De Gerechtigheid is mij waard, als u; –
Dan, daar de vrouw blind is, zal zij verschoonen
Dat ik, naar tijd en reden, mij stom houd; –
Het woord, dat ik nu spreek, moet mij niet
Den dood berokkenen in de toekomst.
Oud tooneelspel.
Door de liefdadigheid der stedelingen en met behulp van de vracht
levensmiddelen, welke Adam Ochiltree met zich in de gevangenis bracht,
had hij een paar dagen lang zijne opsluiting zonder groot ongeduld
verduurd, en betreurde hij het gemis zijner vrijheid te minder, omdat
het weêr slecht en regenachtig was.
„De gevangenis,” zeide hij, „is zoo verschrikkelijk niet, als, men wel
zegt. Men heeft er altoos een goed dak boven het hoofd, om het slechte
weêr af te keeren; en zijn er geene glazen in de vensterramen, des te
luchtiger en aangenamer is het er ’s zomers. En er is volk genoeg om
meê te praten en brood genoeg om te eten, en waarom zou men zich om
iets anders bekommeren?”
De moed van onzen wijsgeerigen bedelaar begon hem echter te verlaten,
zoodra de zonnestralen helder schenen op de verroeste staven van zijn
getralied verblijf, en een ongelukkige vink, wiens kooi de een of
andere arme schuldenaar de vergunning gekregen had, om aan het venster
te hangen, ze met zijn gezang begon te begroeten.
„Gij zijt opgeruimder dan ik,” zeide Adam tot den vogel; „want ik kan
fluiten, noch zingen, als ik denk aan de schoone oevers der rivier en
de groene boschjes, waar ik drentelen zou bij zulk weêr als dit. – Wel,
wel, – daar hebt gij een paar kruimeltjes, omdat gij zoo vroolijk zijt;
maar, waarlijk, gij hebt ook reden om te zingen; want het is niet uwe
eigene schuld dat gij in de kooi zit, en ik heb het mij zelven te
danken, dat ik in deze droevige plaats opgesloten ben.”
Ochiltree’s alleenspraak werd nu gestoord door een bode van het
vredegerecht, die kwam om hem voor den rechter te brengen. Dus trok hij
op, in plechtigen optocht, tusschen twee oude mannen, die geen van
beiden half zoo krachtig waren als hij, om onder het oog van de
nieuwsgierige gerechtigheid gebracht te worden. Toen de oude gevangene
tusschen zijne afgeleefde wachters werd weggevoerd, riep het volk
elkander toe: „Ei, ziet, den grijsaard die op ’s Heeren wegen, met één
voet in het graf, gaat rooven!” – en de kinderen wenschten de dienders
Puggie Orrock en Jock Ormston, beurtelings de voorwerpen van hunne
vrees en van hun spot, geluk, dat zij een misdadiger gevonden hadden,
zoo oud als zij zelven.
Onder dit geleide werd Adam (volstrekt niet voor de eerste maal) voor
den Baljuw Littlejohn gebracht, die, weinig in overeenkomst met zijn
naam (kleine Jan), een lang, deftig man was, aan wien de zorg voor de
gemeente niet vruchteloos was opgedragen. Hij was een ijverig
Koningsgezinde van dat hartstochtelijk tijdperk, eenigszins streng en
koppig in de uitvoering van zijn plicht, bezield met het gevoel van
zijne eigene macht en gewicht, overigens echter een eerlijk, welmeenend
en nuttig burger.
„Brengt hem naar binnen, brengt hem naar binnen!” riep hij uit. „Op
mijn woord, het zijn verschrikkelijke en onnatuurlijke tijden, – de
bedelaars zelven van zijne Majesteit zijn de eersten, om zijne wetten
te schenden! Hier hebben wij al een blauwrok, die roof begaan heeft! ik
verbeeld mij, dat de eerstvolgende de koninklijke liefdadigheid, die
hem rok, brood en vrijheid tot bedelen geeft, door verraad, of ten
minste door oproer, beloonen zal! – Maar breng hem binnen!”
Adam maakte zijne buiging en stond toen, als gewoonlijk, vast en recht,
met zijn gelaat een weinig schuins naar boven gekeerd, als om elk
woord, dat de magistraat hem toesprak, op te vangen. De eerste
algemeene vragen, die alleen betrekking hadden tot zijn naam en beroep,
beantwoordde de bedelaar snel en nauwkeurig; maar toen de vrederechter
zijn schrijver bevolen had, om deze bijzonderheden op te teekenen, en
begon te vragen, waar de bedelaar den nacht van Dousterswivel’s ongeluk
geweest was, begon Adam zwarigheden te opperen. „Kunt gij mij nu
zeggen, Baljuw, gij, die de wet verstaat, wat het mij helpen zou, om op
uwe vragen te antwoorden?”
