VIERENDERTIGSTE HOOFDSTUK

Steeds in zijn doode hand blijven de snaren,

Die ’s vaders hart doen trillen; – gelijk het lid,

Dat, afgekapt en in ’t graf, zoo als men zegt,

Gemeenschap behoudt met den verminkten stomp,

Wiens zenuwen nog altijd pijnlijk trekken.

Oud tooneelspel.

De oudheidkenner, zoo als wij den lezer op het einde van het

voorlaatste hoofdstuk berichtten, was het gezelschap van den waardigen

heer Blattergowl ontsnapt, niettegenstaande het aanbod van dezen om hem

een kort verslag te geven van de schoonste pleitrede, die er ooit, voor

zoo ver hij wist, voor een tiendgerecht gehouden werd, uitgesproken

door den procureur voor de kerk, in zake van de gemeente Gatherem. Deze

verzoeking weêrstaande, sloeg onze vriend een eenzamen weg in, die hem

op nieuw bij de woning van Mucklebackit bracht. Toen hij voor de

visschershut kwam, ontwaarde hij een man, druk bezig, naar het scheen,

met het kalefateren van eene schuit die op het strand lag, en, op hem

toegaande, was hij niet weinig verrast Mucklebackit zelven te zien. „Ik

ben blij,” zeide hij op deelnemenden toon, „ik ben blij, Saunders, –

dat gij u in staat bevindt om uw werk te verrichten.”

„En wat zoudt gij willen dat ik deed,” antwoordde de visscher kortaf;

„als ik niet vier kinderen van honger zou willen zien sterven, omdat er

één verdronken is? Dat is goed voor u, heeren, die, als gij een vriend

verliest, te huis kunt blijven zitten met den zakdoek voor de oogen;

maar lieden van ons slag moeten weêr aan het werk, al klopt ons het

hart als een hamer.”

Zonder zich verder om Oldbuck te bekommeren, ging hij met zijn arbeid

voort, en de oudheidkenner, wien de uitwerking der menschelijke natuur

onder den invloed van ontroerende driften nooit onverschillig was,

stond naast hem, stil en opmerkzaam, alsof hij de vorderingen van het

werk gadesloeg. Hij merkte meer dan eens op, hoe ’s mans harde

gelaatstrekken zich als door de kracht der gewoonte vertrokken, als om

den klank van de zaag en den hamer met zijn welbekend neuriën of

fluiten te vergezellen, en hoe dikwijls eene krampachtige, pijnlijke

uitdrukking toonde, dat, eer de klanken geuit waren, eene opkomende

gedachte ze onderdrukte. Eindelijk, toen hij één groot gat dicht

gemaakt had en een ander begon te kalefateren, scheen hem zijn gevoel

geheel en al van de noodige aandacht bij zijn werk te berooven. Het

stuk hout, dat hij er op spijkeren moest, was eerst te lang; toen

zaagde hij het te kort af, en koos toen weêr een ander, dat even weinig

tot het doel geschikt was. Eindelijk wierp hij het hout gramstorig weg,

en riep, na zijn beneveld oog met de bevende hand te hebben afgeveegd,

half wanhopig uit: „Er rust een vloek op mij, of op deze oude, zwarte

boot, die ik al zoo menig jaar op het strand heb gehaald en dicht

gemaakt en gekalefaterd, om haar eindelijk mijn armen Steven in zee te

zien werpen. Ik geef den brui van de heks!” en hij smeet den hamer

tegen de schuit, alsof deze de boosaardige bewerkster van zijn ongeluk

geweest ware. Toen weêr bedarende, voegde hij er bij: „En toch, wat

helpt het boos op haar te zijn, die ziel noch gevoel heeft! – ofschoon

ik zelf niet veel beter ben. Ze is slechts een klomp oude, verrotte

planken te zamen gespijkerd, en door wind en zee gebeukt, – en ik ben

een stijve kerel, zoo lang door stormen ter zee en te land geteisterd,

dat ik even gevoelloos ben als de planken. Ze moet evenwel weêr dicht

zijn tegen den morgenvloed; – dat is volstrekt noodzakelijk.”

