Ouderdom en jeugd
Leven slecht te zamen. –
Jeugd is vol van lust,
Ouderdom vol zorgen;
Jeugd is zomermorgen,
Ouderdom is winterweêr.
Gene als de zomer kloek,
Deze als de winter bar.
Shakespeare.
Den volgenden morgen werd de oudheidkenner, die er van hield om
tamelijk lang te slapen, een goed uur vroeger dan gewoonlijk door Caxon
gewekt.
„Wat is er nu te doen?” riep hij geeuwende uit, terwijl hij de hand
naar het dikke repetitie-horlogie uitstrekte, dat op een Oostindisch
zijden zakdoek veilig bij zijn hoofdkussen lag. – „Wat is er nu te doen
Caxon? – het kan nog geen acht uur zijn!”
„Neen, mijnheer, – maar de bediende van Milord zocht mij op; want hij
gelooft, dat ik uw valle-de-sham ben, – en dat ben ik ook buiten
twijfel, de kamerdienaar van u en van den dominé; – ten minste, zooveel
ik weet, hebt gij er geen ander, – en dan help ik ook Sir Arthur; maar
dat is eerder als kapper.”
„Wel, wel, laat dat maar dáár! – gelukkig hij, die zijn eigen
kamerdienaar is; – maar waarom stoort gij mijne morgenrust?”
„O mijnheer, de heer graaf is sedert het aanbreken van den dag op en
heeft naar de stad gezonden om eene expresse, die zijn rijtuig is gaan
bestellen, en het zal weldra hier zijn, en hij wenschte u te zien eer
hij vertrekt.”
„Wel, wel! de groote heeren maken zich meester van iemands huis en
tijd, alsof ze hun eigendom waren! Welnu, het is maar voor één keer! Is
Jenny weêr bij haar verstand, Caxon?”
„Ja, mijnheer, dat is maar zoo wat. – Zij was heden morgen deerlijk van
haar stuk met de chocolade, en had in hare verlegenheid bijna alles in
de spoelkom gegoten en zelve opgedronken, – maar zij is het te boven
gekomen met behulp van jufvrouw M’Intyre.”
„Zoo? – dus is al mijn vrouwvolkje op de been en in de weer, en ik moet
niet langer in mijn rustig bed blijven, als ik een geregeld huis wil
hebben. – Geef mij mijn kamerjapon! – En wat nieuws is er te Fairport?”
„Wel, mijnheer! waarvan zou men anders spreken dan van het groote
nieuws van Milord! – die, zeggen ze, sedert twintig jaren niet over den
drempel geweest is, – van het groote nieuws, dat hij u is komen
bezoeken!”
„Aha!” zeide Monkbarns; „en wat zegt men daarvan, Caxon?”
„Wel, mijnheer, er wordt verschillend over gesproken. Die kerels, welke
zich Democraten noemen, die tegen den koning en de wet en het
haarpoeier zijn, – een hoop schelmen, – zeggen dat hij gekomen is om
met u te spreken over een plan, om met zijn Bergschotten en
Hooglandsche vazallen de bijeenkomsten der vrienden van het volk te
beletten; en toen ik zeide, dat mijnheer zich nooit met dingen
bemoeide, die den schijn hadden van vechten en bloedstorten, zeiden
zij, dat, als gij het niet deedt, uw neef het wel deed, en dat hij
genoeg bekend was als een koningsgezinde, en dat gij het hoofd en hij
de hand was, en dat de graaf de manschappen en het geld zou leveren.”
„Kom aan, ik ben blijde dat mij de oorlog niets dan mijn goeden raad
kosten zal.”
„Neen, neen, niemand gelooft dat mijnheer zelf zou willen vechten of
eenig geld geven aan een der beide partijen!”
„Zoo! – Wel, dat is het gevoelen der Democraten, zoo als gij ze noemt;
– en wat zeggen de andere menschen te Fairport?”
„Inderdaad,” antwoordde de trouwe berichtgever, „ik kan niet zeggen,
dat dat veel beter is. Kapitein Coquet van de vrijwilligers, – dat is
hij, die ontvanger moet worden, – en eenige andere heeren van de Blauwe
klubs zeggen: het is niet goed dat Roomschgezinden, die zoo vele
Fransche vrienden hebben als de graaf van Glenallan, het land
doortrekken, en – maar mijnheer zou het kwalijk kunnen nemen!”
