Raimond neemt proef op proef, en wijkt niet van ’t fornuis,
Lacht wat met het gevaar, dat ondermijnt zijn huis,
En ziet gerust zijn land in gulden rook verdwijnen.
Een tweede proef mislukt, toch raakt hij niet aan ’t kwijnen;
Een derde geeft nog hoop, die maakt hem moedig, stout,
En doet hem pot en pan toewijden aan het goud. [23]
Ongeveer eene week na de voorvallen, die wij in het laatste hoofdstuk
mededeelden, merkte de heer Oldbuck, toen hij naar zijne ontbijtkamer
beneden kwam, dat zijn vrouwvolkje haren plicht niet vervuld had: zijn
geroosterd brood was niet gereed, en de zilveren kan, voor zijn bier
bestemd, was niet behoorlijk verwarmd.
„Die verwenschte, heethoofdige jongen!” – zeide hij bij zich zelven,
„nu dat hij buiten gevaar begint te zijn, kan ik deze wijze van leven
niet langer verduren! – Hij brengt alles in de war! Het is, alsof de
Saturnalia in mijne vreedzame en geregelde huishouding gevierd werden.
– Ik vraag naar mijne zuster; – geen antwoord; ik roep, ik schreeuw, –
ik bezweer mijne huisgenooten bij meer namen, dan de Romeinen aan hunne
godheden gaven: – eindelijk verwaardigt zich Jenny, wier schelle stem
ik reeds een half uur in het onderaardsch verblijf der keuken heb
gehoord, om mij te woord te staan; maar zonder naar boven te komen,
zoodat het gesprek ten koste van mijne longen moet worden voortgezet.”
– Hier verhief hij de stem op nieuw: „Jenny! waar is jufvrouw Oldbuck?”
„De jufvrouw is in de kamer van den kapitein.”
„Dacht ik het niet! – en waar is mijne nicht?”
„Jufvrouw Mary zet thee voor den kapitein!”
„Zoo! ook dat kon ik raden; – en waar is Caxon?”
„Naar de stad, om mijnheers geweer en jachthond te halen!”
„En wie drommel zal mij de pruik opmaken, onnoozel schepsel? – gij weet
wel, dat Sir Arthur en freule Wardour dadelijk na het ontbijt komen en
hoe kondet gij Caxon op zulk eene dollemans boodschap zenden?”
„Ik! hoe zou ik het beletten? Mijnheer zou toch niet willen, dat ik
juist nu den kapitein zou tegenspreken, en de oorzaak van zijn dood
zijn?”
„Dood!” riep de verschrikte oudheidkenner, – „hoe – wat? is hij dan
erger geworden?”
„Neen, erger is hij niet, dat ik weet!” [24]
„Dan moet hij beter zijn; – en waartoe zouden hier een hond en een
geweer dienen? – de een, om al mijn huisraad te vernielen, de
vleeschkast te bestelen, en misschien de kat te plagen, en het ander,
om dezen of genen ongelukkige door het hoofd te schieten? – Hij is
reeds zóó door geweren en pistolen toegetakeld, dat hij, dunkt mij, het
er een tijdlang meê doen kan!”
Hier trad jufvrouw Oldbuck in de kamer, aan welker deur Oldbuck het
gesprek voerde, – hij brullende naar de diepte toe, en Jenny hare
antwoorden opwaarts krijschende. „Waarde broeder!” zei de oude dame,
„gij zult u zoo schor maken als een raaf! – schreeuwt men ook zóó, als
er een, zieke in huis is!”
„Op mijn woord, de zieke schijnt het geheele huis in bezit te hebben.
Ik heb geen ontbijt gehad, en het laat zich aanzien, dat ik ook zonder
pruik moet blijven; en ik durf niet zeggen, dat ik honger en koude
voel, uit vrees van den zieken jongen heer te storen, die zich toch wel
genoeg bevindt, om zijn hond en zijn geweer te laten halen, ofschoon
hij weet, dat ik zulke dingen altijd verfoeid heb, sedert onze oudste
broeder, de arme Williewald, deze aarde verliet met een paar natte
voeten, die hij in de Kittlefitting-moeras haalde. Maar dat beteekent
alles niets; – men verwacht, naar ik veronderstel, dat ik straks de
hand zal leenen, om den heer Hector op een draagstoel naar buiten te
helpen dragen, om hem in de gelegenheid te stellen, zijne liefde voor
de jacht bot te vieren, met mijne duiven en kalkoenen dood te schieten;
– de ferae naturae zullen, denk ik, een tijdlang van hem bevrijd
blijven.”