Dit zeggende, ging hij zijn gereedschap bijeen zoeken, om zoo mogelijk

zijn arbeid te hervatten; maar Oldbuck nam hem vriendelijk bij den arm.

„Kom, kom,” zeide hij, „Saunders, dat is heden geen werk voor u! Ik zal

Shavings, den timmerman, naar het strand zenden om de boot te

herstellen, en hij kan zijn dagloon op mijne rekening zetten, – en gij

zoudt beter doen met morgen niet uit te gaan, maar te huis te blijven,

om uw huisgezin te troosten onder deze bezoeking, en de tuinman zal u

wat groenten en meel van Monkbarns brengen.”

„Ik dank u, Monkbarns!” antwoordde de arme visscher; „ik ben een

eenvoudig man en niet vlug in het praten. Ik had lang geleden iets meer

kunnen leeren van mijne moeder; maar ik zag nooit, dat zijzelve er veel

aan had; ik dank u echter. Gij waart altijd beleefd, vriendelijk en

behulpzaam voor uwe buren, wat men ook zeggen mag van uwe zuinigheid;

en ik heb dikwijls gezegd, in den tijd dat men het volk tegen de

grooten ophitste, – ik heb dikwijls gezegd: „nooit zal iemand Monkbarns

een haar krenken, zoo lang Steven en ik een vinger kunnen verroeren” –

en dat zei Steven ook. En, Monkbarns, toen gij zijn hoofd in het graf

legdet, (en hartelijk dank ik u voor die eer), zaagt gij den grond

dicht werpen over een braven jongen, die u wel mocht lijden, ofschoon

hij er niet veel praats van maakte.”

Oldbuck, wiens cynische trots bezweken was, zou niet gaarne gehoord

hebben dat iemand op dat oogenblik zijne geliefkoosde grondbeginsels

der Stoïcijnsche wijsbegeerte had aangehaald. De heete tranen stonden

in zijne oogen, terwijl hij den vader, die nu overweldigd was door de

herinnering aan de kordaatheid en de edelmoedige gevoelens van zijn

zoon, dringend bad, om toch eene droefheid te matigen, die nergens toe

dienen kon; terwijl hij hem bij den arm terug leidde naar zijne eigene

woning, waar onzen oudheidkenner eene nieuwe ontmoeting wachtte. – Want

toen hij binnentrad, was de eerste persoon, dien hij zag, lord

Glenallan.

Wederzijdsche verwondering was op beider gelaat te lezen, toen zij

elkander groetten, met stijve terughouding van de zijde van den heer

Oldbuck, en met veel verlegenheid van die van den graaf.

„Milord Glenallan, geloof ik?” zeide Oldbuck.

„Ja, – veel veranderd sedert den tijd, toen hij u kende, mijnheer

Oldbuck!”

„Mijn oogmerk is niet,” zei de oudheidkenner, „u lastig te vallen. Ik

kwam alleen, om dit ongelukkig huisgezin te bezoeken.”

„En gij hebt iemand gevonden, mijnheer, die nog grooter aanspraak op uw

medelijden heeft!”

„Medelijden van mij? Lord Glenallan kan mijn medelijden niet behoeven!

Als Lord Glenallan dat behoefde, geloof ik, dat hij er niet licht om

vragen zou!”

„Onze vroegere kennis –,” zei de graaf –

„Is van zulke oude dagteekening, Milord, – was van zoo korten duur, en

ging met zulke pijnlijke omstandigheden gepaard, dat wij ons, geloof

ik, kunnen verschoonen van die nu te vernieuwen!”

Met deze woorden wendde de oudheidkenner zich af en verliet de hut;

maar lord Glenallan volgde hem in de vrije lucht, en, niettegenstaande

een haastig, „goeden morgen, Milord!” verzocht hij hem om een kort

onderhoud, en om zijn raad in eene gewichtige zaak.

„Gij zult velen vinden, die beter in staat zijn dan ik om u raad te

geven, Milord, en die er zich meê zullen vereerd vinden. Ik, voor mij,

ben vreemd aan alle zaken, en niet zeer geneigd om vroegere

gebeurtenissen uit mijn nutteloos leven weêr op te halen; en, vergeef

mij, als ik er bijvoeg, het grieft mij zeer herinnerd te worden aan een

tijdstip, toen ik handelde als een dwaas, en gij, Milord, als een, –”

hij brak af.