„Ik niet, Caxon! – geef vuur, alsof gij het geheele peloton van
kapitein Coquet zelf waart, – ik ben er tegen bestand.”
„Wel dan, mijnheer, zij zeggen dat, daar gij het verzoekschrift ten
aanzien van den vrede en der nieuwe belastingen niet hebt willen
ondersteunen, en daar gij er tegen geweest zijt, om de schutterijen
tegen het gemeen te laten gebruiken, en het volk alleen door de policie
in orde wilt houden; – zij zeggen, dat gij ons bestuur niet genegen
zijt, en dat die soorten van samenkomsten van zulk een schatrijk man
als de graaf, met zulk een wijs man als gij, – nu ja – zij zeggen dat
er een onderzoek naar moest ingesteld worden, en sommigen zeggen dat
men u beiden naar Edinburg op het kasteel moest brengen.”
„Op mijn woord,” zei de oudheidkenner, „ik ben mijne buren zeer
verplicht voor de gunstige meening, die zij van mij koesteren! En dus
word ik, die mij nooit met hunne geschillen bemoeid heb dan om bedaarde
en gematigde maatregelen aan te bevelen, door beide partijen opgegeven
als een man, die zeer waarschijnlijk hoogverraad pleegt tegen den
koning of het volk? Geef mij mijn rok, Caxon, geef mij mijn rok! Het is
gelukkig, dat ik onafhankelijk van hunne meening leef. – Hebt gij iets
gehoord van Taffril en zijn schip?”
Het gelaat van Caxon betrok. „Neen mijnheer, en het heeft woedend
gewaaid, en deze kust is verschrikkelijk om er op te kruisen bij
oostenwind; – de klippen strekken zich zoo ver in zee uit, dat een
schip weg kan zijn in den tijd dat ik een scheermes slijp; en dan is er
haven, noch wijkplaats op die kust vol rotsen en brandingen. Een schip,
dat bij ons grond raakt, vliegt uiteen gelijk de poeier uit mijne
kwast, als ik er aan begin te schudden, en is even moeielijk om weêr
bijeen te krijgen. – Ik heb dat alles aan mijne dochter gezegd, toen
zij ongeduldig werd naar een brief van luitenant Taffril. Het is toch
altoos eene verontschuldiging voor hem. – Gij moet het hem niet kwalijk
nemen, zei ik, Jenny, want gij weet niet, wat er wellicht gebeurd is!”
„Ei, ei, Caxon, gij zijt een even goed raadsman als kamerdienaar. –
Geef mij eene witte stropdas, man! Gelooft gij dat ik hiermede naar
beneden kan gaan, als ik gezelschap heb?”
„Wel mijnheer! de kapitein zegt dat een halsdoek de eerste mode is, en
die stijve dassen goed zijn voor u en mij, die van den ouden tijd zijn.
– Houd het ten goede, dat ik u en mij te gelijk noem; maar dat waren
zijne woorden.”
„De kapitein is een kwast, en gij zijt een dwaas, Caxon!”
„Dat is best mogelijk,” hernam de beleefde kapper, „mijnheer zal het
wel weten!”
Vóór het ontbijt ging lord Glenallan, die opgewekter scheen dan den
vorigen avond, de verschillende omstandigheden na, welke de vroegere
navorschingen van Oldbuck opleverden; en hij gaf, met aanwijzing der
middelen, die hij bezat om zijn huwelijk te bewijzen, zijn voornemen te
kennen, om dadelijk de pijnlijke taak te beginnen van de bewijsstukken
te verzamelen en in orde te brengen van de geboorte van Eveline
Neville, welke Elspeth gezegd had, dat zich in het bezit van zijne
moeder bevonden hadden.
