Wel, ’t is noch diefstal noch valschmunten;
Gesteld, ik wist al wat gij mij opdringt:
Ofschoon ook het graf andermaal baarde,
En den schat hem gaf, die er niets van wist –
Nooit toch was deugdelijke ruiling roof,
Veel minder loutere mildheid. –
Oud tooneelspel.
De oudheidkenner, zich de gelegenheid willende ten nutte maken, om den
beschuldigde te ondervragen, verkoos naar het vertrek te gaan waarin
Ochiltree gevangen zat, liever dan aan het onderzoek een plechtig
voorkomen te geven door hem in de raadkamer te laten terugbrengen. Hij
vond den ouden man bij het venster zitten, dat op zee uitzag, en
terwijl hij daarop staarde, kwamen hem, zijns ondanks, heete tranen in
de oogen, die over zijne wangen en zijn witten baard vloeiden. Zijne
gelaatstrekken waren niettemin kalm en rustig, en zijne geheele houding
getuigde van geduld en gelatenheid. Oldbuck was hem genaderd zonder
opgemerkt te worden, en wekte hem uit zijne overpeinzingen op, door hem
vriendelijk te zeggen: „Het spijt mij, Adam, u zoo neêrslachtig te zien
over deze zaak.”
De bedelaar schrikte, droogde zich de oogen af met de mouw van zijn
rok, trachtte zijn gewonen onverschilligen en spottenden toon aan te
nemen, en antwoordde, maar met eene stem, die meer dan anders beefde:
„Ik had het wel kunnen gissen, Monkbarns, dat gij het waart, of uws
gelijken, die mij kwaamt storen; – want het is een groot voorrecht van
de gevangenissen en gerechtshoven, dat men zich de oogen kan uitweenen
als men wil, zonder dat iemand, die er bij hoort, ooit vragen zal
waarom?”
„Wel, Adam,” hernam Oldbuck, „ik hoop dat de tegenwoordige oorzaak van
uw verdriet niet zoo groot is, of ze zal nog wel uit den weg te ruimen
zijn.”
„En ik had gehoopt, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar op verwijtenden
toon, „dat gij mij te goed zoudt gekend hebben, om te gelooven dat deze
nietsbeteekenende kleinigheid tranen zou brengen in mijne oude oogen,
die vrij grooter leed gezien hebben. – Neen, neen! – Maar het arme
meisje, de dochter van Caxon, is hier geweest om troost te zoeken, en
heeft er maar weinig gevonden. Men heeft niets van Taffril’s brik
vernomen sedert den laatsten storm, en de menschen op de kaai
vertellen, dat er een koningsschip op de rotsen van Rattray geslagen en
met man en muis vergaan is. – God verhoede dat! want zoo zeker als gij
leeft, Monkbarns, moet dan de arme Lovel, dien gij zoo gaarne lijden
moogt, mede omgekomen zijn!”
„Ja, God verhoede het!” herhaalde de oudheidkenner. – „Ik zag liever
geheel Monkbarns in brand staan. Mijn arme, beste vriend en medewerker!
– Ik ga dadelijk naar de kade.”
„Ik ben zeker, dat gij er niets meer vernemen zult, dan ik u verteld
heb mijnheer,” hernam Ochiltree; „want de dienders hier waren zeer
beleefd (dat is op hunne wijze), en lazen al hunne brieven en berichten
na, en konden er geen licht in vinden.”
„Het kan niet waar zijn; – het zal niet waar zijn!” riep de
oudheidkenner, „en ik wil het niet gelooven, al is het waar. – Taffril
is een voortreffelijk zeeman, en Lovel (mijn arme Lovel!) heeft al de
hoedanigheden van een voorzichtigen en aangenamen metgezel te land en
ter zee; – iemand, Adam, dien ik om de eerlijkheid van zijn aard
uitzoeken zou, als ik ooit eene zeereis maakte (wat ik nooit doe, dan
alleen om het veer over te steken), fragilem mecum solvere phaselum, om
den metgezel van mijne onderneming te zijn, als iemand, tegen wien de
elementen geen wrok koesteren kunnen. – Het is een verdichtsel van die
leugenachtige snapster, die ik wenschte dat gehangen was, met hare
trompet om den hals, welker nachtuilstonen slechts brave lieden schrik
aanjagen en van streek brengen. – Zeg mij nu, hoe het met uwe zaak
staat?”