„Als een schurk, wildet gij zeggen,” voegde lord Glenallan er bij:

„want in dat licht heb ik u moeten voorkomen.”

„Milord! Milord! ik begeer niet om uwe biecht aan te hooren!” riep de

oudheidkenner.

„Maar, mijnheer, als ik u bewijzen kan, dat men meer tegen mij

gezondigd heeft, dan dat ik zelf zondigde; – dat ik een ongelukkig

mensch, boven alle beschrijving ongelukkig geweest ben, en dat ik nu op

een vroegtijdig graf zie, als op eene rustplaats, zult gij u niet

langer aan eene mededeeling onttrekken, die, – uwe verschijning in dit

beslissend oogenblik voor een wenk van den hemel houdende, – ik het

wagen moet u op te dringen!”

„Milord, ik zal nu niet meer de voortzetting van deze verrassende

samenkomst vermijden.”

„Ik moet u dus aan onze toevallige ontmoetingen herinneren, ongeveer

twintig jaren geleden, op het kasteel van Knockwinnock, en ik behoef u

niet te herinneren aan eene dame, die toen een lid van dat huisgezin

was.”

„De ongelukkige Eveline Neville, Milord! – ik herinner mij haar wel.”

„Wie gij gevoelens toedroegt, –”

„Zeer verschillende van die, waarmede ik vroeger en later hare sekse

aanschouwd heb. Hare zachtheid, hare leerzaamheid, haar smaak in die

studiën, waarop ik hare aandacht vestigde, maakten mij haar meer

genegen, dan met mijne jaren, ofschoon ik toen nog niet al te oud was,

en met den ernst van mijn karakter overeenkwam. Maar ik behoef u niet

te herinneren aan al de gelegenheden, waarop gij uw lachlust botvierdet

ten koste van een onhandigen, in de eenzaamheid levende geleerde, die

verlegen was in het uitdrukken van gevoelens, welke hem zoo nieuw

waren; en ik twijfel niet, of de jonge dame nam deel aan den

welverdienden spot: – dit is zoo vrouwenaard. Ik heb de pijnlijke

omstandigheden van mijn aanzoek en de verwerping er van aangeroerd,

opdat gij u overtuigen zult, dat mij alles nog duidelijk in het

geheugen ligt, en dat gij uwe geschiedenis, wat mij aangaat, zonder

schroom of onnoodige achterhouding kunt verhalen.”

„Dat zal ik ook doen,” zeide lord Glenallan; „maar vergun mij eerst te,

zeggen, dat gij onrecht doet aan de nagedachtenis van de zachtste,

beminnelijkste en ongelukkigste der vrouwen, door te veronderstellen

dat zij met de oprechte toegenegenheid van een man als gij zou hebben

kunnen spotten! Zeer dikwijls berispte zij mij, mijnheer Oldbuck, als

ik mijne lichtzinnigheid ten uwen koste botvierde. – Mag ik mij nu

vleien, dat gij den jeugdigen overmoed, die u toen aanstoot gaf,

vergeven zult? – Mijn zielstoestand heeft mij sedert nooit in de

noodzakelijkheid gebracht om mij te verontschuldigen over de

onbedachtzaamheden aan een opgeruimd en gelukkig mensch eigen.”

„Milord, gij hebt mijne vergiffenis,” zei de heer Oldbuck; „gij zult u

herinneren dat ik, evenmin als iemand anders, in dien tijd wist dat ik

mij tot uw mededinger opwierp, en ik begreep dat Eveline in eene

afhankelijkheid leefde, die haar een redelijk vermogen en de hand van

een eerlijk man als iets wenschelijks moest doen voorkomen. – Maar ik

verspil den tijd: – ik wenschte te kunnen gelooven, dat de oogmerken,

die anderen omtrent haar koesterden, even rechtschapen en eerlijk waren

als de mijne!”

„Mijnheer Oldbuck, gij velt een hard oordeel!”