„Helpen? neen, – helpen voorzeker niet, vriend, als ge mij door een
getrouw verhaal te geven van wat ge gedaan hebt, niet bewijzen kunt dat
gij onschuldig zijt, en mij dus in staat stelt om u vrij te laten.”
„Maar het komt mij redelijker voor, dat gij, Baljuw, of wie ook iets
tegen mij te zeggen heeft, mijne schuld zoudt bewijzen, dan mij
gelasten om mijne onschuld te bewijzen.”
„Ik zit hier niet,” antwoordde de rechter, „om met u over rechtspunten
te twisten. Ik vraag u slechts: verkiest gij te antwoorden op mijne
vraag: of gij in de woning van Ringan Aikwood den boschwachter waart,
op den dag welken ik u genoemd heb?”
„Wezenlijk, mijnheer, ik gevoel mij niet geroepen, om het mij te
herinneren.”
„En of gij, in den loop van dien dag of nacht, Steven Mucklebackit
gezien hebt? – gij hebt hem gekend, veronderstel ik?”
„O, zeker kende ik Steven, den armen jongen! – maar ik kan niet juist
het oogenblik bepalen, dat ik hem voor het laatst zag.”
„Waart gij dien avond in de bouwvallen van St. Ruth?”
„Baljuw Littlejohn!” zei de bedelaar, „als het u behaagt, zal ik een
lang verhaal kort maken, en u juist zeggen, dat ik niet voornemens ben
om op ééne vraag te antwoorden. – Ik ben al te oud geworden om mij door
mijne praatjes in ongelegenheid te brengen.”
„Schrijf op,” zei de vrederechter, „dat hij weigert te antwoorden op
alle vragen, omdat hij, door de waarheid te zeggen, in ongelegenheid
zou kunnen geraken.”
„Neen, neen!” zei de bedelaar „ik wil dat niet als mijn antwoord
opgeschreven hebben; – ik wilde maar zeggen dat ik, na al wat ik mij
herinner ondervonden te hebben, nooit iets goeds zag voortkomen uit het
beantwoorden van onnoodige vragen.”
„Schrijf dan dat de declarant, door ondervinding bekend met
gerechtelijke onderzoekingen, en het nadeel ondervonden hebbende van de
vragen te beantwoorden, die hem gedaan werden, weigert, –”
„Neen, neen, Baljuw!” herhaalde Adam, „op die wijs komt ge mij ook niet
aan het lijf!”
„Geef dan uw antwoord zelf, vriend!” zei de rechter, „en de griffier
zal het uit uw eigen mond opschrijven.”
„Ja, ja,” zeide Adam, „dat is zoo als het behoort; dat zal ik zonder
tijdverlies doen! – Zoo, buurman! nu kunt gij opschrijven dat Adam
Ochiltree, de declarant, de vrijheid ophoudt, – neen, dat moet gij niet
zeggen, – ik ben geen voorstander van de vrijheid, – ik heb er tegen
gevochten in de oproeren te Dublin, – daarenboven heb ik lang ’s
Konings brood gegeten. – Wacht, laat zien! – ja – schrijf, dat Adam
Ochiltree, de Blauwrok, een voorstander is van het prerogatief – (zie
toe, dat gij dat woord goed spelt – het is lang) – van het prerogatief
van de onderdanen van dit land, en niet één enkel woord wil antwoorden,
dat hem heden zal gevraagd worden, of hij moet er reden voor zien. –
Schrijf dat maar op, jonge heer!”
„Dan, Adam, als ge mij niets wilt zeggen, moet ik u terug zenden naar
de gevangenis, tot gij behoorlijk voor de assises komt.”
„Wel, mijnheer, als het de wil van den Hemel en van u is, moet ik mij
ongetwijfeld onderwerpen. Ik heb niet veel tegen de gevangenis in te
brengen, dan alleen, dat men er in moet blijven; en indien het u,
Baljuw, geliefde daarmede tevreden te zijn, zou ik u mijn woord geven
om voor het Landgericht, of eenig ander Hof dat u behaagt, te
verschijnen op den dag dien gij zult goedvinden te bepalen.