„Vraagt gij mij als magistraat, Monkbarns, of is het alleen uit
belangstelling?”
„Alleen uit belangstelling,” antwoordde de oudheidkenner.
„Zoo! – dan steek uw zakboek en potlood op; want ik spreek niet ronduit
tegen u, zoolang gij uw schrijfgereedschap in handen hebt; – dat is
iets afschrikkends voor onwetende menschen als ik. – Inderdaad, een van
de klerken hier is in staat zooveel wit op zwart te zetten, als genoeg
is om een man te hangen, eer hij weet wat hij zegt.”
Monkbarns gaf den ouden man zijn zin, en stak zijn zakboekje op.
Adam doorliep nu met groote rondborstigheid dat gedeelte der
geschiedenis dat den lezer reeds bekend is, beschreef den oudheidkenner
het tooneel, dat hij bijgewoond had tusschen Dousterswivel en zijn
patroon, in de bouwvallen van St. Ruth, en bekende openhartig, dat hij
de gelegenheid niet had kunnen laten voorbijgaan, om den goudzoeker nog
eenmaal naar het graf van Misticot te lokken, met oogmerk om hem eene
kleine bestraffing te geven voor zijne kwakzalverij. Het had hem weinig
moeite gekost, om Steven, die een ondernemende, onnadenkende jongen
was, over te halen, om hem op dien gang te vergezellen, en de grap was
onverwachts verder gedreven dan men bedoeld had. Hij beschreef wat het
zakboek betrof, de verwondering en de smart die hij aan den dag gelegd
had, zoodra hem gebleken was, dat het zoo onvoorzichtig meêgenomen was;
en dat Steven openlijk, voor al de bewoners der hut, op zich genomen
had, om het den volgenden dag terug te bezorgen, en daarin alleen door
den dood was belet geworden.
De oudheidkenner dacht een oogenblik na, en zeide toen: „Uw verhaal
komt mij zeer waarschijnlijk voor, Adam, naar hetgeen mij van de
partijen bekend is; – maar het komt mij mede waarschijnlijk voor, dat
gij meer weet van die schatontdekking, dan gij goedgevonden hebt mij te
verhalen. – Ik vermoed, dat gij eenigszins de rol van den Lar
familiaris in Plautus gespeeld hebt, – eene soort van beschermgeest of
toovenaar, Adam, die over verborgen schatten waakt. Ik herinner mij dat
gij de eerste persoon waart dien wij ontmoetten, toen Sir Arthur zijn
gelukkigen aanval op Misticot’s graf deed, en ook dat, toen de
arbeiders den moed opgaven, gij, Adam, weêr de eerste waart, die in de
opening sprongt, en ook nog de ontdekking van den schat deedt. Dit
alles nu moet gij mij verklaren, als gij niet wilt dat ik u zoo
ongemakkelijk behandel als Euclio Staphyla behandelt in de Aulularia
van Plautus.”
„Om ’s Hemels wil, mijnheer! wat weet ik van Howlularia? – dat gelijkt
meer op honden- dan op menschentaal.”
„Gij wist toch, dat de kist met den schat dáár was?” vervolgde Oldbuck.
„Mijn goede heer! hoe zou dat waarschijnlijk zijn? Gelooft gij, dat
zulk een arm oud schepsel als ik, van iets dergelijks weten zou zonder
er gebruik van te maken? – en gij weet wel, dat ik niets zocht en niets
kreeg. Hoe zou ik er van weten?”
„Dat is het juist, wat ik van u verlang te vernemen; want ik blijf er
stellig bij, gij wist dat het er was!”
„Mijnheer spreekt stellig, – en – voor een stellig sprekenden man moet
ik bekennen, dat gij dikwijls gelijk hebt.”
„Gij stemt dus toe, dat mijn vermoeden gegrond is?”
Adam knikte van ja.
„Wees dan zoo goed mij de geheele zaak te ontvouwen van het begin tot
het einde,” zei de oudheidkenner.