„Niet zonder reden, Milord! Toen ik alleen, van al de overheidspersonen

in de streek, die noch de eer had, gelijk sommigen hunner, in

betrekking te staan met uw machtig geslacht, noch gelijk anderen, de

laagheid had om het te vreezen, – toen ik eenig onderzoek instelde naar

de wijze van Eveline Neville’s dood, – gij schrikt Milord, maar ik moet

oprecht zijn, – vond ik reden te gelooven, dat men haar slecht

behandeld had, en dat zij òf bedrogen was geweest door een

schijn-huwelijk, òf dat men zeer ongeoorloofde middelen had gebezigd,

om het bewijs van een wezenlijk bestaand huwelijk te verduisteren en te

vernietigen. En ik kan bij mij zelven niet twijfelen, of deze wreedheid

van uwen kant, Milord, hetzij die uit uw vrijen wil voortgesproten, of

wel door den invloed der overleden gravin veroorzaakt werd, dreef de

ongelukkige jonge dame tot de wanhopige daad, die een einde aan haar

leven maakte.”

„Uwe besluiten, mijnheer Oldbuck, zijn niet juist, ofschoon ze

natuurlijk uit de omstandigheden voortvloeien moesten. Geloof mij, ik

eerbiedigde u, toen ik het meest gekweld werd door uwe werkzame

pogingen om onze familiewederwaardigheden te onderzoeken. Gij toondet u

Eveline Neville waardiger dan ik, door den ijver, waarmede gij

volhieldt, om hare eer, zelfs na haren dood, te handhaven. Maar het

vaste geloof, dat uwe welgemeende pogingen alleen dienen konden om een

verschrikkelijk geheim aan het licht te brengen, bewoog mij, om mijne

moeder in hare plannen bij te staan en de bewijzen te vernietigen van

de wettige vereeniging, die er tusschen Eveline en mij had plaats

gevonden. En nu, laten wij hier op deze hoogte plaats nemen, want ik

gevoel mij buiten staat om langer te blijven staan, en heb de goedheid,

te luisteren naar de wonderbaarlijke ontdekking, die ik heden gedaan

heb.”

