– Het leven bij u
Gloeit in de hersens en danst in uwe aderen;
Het is als goede wijn, vroolijk gedronken,
Die het hart verheugt, de verbeelding opwekt. –
Het mijne is ’s bekers sober overschot,
Vervlogen, flauw en smakeloos, welks droesem
Het vat bezoedelt, waarin het rust.
Oud tooneelspel.
„Nu, oordeel zelf eens, mijnheer Blattergowl, wat soort van mensch mijn
broeder is, met al zijne wijsheid en geleerdheid; daar brengt hij nu
zóó maar dezen graaf in huis, zonder er eenige levende ziel een enkel
woord van te zeggen! – En daarbij komt dat ongeluk van de
Mucklebackits; – wij kunnen geen stukje visch krijgen; – en er is geen
tijd om naar Fairport om rundvleesch te zenden, en het schapenvleesch
is te versch geslacht, en die zottin, Jenny Rintherout, heeft het op de
zenuwen gekregen, en lacht en schreeuwt sedert twee dagen onophoudelijk
– en nu moeten wij dien vreemden knecht achter de tafel hebben, die zoo
grootsch en deftig is als de graaf zelf! En ik kan niet in de keuken
komen om naar iets te zien; want hij staat daar bij het vuur een
schotel voor Milord te koken; want die eet niet als een ander mensch. –
En wat te doen met dien vreemden knecht onder etenstijd? – Ik verzeker
u, mijnheer Blattergowl, het gaat alles mijn verstand te boven!”
„Ja, jufvrouw Grizelda!” antwoordde de heer Blattergowl, „het was wel
onvoorzichtig van Monkbarns! Hij had een dag van te voren moeten
vaststellen, ten gerieve der belanghebbenden, zoo als gedaan wordt in
alle kerkelijke zaken van belang. – Maar de groote man zou in geen huis
van dit kerspel onverwacht hebben kunnen komen, dat beter van
levensmiddelen is voorzien, – dat moet ik zeggen; – de geur uit de
keuken kittelt mijn verhemelte reeds, – en, als gij eenige
huishoudelijke bezigheden te verrichten hebt, jufvrouw Grizelda, maak
toch vooral geene plichtplegingen met mij: – ik kan mij intusschen
bezig houden met deze groote uitgaaf van Erskinels Instituten.”
En dezen vermakelijken foliant (de Schotsche Coke over Littleton), van
de vensterbank nemende, sloeg hij het boek als door instinct op bij het
tiende hoofdstuk van het tweede boek „over de tienden,” en was weldra
verdiept in eene geleerde verhandeling over de wettelijke inkomsten van
geestelijke goederen.
Het gastmaal, waarover Grizelda Oldbuck zich zoo ongerust maakte, werd
eindelijk opgedaan, en de graaf van Glenallan zat voor het eerst,
sedert den dag van zijn ongeluk, aan eene vreemde tafel, door vreemden
omgeven. Hij gevoelde zich als iemand die droomt, of die nog niet ten
volle hersteld is van de uitwerking van een bedwelmend vergif. Verlost,
zoo als hij dien morgen geworden was, van het schuldbesef, dat zoo lang
op zijn hart gerust had, was zijne smart wel verlicht en dragelijker
geworden, maar hij bleef nog steeds buiten staat om eenig deel te nemen
aan het algemeen gesprek. En het verschilde ook, inderdaad, zeer van
den omgang, waaraan hij gewoon was geworden. De zorgelooze
vrijmoedigheid van Oldbuck, de herhaalde en langdradige
verontschuldigingen van zijne zuster, de deftige gemaaktheid van den
geestelijke, en de levendigheid van den jongen krijgsman, welke eer het
kenmerk van het leger dan van het hof droeg, was alles even nieuw voor
een edelman, die zoo lange jaren in afzondering en neêrslachtigheid
verkeerd had, dat de manieren van de wereld hem even vreemd als
onaangenaam voorkwamen. Mary M’Intyre alleen scheen, door hare
natuurlijke beleefdheid en ongekunstelde eenvoudigheid, tot die klasse
van menschen te behooren, waaraan hij in vroegere en gelukkiger dagen
gewoon was geweest.
