VEERTIGSTE HOOFDSTUK

Van zulken ouderdom wijkt het leven ongevoelig

En stil, als eene eb, wanneer de golfslag

Geheel en al het gestrande schip verlaat.

Eerst deed de minste wind of golf het zachtjes wiegen;

Maar nu raakt de kiel het diepe, zware zand;

Straks maken mast en kim een hoek, die niet verandert.

Elke wijkende baar schokt de boot al minder en minder,

Tot zij, gemetseld in ’t zand, blijft liggen

Onbruikbaar en bewegingloos.

Oud tooneelspel.

Toen de oudheidkenner de klink van de deur der hut oplichtte, was hij

verwonderd, de bevende, krassende stem van Elspeth eene oude ballade te

hooren zingen in den smaak van een onregelmatig, klagend recitatief:

De haring mint het zachte licht der maan,

En de makreel den stormwind in den nacht;

Den oester trekt het lied des visschers aan,

Want zij is van een adellijk geslacht.

Als een vlijtig verzamelaar van dergelijke brokken van oude

dichtstukken, bleef Oldbuck luisterend staan, en zijne hand wapende

zich onwillekeurig met potlood en aanteekenboekje. Van tijd tot tijd

sprak de oude vrouw als tegen de kinderen: „Stil kleinen, stil! en ik

zal er nog een mooier zingen dan dat:

Zwijgt stil en luistert, vrouw en man,

Naar ’t geen mijn lied u meldt;

Ik zing u van Glenallan’s graaf

En Harlaw’s bloedig veld.

De lijkzang klaagt in Bennachie

En jammert om den held,

En Hoog- en Laagland dragen rouw

Om Harlaw’s bloedig veld. –

„Ik herinner mij het volgend vers niet goed; – mijn geheugen is weg, en

daar overvallen mij nare gedachten. – De Heer brenge ons niet in

verzoeking!”

Hier ging hare stem in een onduidelijk gemompel over.

„Het is eene geschiedkundige ballade!” zeide Oldbuck met geestdrift; –

„een oorspronkelijk en echt fragment uit den tijd der minnezangers! –

Percy zou de eenvoudigheid daarvan bewonderen, – Ritson de echtheid er

van niet kunnen betwisten!”

„Het kan zijn; maar het is bedroevend,” zeide Ochiltree, „het

menschelijk gevoel in deze vrouw zoo verdoofd te zien, dat zij oude

liedjes gaat krassen, na een verlies als het hare!”

„Stil, stil!” zei de oudheidkenner, – „zij heeft den draad van de

ballade hervat!” – En terwijl hij sprak, zong zij:

Twee honderd rossen toomden ze op,

Gedost in blinkend staal,

Op ’t fiere hoofd de strijdkaproen,

Een ridder in den zaâl.

„Strijdkaproen!” riep de oudheidkenner uit, – „dat woord komt zelden

voor! – het is goud waard!” – en dadelijk stond het in zijn zakboekje.

Zij snelden weg en reden voort

En de aarde dreunde er van;

Daar rukte Donald ’t heîveld op

Met twintig duizend man.

Hun mantels wuifden; zwaard bij zwaard

Blonk schittrend overal,

En oorverdoovend klonk ’t geraas

Van ’t dondrend krijgsgeschal.

De graaf verheft zich in den zaâl,

Bij ’t nadren van dien stoet;

„Op, wakkre ridders!” roept hij, „op!

Toont hier uw heldenmoed.”

„Welaan mijn schildknaap, die zoo fier

Aan mijne zijde rijdt,

Verbeeld u dat ’k uw schildknaap ben,

En gij Glenallan zijt.”

„Te blijven is hier doodsgevaar;

Te keeren – ons onwaard!

Wat zoudt gij, Roeland Cheyne, doen?

Als gij Glenallan waart?”

„Gij moet weten, kinderen! dat deze Roeland Cheyne, zoo arm en oud ik

hier in den hoek van den haard zit, mijn voorvader, en dien dag een

dapper man was in het gevecht; maar vooral nadat de graaf gevallen was:

want hij verweet zich zelven, dat hij den graaf aangeraden had om te

vechten, eer Mar opdaagde met Mearns en Aberdeen en Angus.”