Mary M’Intyre trad nu binnen, en begon hare gewone morgentaak, het
ontbijt voor haren oom in orde te brengen, met de vlugheid van iemand,
die te laat aan het werk gaat en zich spoedt, om den verloren tijd in
te halen. Maar dit hielp haar niet. „Wees voorzichtig, onnoozele deern!
– het bier is te dicht bij het vuur; – de flesch zal springen, – en ik
veronderstel, dat gij het geroosterd brood tot eene kool wilt laten
verbranden, als een zoenoffer voor Juno, – of met welken heidenschen
naam gij die teef daar noemt, – welke uw wijze broeder, in zijne eerste
oogenblikken van rijp nadenken, laat halen als een geschikt lid van
mijn huisgezin, (ik bedank hem zeer!) en een geschikt gezelschap, voor
het overige vrouwvolkje hier, in het dagelijksch gesprek en den omgang
met hem!”
„Lieve oom, wees niet knorrig op het arme dier; het lag geketend in
mijn broeders kamer te Fairport, en is tweemaal losgebroken, en hier
naar toe komen loopen, om hem op te zoeken; en gij zoudt toch niet
willen dat wij het trouwe beest wegjoegen; – het jankt, alsof het eenig
besef van Hectors ongeluk had, en is nauwelijks van zijne kamerdeur weg
te krijgen.”
„Wel! zij zeiden, dat Caxon naar Fairport gegaan was om den hond en het
geweer te halen!”
„O neen, waarde oom, het was om een nieuw verband te halen, en Hector
verlangde alleen, dat, nu hij toch ging, hij zijn geweer mede zou
brengen.”
„Wel, dan is, alles samengenomen, de boodschap zoo ongerijmd niet,
aangezien een pak vrouwen zich daarmede bemoeid hebben; verband, zegt
gij? – en wie zal mijne pruik opmaken? – maar ik veronderstel, dat
Jenny dat ondernemen zal,” vervolgde de oude heer, terwijl hij zich in
den spiegel bekeek. – „En nu laat ons ontbijten, zoo goed wij kunnen. –
Wel mag ik tot Hector zeggen, wat Sir Isaäk Newton tegen zijn hond
Diamant zeide toen het dier (ik heb een afkeer van honden), het licht
omver wierp op berekeningen, die den wijsgeer twintig jaren arbeids
gekost hadden, en ze allen verbrandde: „Diamant, Diamant! gij beseft
weinig de schade, die gij veroorzaakt hebt!””
„Ik verzeker u, oom, dat het mijn broeder zeer spijt zoo driftig te
zijn geweest, en hij bekent, dat de heer Lovel zich zeer goed gedragen
heeft.”
„En dat zal veel helpen, nadat hij den jongen van schrik het land heeft
doen ruimen! – Ik zeg u, Mary, Hector’s verstand, en veel minder nog
dat van eenig vrouwelijk wezen, is in staat om de grootte van het
verlies te beseffen, dat hij het tegenwoordige geslacht en de geheele
nakomelingschap heeft toegebracht; – aureum quidem opus, – een
dichtstuk over zulk een onderwerp! – met ophelderende noten betreffende
alles wat klaar en alles wat duister, en alles wat noch duister noch
klaar is, maar in de donkere schemering der Caledonische oudheden
zweeft! Ik zou de Celtische lofredenaars voorzichtigheid geleerd
hebben! – Fingal, zoo als zij stijfhoofdig Fin-Mac-Coul noemen, zou
voor mijne navorschingen verdwenen zijn, en zich, als de geest van Loda
[25], in zijne wolk gehuld hebben. Zulk eene gelegenheid biedt zich
zelden ten tweeden male aan een ouden man aan, – en die te verliezen
door de dollemans drift van een heethoofdigen jongen! – maar ik
onderwerp mij; – ’s Hemels wil geschiede!”