Maar ook het gedrag van lord Glenallan wekte geene mindere verwondering
bij het gezelschap op. Ofschoon men voor een eenvoudig maar
voortreffelijk maal gezorgd had, (want, zoo als de heer Blattergowl te
recht opgemerkt had, was het niet mogelijk om Grizelda te overvallen op
een oogenblik, dat hare provisiekamer leêg was), en ofschoon de
oudheidkenner zijn besten portwijn aanprees en met den Falernerwijn van
Horatius vergeleek, bleef lord Glenallan nochtans tegen de verleidingen
van beiden bestand. Zijn knecht plaatste een kleinen schotel met
groenten vóór hem, – over welks toebereiding Grizelda zich zoo
verontrust had, – opgedaan met de grootste en zorgvuldigste
zindelijkheid. Hiervan at hij zeer spaarzaam, en een glas zuiver water
besloot zijn maaltijd. Zoo, zei de knecht, was de leefregel van den
graaf geweest sedert zeer vele jaren, uitgezonderd op hooge feestdagen
van de kerk, of als er gezelschap van den hoogsten rang op het kasteel
van Glenallan onthaald werd, wanneer hij een weinig van de strengheid
zijner leefwijze afweek en zich een paar glazen wijn veroorloofde. Maar
te Monkbarns zou geen kluizenaar een eenvoudiger en schraler maal
hebben kunnen doen.
De oudheidkenner was, zoo als wij gezien hebben, even kiesch als iemand
ter wereld, maar rond en ongedwongen in den omgang, omdat hij altijd
met personen verkeerde, die hij in niets behoefde te ontzien. Hij viel
dus dadelijk zijnen hoogadellijken gast aan over de strengheid van zijn
dieet.
„Een beetje halfkoude groenten en aardappels! – een glas ijskoud water!
– daarvoor levert de oudheid geen gezag op, Milord! Dit huis placht
gehouden te worden voor een hospitium, eene wijkplaats voor Christenen;
maar uw leefregel is die van een Heidenschen Pythagoreër of Indischen
Bramin, – ja, strenger dan een van beiden, als gij weigert deze schoone
appels te proeven.”
„Ik ben Katholiek, zoo als gij weet,” zeide lord Glenallan, wenschende
den redetwist te ontgaan, „en het is u bekend, dat onze kerk –”
„Vele regels voorschrijft ter kastijding van den vleesche; maar ik heb
nooit gehoord, dat men die zoo streng naleefde. Getuige mijn voorganger
Jan van Girnell en de vroolijke abt, die zijn naam aan dezen appel gaf,
Milord!”
En terwijl hij de fruit schilde, in weêrwil van het „Foei, Monkbarns!
van zijne zuster en het herhaalde hoesten van dominé Blattergowl,
gepaard met het schudden van zijne groote pruik, ging de oudheidkenner
voort met het avontuur, dat den abtsappel beroemd gemaakt had,
uitvoeriger en nauwkeuriger te verhalen dan in elk geval noodig was.
Maar zijne aardigheid (zoo als men licht begrijpen kan) nam niet op;
want zijn vertelsel van den minnehandel riep niet eens den flauwsten
schijn van een glimlach op het gelaat van den graaf op. Oldbuck nam nu
zijne toevlucht tot Ossian, Macpherson en Mac-Cribb; maar lord
Glenallan had zelfs nooit iets van een dezer heeren gehoord, zoo weinig
was hij in de hedendaagsche letterkunde bedreven. Het gesprek was nu
bijna uitgeput, of zou in de handen van den heer Blattergowl gevallen
zijn, die juist het verschrikkelijke woord „tiendvrij” uitgesproken
had, toen het onderwerp der Fransche omwenteling aangeroerd werd; eene
staatkundige gebeurtenis, welke lord Glenallan met al den
bevooroordeelden afkeer van een bijgeloovigen Katholiek en een echten
aristocraat beschouwde. Oldbuck was lang niet zoo hevig in het
veroordeelen der grondbeginselen er van.