Zij verhief de stem en werd hoe langer hoe meer bezield, terwijl zij de

oorlogzuchtige raadgevingen van haren voorvader beschreef:

„O, dat ik graaf Glenallan waar,

En gij mijn schildknaap, gij!

Mijn teugels op den hals van ’t paard!

Mijn sporen in zijn zij!

„En overtreft hun aantal ook

Het onze honderdmaal;

Hen dekt slechts ’t lichte mantelkleed,

Ons ’t ondoordringbaar staal.

„Mijn ros zal rennen door hun heir,

Als door het heidegras;

Geen eed’le Noorman wijkt er ooit

Voor ’t Hooglandsch slavenras!”

„Hoort gij dat neef?” zeide Oldbuck. „Gij merkt, dat uwe Gaëlische

voorouders voormaals niet veel geteld werden door de krijgslieden uit

het zuidelijk gedeelte van Schotland.”

„Ik hoor,” zeide Hector, „eene onnoozele oude vrouw een onnoozel liedje

zingen. Ik verwonder mij, oom, dat gij, die niet luisteren wilt naar

Ossian’s gezangen van Selma, behagen kunt scheppen in zulken onzin! Ik

beweer, dat ik nooit ellendiger straatdeuntje gehoord heb: ik geloof

niet, dat gij een soortgelijk bij eenigen liedjeskramer meer in het

geheele land zult vinden! Ik zou mij schamen, als ik dacht, dat de eer

der Hooglanders door zulke rijmelarij kon besmet worden!” – Met deze

laatste woorden richtte hij het hoofd trotsch op, en keek met

verontwaardiging rond.

Waarschijnlijk hoorde de oude vrouw het geluid van hunne stemmen, want

zij hield op met zingen en riep: „Kom binnen, kom binnen! – die het wel

meent, blijft niet aan den drempel staan!”

Zij traden binnen en vonden, tot hunne groote verwondering, Elspeth

alleen, „als een spook aan den haard zittende,” gelijk de geest van den

Ouderdom in het jagerslied van den Uil [29], „gerimpeld, haveloos,

morsig, met troebele oogen en verkleumd.”

„Zij zijn allen uit,” zeide zij, toen Oldbuck binnentrad: „maar als gij

een oogenblik wilt gaan zitten, zal er wel iemand komen. Als gij zaken

hebt met mijne schoondochter of mijn zoon, zullen zij weldra hier zijn,

geloof ik. Ik spreek nooit over zaken. – Kinderen, geeft stoelen! – de

kinderen zijn ook uit, geloof ik,” – om zich heen ziende. – „Ik zong

hun straks wat voor, om hen stil te houden; maar zij zijn toch weg! –

Gaat zitten, heeren! zij zullen weldra te huis zijn, geloof ik;” en zij

liet de klos uit de hand vallen op den grond, en begon te spinnen, en

scheen weldra uitsluitend bezig met het regelen van de bewegingen van

het spinnewiel, en even onbewust van de tegenwoordigheid der

vreemdelingen, als zij onverschillig was omtrent hun rang of hetgeen

zij daar te verrichten hadden.

„Ik wenschte,” zeide Oldbuck, „dat zij dat gezang of die ballade

hervatten wilde. – Ik heb altijd vermoed, dat er eenige schermutseling

van ruitervolk heeft plaats gehad vóór den hoofdslag van Harlaw [30].”

„Met verlof,” zeide Adam, „zou het niet beter zijn als mijnheer tot de

zaak overging, die ons hier bracht? Ik kan het liedje altijd van haar

krijgen.”

„Ik geloof dat gij gelijk hebt, Adam! – Do manus – ik onderwerp mij.

Maar hoe zullen wij het aanleggen? Zij zit daar als de

verpersoonlijking der verkindschdheid. – Spreek haar aan, Adam, – zie,

of gij haar te binnen brengen kunt, dat zij u naar het kasteel

Glenallan zond.”

Adam stond op, en, haar naderende, plaatste hij zich in dezelfde

houding, die hij in zijn vroeger gesprek met haar gehad had. „Ik ben

blij u zoo wel te zien, oude! te meer, daar u een ongeluk getroffen

heeft sedert ik onder uw dak was.”