„En toch, mijnheer Oldbuck,” zeide hij, „gevoel ik mij als een man, die
eene gewichtige tijding ontvangt, eer hij nog geheel wakker is, en
twijfelt, of die werkelijk echt is dan wel slechts een vervolg van zijn
droom. – Deze vrouw, – deze Elspeth, – zij is aan het einde van haar
leven, en in vele opzichten bijna verkindscht. – Heb ik niet te
overhaast hare tegenwoordige verklaring geloofd, na diegene, welke zij
mij vroeger gaf, en die van eene zeer – zeer verschillende strekking
was?”
De heer Oldbuck zweeg een oogenblik en antwoordde toen met vastheid:
„Neen, Milord! ik kan niet denken dat gij eenige reden hebt, aan de
waarheid te twijfelen van hetgeen zij u het laatst verhaald heeft,
klaarblijkelijk zonder eenigen anderen aandrang, dan dien van het
geweten. Hare bekentenis was vrijwillig, belangeloos, duidelijk,
afdoende in de bijzonderheden, en overeenkomende met al de andere
omstandigheden, die van de zaak bekend zijn. Ik zou echter niet dralen
met de andere bewijsstukken, waarvan zij gewaagde, te onderzoeken en in
orde te brengen, en ik geloof ook dat men, zoo mogelijk, hare
verklaring in wettigen vorm behoorde in te winnen. Wij waren voornemens
om gezamenlijk werk daarvan te maken; maar het zal eene verlichting
voor u zijn, en daarenboven een onpartijdiger voorkomen hebben, als ik
alleen het onderzoek, in mijne hoedanigheid van vrederechter, op mij
neem. Dit zal ik doen, ten minste ik zal het beproeven, zoodra ik haar
in een gunstigen toestand vind om ondervraagd te worden.”
Lord Glenallan drukte hem de hand ten teeken van zijne dankbare
toestemming. „Ik kan u niet zeggen,” voegde hij er bij, „mijnheer
Oldbuck, hoe zeer uwe ondersteuning en medewerking in deze duistere en
droevige zaak mij verlicht en aanmoedigt. Ik kan mij niet genoeg
verheugen, dat ik aan mijne eerste opwelling toegaf, die mij dreef, om
u, als het ware, mijn vertrouwen op te dringen, en die ontsproot uit de
ondervinding, welke ik reeds had van uwe vastheid in het volvoeren van
uw plicht als ambtenaar en als vroegere vriend der ongelukkige. – Wat
ook de uitkomst van dit alles zijn moge, – en ik ben geneigd te hopen,
dat er een lichtstraal over de rampen van mijn huis opgaat, ofschoon ik
het niet beleven zal om zijn vollen glans te genieten; – maar wat ook
de uitkomst zij, gij hebt mij en mijn geheel geslacht eene gewichtige
verplichting opgelegd.”
„Milord,” antwoordde de oudheidkenner, „ik moet noodwendig den
grootsten eerbied koesteren voor uw geslacht, hetwelk ik zeer wel weet,
dat een der oudste is in Schotland, daar het zeker afstamt van Aymer de
Geraldin, die in het parlement zat te Perth, onder de regeering van
Alexander II, en die volgens de wel onzekere maar toch zeer
aannemelijke overlevering gezegd wordt af te stammen van den heer van
Clochnaben. – Maar, met allen eerbied voor uwe oude afkomst, moet ik
bekennen, dat ik mij nog meer verbonden reken, om uzelven zoo veel
bijstand te verleenen als in mijn zwak vermogen ligt, uit oprechte
deelneming in uwe smart en afkeer van het bedrog dat men zoo roekeloos
tegen u gepleegd heeft. – Maar, Milord, het ontbijt, zie ik, is gereed;
– vergun mij, dat ik u den weg wijs door mijn coenobitium, dat eerder
eene reeks van cellen is, op eene wonderlijke wijze aaneengevoegd en op
elkander gestapeld, dan een huis. – Ik vertrouw, dat gij eenige
vergoeding zult zoeken voor den soberen kost van gisteren.”
Maar dit behoorde in geenen deele tot het aangenomen stelsel van lord
Glenallan. Na het gezelschap met de ernstige en droefgeestige
beleefdheid gegroet te hebben, die hem eigen was, plaatste zijn knecht
eene snede geroosterd brood en een glas schoon water vóór hem; het
dagelijksch ontbijt van den graaf. – Terwijl de jonge krijgsman en de
grijze oudheidkenner op eene vrij wat degelijker wijze hun eetlust
stilden, hoorde men het geraas van wielen.