„Er waren,” zeide hij, „in de eerste constitueerende vergadering zeer
vele mannen, die gezonde Whigsche grondbeginselen aankleefden, en eene
staatsregeling zochten, waarbij behoorlijk gezorgd werd voor de
vrijheden van het volk. En bevonden er zich nu vele dolzinnige
heethoofden aan het roer van den Staat, dit was wat men dikwijls bij
groote staatsomwentelingen zag, als in de gisting van het oogenblik
buitengewone maatregelen genomen worden, en de Staat op een geschokten
slinger gelijkt, die een tijdlang onrustig heen en weêr slaat, eer hij
weder tot zijne geregelde beweging overgaat. Of men kon het vergelijken
bij een storm, of orkaan, die, over eene landstreek heen trekkende, op
zijn doortocht groot nadeel veroorzaakt, maar toch de vuile,
stilstaande en ongezonde dampen wegvoert, en door latere vermeerderde
gezondheid en vruchtbaarheid de eerste onheilen en verwoestingen
vergoedt.”
De graaf schudde het hoofd, maar had moed noch lust hem te wederleggen,
en liet dus zijne argumenten onbetwist doorgaan.
Hector M’Intyre vond daarentegen aanleiding, om van zijne ervaring als
krijgsman te gewagen, en hij sprak van de bedrijven, waaraan hij deel
genomen had, met zedigheid en ter zelfder tijd met een vuur en
geestdrift, waarin de graaf behagen schepte, die, even als de andere
leden van zijn huis, opgevoed werd in het denkbeeld, dat het beroep van
den krijgsman het eervolste is voor den mensch, en geloofde dat het
strijden tegen de Franschen eene soort van heiligen oorlog was.
„Wat zou ik er voor geven,” zeide hij ter zijde tegen Oldbuck, toen zij
opstonden om zich bij de dames in de zaal te vervoegen, „wat zou ik er
voor geven, om zulk een zoon te hebben! – Er ontbreekt slechts in zijne
wijze van zich voor te doen en in zijne manieren een zweem van die
fijne beschaving, die hem de omgang met de groote wereld weldra geven
zou; – maar met hoeveel vuur en hoe levendig drukt hij zich uit; met
hoeveel vooringenomenheid met zijn beroep – met hoeveel geestdrift als
hij anderen prijst, – en hoe zedig spreekt hij over zich zelven!”
„Hector is u zeer verplicht, Milord! ik geloof oprecht, dat niemand
ooit te voren half zoo veel goeds van hem zeide, uitgezonderd misschien
de sergeant van zijne kompagnie, als hij een Hooglandschen boer wil
overhalen om zich te laten werven. Hij is echter een goede jongen,
ofschoon hij niet juist de held is, waarvoor gij hem houdt, en hoewel
mijn lof eerder zijne welwillendheid dan de levendigheid van zijn
karakter geldt. Ik kan u verzekeren, dat zijne bezieling eene soort van
drift is, die bij alles werkt, wat hij voorheeft, en dikwijls zeer
lastig is voor zijne vrienden. Ik zag hem vandaag in een zeer hevigen
strijd met eene phoca, die wij seal of zeehond noemen (ons volk zegt
juister sealgh, met behoud van den Gothischen keelklank gh), met een
moed bezield, alsof hij tegen Dumouriez zelven vocht. – Maar, Milord,
de phoca overwon, even als Dumouriez. En hij zal met dezelfde, zoo niet
met grootere verrukking over een jachthond spreken, als over het plan
van een veldtocht.”
