ZEVENENDERTIGSTE HOOFDSTUK

De Gerechtigheid is mij waard, als u; –

Dan, daar de vrouw blind is, zal zij verschoonen

Dat ik, naar tijd en reden, mij stom houd; –

Het woord, dat ik nu spreek, moet mij niet

Den dood berokkenen in de toekomst.

Oud tooneelspel.

Door de liefdadigheid der stedelingen en met behulp van de vracht

levensmiddelen, welke Adam Ochiltree met zich in de gevangenis bracht,

had hij een paar dagen lang zijne opsluiting zonder groot ongeduld

verduurd, en betreurde hij het gemis zijner vrijheid te minder, omdat

het weêr slecht en regenachtig was.

„De gevangenis,” zeide hij, „is zoo verschrikkelijk niet, als, men wel

zegt. Men heeft er altoos een goed dak boven het hoofd, om het slechte

weêr af te keeren; en zijn er geene glazen in de vensterramen, des te

luchtiger en aangenamer is het er ’s zomers. En er is volk genoeg om

meê te praten en brood genoeg om te eten, en waarom zou men zich om

iets anders bekommeren?”

De moed van onzen wijsgeerigen bedelaar begon hem echter te verlaten,

zoodra de zonnestralen helder schenen op de verroeste staven van zijn

getralied verblijf, en een ongelukkige vink, wiens kooi de een of

andere arme schuldenaar de vergunning gekregen had, om aan het venster

te hangen, ze met zijn gezang begon te begroeten.

„Gij zijt opgeruimder dan ik,” zeide Adam tot den vogel; „want ik kan

fluiten, noch zingen, als ik denk aan de schoone oevers der rivier en

de groene boschjes, waar ik drentelen zou bij zulk weêr als dit. – Wel,

wel, – daar hebt gij een paar kruimeltjes, omdat gij zoo vroolijk zijt;

maar, waarlijk, gij hebt ook reden om te zingen; want het is niet uwe

eigene schuld dat gij in de kooi zit, en ik heb het mij zelven te

danken, dat ik in deze droevige plaats opgesloten ben.”

Ochiltree’s alleenspraak werd nu gestoord door een bode van het

vredegerecht, die kwam om hem voor den rechter te brengen. Dus trok hij

op, in plechtigen optocht, tusschen twee oude mannen, die geen van

beiden half zoo krachtig waren als hij, om onder het oog van de

nieuwsgierige gerechtigheid gebracht te worden. Toen de oude gevangene

tusschen zijne afgeleefde wachters werd weggevoerd, riep het volk

elkander toe: „Ei, ziet, den grijsaard die op ’s Heeren wegen, met één

voet in het graf, gaat rooven!” – en de kinderen wenschten de dienders

Puggie Orrock en Jock Ormston, beurtelings de voorwerpen van hunne

vrees en van hun spot, geluk, dat zij een misdadiger gevonden hadden,

zoo oud als zij zelven.

Onder dit geleide werd Adam (volstrekt niet voor de eerste maal) voor

den Baljuw Littlejohn gebracht, die, weinig in overeenkomst met zijn

naam (kleine Jan), een lang, deftig man was, aan wien de zorg voor de

gemeente niet vruchteloos was opgedragen. Hij was een ijverig

Koningsgezinde van dat hartstochtelijk tijdperk, eenigszins streng en

koppig in de uitvoering van zijn plicht, bezield met het gevoel van

zijne eigene macht en gewicht, overigens echter een eerlijk, welmeenend

en nuttig burger.

„Brengt hem naar binnen, brengt hem naar binnen!” riep hij uit. „Op

mijn woord, het zijn verschrikkelijke en onnatuurlijke tijden, – de

bedelaars zelven van zijne Majesteit zijn de eersten, om zijne wetten

te schenden! Hier hebben wij al een blauwrok, die roof begaan heeft! ik

verbeeld mij, dat de eerstvolgende de koninklijke liefdadigheid, die

hem rok, brood en vrijheid tot bedelen geeft, door verraad, of ten

minste door oproer, beloonen zal! – Maar breng hem binnen!”

Adam maakte zijne buiging en stond toen, als gewoonlijk, vast en recht,

met zijn gelaat een weinig schuins naar boven gekeerd, als om elk

woord, dat de magistraat hem toesprak, op te vangen. De eerste

algemeene vragen, die alleen betrekking hadden tot zijn naam en beroep,

beantwoordde de bedelaar snel en nauwkeurig; maar toen de vrederechter

zijn schrijver bevolen had, om deze bijzonderheden op te teekenen, en

begon te vragen, waar de bedelaar den nacht van Dousterswivel’s ongeluk

geweest was, begon Adam zwarigheden te opperen. „Kunt gij mij nu

zeggen, Baljuw, gij, die de wet verstaat, wat het mij helpen zou, om op

uwe vragen te antwoorden?”