„Uw rijtuig, Milord, geloof ik,” zeide Oldbuck naar het venster gaande.
„Op mijn woord, eene fraaie Quadriga! want dit was, volgens het beste
scholium het vox signata der Romeinen voor een rijtuig, hetwelk, als
het uwe, door vier paarden getrokken werd.”
„En ik durf volhouden,” riep Hector met geestdrift, uit het venster
kijkende, „dat er nooit vier fraaier of beter loopende bruinen
ingespannen werden! – Welke schoone voorhanden! Het zouden uitmuntende
strijdrossen zijn! Mag ik vragen, Milord, zijn ze uit uwe eigene
fokkerij?”
„Ik – ik – geloof het haast,” zeide lord Glenallan; „maar ik ben zoo
nalatig geweest omtrent mijne huiselijke aangelegenheden, dat ik mij
wezenlijk op Calvert beroepen moet;” (den knecht aanziende).
„Zij zijn allen, Milord, uit uwe eigene fokkerij,” zeide Calvert;
„afstammelingen van Mad Tom, en van Jemima en Yarico, de twee merries.”
„Zijn er meer van het ras?” vroeg lord Glenallan.
„Twee, Milord, – het eene pas vier, het andere pas vijf jaren oud,
beiden zeer schoon.”
„Laat Dawkins die dan morgen hier brengen, naar Monkbarns. – Ik hoop,
dat kapitein M’Intyre ze zal willen aannemen, als zij eenigermate
geschikt zijn voor den dienst.”
De oogen van kapitein M’Intyre fonkelden, en hij was onuitputtelijk in
zijne dankbetuigingen; terwijl Oldbuck, van den anderen kant, den graaf
bij de mouw trekkende, een geschenk poogde te voorkomen, dat zijne
haverkist en zijn hooizolder zoo duur zou te staan komen.
„Milord! – Milord! – zeer verplicht, – zeer verplicht! – Maar Hector
dient te voet en bestijgt nooit een paard in het gevecht. Hij is een
Hooglandsch soldaat, en zijne kleeding is ook niet geschikt voor de
ruiterdienst. Macpherson zelf liet zijne voorouders nooit te paard
zitten, ofschoon hij de onbeschaamdheid heeft van te zeggen dat zij den
strijdwagen bestegen, en dat is het, Milord, wat Hector in het hoofd
spookt; het is de oefening met den wagen en niet te paard, waarnaar hij
begeerig is: –
„Sunt quos curriculo pulverem Olympicum
„Collegisse juvat.”
„ – Wat hem het hoofd warm maakt, is het denkbeeld van een wagen, dien
hij noch geld heeft om te koopen, noch verstand om te mennen; – ik
verzeker u, dat het bezit van twee zulke viervoetige dieren grooter
onheilen zou te weeg brengen, dan zijne tweegevechten, hetzij met een
menschelijken vijand of met mijne vriendin, de phoca.”
„Gij voert thans het bevel over ons allen, mijnheer Oldbuck,” zei de
graaf beleefd; „maar ik hoop dat gij mij niet geheel en al beletten
zult, om mijn jongen vriend te verplichten op eenige andere wijze, die
hem genoegen geeft.”
„Met alles, wat hem nuttig zijn kan, Milord! maar geen curriculum! Ik
betuig u, hij zou even goed kunnen voorslaan, om in eens eene quadriga
te houden. – En, nu ik er aan denk, wat doet die oude postchais hier,
die daar van Fairport komt aanrammelen? – Ik heb er geene besteld.”
„Dat deed ik, oom!” zeide Hector eenigszins gemelijk; want hij was niet
zeer in zijn schik, dat zijn oom den graaf in zijne edelmoedige
voornemens gedwarsboomd had, en was weinig geneigd, zich te vreden te
stellen òf met de minachting, die hij voor zijn beleid als wagenmenner
betoond had, òf met zijne vernederende zinspeling op zijn ongeluk in
het tweegevecht en in den strijd tegen den zeehond.