„Hij kan verlof krijgen, op mijne landerijen te jagen,” zei de graaf,
„zooveel hij wil, als hij zulk een liefhebber van de jacht is.”
„Gij zult hem met lijf en ziel aan u verbinden, Milord! Vergun hem zijn
jachtgeweer op eene ongelukkige vlucht patrijzen of kor-hoenders af te
schieten, en hij is de uwe voor altijd! – Dit bericht zal hem in
verrukking brengen. Maar, o Milord, als gij mijn fenix Lovel gezien
hadt, – den edelsten en besten der jeugd van deze eeuw; en ook niet
ontbloot van moed! – Ik beloof het u, hij gaf mijn onstuimigen neef een
quid pro quo, – een Roeland voor zijn Olivier, zoo als het gemeen zegt,
zinspelende op de twee beroemde Paladijns van Karel den Groote.”
Na de koffie verzocht lord Glenallan om een afzonderlijk gesprek met
den oudheidkenner, en werd in zijne studeerkamer geleid.
„Ik moet u aan uwe beminnelijke familie onttrekken,” zeide hij, „om u
in de aangelegenheden te wikkelen van een ongelukkig mensch. Gij zijt
bekend met de wereld, waaruit ik sedert lang gebannen ben; want het
kasteel van Glenallan is voor mij eerder eene gevangenis geweest dan
eene woning, hoewel eene gevangenis, die ik moed noch lust had te
verlaten.”
„Mag ik vooraf vragen, wat uwe eigene wenschen en bedoelingen zijn in
deze zaak?”
„In de allereerste plaats, wenschte ik mijn huwelijk openbaar te maken
en de nagedachtenis van de ongelukkige Eveline te zuiveren, dat is,
indien gij dat mogelijk acht, zonder het gedrag van mijne moeder
ruchtbaar te maken.”
„Suum cuique tribuito!” zei de oudheidkenner, „ieder het zijne! De
nagedachtenis van die ongelukkige heeft reeds te lang geleden, en wat
gij wenscht kan, denkelijk, geschieden zonder uwe moeder verder daarin
te halen, dan dat men in het algemeen te verstaan kan geven, dat zij
het huwelijk zeer afkeurde en zich ernstig daartegen verzette. Allen, –
vergeef mij, Milord, – die ooit iets van de gravin van Glenallan
hoorden, zullen dat zonder verwondering vernemen.”
„Maar gij vergeet ééne verschrikkelijke omstandigheid, mijnheer
Oldbuck!”
„En die is?”
„Het lot van het kind, – zijn verdwijnen met de vertrouwelinge mijner
moeder, en de verschrikkelijke gevolgtrekkingen, die uit mijn gesprek
met Elspeth zouden kunnen gemaakt worden.”
„Als gij, Milord, mijn onbewimpeld gevoelen wilt hooren, en daaraan
niet te voorbarig wilt hechten als aan eene stellige hoop, dan moet ik
u zeggen, dat het mij zeer mogelijk voorkomt, dat uw kind nog in leven
zou zijn. Want zoo veel ben ik, door mijne vroegere navorschingen
omtrent de gebeurtenissen van dien ongelukkigen avond met zekerheid te
weten gekomen, dat er een kind en eene vrouw dien nacht uit de hut te
Craigburnfoot, in een rijtuig met vier paarden vervoerd werden door uw
broeder Edward Geraldin Neville, wiens reis naar Engeland in dit
gezelschap ik verscheidene stations ver heb nagespoord. Ik geloofde
toen dat het een gedeelte van het plan was, om het kind, dat gij
voornemens waart als onecht te brandmerken, uit dit land daarheen te
brengen, waar het wellicht bescherming en bewijzen van zijne rechten
zou gevonden hebben; maar ik denk nu dat uw broeder, even als gij,
reden had om het kind met eene schande bevlekt te gelooven, die nog
minder uit te wisschen was, en het medegenomen heeft, gedeeltelijk om
de eer van zijn eigen huis, gedeeltelijk om het aan het gevaar te
onttrekken, waaraan het misschien zou zijn blootgesteld geweest in de
nabijheid van lady Glenallan.”