„Helpen? neen, – helpen voorzeker niet, vriend, als ge mij door een

getrouw verhaal te geven van wat ge gedaan hebt, niet bewijzen kunt dat

gij onschuldig zijt, en mij dus in staat stelt om u vrij te laten.”

„Maar het komt mij redelijker voor, dat gij, Baljuw, of wie ook iets

tegen mij te zeggen heeft, mijne schuld zoudt bewijzen, dan mij

gelasten om mijne onschuld te bewijzen.”

„Ik zit hier niet,” antwoordde de rechter, „om met u over rechtspunten

te twisten. Ik vraag u slechts: verkiest gij te antwoorden op mijne

vraag: of gij in de woning van Ringan Aikwood den boschwachter waart,

op den dag welken ik u genoemd heb?”

„Wezenlijk, mijnheer, ik gevoel mij niet geroepen, om het mij te

herinneren.”

„En of gij, in den loop van dien dag of nacht, Steven Mucklebackit

gezien hebt? – gij hebt hem gekend, veronderstel ik?”

„O, zeker kende ik Steven, den armen jongen! – maar ik kan niet juist

het oogenblik bepalen, dat ik hem voor het laatst zag.”

„Waart gij dien avond in de bouwvallen van St. Ruth?”

„Baljuw Littlejohn!” zei de bedelaar, „als het u behaagt, zal ik een

lang verhaal kort maken, en u juist zeggen, dat ik niet voornemens ben

om op ééne vraag te antwoorden. – Ik ben al te oud geworden om mij door

mijne praatjes in ongelegenheid te brengen.”

„Schrijf op,” zei de vrederechter, „dat hij weigert te antwoorden op

alle vragen, omdat hij, door de waarheid te zeggen, in ongelegenheid

zou kunnen geraken.”

„Neen, neen!” zei de bedelaar „ik wil dat niet als mijn antwoord

opgeschreven hebben; – ik wilde maar zeggen dat ik, na al wat ik mij

herinner ondervonden te hebben, nooit iets goeds zag voortkomen uit het

beantwoorden van onnoodige vragen.”

„Schrijf dan dat de declarant, door ondervinding bekend met

gerechtelijke onderzoekingen, en het nadeel ondervonden hebbende van de

vragen te beantwoorden, die hem gedaan werden, weigert, –”

„Neen, neen, Baljuw!” herhaalde Adam, „op die wijs komt ge mij ook niet

aan het lijf!”

„Geef dan uw antwoord zelf, vriend!” zei de rechter, „en de griffier

zal het uit uw eigen mond opschrijven.”

„Ja, ja,” zeide Adam, „dat is zoo als het behoort; dat zal ik zonder

tijdverlies doen! – Zoo, buurman! nu kunt gij opschrijven dat Adam

Ochiltree, de declarant, de vrijheid ophoudt, – neen, dat moet gij niet

zeggen, – ik ben geen voorstander van de vrijheid, – ik heb er tegen

gevochten in de oproeren te Dublin, – daarenboven heb ik lang ’s

Konings brood gegeten. – Wacht, laat zien! – ja – schrijf, dat Adam

Ochiltree, de Blauwrok, een voorstander is van het prerogatief – (zie

toe, dat gij dat woord goed spelt – het is lang) – van het prerogatief

van de onderdanen van dit land, en niet één enkel woord wil antwoorden,

dat hem heden zal gevraagd worden, of hij moet er reden voor zien. –

Schrijf dat maar op, jonge heer!”

„Dan, Adam, als ge mij niets wilt zeggen, moet ik u terug zenden naar

de gevangenis, tot gij behoorlijk voor de assises komt.”

„Wel, mijnheer, als het de wil van den Hemel en van u is, moet ik mij

ongetwijfeld onderwerpen. Ik heb niet veel tegen de gevangenis in te

brengen, dan alleen, dat men er in moet blijven; en indien het u,

Baljuw, geliefde daarmede tevreden te zijn, zou ik u mijn woord geven

om voor het Landgericht, of eenig ander Hof dat u behaagt, te

verschijnen op den dag dien gij zult goedvinden te bepalen.