„Ik geloof, vriend, dat uw woord een slechte waarborg zou zijn, als uw
hals in gevaar is. Ik ben geneigd te denken, dat gij u troosten zoudt,
als de borg niet deugde. – Als ge mij echter goede borgen kunt
bezorgen, inderdaad, –”
Op dit oogenblik traden de oudheidkenner en kapitein M’Intyre het
vertrek binnen. – „Goeden morgen, mijne heeren!” zei de vrederechter;
„gij vindt mij werkzaam in mijn gewoon beroep; – onderzoekende de
ongerechtigheden van het volk, – werkzaam voor de res publica, mijnheer
Oldbuck, – den koning onzen heer dienende, kapitein M’Intyre, – want
gij weet, veronderstel ik, dat ik het zwaard heb aangegord?”
„Het is ongetwijfeld een van de zinnebeelden der gerechtigheid,”
antwoordde de oudheidkenner; „maar ik zou gedacht hebben, dat de
schalen u beter zouden voegen, Baljuw, voornamelijk daar gij ze bij de
hand hebt in het pakhuis.”
„Zeer goed, Monkbarns! – voortreffelijk; maar ik heb het zwaard niet
opgevat als magistraat, maar als krijgsman, – inderdaad, ik moest
liever zeggen het geweer en de bajonet, – daar staan zij bij mijn
stoel; want ik ben thans nauwelijks geschikt voor de wapenoefening, –
een lichte aanval van mijn oude vijandin, het podagra; – ik kan mij
nochtans op de been houden, als de sergeant mij de handgrepen leert. Ik
wenschte wel te weten, kapitein M’Intyre, of hij de handgrepen goed
leert; – het presenteeren gaat, dunkt mij, maar half goed.” En hij
hompelde naar zijn wapen, om zijne twijfelingen en vorderingen te doen
zien.
„Ik verheug mij over zulke ijverige verdedigers van het vaderland,
Baljuw,” hernam Oldbuck, „en ik geloof wel, dat het Hector aangenaam
zal zijn u zijne gedachten over uwe vorderingen in dit nieuw beroep
mede te deelen. Gij zijt gelijk de Hekate der ouden, mijn waarde heer!
– een koopman op de markt, een magistraat op het stadhuis, een soldaat
in het veld, – quid non pro patria? Maar mijne zaken betreffen de
Gerechtigheid; dus laat dan den koophandel en den oorlog voor een
oogenblik ter zijde.”
„Wel, mijn waarde heer!” zei de Baljuw, „en welke bevelen hebt gij voor
mij?”
„Wel hier is een van mijne oude kennissen, genaamd Adam Ochiltree, dien
eenige van uwe handlangers in de gevangenis gesleept hebben, uit hoofde
van een hem te last gelegden aanval op dien Dousterswivel, van wiens
beschuldiging ik geen enkel woord geloof.”
De magistraat nam hier een air van gewicht aan. „Gij moet vernomen
hebben, dat hij zoo wel van roof als van aanranding beschuldigd is:
voorwaar eene zeer ernstige zaak; – het gebeurt niet dikwijls, dat ik
zulke misdadigers in het verhoor krijg.”
„En,” hernam Oldbuck, „gij neemt de gelegenheid waar, om van degenen,
die zich opdoen, de meeste partij te trekken. Maar is het geval van
dezen armen ouden man inderdaad zoo ernstig?”
„Het is eigenlijk niet in den regel” zei de Baljuw; „maar daar gij er u
meê bemoeit, Monkbarns, maak ik geene zwarigheid, om u de verklaring
van Dousterswivel en de overige stukken van het voorloopig onderzoek te
toonen.” En hij gaf de papieren over aan den oudheidkenner, die zijn
bril nam en zich in een hoek terugtrok, om ze te doorloopen.
De boden van het vredegerecht kregen intusschen bevel, om hun gevangene
in een ander vertrek te brengen; maar eer zij het doen konden, nam
M’Intyre de gelegenheid waar, om den ouden Adam te groeten en hem
heimelijk eene guinje in de hand te drukken.
„God zegene u!” riep de oude man; „het is de gift van een jongen
soldaat, en zij zal zekerlijk een ouden te pas komen. Ik sla die niet
af, ofschoon ze boven de taks is; – want als zij mij hier opsluiten, is
het waarschijnlijk genoeg, dat mijne vrienden mij vergeten zullen; –
uit het oog uit het hart, is een waar spreekwoord. – En het zou voor
mij, die een konings bedelaar ben, en gerechtigd om van huis tot huis
te bedelen, niet passen, dat ik uit het venster van de gevangenis naar
halve stuivertjes stond te hengelen met den voet van eene kous aan een
langen draad.”