Bij deze woorden werd de graaf van Glenallan doodsbleek, en zeeg bijna
van zijn stoel. De beangste oudheidkenner liep heen en weêr, om het een
of ander hulpmiddel te zoeken; maar zijn museum, ofschoon overvloedig
voorzien van eene menigte nuttelooze voorwerpen, leverde niets op, dat
in dit of eenig ander geval van dien aard van dienst kon zijn. Toen hij
uit de kamer stoof, om het reukfleschje van zijne zuster te halen, kon
hij niet nalaten om op zijne eigene wijze zijn verdriet en verwondering
te uiten over de verschillende gebeurtenissen, die zijn huis eerst in
een hospitaal voor een gewonden krijgsman, en nu in een toevluchts-oord
voor een stervenden edelman veranderd hadden. „En evenwel,” zeide hij,
„heb ik mij altijd op een afstand gehouden van het militairwezen en van
den adel. Mijn Coenobitium behoeft nu nog maar in een hospitaal voor
kraamvrouwen herschapen te worden, en dan, geloof ik, zal de
verandering volkomen zijn.”
Toen hij met zijn hulpmiddel terugkeerde, bevond zich lord Glenallan
reeds veel beter. Het nieuwe licht, dat de heer Oldbuck over de
droevige geschiedenis van zijn familie verspreid had, had hem bijna
overweldigd. „Gij denkt dus, mijnheer Oldbuck, – want gij zijt in staat
om te denken, wat ik niet kan, – gij denkt dus, dat het mogelijk is, –
dat is, dat het niet onmogelijk is, – dat mijn kind nog leeft?”
„Ik geloof,” zei de oudheidkenner, „dat het onmogelijk eenig geweld
aangedaan is door toedoen van uw broeder. Hij was bekend als een
lichtzinnig en zelfs losbandig mensch; maar hij was geenszins wreed of
onedel. – Ook is het niet mogelijk, dat hij, als hij eenige slechte
oogmerken had, zooveel zorg voor het kind zou gedragen hebben, als ik u
bewijzen zal dat hij deed.”
Met deze woorden opende hij eene lade van het kabinet van zijn voorzaat
Aldobrand, en bracht een bundel papieren te voorschijn, toegebonden met
een zwart lint en ten opschrift hebbende: Informatiën, enz. door
Jonathan Oldbuck genomen, den 10 Februari 17–; – een weinig lager
stond, kleiner geschreven: Eheu Evelina! De heete tranen liepen langs
de wangen van den graaf, terwijl hij te vergeefs poogde den knoop los
te maken, die de papieren te zamen hield.
„Gij zoudt beter doen, Milord,” – zeide Oldbuck, „met deze stukken op
dit oogenblik niet te lezen, ontroerd als gij zijt, en daar gij nog
veel te doen hebt, moet gij uwe krachten niet uitputten. Uws broeders
nalatenschap is nu, veronderstel ik, de uwe, en gij zult zonder veel
moeite onder de dienstboden navorschingen kunnen doen, om te vernemen
waar het kind is, indien het, bij geluk, nog leven mocht.”
„Dat durf ik haast niet hopen; – waarom zou mijn broeder het voor mij
verzwegen hebben?”
„Wel, Milord! waarom zou hij u het bestaan hebben medegedeeld van een
wezen, dat gij voor het kind hadt moeten veronderstellen van –”
„Volkomen waar! – Dat is eene zeer voegzame en natuurlijke reden voor
zijn zwijgen. Indien er inderdaad iets was, dat de ijselijkheid zou
hebben kunnen vermeerderen van den akeligen droom, die mijn geheel
leven verpest heeft, had het de kennis moeten zijn, dat zulk een kind
der zonde bestond.”