„Ik geloof, vriend, dat uw woord een slechte waarborg zou zijn, als uw

hals in gevaar is. Ik ben geneigd te denken, dat gij u troosten zoudt,

als de borg niet deugde. – Als ge mij echter goede borgen kunt

bezorgen, inderdaad, –”

Op dit oogenblik traden de oudheidkenner en kapitein M’Intyre het

vertrek binnen. – „Goeden morgen, mijne heeren!” zei de vrederechter;

„gij vindt mij werkzaam in mijn gewoon beroep; – onderzoekende de

ongerechtigheden van het volk, – werkzaam voor de res publica, mijnheer

Oldbuck, – den koning onzen heer dienende, kapitein M’Intyre, – want

gij weet, veronderstel ik, dat ik het zwaard heb aangegord?”

„Het is ongetwijfeld een van de zinnebeelden der gerechtigheid,”

antwoordde de oudheidkenner; „maar ik zou gedacht hebben, dat de

schalen u beter zouden voegen, Baljuw, voornamelijk daar gij ze bij de

hand hebt in het pakhuis.”

„Zeer goed, Monkbarns! – voortreffelijk; maar ik heb het zwaard niet

opgevat als magistraat, maar als krijgsman, – inderdaad, ik moest

liever zeggen het geweer en de bajonet, – daar staan zij bij mijn

stoel; want ik ben thans nauwelijks geschikt voor de wapenoefening, –

een lichte aanval van mijn oude vijandin, het podagra; – ik kan mij

nochtans op de been houden, als de sergeant mij de handgrepen leert. Ik

wenschte wel te weten, kapitein M’Intyre, of hij de handgrepen goed

leert; – het presenteeren gaat, dunkt mij, maar half goed.” En hij

hompelde naar zijn wapen, om zijne twijfelingen en vorderingen te doen

zien.

„Ik verheug mij over zulke ijverige verdedigers van het vaderland,

Baljuw,” hernam Oldbuck, „en ik geloof wel, dat het Hector aangenaam

zal zijn u zijne gedachten over uwe vorderingen in dit nieuw beroep

mede te deelen. Gij zijt gelijk de Hekate der ouden, mijn waarde heer!

– een koopman op de markt, een magistraat op het stadhuis, een soldaat

in het veld, – quid non pro patria? Maar mijne zaken betreffen de

Gerechtigheid; dus laat dan den koophandel en den oorlog voor een

oogenblik ter zijde.”

„Wel, mijn waarde heer!” zei de Baljuw, „en welke bevelen hebt gij voor

mij?”

„Wel hier is een van mijne oude kennissen, genaamd Adam Ochiltree, dien

eenige van uwe handlangers in de gevangenis gesleept hebben, uit hoofde

van een hem te last gelegden aanval op dien Dousterswivel, van wiens

beschuldiging ik geen enkel woord geloof.”

De magistraat nam hier een air van gewicht aan. „Gij moet vernomen

hebben, dat hij zoo wel van roof als van aanranding beschuldigd is:

voorwaar eene zeer ernstige zaak; – het gebeurt niet dikwijls, dat ik

zulke misdadigers in het verhoor krijg.”

„En,” hernam Oldbuck, „gij neemt de gelegenheid waar, om van degenen,

die zich opdoen, de meeste partij te trekken. Maar is het geval van

dezen armen ouden man inderdaad zoo ernstig?”

„Het is eigenlijk niet in den regel” zei de Baljuw; „maar daar gij er u

meê bemoeit, Monkbarns, maak ik geene zwarigheid, om u de verklaring

van Dousterswivel en de overige stukken van het voorloopig onderzoek te

toonen.” En hij gaf de papieren over aan den oudheidkenner, die zijn

bril nam en zich in een hoek terugtrok, om ze te doorloopen.

De boden van het vredegerecht kregen intusschen bevel, om hun gevangene

in een ander vertrek te brengen; maar eer zij het doen konden, nam

M’Intyre de gelegenheid waar, om den ouden Adam te groeten en hem

heimelijk eene guinje in de hand te drukken.

„God zegene u!” riep de oude man; „het is de gift van een jongen

soldaat, en zij zal zekerlijk een ouden te pas komen. Ik sla die niet

af, ofschoon ze boven de taks is; – want als zij mij hier opsluiten, is

het waarschijnlijk genoeg, dat mijne vrienden mij vergeten zullen; –

uit het oog uit het hart, is een waar spreekwoord. – En het zou voor

mij, die een konings bedelaar ben, en gerechtigd om van huis tot huis

te bedelen, niet passen, dat ik uit het venster van de gevangenis naar

halve stuivertjes stond te hengelen met den voet van eene kous aan een

langen draad.”