Terwijl hij deze aanmerking maakte, werd hij uit de kamer gebracht.
De verklaring van den heer Dousterswivel bevatte een overdreven verhaal
van de aanranding en het verlies, dat hij geleden had.
„Maar ik zou hem hebben willen vragen,” zeide Monkbarns, „welk
voornemen hij kon gehad hebben met de bouwvallen van St. Ruth te
bezoeken, zulk eene eenzame plaats, en op zulk een uur, en met zulk een
medgezel als Adam Ochiltree. Er gaat geen weg dien kant uit, en ik
geloof niet, dat alleen liefde voor het schilderachtige Herman
Dousterswivel daarheen gevoerd zal hebben op zulk een stormachtigen en
winderigen nacht. Wees verzekerd, dat hij op eenig schelmstuk
uitgeweest, en, naar alle waarschijnlijkheid, in een strik gevallen is,
door hem zelven gelegd. – Nec lex justitior ulla, –”
De magistraat bekende, dat er iets geheimzinnigs in die omstandigheid
was, en verontschuldigde zich, dat hij Dousterswivel geene opheldering
daarvan gevraagd had, door te zeggen, dat zijne verklaring vrijwillig
afgelegd was. Maar, ter schraging van de hoofdbeschuldiging, toonde hij
de verklaring van de Aikwood’s omtrent den toestand, waarin
Dousterswivel gevonden werd, de gewichtige daadzaak bevestigende, dat
de bedelaar de schuur, waarin hij opgenomen was, verlaten had, en niet
daarheen was teruggekeerd. Twee lieden van den begrafenisbezorger te
Fairport, welke dien nacht bij de ter aarde bestelling van lady
Glenallan waren tegenwoordig geweest, hadden ook verklaard, dat zij,
uitgezonden om twee verdachte personen te vervolgen, die de bouwvallen
van St. Ruth verlieten toen de lijkstaatsie aankwam, en die, zoo als
men veronderstelde, voornemens waren om eenige der versierselen, voor
de plechtigheid bestemd, te stelen, die menschen meer dan eens uit het
gezicht verloren en weêr te zien gekregen hadden, wat toe te schrijven
was aan den aard van het terrein, dat weinig geschikt was voor paarden;
maar dat eindelijk de twee vluchtelingen hun intrek genomen hadden in
de hut van Mucklebackit. En een der declaranten voegde er bij, dat
„hij, van zijn paard gestegen zijnde, en zich naar het venster van de
hut begeven hebbende, den ouden Blauwrok en den jongen Steven
Mucklebackit gezien had, met anderen etende en drinkende binnen in de
hut, en dat hij ook opgemerkt had, dat genoemde Steven Mucklebackit een
zakboek aan de anderen toonde; en de declarant twijfelde geenszins, of
Ochiltree en Steven Mucklebackit de personen waren, die hij en zijn
kameraad vervolgd hadden, zoo als hij boven verklaard had. En, gevraagd
zijnde, waarom hij niet in de hut gegaan was, verklaart, „dat hij geen
recht had, om dat te doen, en dat Mucklebackit en zijn huisgezin bekend
staande als ruwe menschen, hij, declarant, geen lust gevoelde, om zich
met hunne zaken te bemoeien. Causa scientiae patet. Al hetwelk hij
verklaarde overeenkomstig de zuivere waarheid, enz.”
„Wat zegt gij van al die bewijsstukken tegen uw vriend?” vroeg de
magistraat, zoodra hij opgemerkt had, dat de oudheidkenner het laatste
blad omsloeg.
„Wel, als de zaak iemand anders betrof, zou ik zeggen dat het, prima
facie, er niet best uitziet; maar ik kan niet toestemmen dat iemand
ongelijk heeft, omdat hij Dousterswivel een pak slagen geeft. – Ware ik
slechts wat jonger geweest, of had ik maar ééne enkele vonk van uw
krijgshaftigen geest, Baljuw, ik zou het reeds lang zelf gedaan hebben.
Hij is nebulo nebulonum, een onbeschaamde, bedriegelijke, leugenachtige
kwakzalver, die mij honderd pond gekost heeft met zijne schelmsche
streken, en mijn buurman Sir Arthur, de hemel weet hoeveel. – En
daarbij, Baljuw, ik houd hem niet voor een oprechten vriend van het
Gouvernement.”