„Dus, – ofschoon het voorbarig zou zijn, om na een tijdsverloop van
meer dan twintig jaren te besluiten, dat uw zoon zeker nog moet leven,
omdat hij in zijne kindschheid niet vermoord werd, oordeel ik, dat gij
dadelijk uwe navorschingen moet beginnen.”.
„Dat zal ook geschieden,” antwoordde lord Glenallan; – „ik zal aan een
getrouwen rentmeester van mijn vader schrijven, die in dezelfde
hoedanigheid bij mijn broeder Neville was. – Maar, mijnheer Oldbuck, ik
ben mijns broeders erfgenaam niet.”
„Inderdaad! dat spijt mij zeer, Milord! – het is een aanzienlijk goed,
en alleen de bouwvallen van het oude kasteel van Neville’s Burg, die de
schoonste overblijfsels zijn van de Anglo-Normandische bouwkunst in dat
gedeelte van het land, zijn eene allerwenschelijkste bezitting! Ik
dacht, dat uw vader geen anderen zoon of betrekkingen had.”
„Die had hij ook niet, mijnheer Oldbuck,” antwoordde lord Glenallan;
„maar mijn broeder omhelsde staatkundige grondbeginselen en een
godsdienst, die verschilde van die van ons geslacht. Wij hadden sedert
lang verschillende neigingen, en mijne ongelukkige moeder vond niet,
dat hij haar met genoegzamen eerbied behandelde. In het kort, er had
een familietwist plaats, en mijn broeder, die vrij over zijn eigendom
beschikken kon, gebruikte zijne macht, om een vreemde tot zijn
erfgenaam te benoemen. Dit heeft mij niet in het minst getroffen; want
als wereldsche goederen ellende verzachten konden, dan heb ik zelf
genoeg. Maar nu zal ik het betreuren, indien het onze navorschingen
moeielijker mocht maken, – en ik bedenk, dat dit wel het geval kan
zijn; want, als ik zelf een wettigen zoon heb, daar mijn broeder zonder
wettige erfgenamen kwam te overlijden, moeten de voorvaderlijke
goederen op mijn zoon overgaan. Het is dus niet waarschijnlijk dat de
tegenwoordige erfgenaam, wie het ook zij, ons zijn bijstand zal
verleenen om eene ontdekking te doen, die voor hem zoo nadeelig zou
zijn.”
„En naar alle waarschijnlijkheid is de rentmeester, van wien gij
gewaagt, mede in zijn dienst?”
„Allerwaarschijnlijkst; en daar hij een Protestant is, mag men wel
vragen in hoever men hem in dit geval veilig zou kunnen vertrouwen?”
„Ik zou hopen, Milord,” zei ernstig de oudheidkenner, „dat een
Protestant evenveel vertrouwen verdiende als een Katholiek. Ik stel
dubbel belang in het Protestantsche geloof, Milord! Mijn voorzaat,
Aldobrand Oldenbuck, drukte de beroemde Augsburgsche Geloofsbelijdenis,
zoo als ik bewijzen kan uit de oorspronkelijke uitgaaf, hier in dit
huis.”
„Ik twijfel er in het minste niet aan, mijnheer Oldbuck! Ook spreek ik
niet uit bijgeloovigheid of onverdraagzaamheid; maar zeer
waarschijnlijk zal de Protestantsche rentmeester eerder den
Protestantschen dan den Katholieken erfgenaam genegen zijn, – indien
ten minste mijn zoon in zijns vaders godsdienst is groot gebracht, –
of, helaas, indien hij nog leeft.”
„Wij moeten alles nauwkeurig onderzoeken,” zeide Oldbuck, „eer wij ons
in iets bloot geven. Ik heb een letterkundigen vriend te York, met wien
ik langen tijd in briefwisseling geweest ben over den Saksischen hoorn,
die in de kerk aldaar bewaard wordt. Ik zal dadelijk aan dien heer, Dr.