Terwijl hij deze aanmerking maakte, werd hij uit de kamer gebracht.

De verklaring van den heer Dousterswivel bevatte een overdreven verhaal

van de aanranding en het verlies, dat hij geleden had.

„Maar ik zou hem hebben willen vragen,” zeide Monkbarns, „welk

voornemen hij kon gehad hebben met de bouwvallen van St. Ruth te

bezoeken, zulk eene eenzame plaats, en op zulk een uur, en met zulk een

medgezel als Adam Ochiltree. Er gaat geen weg dien kant uit, en ik

geloof niet, dat alleen liefde voor het schilderachtige Herman

Dousterswivel daarheen gevoerd zal hebben op zulk een stormachtigen en

winderigen nacht. Wees verzekerd, dat hij op eenig schelmstuk

uitgeweest, en, naar alle waarschijnlijkheid, in een strik gevallen is,

door hem zelven gelegd. – Nec lex justitior ulla, –”

De magistraat bekende, dat er iets geheimzinnigs in die omstandigheid

was, en verontschuldigde zich, dat hij Dousterswivel geene opheldering

daarvan gevraagd had, door te zeggen, dat zijne verklaring vrijwillig

afgelegd was. Maar, ter schraging van de hoofdbeschuldiging, toonde hij

de verklaring van de Aikwood’s omtrent den toestand, waarin

Dousterswivel gevonden werd, de gewichtige daadzaak bevestigende, dat

de bedelaar de schuur, waarin hij opgenomen was, verlaten had, en niet

daarheen was teruggekeerd. Twee lieden van den begrafenisbezorger te

Fairport, welke dien nacht bij de ter aarde bestelling van lady

Glenallan waren tegenwoordig geweest, hadden ook verklaard, dat zij,

uitgezonden om twee verdachte personen te vervolgen, die de bouwvallen

van St. Ruth verlieten toen de lijkstaatsie aankwam, en die, zoo als

men veronderstelde, voornemens waren om eenige der versierselen, voor

de plechtigheid bestemd, te stelen, die menschen meer dan eens uit het

gezicht verloren en weêr te zien gekregen hadden, wat toe te schrijven

was aan den aard van het terrein, dat weinig geschikt was voor paarden;

maar dat eindelijk de twee vluchtelingen hun intrek genomen hadden in

de hut van Mucklebackit. En een der declaranten voegde er bij, dat

„hij, van zijn paard gestegen zijnde, en zich naar het venster van de

hut begeven hebbende, den ouden Blauwrok en den jongen Steven

Mucklebackit gezien had, met anderen etende en drinkende binnen in de

hut, en dat hij ook opgemerkt had, dat genoemde Steven Mucklebackit een

zakboek aan de anderen toonde; en de declarant twijfelde geenszins, of

Ochiltree en Steven Mucklebackit de personen waren, die hij en zijn

kameraad vervolgd hadden, zoo als hij boven verklaard had. En, gevraagd

zijnde, waarom hij niet in de hut gegaan was, verklaart, „dat hij geen

recht had, om dat te doen, en dat Mucklebackit en zijn huisgezin bekend

staande als ruwe menschen, hij, declarant, geen lust gevoelde, om zich

met hunne zaken te bemoeien. Causa scientiae patet. Al hetwelk hij

verklaarde overeenkomstig de zuivere waarheid, enz.”

„Wat zegt gij van al die bewijsstukken tegen uw vriend?” vroeg de

magistraat, zoodra hij opgemerkt had, dat de oudheidkenner het laatste

blad omsloeg.

„Wel, als de zaak iemand anders betrof, zou ik zeggen dat het, prima

facie, er niet best uitziet; maar ik kan niet toestemmen dat iemand

ongelijk heeft, omdat hij Dousterswivel een pak slagen geeft. – Ware ik

slechts wat jonger geweest, of had ik maar ééne enkele vonk van uw

krijgshaftigen geest, Baljuw, ik zou het reeds lang zelf gedaan hebben.

Hij is nebulo nebulonum, een onbeschaamde, bedriegelijke, leugenachtige

kwakzalver, die mij honderd pond gekost heeft met zijne schelmsche

streken, en mijn buurman Sir Arthur, de hemel weet hoeveel. – En

daarbij, Baljuw, ik houd hem niet voor een oprechten vriend van het

Gouvernement.”