Zij gingen zitten, en lord Glenallan verhaalde kortelijk zijne

ongelukkige familiegeschiedenis, zijn geheim huwelijk, en het

verschrikkelijke verzinsel, waardoor zijne moeder gehoopt had die

vereeniging, welke reeds voltrokken was, onmogelijk te maken. Hij

verklaarde de kunstgrepen, waarmede de gravin, met al de bewijsstukken

van Eveline Neville’s geboorte in handen, alleen diegene had doen zien,

welke betrekking hadden tot een tijd, gedurende welken zijn vader om

familieredenen ingestemd had, die jonge dame als zijne natuurlijke

dochter te erkennen, en toonde, hoe onmogelijk het voor hem zelven was,

om het bedrog te vermoeden of te ontdekken, waardoor hem zijne moeder

misleidde, en dat door Therese en Elspeth gestaafd werd. „Ik verliet

mijn vaderlijk huis,” voegde hij er ten slotte bij, „als gejaagd door

alle geesten uit de hel, en reisde met eene waanzinnige snelheid, ik

weet niet waarheen. Ook had ik niet de minste herinnering van hetgeen

ik deed of waarheen ik ging, tot ik door mijn broeder ontdekt werd. Ik

zal u niet lastig vallen met eene beschrijving van mijn ziekbed en

herstel, en hoe lang het duurde eer ik waagde naar de deelgenoote van

mijn ongeluk te vragen, en vernam, dat hare wanhoop een verschrikkelijk

geneesmiddel gevonden had tegen al de kwalen van het leven. Het eerste,

wat mij weêr tot denken bracht, was het bericht van uwe navorschingen

in deze rampzalige zaak, en gij zult niet meer verwonderd zijn dat, in

den waan waarin ik verkeerde, ik die middelen om uwe navorschingen te

stuiten, welke mijne moeder en mijn broeder goedkeurden, ook van mijn

kant beaamde. De inlichtingen, die ik hun gaf omtrent de omstandigheden

en getuigen van ons geheim huwelijk, stelden hen in staat, om uw ijver

te verijdelen. De geestelijke en getuigen, als lieden, die slechts

gehandeld hadden om den machtigen erfgenaam van Glenallan te believen,

waren dan ook vatbaar voor zijne beloften en bedreigingen, en ontvingen

zulke ruime belooningen, dat zij er niets tegen hadden om dit land te

verlaten. Wat mijzelven aangaat, mijnheer Oldbuck,” vervolgde de

ongelukkige graaf, „ik beschouwde mij van dat oogenblik af als niet

meer onder de levenden, en ik wilde ook niets meer te doen hebben met

deze wereld. Mijne moeder beproefde mij weêr met het leven te verzoenen

door alle mogelijke kunstgrepen; – zelfs door wenken, die ik mij nu

verklaren kan, als geschikt, om twijfel te doen ontstaan omtrent het

verschrikkelijke verhaal, dat zij zelve verdicht had. Maar ik

beschouwde al wat zij zeide als uitvluchten der moederlijke

toegenegenheid. Ik zal mij van elk verwijt onthouden, – zij is niet

meer, – en, naar het zeggen van hare ellendige vertrouweling, wist zij

niet, hoe vergiftigd de werpspies was, en hoe diep die treffen moest,

toen zij die slingerde. Maar, mijnheer Oldbuck, als er ooit in deze

laatste twintig jaren een levend wezen op aarde leefde, dat uw

medelijden verdiende, ben ik het geweest. Mijne spijzen hebben mij niet

gevoed, – de slaap heeft mij niet verkwikt, – mijne godsdienstige

oefeningen hebben mij niet getroost; – al wat den mensch waard en

onmisbaar is, heeft zich voor mij in vergif veranderd. De geringe en

beperkte omgang, dien ik met anderen had, is mij gehaat geweest. Het

was mij, alsof ik de besmetting van eene onnatuurlijke en

onuitsprekelijke misdaad onder de vroolijken en onschuldigen bracht. Er

zijn oogenblikken geweest, dat ik gedachten had van anderen aard: – om

mij in de gevaren van den krijg te werpen, of de avonturen te

trotseeren van den reiziger in vreemde en woeste landen; – om mij in

staatskuiperijen te mengen, of mij terug te trekken in de strenge

afzondering van den kluizenaar. Dit alles is beurtelings bij mij

opgekomen; maar tot elk dezer voornemens werd eene veerkracht

vereischt, welke ik niet meer bezat na den slag, die mij verlamd had.

Ik kwijnde voort op dezelfde plek, terwijl verbeelding, gevoel, oordeel

en gezondheid afnamen, even als bij een boom, wiens schors vernield is,

eerst de bloesem verwelkt, dan de takken, tot de dorre en stervende

stam overblijft, die thans voor u staat! – Beklaagt en vergeeft gij mij

nu?”

„Milord,” antwoordde de oudheidkenner zeer aangedaan, „mijn medelijden,

– mijne vergiffenis behoeft gij niet te vragen, want uwe ongelukkige

geschiedenis is op zich zelve niet alleen eene voldoende

verontschuldiging voor alles, wat geheimzinnig scheen in uw gedrag;

maar ook een verhaal, dat uwe ergste vijanden (en ik, Milord was er

nooit onder), tot tranen en deelneming bewegen zou. Maar veroorloof mij

te vragen wat gij nu doen wilt, en waarom gij mij, wiens gevoelen van

zeer weinig belang voor u kan wezen, met uw vertrouwen bij deze

gelegenheid vereerd hebt?”

„Mijnheer Oldbuck,” antwoordde de graaf, „daar ik nooit den aard van de

bekentenis kon voorzien, welke ik heden aangehoord heb, behoef ik u

niet te zeggen, dat ik geen bepaald plan had, om u of iemand anders

over zaken te raadplegen, welker bestaan ik niet eens had kunnen

vermoeden. Maar ik ben zonder vrienden, ongeschikt om te handelen, en,

door lange afzondering, eveneens onbekend met de wetten van het land en

de gewoonten van het levend geslacht; en daar ik mij nu op het

alleronverwachtst gedompeld vind in zaken, waarvan ik weinig besef,

grijp ik, als een drenkeling, naar den eersten steun, die zich

aanbiedt. Gij zijt die steun, mijnheer Oldbuck! Ik heb u altijd hooren

noemen als een man van verstand en doorzicht, – ik zelf heb u gekend

als een man van een onbevreesden en onafhankelijken geest, – en er is

ééne omstandigheid, welke ons eenigszins vereenigen moet, – die van

onze gemeenschappelijke hulde aan de deugden der arme Eveline! Gij

boodt u zelven aan in mijn nood, en gij waart reeds bekend met het

begin van mijne ongelukken; – het is dus tot u, dat ik nu mijne

toevlucht neem, om raad, om deelneming en om ondersteuning!”