Dryasdust, schrijven, en in het bijzonder naar het karakter enz. van
uws broeders erfgenaam en van zijn rentmeester vernemen, en naar alles,
wat onze navorschingen bevorderen kan. Intusschen zult gij, Milord, de
bewijzen van het huwelijk zoeken, die ik hoop, dat men nog zal kunnen
bijeenkrijgen.”
„Zonder twijfel; – de getuigen, welke men te voren aan uw onderzoek
onttrok, leven nog. De geestelijke, mijn leermeester, door wien het
huwelijk voltrokken werd, verkreeg eene hooge kerkelijke waardigheid in
Frankrijk, vanwaar hij onlangs in dit land terugkeerde onder de
uitgewekenen, als een slachtoffer van zijn ijver voor den koning, de
legitimiteit en den godsdienst.”
„Dat is één gelukkig gevolg van de Fransche omwenteling, Milord! – dit
ten minste moet gij toestaan; – maar scherts ter zijde; ik zal even
oprecht voor uwe belangen zorgen, alsof wij beiden van één geloof in
staatkunde en godsdienst waren. En, neem mijn raad aan: – wilt gij eene
zaak van belang goed behandeld hebben, geef die in handen van een
oudheidkundige; want, daar zoo iemand altijd zijn vernuft scherpt en
zijn geest van navorsching op kleinigheden oefent, kan hij onmogelijk
in zaken van gewicht feilen. – De oefening volmaakt, en het korps, dat
het meest op de parade gedrild wordt, zal het vlugste in zijne
krijgsverrichtingen zijn in den veldslag. – En, nu ik over dit
onderwerp spreek, wenschte ik wel u iets voor te lezen, om u den tijd
te korten tot aan het avondmaal, –”
„Laat mij, bid ik u, geene stoornis brengen in uwe huishoudelijke
gebruiken,” zeide lord Glenallan; „maar ik, voor mij, gebruik nooit
iets na zonsondergang.”
„Ook ik niet, Milord, ofschoon men zegt dat zulks niet de gewoonte der
ouden was. – Maar mijn middagmaal verschilt van het uwe, en ik kan
daarom te beter die spijzen ontberen, welke mijn vrouwvolkje (dat is,
mijne zuster en mijne nicht, Milord!) op tafel plaatsen, eerder om haar
huishoudelijk talent aan den dag te leggen, dan om in onze behoeften te
voorzien. – Evenwel, een stukje vleesch of visch, of een oestertje, of
een stuk spek hier in huis gerookt, – of iets dergelijks met een
glaasje bier of wijn, om de maagholte te sluiten eer men naar bed gaat,
zijn niet begrepen onder hetgeen ik weiger, en ik hoop, dat gij dat ook
niet bedoelt.”
„Mijn niets gebruiken is letterlijk gemeend, mijnheer Oldbuck; maar ik
zal met genoegen aan uwe tafel mede aanzitten.”
„Wel, Milord, dan zal ik ten minste trachten uwe ooren te vergasten,
daar ik het uwe maag niet kan. Hetgeen ik u ga voorlezen, heeft
betrekking tot de Hooglandsche valleien en bergengten.”
Ofschoon lord Glenallan liever zou zijn teruggekomen op het onderwelf
van zijne eigene belangen, was hij genoodzaakt, hoe ongaarne ook, met
de meeste beleefdheid dezen wensch van den oudheidkenner in te
willigen.
Deze haalde dus zijne portefeuille vol losse bladen voor den dag, en na
vooraf te hebben aangemerkt, dat de plaatselijke bijzonderheden, hier
opgeteekend, bestemd waren ter opheldering van eene verhandeling over
de kunst van legerplaatsen aan te leggen, welke voorlezing met veel
goedkeuring in verscheidene genootschappen van oudheidkenners was
aangehoord, begon hij op de volgende wijze: „Het onderwerp, Milord, is
de bergsterkte van Quickensbog, welker ligging u zonder twijfel zeer
goed bekend moet zijn; het is op uwe pachthoeve van Mantanner, in de
Baronie van Clochnaben.