„Ja,” zeide Elspeth; maar veel eerder met een algemeen denkbeeld van

ongeluk, dan uit eenige duidelijke herinnering van hetgeen er plaats

had; – „wij hebben onlangs veel verdriet gehad. Ik weet niet, hoe het

jonge volk dat verdragen kan. – Ik verdraag het slecht. Ik kan den wind

niet loeien, en de zee niet bruischen hooren, of ik zie, dunkt mij, de

boot met de kiel naar boven, en één van hen in de golven dobberen. –

Och, heeren! zulke nare droomen als men heeft tusschen het slapen en

het waken in, eer men den langen en gerusten slaap gevat heeft! Ik

verbeeld me soms dat mijn zoon, of Steven, mijn kleinzoon, dood is, en

dat ik de begrafenis gezien heb. Is dat geen nare droom voor eene

dwaze, oude vrouw? Waarom zou een van hen vóór mij sterven? – Het is

tegen den loop der natuur, zoo, als gij weet.”

„Ik geloof, dat gij met deze onnoozele oude vrouw weinig uitrichten

zult,” zeide Hector, bij wien misschien nog eenigszins de afkeer

werkte, welken de verachtelijke melding van zijne landslieden in haar

gezang bij hem verwekt had; – „ik geloof dat gij met haar weinig

uitrichten zult, oom, en het is tijd verspillen met hier te zitten

luisteren naar hare wartaal.”

„Hector,” zei de oudheidkenner met verontwaardiging, „als gij haar

ongeluk niet eerbiedigt, eerbiedig ten minste haren hoogen ouderdom en

hare grijze haren; – dit is het laatste bedrijf van het menschelijk

leven, zoo fraai geschilderd door den Latijnschen dichter:

– Omni

Membrorum damno major dementia, quae nec

Nomina servorum, nec vultus agnoscit amici,

Cum quo praeterita coenavit nocte, nec illos

Quos genuit, quos eduxit, –” [31]

„Dat is Latijn!” zeide Elspeth, zich oprichtende alsof zij naar de

regels luisterde, welke de oudheidkenner met grooten nadruk opdreunde,

– „dat is Latijn!” en zij wierp een woesten blik in het rond. – „Heeft

mij dan eindelijk een priester ontdekt?”

„Gij ziet, neef, zij verstaat even veel van deze schoone plaats als

gij!”

„Gij zult, hoop ik, gelooven, oom, dat ik, even goed als zij, wist, dat

het Latijn was?”

„Ja, wat dat aangaat; – maar wacht, zij wil verder spreken.”

„Ik wil geen priester hebben! – volstrekt niet!” zei de oude vrouw, met

onmachtige hevigheid; – „zoo als ik leefde, wil ik sterven; – niemand

zal zeggen, dat ik mijne meesteres verried, al ware het om mijne ziel

te redden!”

„Dat getuigt van een slecht geweten,” zei de bedelaar; „ik wilde, dat,

zij haar hart lucht gaf, al ware het slechts om haar eigen wil;” en hij

sprak haar op nieuw aan.

„Wel, moeder! ik heb uwe boodschap aan den graaf overgebracht.”

„Aan welken graaf? ik ken geen graaf; – ik kende eens eene gravin; –

gave de Hemel, dat ik haar nooit gekend had! want door die kennis,

buurman, kwam er –” en zij telde op hare dorre vingers, terwijl zij

sprak, – „eerst hoogmoed, dan kwaadwilligheid, dan wraak, dan valsche

getuigenis; en moord klopte aan de deur, zoo hij al niet binnen kwam; –

en waren dat geene aangename gasten, om te nestelen in een vrouwenhart?

Dat was gezelschap genoeg, geloof ik!”

„Maar, oude, het was niet de gravin van Glenallan, die ik meende, maar

haren zoon, hem, dien men lord Geraldin heet.”

„Ik herinner het mij nu,” zeide zij; „ik zag hem niet lang geleden, en

wij hadden een lang gesprek te zamen. – Och, heeren, de knappe jonge

lord is zoo oud en zwak geworden als ik zelve; – zoo werken smart en

hartzeer en teleurstelling in de liefde dikwijls op het jonge bloed! –

Maar moest zijne moeder niet zelve daarop gepast hebben? Wij

volbrachten slechts hare bevelen, zoo als gij weet; – ik ben zeker, dat

mij niemand laken kan; – hij was mijn zoon niet, en zij was mijne

meesteres. – Gij weet, hoe het liedje gaat; – ik ben het zingen haast

vergeten, de wijs weet ik niet meer:

„Hij draaide hem heen en weêr, en zei:

Geen’ spot met moeder, broeder!