„Als het mijn eigen geheim was, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar,
„zoudt gij het mij niet tweemaal vragen; want ik heb het achter uw rug
gezegd, dat gij, in weêrwil van de ongerijmdheden, waarmede gij soms
vervuld zijt, de verstandigste en beste van onze heeren hier zijt. Maar
ik zal openhartig met u zijn, en zeggen, dat dit het geheim is van een
vriend, en dat men mij met wilde paarden zou kunnen vaneenscheuren, of
in tweeën zagen, zoo als zij de kinderen Ammons deden, zonder dat ik
één woord meer zeggen zou, dan dit: dat er niets kwaads meê bedoeld
werd, maar zeer veel goeds; en het oogmerk was, om degenen te dienen,
die tweehonderd maal meer waard zijn dan ik. Maar er is geen wet,
geloof ik, die het tot eene zonde maakt te weten waar het geld van
anderen is, als wij er onze handen van afhouden!”
Oldbuck wandelde een paar maal de kamer op en neder, om, zoo mogelijk,
eenige waarschijnlijke reden te ontdekken voor zulke geheimzinnige
handelingen; maar zijne scherpzinnigheid schoot hier te kort. Daarop
plaatste hij zich weêr voor den gevangene.
„Deze uwe historie, vriend Adam, is mij een volslagen raadsel, en er
zou een tweede Oedipus moeten komen, om het op te lossen; – wie Oedipus
was, zal ik u een andermaal vertellen, als gij er mij aan herinnert. –
Intusschen, hetzij dan uit verstand, of uit de grilligheid die ge mij
toekent, ben ik zeer geneigd te gelooven dat gij de waarheid gesproken
hebt; te meer, omdat gij geen dier beroepen op hoogere machten gebezigd
hebt, waarvan ik merk, dat gij en uwe makkers u altijd bedient, als gij
de menschen bedriegen wilt.” (Hier kon Adam een glimlach niet
bedwingen). „Indien gij mij dus ééne vraag wilt beantwoorden, dan zal
ik trachten uwe in vrijheidstelling te bewerken.”
„Als gij mij de vraag eerst laat hooren,” zeide Adam, met de
voorzichtigheid van een doortrapten Schot, „zal ik zeggen, of ik die
beantwoorden wil of niet.”
„Het is eenvoudig dit,” zeide de oudheidkenner: „Wist Dousterswivel
iets van het verbergen van de kist met staven?”
„Hij, de leelijke schelm!” antwoordde Adam; „er zou weinig van te recht
zijn gekomen, als Dousterswivel geweten had dat het dáár was; – het zou
weggesmolten zijn als boter voor het vuur!”
„Dat dacht ik ook,” zeide Oldbuck. „Wel, Adam, indien ik u in vrijheid
stel, moet gij woord houden, en op den bepaalden dag opkomen om mijn
borgtocht te zuiveren: want het zijn geene tijden voor een voorzichtig
man, om verbeurdverklaringen te ondergaan, tenzij gij een ander aulam
auri plenam quadrilibrem, een ander „Zoek No. 1,” aanwijzen kunt!”
„Och!” zei de bedelaar, het hoofd schuddende, „ik geloof dat de vogel
gevlogen is, die de gouden eieren legde; – ik wil hem geene gans
noemen, ofschoon hij zoo heet in de kinderboekjes. – Maar ik zal woord
houden, Monkbarns! gij zult door mij geen stuiver te kort komen. – En,
wezenlijk ik wil er graag uit, nu het weêr goed is, en dan heb ik de
beste kans, om het eerste nieuws van mijne vrienden te hooren.”
„Wel, Adam, daar het bonsen en stampen beneden opgehouden heeft,
veronderstel ik dat de Baljuw Littlejohn zijn onderwijzer in de
krijgskunst heeft weggezonden, en van den dienst van Mars tot dien van
Themis is teruggekeerd; ik zal hem eens gaan spreken. – Maar ik kan,
noch wil iets gelooven van het ongelukkig nieuws dat gij mij verteld
hebt.”
„God geve, dat gij gelijk hebt!” zei de bedelaar, terwijl Oldbuck de
kamer verliet.
