik vrees dat er maar al te veel reden voor is, Monkbarns, en

evenwel, laat ons het beste hopen. Het ongeluk, zegt men, moet plaats

gehad hebben tusschen de rotsen van Rattray, ongeveer twintig mijlen

noordwaarts van hier, nabij Dirtenalan-baai. Ik heb iemand gezonden, om

er onderzoek naar te doen, – en uw neef vloog zelf weg, als om het

bericht van eene overwinning te halen.”

Hier trad Hector binnen, uitroepende: „Ik geloof dat het alles een

vervloekte leugen is; – ik kan er niet den minsten grond voor vinden,

dan een algemeen gerucht.”

„En, ik bid u, mijnheer Hector,” zeide zijn oom, „als het blijkt waar

te zijn, wiens schuld is het dat Lovel aan boord was?”

„Zeer zeker de mijne niet,” antwoordde Hector; „het zou alleen mijn

ongeluk geweest zijn.”

„Inderdaad!” hernam zijn oom, „daar had ik niet aan gedacht.”

„Wel, oom, met al uw lust om mij in het ongelijk te stellen, zult gij

denkelijk moeten toestemmen, dat mijn oogmerk in dit geval niet te

laken was. Ik deed mijn best om Lovel te raken, en, als het mij gelukt

was, zou klaarblijkelijk mijn lot het zijne, en zijn lot het mijne

geweest zijn.”

„En wien of wat bedoelt gij nu te raken, daar gij dat pakje met u

sleept, geteekend: Buskruit?”

„Ik moet gereed zijn voor de jacht bij lord Glenallan op den twaalfden,

oom!” zeide M’Intyre.

„Och, Hector! uwe groote chasse, zoo als de Franschen het noemen, zou

het best geschieden

„Omne cum Proteus pecus egit altos

Visere montes, –”

kondet gij u slechts met een phoca meten in plaats van met een

vreedzamen trekvogel.”

„De drommel hale den zeehond, oom, of de phoca, zoo als gij hem

verkiest te noemen; – het is hard, dat men nooit het laatst kan hooren

van eene kleine dwaasheid!”

„Wel, wel,” zeide Oldbuck, „ik ben blijde dat gij verstand genoeg hebt

u er over te schamen. – Daar ik het geheele geslacht der Nimrods

verfoei, wenschte ik dat allen zoo te pas kwamen. – Schrik niet voor

eene grap, jongen! – Ik heb gedaan met de phoca, – ofschoon ik durf

zeggen, dat de Baljuw ons juist nu de waarde van de zeehondsvellen zou

kunnen zeggen.”

„Zij zijn opgeslagen,” antwoordde de magistraat; „zij zijn ter deeg

opgeslagen; – de visscherij is de laatste reizen mislukt.”

„Dat kunnen wij getuigen,” hernam de spotzieke oudheidkenner, die zich

verheugde over de soort van meerderheid, welke dit toeval hem over den

jongen jager gegeven had; „nog één woord, Hector! en

„Een zeehondsvel bedekke dan de uitgeteerde leden!”

„Wel, jongen! – denk er niet meer om; ik ga aan het werk! – Baljuw! een

woord met u; – ik stel borgtocht, – een redelijken borgtocht, – versta

mij wel, – voor de verschijning van den ouden Ochiltree.”

„Gij weet niet wat gij vraagt,” antwoordde de Baljuw; „de misdaad is

aanranding en roof.”

„Stil! geen woord daarvan!” zei de oudheidkenner. „Ik gaf u reeds een

wenk; – ik zal u later nadere inlichtingen geven. – Ik verzeker u, daar

is een geheim bij.”

„Maar, mijnheer Oldbuck, als de Staat er meê gemoeid is, heb ik, die

hier al het werk doe, het recht om er in gekend te worden, en zoo niet,

–”

„Stil! stil!” hernam de oudheidkenner, hem een knipoogje toewerpende en

den vinger aan den neus brengende, „gij zult het volledigste vertrouwen

hebben; – de geheele behandeling er van, als de zaak rijp is; maar het

is een stijfhoofdige oude kerel, die er niet van hooren wil, dat

vooralsnog twee menschen zijn geheim zouden kennen, en hij heeft mij

nog niet alles verteld van Dousterswivel’s schandelijke oogmerken.”

„Aha! dus moeten wij de wet omtrent de vreemdelingen op den goudzoeker

toepassen, veronderstel ik?”

„Om de waarheid te zeggen, ik wilde wel dat gij dat deedt.”

„Geen woord meer!” zei de magistraat, „het zal dadelijk geschieden; hij

zal verwijderd worden, tanquam suspect; – naar ik meen is dit eene van

uwe eigene uitdrukkingen, Monkbarns!”

„Het is klassiek, Baljuw! – Gij maakt vorderingen.”

„Wel, de openbare aangelegenheden hebben mij onlangs zoo veel drukte

gemaakt, dat ik mijn winkelknecht tot deelgenoot in mijne zaken heb

moeten nemen. – Ik heb twee verschillende briefwisselingen gehad met

den Onder-Secretaris van Staat: – de eene over de voorgestelde

belasting op Rigasch hennepzaad, en de andere over het sluiten der

politieke clubs. Dus kunt gij mij zeer goed vertrouwen en zoo veel als

gij weet vertellen van de ontdekking, door dezen ouden kerel gedaan,

van eene samenzwering tegen den Staat.”

„Ik zal het dadelijk doen, zoodra ik daartoe in staat ben. – Ik houd er

niet van mij met dergelijke zaken zelf te bemoeien. Herinner u

nochtans, dat ik niet stellig sprak van eene samenzwering tegen den

Staat; ik hoop maar door middel van den bedelaar eene verraderlijke

samenspanning te ontdekken.”

„Als er eenige samenspanning is, moet er verraad, of ten minste oproer,

onder schuilen. – Wilt gij een borgtocht voor hem stellen van

vierhonderd merk [28]?”

„Vierhonderd merk voor een ouden Blauwrok! – Denk aan de akte van 1701

op de Borgtochten! – Veeg één nul uit; ik wil wel een borgtocht voor

hem stellen van veertig merk.”

„Wel, mijnheer Oldbuck, iedereen in Fairport staat u gaarne ten dienst

– en daarbij weet ik, dat gij een voorzichtig man zijt en iemand, die

even ongaarne veertig als vierhonderd merk zou verliezen. Ik zal dus uw

borgtocht aannemen, meo periculo; – wat zegt gij van deze tweede

rechtsgeleerde uitdrukking? – Ik heb die van een advocaat: – „Ik sta er

voor in, Milord,” zeide hij, „meo periculo””

„En ik wil, eveneens meo periculo instaan voor Adam Ochiltree,” zeide

Oldbuck; „laat dus uw klerk de akte van borgtocht opmaken, en ik zal ze

onderteekenen.”

Zoodra deze plechtigheid volbracht was, deelde de oudheidkenner aan

Adam de blijde tijding mede dat hij weêr in vrijheid was, en gelastte

hem, zich naar het huis Monkbarns te spoeden, werwaarts hij zelf met

zijn neef, na het verrichten van dit goede werk terugkeerde.

De oudheidkenner · 第 43 / 54 题