„Gij, jongen?” herhaalde de oudheidkenner in antwoord: „en mag men
vragen wat gij met dien wagen wilt uitvoeren? – Moet dit schitterende
rijtuig, – deze biga, zoo als ik het zou kunnen noemen, – tot inleiding
dienen van eene quadriga of een curriculum?”
„Wezenlijk, oom, als het noodig is om u opheldering te geven, ik ga
naar Fairport, om eene kleine zaak te verrichten.”
„En wilt gij mij veroorloven naar den aard van uwe bezigheden te
vragen, Hector? Ik zou veronderstellen, dat al de zaken van het
regiment konden volbracht worden door uw waardigen vertegenwoordiger,
den sergeant, – een hupsch heer, die zoo goed is om Monkbarns tot zijn
t’huis te maken, sedert zijne aankomst onder ons; – ik zou, zeg ik,
veronderstellen dat hij al uwe zaken kon verrichten, zonder u een dag
traktement te kosten voor twee bonken van paarden, en zulk eene kast
van verrot hout, gebarsten glas en oud leer, – zulk een geraamte van
een wagen, als die voor de deur!”
„Het zijn geene zaken van het regiment, oom, die mij roepen; en daar
gij er op aandringt om te weten wat het is, moet ik u zeggen, dat Caxon
heden morgen is komen vertellen dat de oude Ochiltree de bedelaar
vandaag verhoord zal worden; en ik ga om toe te zien, dat de arme oude
kerel niet onbillijk behandeld worde, – anders niets.”
„Zoo? – Ik wist er iets van, maar ik kon niet denken dat het ernst was.
En, zeg mij nu eens, kapitein Hector! Gij die zoo gereed zijt, iedereen
bij te staan in elken twist, burgerlijk of militair, te land, water en
op het zeestrand, welk bijzonder belang stelt gij in den ouden Adam
Ochiltree?”
„Hij was soldaat bij de compagnie van mijn vader, oom, en daarbij kwam
hij eens, toen ik eene dwaasheid wilde doen, tusschenbeide, om het mij
te beletten, en gaf mij bijna even zoo veel goeden raad, als gij zelf
hadt kunnen doen.”
„En met evenveel gevolg, zou ik durven zweren, – niet waar, Hector? –
Kom, beken het, de goede raad was verspild.”
„Dat is waar, oom! – maar ik zie geene reden, waarom mijne dwaasheid
mij minder dankbaar voor zijne welgemeende vriendschap zou maken.”
„Bravo, Hector! dat is het verstandigst woord, dat ik ooit van u
hoorde; – maar deel mij altoos uwe voornemens zonder terughouding mede.
– Wel, ik zal zelf met u meêgaan, jongen! – Ik ben zeker dat de oude
man niet schuldig is, en ik zal hem in eene dergelijke zaak
krachtdadiger bijstand verleenen, dan gij het doen kunt. Buitendien zal
ik u de halve guinje besparen, mijn goede jongen, eene omstandigheid,
welke ik u vriendelijk verzoek in het oog te houden.”
Lord Glenallan had zich uit beleefdheid afgewend en zich tot de dames
gericht, zoodra de woordenwisseling tusschen oom en neef heviger
dreigde te worden dan geschikt was om door een vreemdeling aangehoord
te worden; maar toen de toon van den oudheidkenner verzacht scheen,
mengde hij zich op nieuw in het gesprek. Na een kort bericht ingewonnen
te hebben omtrent den bedelaar, en de tegen hem ingebrachte
beschuldiging, welke de oudheidkenner zonder bedenking aan de
kwaadwilligheid van Dousterswivel toeschreef, vroeg lord Glenallan of
de bedoelde persoon niet vroeger soldaat was geweest? Het antwoord
luidde bevestigend.
„Draagt hij niet,” vervolgde de graaf, „een groven blauwen rok, of
kiel? – Is het niet een lang, schranderuitziend oud man met grijze
haren en baard, die zijn lichaam bijzonder recht houdt, en eene
ongedwongene en vrije wijze van spreken heeft, die zeer in
tegenstelling is met zijn beroep?”
„Dit is juist de man,” antwoordde Oldbuck.