De oudheidkenner vond den magistraat, afgemat door de vermoeienissen
der wapenoefening, in zijn leuningstoel gezeten, het deuntje neuriënde:
„Hoe vroolijk leeft de krijgsman, en tusschen elke maat zijn troost
zoekende in een lepel vol schildpadsoep. Hij bestelde eene dergelijke
verkwikking voor Oldbuck, die het van de hand wees met de aanmerking,
dat hij, geen soldaat zijnde, niet geneigd was van zijne gewoonte af te
gaan van op geregelde uren te spijzigen. – „Soldaten als gij, Baljuw,”
zeide hij, „moeten hun voedsel nemen, als zij er tijd en middel toe
vinden. – Maar het spijt mij ongelukkig nieuws te hooren van de brik
van den jongen Taffril.”
„Och, de arme jongen! – hij was eene eer voor de stad, – en
onderscheidde zich zoo op den eersten Juni.”
„Maar,” zeide Oldbuck, „het doet mij leed, dat gij van hem in den
verleden tijd spreekt!”
„Ja, ik vrees dat er maar al te veel reden voor is, Monkbarns, en
evenwel, laat ons het beste hopen. Het ongeluk, zegt men, moet plaats
gehad hebben tusschen de rotsen van Rattray, ongeveer twintig mijlen
noordwaarts van hier, nabij Dirtenalan-baai. Ik heb iemand gezonden, om
er onderzoek naar te doen, – en uw neef vloog zelf weg, als om het
bericht van eene overwinning te halen.”
Hier trad Hector binnen, uitroepende: „Ik geloof dat het alles een
vervloekte leugen is; – ik kan er niet den minsten grond voor vinden,
dan een algemeen gerucht.”
„En, ik bid u, mijnheer Hector,” zeide zijn oom, „als het blijkt waar
te zijn, wiens schuld is het dat Lovel aan boord was?”
„Zeer zeker de mijne niet,” antwoordde Hector; „het zou alleen mijn
ongeluk geweest zijn.”
„Inderdaad!” hernam zijn oom, „daar had ik niet aan gedacht.”
„Wel, oom, met al uw lust om mij in het ongelijk te stellen, zult gij
denkelijk moeten toestemmen, dat mijn oogmerk in dit geval niet te
laken was. Ik deed mijn best om Lovel te raken, en, als het mij gelukt
was, zou klaarblijkelijk mijn lot het zijne, en zijn lot het mijne
geweest zijn.”
„En wien of wat bedoelt gij nu te raken, daar gij dat pakje met u
sleept, geteekend: Buskruit?”
„Ik moet gereed zijn voor de jacht bij lord Glenallan op den twaalfden,
oom!” zeide M’Intyre.
„Och, Hector! uwe groote chasse, zoo als de Franschen het noemen, zou
het best geschieden
„Omne cum Proteus pecus egit altos
Visere montes, –”
kondet gij u slechts met een phoca meten in plaats van met een
vreedzamen trekvogel.”
„De drommel hale den zeehond, oom, of de phoca, zoo als gij hem
verkiest te noemen; – het is hard, dat men nooit het laatst kan hooren
van eene kleine dwaasheid!”
„Wel, wel,” zeide Oldbuck, „ik ben blijde dat gij verstand genoeg hebt
u er over te schamen. – Daar ik het geheele geslacht der Nimrods
verfoei, wenschte ik dat allen zoo te pas kwamen. – Schrik niet voor
eene grap, jongen! – Ik heb gedaan met de phoca, – ofschoon ik durf
zeggen, dat de Baljuw ons juist nu de waarde van de zeehondsvellen zou
kunnen zeggen.”
„Zij zijn opgeslagen,” antwoordde de magistraat; „zij zijn ter deeg
opgeslagen; – de visscherij is de laatste reizen mislukt.”
„Dat kunnen wij getuigen,” hernam de spotzieke oudheidkenner, die zich
verheugde over de soort van meerderheid, welke dit toeval hem over den
jongen jager gegeven had; „nog één woord, Hector! en
„Een zeehondsvel bedekke dan de uitgeteerde leden!”