„Gij zult dat niet te vergeefs bij mij zoeken, Milord!” zeide Oldbuck,

„voor zoover mijne geringe krachten toereiken, en ik ben vereerd door

uw vertrouwen, hetzij ik het aan de keuze of aan het toeval

verschuldigd ben; maar dit is eene zaak, die rijpelijk overlegd moet

worden. Mag ik vragen wat uwe eerste bedoelingen zijn?”

„Om van het lot van mijn kind verzekerd te worden,” zei de graaf, „wat

er van kome, en om recht te doen aan de eer van Eveline, die ik slechts

aan verdenking blootgesteld heb om de ontdekking te voorkomen van eene

nog verschrikkelijker schande, die zij, naar ik mij verbeeldde, zou

hebben moeten verduren.”

„En de nagedachtenis van uwe moeder?”

„Moet den last harer zonden dragen,” antwoordde de graaf met een zucht;

„het is beter dat zij rechtmatig overtuigd worde van bedrog, als dat

noodzakelijk mocht wezen, dan dat anderen onrechtvaardig zouden

beschuldigd worden van nog veel verschrikkelijker misdaden!”

„Dan, Milord,” zeide Oldbuck, „moet onze eerste zorg zijn, om de

bekentenis van de oude Elspeth in een geregelden en wettigen vorm te

verkrijgen.”

„Dat,” antwoordde lord Glenallan, „zal voor het oogenblik, vrees ik,

onmogelijk zijn. – Zij is uitgeput, en omringd door het ongelukkig

huisgezin. Morgen, misschien, als zij alleen is, en dan nog twijfel ik,

naar de onvolmaakte begrippen die zij van recht en onrecht heeft, of

zij in tegenwoordigheid van een derde zal willen spreken. – Ook ik ben

zeer vermoeid.”

„Dan, Milord,” zei de oudheidkenner, dien het belang van het oogenblik

boven het denkbeeld van onkosten en ongemak verhief, wat anders zwaar

bij hem woog, „wilde ik u voorslaan om, in plaats van, vermoeid zoo als

gij nu zijt, naar Glenallan terug te keeren, of anders uw intrek in

eene slechte herberg te Fairport te nemen en de ledigloopers van de

stad in het oog te loopen, – om heden mijn gast op Monkbarns te zijn. –

Morgen zullen deze arme lieden hunne bezigheden buiten ’s huis hervat

hebben, – want bij hen brengt de smart geene verlichting van den arbeid

aan, – en wij zullen de oude Elspeth alleen bezoeken en hare bekentenis

behoorlijk opteekenen.”

Na zich verontschuldigd te hebben wegens den last, dien hij

veroorzaakte, stemde lord Glenallan er in toe om met hem te gaan, en

luisterde, onder de wandeling naar huis, naar de geheele geschiedenis

van Jan van Girnell, eene overlevering, welke men niet weet, dat de

heer Oldbuck ooit kwijtschold aan iemand, die den voet over zijn

drempel zette.

De aankomst van een vreemdeling van zoo veel aanzien, met twee

rijpaarden en een knecht in het zwart, welke knecht holsters op zijn

zadel had en eene kroon op de holsters, bracht te Monkbarns alles in

beweging. Jenny Rintherout, nauwelijks hersteld van de zenuwtoevallen,

die haar overvielen bij het vernemen van Steven’s ongeluk, maakte jacht

op kalkoenen en gevogelte, gilde het uit en schreeuwde bijna harder dan

de vogels, en eindigde met er een half dozijn te veel te slachten.