„Nu dan,” vervolgde lord Glenallan, „ofschoon ik vrees, dat ik hem in
zijn tegenwoordigen toestand van geen dienst zal kunnen zijn, ben ik
hem echter een bewijs mijner dankbaarheid schuldig, omdat hij de eerste
geweest is, die mij eene tijding van het uiterste gewicht bracht. Ik
zou hem gaarne eene geschikte huisvesting aanbieden, zoodra hij uit de
verlegenheid gered is, waarin hij zich thans bevindt.”
„Ik vrees, Milord,” zeide Oldbuck, „dat het hem moeielijk zou vallen,
om zijne zwervende gewoonten met het aannemen van uw aanbod te
vereenigen, ten minste ik weet, dat men het al vruchteloos met hem
beproefd heeft. Van iedereen in het algemeen te bedelen, beschouwt hij
als afhankelijkheid, vergeleken met de verplichting om zijn onderstand
aan de mildheid van één enkelen persoon te moeten danken. Hij is in
zoover een echt wijsgeer, dat hij niets geeft om de gewone regeling van
uur en tijd. Als hij honger heeft, eet hij; als hij dorst heeft, drinkt
hij; als hij moede is, slaapt hij, en met zoo veel onverschilligheid
ten aanzien van de middelen en gemakken, waarover wij ons bekommeren,
dat hij, veronderstel ik, nog nooit slecht gegeten of slecht geslapen
heeft. Daarbij is hij, in zekeren graad, het orakel van de streek, die
hij bezoekt; – hij is de geslachtkundige, de nieuwskramer, de
bestierder der vermaken, de geneesheer in den nood, of zelfs de
godgeleerde. – Ik beloof het u, hij heeft te veel te doen en is te
werkzaam, dan dat hij zich licht van zijn beroep zou laten afschrikken.
Maar het zou mij hartelijk leed doen, als zij den armen, opgeruimden
man voor eenige weken naar de gevangenis zonden. Ik ben overtuigd, dat
hem de opsluiting het hart zou breken.”
Dus eindigde het gesprek. Na afscheid van de dames genomen te hebben,
hernieuwde Lord Glenallan aan den kapitein M’Intyre zijn aanbod van
vrijheid tot jagen op zijne gronden, wat met blijdschap aangenomen
werd.
„Ik kan er slechts bijvoegen,” zeide hij, „dat, indien uwe
opgeruimdheid tegen een somber gezelschap bestand is, het huis
Glenallan ten allen tijde voor u openstaat. – Twee dagen in de week,
Vrijdags en Zaterdags, blijf ik op mijne kamer, wat voor u eerder eene
verlichting dan eene ontbering zal zijn, daar gij alsdan ongestoord het
gezelschap van mijn aalmoezenier, den heer Gladsmoor, zult kunnen
genieten, die tegelijk een geleerde en een man van de wereld is.”
Hector, wiens hart klopte bij de gedachte aan de uitgestrekte
jachtvelden van het huis Glenallan en van de wildrijke vlakten van
Clochnaben, uitte zijne oprechte dankbetuigingen voor de eer die hem
aangedaan werd. De heer Oldbuck wist de oplettendheid van den graaf
voor zijn neef te waardeeren; Mary M’Intyre was vergenoegd, omdat zij
haren broeder tevreden zag, en Grizelda wierp in hare verbeelding een
zegevierenden blik op de zakken vol korhoenders, watersnippen en al het
wild dat in de keuken zou aanlanden, en waarvan de heer Blattergowl een
verklaarde liefhebber was. Dus, wat altijd het geval is, als een man
van rang een burger-huisgezin verlaat, waar hij zich opzettelijk
vriendelijk betoont – waren allen gereed, om den lof van den graaf te
verkondigen, zoodra hij afscheid genomen had en wegrolde in zijn
rijtuig door de vier bewonderde bruinen getrokken. Maar hunne
lofspraken werden afgebroken; want Oldbuck en zijn neef namen plaats in
de huurkoets, die, met het ééne paard dat draafde, en het andere in een
soort van handgalop, kraakte, rammelde en rolde naar die beroemde
zeestad, op eene wijze, die zeer veel verschilde van de vlugheid,
waarmede lord Glenallan’s rijtuig verdwenen was.