„Wel, jongen! – denk er niet meer om; ik ga aan het werk! – Baljuw! een
woord met u; – ik stel borgtocht, – een redelijken borgtocht, – versta
mij wel, – voor de verschijning van den ouden Ochiltree.”
„Gij weet niet wat gij vraagt,” antwoordde de Baljuw; „de misdaad is
aanranding en roof.”
„Stil! geen woord daarvan!” zei de oudheidkenner. „Ik gaf u reeds een
wenk; – ik zal u later nadere inlichtingen geven. – Ik verzeker u, daar
is een geheim bij.”
„Maar, mijnheer Oldbuck, als de Staat er meê gemoeid is, heb ik, die
hier al het werk doe, het recht om er in gekend te worden, en zoo niet,
–”
„Stil! stil!” hernam de oudheidkenner, hem een knipoogje toewerpende en
den vinger aan den neus brengende, „gij zult het volledigste vertrouwen
hebben; – de geheele behandeling er van, als de zaak rijp is; maar het
is een stijfhoofdige oude kerel, die er niet van hooren wil, dat
vooralsnog twee menschen zijn geheim zouden kennen, en hij heeft mij
nog niet alles verteld van Dousterswivel’s schandelijke oogmerken.”
„Aha! dus moeten wij de wet omtrent de vreemdelingen op den goudzoeker
toepassen, veronderstel ik?”
„Om de waarheid te zeggen, ik wilde wel dat gij dat deedt.”
„Geen woord meer!” zei de magistraat, „het zal dadelijk geschieden; hij
zal verwijderd worden, tanquam suspect; – naar ik meen is dit eene van
uwe eigene uitdrukkingen, Monkbarns!”
„Het is klassiek, Baljuw! – Gij maakt vorderingen.”
„Wel, de openbare aangelegenheden hebben mij onlangs zoo veel drukte
gemaakt, dat ik mijn winkelknecht tot deelgenoot in mijne zaken heb
moeten nemen. – Ik heb twee verschillende briefwisselingen gehad met
den Onder-Secretaris van Staat: – de eene over de voorgestelde
belasting op Rigasch hennepzaad, en de andere over het sluiten der
politieke clubs. Dus kunt gij mij zeer goed vertrouwen en zoo veel als
gij weet vertellen van de ontdekking, door dezen ouden kerel gedaan,
van eene samenzwering tegen den Staat.”
„Ik zal het dadelijk doen, zoodra ik daartoe in staat ben. – Ik houd er
niet van mij met dergelijke zaken zelf te bemoeien. Herinner u
nochtans, dat ik niet stellig sprak van eene samenzwering tegen den
Staat; ik hoop maar door middel van den bedelaar eene verraderlijke
samenspanning te ontdekken.”
„Als er eenige samenspanning is, moet er verraad, of ten minste oproer,
onder schuilen. – Wilt gij een borgtocht voor hem stellen van
vierhonderd merk [28]?”
„Vierhonderd merk voor een ouden Blauwrok! – Denk aan de akte van 1701
op de Borgtochten! – Veeg één nul uit; ik wil wel een borgtocht voor
hem stellen van veertig merk.”
„Wel, mijnheer Oldbuck, iedereen in Fairport staat u gaarne ten dienst
– en daarbij weet ik, dat gij een voorzichtig man zijt en iemand, die
even ongaarne veertig als vierhonderd merk zou verliezen. Ik zal dus uw
borgtocht aannemen, meo periculo; – wat zegt gij van deze tweede
rechtsgeleerde uitdrukking? – Ik heb die van een advocaat: – „Ik sta er
voor in, Milord,” zeide hij, „meo periculo””
„En ik wil, eveneens meo periculo instaan voor Adam Ochiltree,” zeide
Oldbuck; „laat dus uw klerk de akte van borgtocht opmaken, en ik zal ze
onderteekenen.”
Zoodra deze plechtigheid volbracht was, deelde de oudheidkenner aan
Adam de blijde tijding mede dat hij weêr in vrijheid was, en gelastte
hem, zich naar het huis Monkbarns te spoeden, werwaarts hij zelf met
zijn neef, na het verrichten van dit goede werk terugkeerde.