Dus ging de oudheidkenner onder het ontbijt steeds voort met pruttelen,
zoo als zijne zuster het noemde; terwijl zijne aanmerkingen, in weêrwil
van de suiker en den honig en al de konfijten van eene Schotsche
ontbijttafel, het genot daarvan voor al de aanwezigen verbitterde. Maar
zij kenden zijn hart. „Monkbarns,” zeide Grizelda Oldbuck, in een
vertrouwelijk gesprek met jufvrouw Rebekka Blattergowl, „blaft
vinniger, dan hij bijt.”
Hij had zeer veel geleden, zoolang zijn neef zich werkelijk in gevaar
bevond, en nu, dat deze begon te herstellen, gevoelde hij zich in
staat, om lucht aan zijne klachten te geven over de onrust, die men hem
veroorzaakt had, en het storen zijner oudheidkundige bezigheden. Met
een eerbiedig stilzwijgen door zijne nicht en zuster aangehoord, uitte
hij dan ook zijn misnoegen, knorrende en morrende, zoo als wij
beschreven hebben, met menige steek tegen de vrouwen, soldaten, honden
en geweren, welke geraasmakende werktuigen van tweedracht en oproer,
zoo als hij die noemde, hij verklaarde zoo veel mogelijk te verfoeien.
Het rollen van een rijtuig vóór de deur maakte plotseling een einde aan
deze uitboezemingen, en Oldbuck vergat zijne kwade luim, om vlug trap
af trap op te loopen, want beide was noodig, eer hij Isabella Wardour
en haren vader aan de voordeur kon ontvangen.
Men begroette elkander over en weêr hartelijk; en Sir Arthur, sprekende
van de vorige berichten, die hij schriftelijk en mondelings omtrent de
gezondheid van Kapitein M’Intyre ingewonnen had, verzocht nader te
mogen vernemen, hoe deze zich bevond.
„Beter, dan hij verdient,” was het antwoord; „beter, dan hij verdient,
na ons verontrust te hebben met zijne krakeelen en de wetten van God en
den koning geschonden te hebben.”
„De jonge man,” zeide Sir Arthur, „is onvoorzichtig geweest; maar wij
zijn hem, naar ik verneem, dank schuldig, omdat hij het verdachte
karakter van den jongen Lovel ontdekt heeft.”
„Niet meer verdacht, dan het zijne; – de jonge heer was een weinig
dwaas en stijfhoofdig, en weigerde op de beleedigende vragen van Hector
te antwoorden; – dat is alles! Lovel, Sir Arthur, weet zijne
vertrouwelingen beter te kiezen; – ja, freule Wardour, gij poogt mij
aankijken zooveel gij wilt, – het is nochtans de zuivere waarheid! Aan
mij vertrouwde hij de geheime reden van zijn verblijf te Fairport, en
van mijne zijde zal ik niets onbeproefd laten om hem in de onderneming,
waaraan hij zich toewijdde, te ondersteunen.”
Toen Isabella Wardour deze stoute verklaring van den oudheidkenner
hoorde, veranderde zij meer dan eens van kleur en kon nauwelijks hare
ooren gelooven; want van alle menschen, die men tot vertrouweling in
eene liefdezaak zoude kunnen kiezen, – en zij moest natuurlijk
veronderstellen, dat het medegedeelde van dezen aard geweest was, –
scheen haar (na Adam Ochiltree) Oldbuck de minst kiesche en de meest
zonderlinge. Ook was zij evenzeer verwonderd en gekweld door den
vreemden samenloop van omstandigheden, die dus een geheim van zoo
teederen aard in de macht van menschen brachten, zoo weinig geschikt,
om er mede bekend te wezen. Zij had daarbij de wijze te duchten, waarop
Oldbuck de zaak aan haren vader zou openbaren; want zij twijfelde
geenszins, of dit was zijn voornemen. Zij wist zeer goed, dat de
eerlijke oude heer, ofschoon bijzonder ingenomen met zijne eigene
begrippen, nochtans weinig toegeeflijk was omtrent die van anderen; en
zij voorzag een zeer onaangenaam tooneel, als het tusschen de beide
heeren tot eene verklaring kwam. Het was dus niet zonder grooten angst,
dat zij haren vader om een afzonderlijk gesprek hoorde verzoeken, en
Oldbuck vlug zag opstaan en hem den weg naar zijn studeervertrek
wijzen. Zij bleef achter en trachtte zich met de dames van Monkbarns te
onderhouden; maar met de verstrooide, gejaagde gewaarwordingen van
Shakespeare’s Macbeth, als hij, om zijn boos geweten te verbergen,
genoodzaakt is, naar de aanwezige hovelingen te luisteren, en hunne
aanmerkingen over den storm van den vorigen nacht aan te hooren,
terwijl hij met zijne gansche ziel aan den moordkreet hangt, welken hij
weet, dat oogenblikkelijk aangeheven zal worden door hen, die zich naar
het slaapvertrek van Duncan begeven. – Maar het gesprek van de twee
geleerde heeren bepaalde zich tot een geheel ander onderwerp, dan
Isabella Wardour gevreesd had.