Overal vind ik minnarij,

Nergens een andere moeder.”

„En dan was hij slechts van het halve bloed, zoo als gij weet, en zij

was eene echte Glenallan! Neen, neen! ik moet nooit klagen over hetgeen

ik voor de Gravin Joscelinde deed; – nooit zal ik er over klagen.”

En daarop het vlas van het spinrokken opwindende met den starren blik

van iemand, die besloten heeft niets te bekennen, hervatte zij haar

gestaakt werk.

„Ik heb gehoord,” zei de bedelaar, aanleiding nemende uit hetgeen

Oldbuck hem van de familiegeschiedenis verhaald had; – „ik heb gehoord,

oude, dat er eenige kwaadsprekers tusschen den graaf, dat is tusschen

lord Geraldin en zijne jonge bruid gekomen zijn?”

„Kwaadsprekers?” riep zij, driftig en ontroerd; „en waarom zou zij

lastertaal vreezen? – Zij was goed en schoon genoeg; – ten minste

iedereen zeide dat. Maar had zij zelve omtrent andere menschen

gezwegen, dan had zij misschien nog heden geleefd, – in weêrwil van al

wat men tegen haar ondernam!”

„Maar ik hoorde zeggen, moeder, dat het praatje ging, dat haar man en

zij te na aan elkander bestonden, toen zij samen trouwden?”

„Wie durft daarvan spreken?” riep de oude vrouw driftig; „wie durft

zeggen, dat zij getrouwd waren? – Wie weet daarvan? – Ik niet! – Als

zij in het geheim trouwden, werden zij in het geheim gescheiden. – Zij

ledigden den kelk van hun eigen bedrog!”

„Neen, ellendige!” riep Oldbuck uit, die niet langer zwijgen kon, „zij

dronken het vergif, dat gij en uwe goddelooze meesteres haar

bereidden!”

„Ha! ha!” hernam zij, „ik heb wel gedacht, dat het daartoe komen zou; –

ik heb slechts stil te zitten en te zwijgen, als zij mij ondervragen; –

er is geene pijnbank meer in onze dagen; – en als er een ware, dan

konden ze mij verscheuren! – De mond van een vazal mag hem niet

verraden, die hem voedt!”

„Spreek maar tot haar, Adam!” zei de oudheidkenner; „zij kent uwe stem,

en antwoordt u het best.”

„Wij zullen er niets meer uit krijgen,” zeide Ochiltree. „Als zij zoo

gaat zitten en de armen gevouwen heeft, zegt men, dat zij weken

achtereen geen woord spreken wil. En daarbij is, naar het mij voorkomt,

haar gelaat zeer veranderd, sedert wij hier zijn. Evenwel zal ik haar

nog eens polsen, als gij het wenscht. – Welnu, oude, kunt gij u niet

meer herinneren, dat uwe oude meesteres, de gravin Joscelinde,

overleden is?”

„Overleden!” riep zij uit; want dit woord maakte altijd een diepen

indruk op haar; „dan moeten wij volgen. Allen moeten te paard, als zij

in den zadel zit; – zeg hun, dat zij lord Glenallan doen weten, dat wij

reeds vooruit zijn. – Breng mijn hoed en mijn sjerp; gij wilt toch niet

dat ik in deze kleeding met mevrouw uitga, en met mijn haar, zoo als

het nu is?”

Zij hief de dorre armen op, en scheen bezig met haren mantel om te doen

om uit te gaan, en liet de armen dan weêr langzaam zakken; en hetzelfde

denkbeeld van een tocht waarschijnlijk steeds in het hoofd, ging zij

gejaagd en afgebroken voort: „Roep Eveline Neville! – Wat bedoelt gij

met lady Geraldin? Ik zeide: Eveline Neville, – niet lady Geraldin; –

er is geene lady Geraldin! – zeg haar dit, en dat zij haar nat kleed

moet uittrekken, en niet zoo bleek zien. – Kind! wat zou zij met een

kind doen? – Meisjes hebben geene kinderen, denk ik! – Therese! –

Therese! – de gravin roept ons! – Breng licht, de groote trap is donker

als de middernacht. – Wij komen, mevrouw!” Met deze woorden zonk zij

terug op den stoel, en zeeg languit op den grond [32].