„Ik heb, geloof ik, de namen van die plaatsen wel gehoord,” zei de
graaf, in antwoord op de opmerking van den oudheidkenner.
„De namen gehoord! – en de hoeve brengt hem zeshonderd pond ’s jaars
op! – mijn hemel!”
Dus luidde de ter nauwernood onderdrukte uitroeping van den
oudheidkenner. Maar zijne gastvrijheid overwon ditmaal zijne
verwondering en hij ging voort met de lezing van zijne verhandeling,
met eene opgeruimde stem, verblijd, zich een geduldigen en, zoo als hij
hoopte, een belangstellenden toehoorder verzekerd te hebben.
„Quickensbog kan, bij den eersten oogopslag, den naam schijnen te
ontleenen aan de plant Quicken, waaronder wij, Scoticé, eene soort van
gras, of het Tricticum repens van Linnaeus verstaan, en van het bekend
Engelsch woord bog, waarmede wij, in de volkstaal, een poel of moeras,
in het Latijn palus, bestempelen. Maar de al te voorbarige voorstanders
der gemakkelijke woordafleidingen zullen met verbazing hooren, dat het
gras, of, om juister te spreken, het Tricticum repens van Linnaeus niet
groeit binnen een vierde mijl van dit castrum of fort, welks wallen
eenparig bekleed zijn met kort groen gras, en dat wij een moeras (bog,
of palus) op nog grooteren afstand zoeken moeten, zijnde het
naastbijgelegene dat van Gird-the-mear, eene goede halve mijl van daar.
De laatste lettergreep bog, in Quickensbog, is dus klaarblijkelijk eene
loutere verbastering van het Saksische woord Burgh, Burrow, Brough,
Bruff, Buff, en Boff, welk laatste zeer veel overeenkomst heeft met den
bedoelden klank bog. – Immers, verondersteld dat het woord
oorspronkelijk Borgh is geweest, volgens de zuivere Saksische spelling,
zoo zal eene geringe verandering, zoo als men heden bij het uitspreken
van oude klanken dikwijls maakt, eerst Bogh vormen, en dan, de h
afkappende, of wel de keelletter, overeenkomstig het algemeen gebruik,
latende wegsmelten, heeft men Boff of Bog, zoo als het valt, in plaats
van het oorspronkelijke Borgh. Het woord Quickens in Quickensbog (nu
reeds hersteld tot Quickensborgh), moet eveneens veranderd worden, –
verbasterd zoo als het is, – en tot zijn oorspronkelijken en zuiveren
klank worden teruggebracht, eer wij er de eigenlijke meening van kunnen
onderscheiden. Door de gewone verwisseling van de Qu in Wh, bekend aan
den onbedrevensten leerling, die ooit een Schotsch dichtwerk opensloeg,
verkrijgen wij den naam: Whilkens, of Wichensborgh – zoo als men
veronderstellen mag, in den vorm van eene vraag, – alsof degeen, die
den naam gaf, getroffen door de buitengemeene oudheid van de plaats,
zulks uitgedrukt had door de vraag: „Wiens borgh wiens sterkte is
deze?” – Of het zou ook kunnen zijn Whackensburgh, van het Saksische
Whacken, met de hand slaan, daar ongetwijfeld de schermutselingen,
nabij eene plaats van zulk groot aanbelang, eene dergelijke
naamsafleiding zouden gewettigd hebben,” enz. enz. enz.
Ik zal barmhartiger voor mijne lezers zijn, dan Oldbuck het jegens zijn
gast was; want daar de gelegenheid, om de geduldige aandacht te
verwerven van een zoo gewichtigen persoon als lord Glenallan, niet
dikwijls voorkwam, maakte hij, zoo veel in zijne macht lag, er gebruik
of liever misbruik van.