„Mijnheer Oldbuck,” zeide Sir Arthur, zoodra zij, na behoorlijke
weêrkeerige plichtplegingen, deftig in het sanctum sanctorum van den
oudheidkenner plaats genomen hadden, – „gij weet zoo veel van mijne
huiselijke aangelegenheden, dat gij waarschijnlijk verwonderd zult zijn
over de vraag, die ik ga doen.”
„Inderdaad, Sir Arthur, indien het geldzaken betreft, doet het mij zeer
veel leed; maar, –”
„Het betreft geldzaken, mijnheer Oldbuck!”
„Waarlijk dan, Sir Arthur,” vervolgde de oudheidkenner, „in den
tegenwoordigen staat van de geldmarkt, en daar de fondsen zoo laag
staan, –”
„Gij begrijpt mij verkeerd, mijnheer Oldbuck,” zeide de Baronet; „ik
wenschte raad, hoe eene groote som gelds op voordeelige wijze te
beleggen.”
„De drommel!” riep de oudheidkenner uit; maar tevens gevoelende, dat
dit onwillekeurig blijk van verwondering niet al te beleefd was,
rechtvaardigde hij het, door zijne vreugde te kennen te geven, dat Sir
Arthur eene som gelds te beleggen had op een oogenblik, dat het geld
zoo schaarsch was. „En wat de wijze betreft, hoe het te besteden,”
vervolgde hij, een oogenblik zwijgende, „de fondsen zijn tegenwoordig
laag, zoo als ik reeds zeide, en men kan zeer goede koopjes in
landerijen doen. Maar deedt gij niet beter, Sir Arthur, als gij begont
met hetgeen gij opgenomen hebt, af te doen? – Daar is eerst uwe
schuldbekentenis, – en dan de drie uitgestelde wissels,” – vervolgde
hij, terwijl hij uit de lade, aan de rechterhand van zijn kabinet,
zekeren rooden portefeuille nam, welks gezicht Sir Arthur, door de
ondervinding van vroegere veelvuldige beroepen er op, niet meer
verdragen kon, „met de interesten, bedragende te zamen, – laat zien, –”
„Ongeveer duizend pond,” zeide Sir Arthur haastig; „gij gaaft mij
onlangs het bedrag op.”
„Maar er is sedert dien tijd een nieuw termijn van de interesten
verschenen, Sir Arthur, en het bedraagt (abuizen uitgezonderd), elf
honderd en dertig pond, zeven schellingen, en drie vierde stuivers
sterling; – maar, zie zelf de optelling na!”
„Ik geloof wel, dat gij volkomen gelijk hebt, waarde heer!” zei de
Baronet het boek met de hand wegschuivende, zoo als iemand de
ouderwetsche beleefdheid afwijst, die hem iets blijft opdringen, nadat
hij meer dan genoeg gebruikt heeft; – „volmaakt gelijk en na verloop
van drie dagen, of eerder, zult gij de volle som hebben; – dat is,
indien gij die verkiest aan te nemen in ongemunt metaal.”
„Ongemunt metaal! ik veronderstel, dat gij lood bedoelt. Wat drommel!
hebben wij dan eindelijk de aâr getroffen? – Maar wat zou ik met
duizend pond waarde, en meer, aan lood doen? De voormalige abten van
Trotcosey hadden er wellicht hunne kerk en klooster meê belegd; – maar
voor mij, –”
„Door metaal” – viel hem de Baronet in de rede, „bedoel ik de edele
metalen: – goud en zilver.”
„Zoo waarlijk? – En welk Eldorado zal die schatten opleveren?”