„Zoo!” zei de Baljuw, „als ik dat dacht, zou het de zaak merkelijk

veranderen.”

„Wel zeker! want door hem te slaan, moet de Blauwrok zijne dankbaarheid

aan den koning betoond hebben, daar hij zijn vijand trof; en door hem

te berooven, zou hij slechts een Heiden geplunderd hebben, dien men

wettig zijn rijkdom ontneemt. En, gesteld, dat deze samenkomst in de

bouwvallen van St. Ruth betrekking had op staatszaken, – en deze

verborgene schatten, en wat niet al meer, een geschenk waren van den

overkant van het Kanaal, ter omkooping van eenig groot man, of het

fonds, bestemd om eene oproerige club meê te stichten?”

„Mijnheer, gij spreekt, alsof gij in mijne ziel gelezen hadt! Hoe

gelukkig zou ik zijn, indien ik het nederige werktuig mocht wezen om

dat kwaad met den wortel uit te roeien! – Oordeelt gij, dat ik goed zou

doen met de vrijwilligers onder het geweer te brengen, en hen dadelijk

in dienst te stellen?”

„Op dit oogenblik niet, daar het podagra hun korps van een onmisbaar

lid berooven zou. – Maar wilt gij mij vergunnen Ochiltree te

ondervragen?”

„Dat spreekt van zelf; maar gij zult niets uit hem, krijgen. Hij gaf

mij duidelijk te verstaan, dat hij wist, hoe gevaarlijk het voor een

beschuldigde was, om eene gerechtelijke verklaring af te leggen, wat,

om de waarheid te zeggen, menig eerlijker man, dan hij, aan de galg

heeft gebracht.”

„Wel! dus, Baljuw!” vervolgde Oldbuck, „gij hebt er niets tegen dat ik

hem pols?”

„Niets ter wereld, Monkbarns! – Ik hoor den sergeant beneden; – ik zal

intusschen de handgrepen eens doorloopen. – Betje, breng mijn geweer en

bajonet naar beneden; – het maakt er minder gedruisch, als wij het

geweer bij den voet brengen.” – En zoo ging de krijgshaftige magistraat

de kamer uit met zijne meid, die de wapens droeg, achter zich.

„Een goede schildknaap voor een jichtigen kampvechter!” merkte Oldbuck

op. – „Hector, jongenlief, houd hem vast, houd hem vast! – Ga met hem;

houd hem bezig, man! voor een half uurtje, of zoo; – streel hem met

eenige krijgshaftige loftuitingen; roem, zijne houding en zijne

behendigheid.”

Kapitein M’Intyre, die, gelijk velen van zijn beroep, met diepe

verachting op die burgersoldaten neêrzag, welke de wapens aangegord

hadden zonder te weten hoe ze te dragen, stond met grooten weêrzin op,

terwijl hij verklaarde, dat hij niet wist, wat hij den heer Littlejohn

moest zeggen; en dat het al te belachelijk was, om een ouden, jichtigen

winkelier de oefeningen en den dienst van een soldaat in zijn eigen

huis op zich te zien nemen.

„Dat kan zijn, Hector,” zei de oudheidkenner, die het zelden dadelijk

met iemand eens was omtrent het hoofdpunt van eenige kwestie, – „dat

kan wellicht in dit en eenige andere gevallen waar zijn, maar thans

gelijkt ons land aan de eischers, die voor de rechtbank zelven hunne

zaak bepleiten, bij gebrek aan geld om de geregelde helden van de balie

te betalen. Ik ben verzekerd dat wij, in het eene geval, nimmer het

gemis van de scherpzinnigheid en welsprekendheid der heeren advocaten

betreuren; en dus, hoop ik, zullen wij, in het andere, onze toevlucht

tot onze harten en geweren nemen, ofschoon wij uwe strengere

tuchtmeesters ontberen moeten.”

„Ik, oom, heb er voorwaar niets tegen dat de geheele wereld vocht, als

men er vermaak in schept; mits men mij slechts vergunne rustig te

blijven,” antwoordde Hector gemelijk.

„Ja, gij zijt inderdaad een zeer rustig mensch! Iemand, wiens lust tot

krakeelen zelfs geene arme phoca, die op het strand slaapt, ongestoord

kan laten.”

Maar Hector, die de wending van het gesprek merkte en een schrik had

voor alle zinspelingen op de nederlaag, welke hij ondergaan had,

ontsnapte, eer de oudheidkenner uitgesproken had.

De oudheidkenner · 第 42 / 54 题