„Zoo!” zei de Baljuw, „als ik dat dacht, zou het de zaak merkelijk
veranderen.”
„Wel zeker! want door hem te slaan, moet de Blauwrok zijne dankbaarheid
aan den koning betoond hebben, daar hij zijn vijand trof; en door hem
te berooven, zou hij slechts een Heiden geplunderd hebben, dien men
wettig zijn rijkdom ontneemt. En, gesteld, dat deze samenkomst in de
bouwvallen van St. Ruth betrekking had op staatszaken, – en deze
verborgene schatten, en wat niet al meer, een geschenk waren van den
overkant van het Kanaal, ter omkooping van eenig groot man, of het
fonds, bestemd om eene oproerige club meê te stichten?”
„Mijnheer, gij spreekt, alsof gij in mijne ziel gelezen hadt! Hoe
gelukkig zou ik zijn, indien ik het nederige werktuig mocht wezen om
dat kwaad met den wortel uit te roeien! – Oordeelt gij, dat ik goed zou
doen met de vrijwilligers onder het geweer te brengen, en hen dadelijk
in dienst te stellen?”
„Op dit oogenblik niet, daar het podagra hun korps van een onmisbaar
lid berooven zou. – Maar wilt gij mij vergunnen Ochiltree te
ondervragen?”
„Dat spreekt van zelf; maar gij zult niets uit hem, krijgen. Hij gaf
mij duidelijk te verstaan, dat hij wist, hoe gevaarlijk het voor een
beschuldigde was, om eene gerechtelijke verklaring af te leggen, wat,
om de waarheid te zeggen, menig eerlijker man, dan hij, aan de galg
heeft gebracht.”
„Wel! dus, Baljuw!” vervolgde Oldbuck, „gij hebt er niets tegen dat ik
hem pols?”
„Niets ter wereld, Monkbarns! – Ik hoor den sergeant beneden; – ik zal
intusschen de handgrepen eens doorloopen. – Betje, breng mijn geweer en
bajonet naar beneden; – het maakt er minder gedruisch, als wij het
geweer bij den voet brengen.” – En zoo ging de krijgshaftige magistraat
de kamer uit met zijne meid, die de wapens droeg, achter zich.
„Een goede schildknaap voor een jichtigen kampvechter!” merkte Oldbuck
op. – „Hector, jongenlief, houd hem vast, houd hem vast! – Ga met hem;
houd hem bezig, man! voor een half uurtje, of zoo; – streel hem met
eenige krijgshaftige loftuitingen; roem, zijne houding en zijne
behendigheid.”
Kapitein M’Intyre, die, gelijk velen van zijn beroep, met diepe
verachting op die burgersoldaten neêrzag, welke de wapens aangegord
hadden zonder te weten hoe ze te dragen, stond met grooten weêrzin op,
terwijl hij verklaarde, dat hij niet wist, wat hij den heer Littlejohn
moest zeggen; en dat het al te belachelijk was, om een ouden, jichtigen
winkelier de oefeningen en den dienst van een soldaat in zijn eigen
huis op zich te zien nemen.
„Dat kan zijn, Hector,” zei de oudheidkenner, die het zelden dadelijk
met iemand eens was omtrent het hoofdpunt van eenige kwestie, – „dat
kan wellicht in dit en eenige andere gevallen waar zijn, maar thans
gelijkt ons land aan de eischers, die voor de rechtbank zelven hunne
zaak bepleiten, bij gebrek aan geld om de geregelde helden van de balie
te betalen. Ik ben verzekerd dat wij, in het eene geval, nimmer het
gemis van de scherpzinnigheid en welsprekendheid der heeren advocaten
betreuren; en dus, hoop ik, zullen wij, in het andere, onze toevlucht
tot onze harten en geweren nemen, ofschoon wij uwe strengere
tuchtmeesters ontberen moeten.”
„Ik, oom, heb er voorwaar niets tegen dat de geheele wereld vocht, als
men er vermaak in schept; mits men mij slechts vergunne rustig te
blijven,” antwoordde Hector gemelijk.
„Ja, gij zijt inderdaad een zeer rustig mensch! Iemand, wiens lust tot
krakeelen zelfs geene arme phoca, die op het strand slaapt, ongestoord
kan laten.”
Maar Hector, die de wending van het gesprek merkte en een schrik had
voor alle zinspelingen op de nederlaag, welke hij ondergaan had,
ontsnapte, eer de oudheidkenner uitgesproken had.