„Een, dat niet ver van hier is,” antwoordde Sir Arthur met veel
beteekenis, „en nu ik er aan denk, zult gij de gansche toedracht der
zaak vernemen, onder ééne geringe voorwaarde.”
„En die is?” vroeg de oudheidkenner.
„Wel, gij zult mij uw vriendelijken bijstand verleenen, door één
honderd pond, of daaromtrent, voor te schieten.”
De heer Oldbuck, die reeds meende het geld in handen te hebben,
hoofdsom en al renten van eene schuld, die hij meer dan half opgegeven
had, was zoo zeer verwonderd om de kaart dus onverwacht tegen hem
gekeerd te zien, dat hij slechts op een toon van teleurstelling en
verwondering de woorden herhalen kon: „Honderd pond voorschieten!”
„Ja, mijn waarde heer!” vervolgde Sir Arthur; „maar met de stellige
verzekering van binnen twee of drie dagen uw geld terug te ontvangen!”
Er heerschte een oogenblik van stilzwijgen, – hetzij dat Oldbuck nog
niet genoegzaam hersteld was om een weigerend antwoord uit te brengen,
of dat hem de nieuwsgierigheid deed zwijgen.
„Ik zou u niet voorslaan,” vervolgde Sir Arthur, „om mij dus te
verplichten, indien ik niet werkelijk de bewijzen in handen had van de
vervulling der verwachtingen, die ik u thans mededeel. En ik verzeker
u, mijnheer Oldbuck, dat ik u die alleen mededeel als een bewijs van
mijn vertrouwen, en om u te toonen hoe diep ik de goedheid besef, die
gij bij zoo vele vroegere gelegenheden gehad hebt.”
De heer Oldbuck gaf zijne verplichting te kennen; maar vermeed
zorgvuldig, zich door eenige belofte tot verderen bijstand te
verbinden.
„De heer Dousterswivel,” ging sir Arthur voort, „ontdekt hebbende, –”
Hier viel Oldbuck hem in de rede, terwijl zijne oogen van
verontwaardiging fonkelden. „Sir Arthur, ik heb u zoo dikwijls voor
dien bedriegelijken kwakzalver gewaarschuwd, dat ik waarlijk verwonderd
ben, u hem in mijn bijzijn te hooren noemen.”
„Maar luister eens, – luister eens,” riep Sir Arthur op zijne beurt,
„dat kan u geen kwaad! Met één woord: Dousterswivel overreedde mij,
eene proef bij te wonen, die hij nemen wilde in de bouwvallen van St.
Ruth, – een wat denkt gij, dat wij vonden?”
„Een anderen waterput, veronderstel ik, van welks ligging de schurk
zich te voren zorgvuldig verzekerd had.”
„Neen, neen! – een kistje met gouden en zilveren munten! – hier zijn
ze!”
Ter zelfder tijd haalde Sir Arthur een grooten ramshoren met koperen
deksel uit zijn zak, dat een aanmerkelijk aantal muntstukken bevatte,
vooral zilveren, maar ook eenige gouden. De oogen van den oudheidkenner
glinsterden, terwijl hij ze ongeduldig over de tafel verspreidden.
„Op mijn woord, – Schotsche, Engelsche en vreemde munten van de
vijftiende en zestiende eeuw, en eenige er van rari, – et rariores, –
etiam rarissimi – Hier is een stuk van Jakob V, – de eenhoren van Jakob
II, – ei! en de gouden penning van Koningin Maria, met haar hoofd en
dat van den Dauphin. – En deze werden in de bouwvallen van St. Ruth
gevonden?”
„Wel zeker! – ik heb het met eigen oogen gezien.”
„Wel,” hernam Oldbuck, „maar gij moet mij mededeelen het wanneer, het
wáár, – het hoe, –”
„Het wanneer –” antwoordde Sir Arthur – „was te middernacht bij de
laatste volle maan; – het wáár, zoo als ik u gezegd heb, in de
bouwvallen van St. Ruth, – het hoe, was door eene nachtelijke proef van
Dousterswivel, alleen door mij bijgewoond.”
„Inderdaad!” riep Oldbuck, „en welke middelen ter ontdekking hebt gij
gebezigd?”
„Slechts eene eenvoudige berooking,” zeide de Baronet, „die van kracht
was, omdat wij ons van het juiste planeetuur bedienden.”