Adam snelde toe, om haar op te helpen; maar nauwelijks had hij haar in

de armen genomen, of hij zeide: „Het is voorbij; – zij is overleden;

dat was haar laatste woord!”

„Onmogelijk!” zeide Oldbuck, haastig toetredende met zijn neef. Maar

niets was zekerder. Zij had den geest gegeven bij het uitspreken der

laatste woorden, en zij zagen niets meer voor zich, dan de sterfelijke

overblijfsels van het wezen, dat zoo lang geworsteld had met een

inwendig gevoel van verborgen schuld, gevoegd bij de ellende van

ouderdom en armoede.

„God geve, dat zij naar betere gewesten heengegaan is!” zeide Adam,

terwijl hij het levenlooze lichaam aanschouwde. „Maar, och, er was

iets, dat haar zwaar op het hart lag. Ik heb menigeen zien sterven op

het slagveld en op een bos stroo in huis; maar ik zou hen allen veel

liever op nieuw zien sterven, dan zulk een dood als de hare weêr

bijwonen!”

„Wij moeten de buren roepen,” zeide Oldbuck, zoodra hij eenigszins

herstelde van zijn schrik en zijne verrassing, „en hun dit ongeluk

bekend maken. – Ik wenschte, dat men haar iets had kunnen doen

bekennen. En, ofschoon het van veel minder gewicht is, zou ik gewenscht

hebben dat fragment van een lied over te schrijven. Maar ’s Hemels wil

geschiede!”

Zij verlieten de hut, en brachten het gehucht in rep en roer. De

matronen verzamelden zich dadelijk, om het lijk te verzorgen van haar,

die men als de gemeenschappelijke moeder, naar leeftijd, van al de

dorpelingen beschouwde. Oldbuck beloofde zijn onderstand voor de

begrafenis.

„Mijnheer” zeide Alison Breek, die na de overledene de oudste was,

„moest ons iets zenden, om ons hart op te beuren bij het bewaken van

het lijk; want al de jenever van den armen Saunders werd bij de

begrafenis van Steven opgedronken, en wij zullen er niet veel aan

hebben, om met droge lippen bij het lijk te zitten. Elspeth was zeer

knap in hare jonge dagen, zoo als ik mij herinner; maar er liep altijd

een praatje, dat zij niet gelukkig was. Van de dooden moet men geen

kwaad spreken, – en veel minder nog van zijne kameraden en buren; –

maar er werden vreemde dingen verteld van eene dame en haar kind, eer

zij Craigburnfoot verliet. En dus, wezenlijk, het zal een bedroefde

lijkbewaking [33] zijn, als mijnheer ons niets zendt, om ons aan de

praat te houden.”

„Gij zult wat jenever hebben,” antwoordde Oldbuck, „te meer, omdat gij

het eigenlijke woord voor het oude gebruik van het lijk te bewaken

behouden hebt. Let op, Hector, dat lijkbewaking oorspronkelijk

Teutonisch is, van het Gothische Leichnam, een lijk. Het is geheel

verkeerd, dat men het de laatste wacht noemt, ofschoon Brand die

hedendaagsche verbastering en afleiding voorstaat.”

„Ik geloof,” zeide Hector bij zichzelven, „dat mijn oom geheel

Monkbarns zou geven, als iemand het hem in het echte oud-Angel-Saksisch

kwam vragen! Geen droppel zouden deze oude schepsels gekregen hebben,

als het wijf het gevraagd had, om bij de laatste wacht te gebruiken!”

Terwijl Oldbuck eenige verdere beschikkingen maakte en bijstand

beloofde, kwam een bediende van Sir Arthur in vollen ren langs het

strand rijden, en hield stil, toen hij den oudheidkenner zag. „Er was

iets,” (hij kon of wilde niet verklaren wat), „en Freule Wardour had

hem oogenblikkelijk naar Monkbarns gezonden, om mijnheer Oldbuck te

verzoeken zonder tijdverlies bij hen te komen.”