Grizelda maakte menige wijze aanmerking over de driftige onbezonnenheid

van haren broeder, die zulk eene verwoesting veroorzaakt had, door zoo

onverwacht den Roomschen edelman meê te brengen; en zij waagde het, den

heer Blattergowl een wenk te doen geworden omtrent de buitengewone

slachting, die er in de basse-cour had plaats gehad, wat dezen

eerlijken geestelijke bewoog, om te komen vernemen hoe zijn vriend

Monkbarns het maakte, en of hij zich wèl bevond na zijn gang naar de

begrafenis, – zoo kort voor het luiden der etensklok, dat de

oudheidkenner niet anders kon, dan hem verzoeken om te blijven en het

gebed aan tafel te doen. Mary M’Intyre was van haren kant eenigszins

nieuwsgierig, om den machtigen Pair te zien, van wien allen hadden

hooren spreken, even als de Oostersche onderdanen van hun Kalif of

Sultan hooren; maar was tevens toch beschroomd, om een man te

ontmoeten, van wiens wonderlijke gewoonten en strenge leefwijze zoo

veel verteld werd, dat hare vrees eindelijk hare nieuwsgierigheid

evenaarde. De oude huishoudster was niet minder onthutst en gejaagd bij

het gehoorzamen van de talrijke en tegenstrijdige bevelen van hare

meesteres aangaande konfijten, gebakken, vruchten, de wijze van de

tafel te dekken en het eten op te doen, de noodzakelijkheid om Juno, –

die, ofschoon formeel uit de zaal gebannen, echter niet naliet in den

omtrek op roof uit te gaan, – toch vooral uit de keuken te houden.

De eenigste huisgenoot van Monkbarns, die geheel onverschillig bleef

bij deze gewichtige gelegenheid, was Hector M’Intyre, die zich niet

meer om een graaf bekommerde dan om een burgerman, en hij gevoelde

slechts in zoover belang bij zijn bezoek, als het hem eenigszins dekken

zou tegen het ongenoegen van zijn oom, waar hij aanleiding toe gegeven

had door de begrafenis niet bij te wonen, en het hem nog bovendien

tegen alle spotternijen over zijn dapper, hoewel ongelukkig tweegevecht

met de Phoca, of zeehond, beveiligen zou.

Aan de leden van zijn huisgezin stelde Oldbuck den graaf van Glenallan

voor, die gedwee en onderworpen beleefd de lang gerekte aanspraken

verduurde van den eerlijken geestelijke en de breedvoerige

verontschuldigingen van Grizelda, welke haar broeder te vergeefs poogde

te voorkomen. Vóór het eten verzocht lord Glenallan zich een oogenblik

naar zijne kamer te mogen begeven. De heer Oldbuck begeleide zijn gast

naar de groene kamer, welke men in de haast voor zijne ontvangst had

gereed gemaakt. Hij keek dáár als met eene pijnlijke herinnering rond.

„Ik geloof,” merkte hij eindelijk op, „ik geloof, mijnheer Oldbuck, dat

ik nog eens in dit vertrek geweest ben?”

„Ja, Milord,” antwoordde Oldbuck, „bij gelegenheid van een uitstap

hierheen van Knockwinnock; – en nu wij eenmaal op dit treurig onderwerp

zijn, zult gij u misschien ook nog herinneren, wie mij deze regels van

Chaucer aan de hand gaf, die nu het behangsel versieren.”

„Ik kan het wel raden,” zei de graaf, „ofschoon ik het mij niet

herinneren kan. Zij overtrof mij in letterkundigen smaak en in kennis,

en het is eene geheimzinnige beschikking der Voorzienigheid geweest,

dat een wezen, zoo rijk begaafd naar geest en lichaam, op zulk eene

ellendige wijze moest omkomen, alleen omdat zij eene noodlottige

genegenheid opgevat had voor een ellendeling als ik ben!”

De heer Oldbuck beproefde niet, iets te antwoorden op deze uitbarsting

van de smart, die het hart van zijn gast vervulde; maar de hand van

lord Glenallan drukkende, en met de andere hand de tranen afwisschende,

die zijn gezicht benevelden, liet hij den graaf ongestoord tot men aan

tafel ging.

De oudheidkenner · 第 39 / 54 题