„Ik vrees,” zei de oudheidkenner, „ook zijn loop snelt ten einde; – wat

kan ik doen?”

„Doen, oom?” riep Hector uit met zijne gewone hevigheid, – „te paard

stijgen, het dier omkeeren, – en in tien minuten zijt gij te

Knockwinnock!”

„Het is een best paard,” zei de knecht, terwijl hij afsteeg om de

singels en stijgbeugels na te zien; „het is slechts wat hard in den

bek, als het een bangen ruiter op zijn rug voelt.”

„Ik geloof, dat het mij weldra tot een zandruiter zou maken, vriend!”

zei de oudheidkenner. „Wat drommel, neef! zijt ge mij moede? of denkt

gij, dat ik mijn leven moede ben, om op den rug van zulk een Bucephaal

als dezen te gaan zitten? – Neen, neen, vriend! als ik vandaag te

Knockwinnock moet komen, zal het geschieden door bedaard op mijne

eigene voeten daarheen te wandelen, wat ik ook zoo spoedig mogelijk zal

doen. Kapitein M’Intyre mag dat dier zelf bestijgen, als het hem

behaagt.”

„Ik heb weinig hoop, oom, dat ik van eenigen dienst zal kunnen zijn;

maar ik kan aan hun gebrek aan hulp niet denken, zonder te wenschen ten

minste mijne deelneming te toonen: – ik zal dus vooruitrijden, en uwe

aankomst melden. – Ik moet u om uwe sporen verzoeken, vriend!”

„Mijnheer zal ze niet noodig hebben,” zei de man, ze echter afdoende en

den kapitein aangespende; „het paard heeft vuur genoeg.”

Oldbuck stond verstomd over deze laatste roekeloosheid. „Zijt gij

waanzinnig, Hector? of hebt gij vergeten wat er in Quintus Curtius, die

u, als soldaat, bekend moet zijn, staat: nobilis equus umbra quidem

virgae regitur; ignavus ne calcari quidem excitari potest, hetgeen

duidelijk aantoont, dat de sporen altijd nutteloos, en, ik zou er

kunnen bijvoegen, dat zij meestal gevaarlijk zijn.”

Maar Hector, die zich weinig stoorde aan het gevoelen van Quintus

Curtius, of van den oudheidkenner, in dergelijke zaken, antwoordde

slechts met een luchtig: „Wees niet bezorgd, wees niet bezorgd, oom!”

„Daarmeê gaf hij den teugel aan ’t moedig ros,

Boog zich voorwaarts, en stiet den spoor

In de hijgende ribben van het dier

Tot over der rad’ren kop; dus voortvliegend

Verslond hij als het ware in den ren den weg,

En stond niet langer hem te woord.”

„Daar gaan ze heen! – een schoon paar!” zeide Oldbuck, hen nakijkende

terwijl zij verdwenen, – „een dol paard en een wilde jongen, de twee

lastigste schepsels in het Christendom; en dat alles, om een half uur

vroeger daar aan te komen, waar niemand hen noodig heeft. Want ik denk,

dat Sir Arthur’s ongeluk door onzen lichthoofdigen ruiter niet zal te

verhelpen zijn. Het is buiten twijfel het uitwerksel van

Dousterswivel’s schurkenstreken, voor wien Sir Arthur zoo veel gedaan

heeft; want ik kan niet ontkennen, dat bij sommige karakters het

gezegde van Tacitus steek houdt: Beneficia eo usque laeta sunt dum

videntur exsolvi posse; ubi multum antevenere, pro gratig odium

redditur, – waaruit een verstandig man kan leeren voorzichtig te zijn,

en niemand verder te verplichten, dan hij verwachten mag door hem te

zien vergelden, uit vrees van zijn bankroet te maken aan dankbaarheid.”

Onder het opprevelen van dergelijke brokken van Cynische wijsbegeerte,

stapte onze oudheidkenner over het strand naar Knockwinnock, maar wij

moeten hem voorbijsnellen, ten einde de reden te ontwikkelen, waarom

hij zoo dringend opontboden werd.

De oudheidkenner · 第 45 / 54 题