„Eenvoudige berooking? eenvoudige ongerijmdheid! – planeetuur?
planeetonzin! – sapiens dominabitur astris. – Mijn waarde Sir Arthur,
die vent heeft een uil van u gemaakt boven den grond en onder den
grond, en hij zou ook nog een uil van u gemaakt hebben in de lucht, als
hij er bij geweest ware, toen gij opgeheeschen werd te Halket-head; –
toen ware de verandering bijzonder à propos geweest!”
„Wel, mijnheer Oldbuck, ik ben u zeer verplicht voor de vleiende
gedachte, die gij van mijn doorzicht hebt; maar gij zult, denk ik,
gelooven dat ik gezien heb, wat ik beweer dat ik zag!”
„Zonder twijfel, Sir Arthur!” zei de oudheidkenner, „in zoo verre ten
minste, dat ik zeer wel weet, dat Sir Arthur Wardour niet zal zeggen
iets gezien te hebben, dat hij zich niet verbeeld heeft te zien.”
„Nu dan,” antwoordde de Baronet, „zoo zeker, als er een hemel boven ons
is, mijnheer Oldbuck, zag ik met eigen oogen deze munten opdelven te
middernacht, in het koor van St. Ruths kerk. – En wat Dousterswivel
betreft, ofschoon de ontdekking aan zijne wetenschap te danken is, zoo
geloof ik echter, om u de waarheid te zeggen, dat hij den moed niet zou
gehad hebben, om ze door te zetten, als ik niet bij hem geweest ware!”
„Zoo! inderdaad!” zeide Oldbuck, op den toon van iemand, die het einde
van een verhaal wenscht te hooren, eer hij eenige aanmerking daarover
maakt.
„Ja, waarlijk,” vervolgde Sir Arthur, „ik verzeker u, dat ik op mijne
hoede was; – wij hoorden ook eenige zeer vreemde geluiden van tusschen
de bouwvallen.”
„O, zoo?” zeide Oldbuck, „zeker een van zijne makkers daaronder
verstopt?”
„Volstrekt niet,” zei de Baronet; „de klanken, ofschoon van
schrikbarenden en bovennatuurlijken aard, geleken veeleer op het geluid
van iemand, die hard niest, dan op iets anders; – daarbij hoorde ik nog
duidelijk een diepen zucht, – en Dousterswivel verzekerde mij, dat hij
den geest Peolphan, den grooten jager van het Noorden, zag, (sla over
hem uw Nicolaus Remigius, of uw Petrus Thyracus na, mijnheer Oldbuck),
die deed alsof hij een snuifje nam, en toen niesde.”
„Deze geluiden, hoe zonderling ook, bij zulk een wezen, schijnen zeer á
propos geweest te zijn,” zei de oudheidkenner; „want gij ziet, dat het
kistje, waarin zich de munten bevinden, het voorkomen heeft van eene
oude Schotsche snuifdoos. Maar gij hield vol, in weêrwil van de
verschrikkelijkheden van dit niezend spook?”
„Wel, ik geloof dat iemand van minder verstand of karakter zich zou
hebben laten afschrikken; maar ik wilde mij niet laten bedriegen; ik
ben het aan mijn naam verschuldigd, om in alle omstandigheden moed te
behouden, en dus noodzaakte ik Dousterswivel wel, door ernstige en
hevige bedreigingen, om voort te gaan met hetgeen hij verrichtte; en,
mijnheer, hij gaf blijken van zijne bekwaamheid en eerlijkheid door het
ontdekken van deze gouden en zilveren stukken, waaruit ik u verzoek die
munten te kiezen, welke u het best in uwe verzameling te pas komen.”
„Wel, Sir Arthur, daar gij zoo goed zijt, en onder voorwaarde, dat gij
mij vergunt, er de waarde van, volgens Pinkerton’s opgave en
waardeering, tegen uwe rekening in mijn rood boekje aan te teekenen,
zal ik gaarne, –”
„Neen!” zeide Sir Arthur Wardour, „ik wenschte, dat gij ze niet anders
beschouwdet, dan als een blijk mijner vriendschap, en het minst van
alles zou ik mij willen houden aan de waardeering van uw vriend
Pinkerton, die het gezag bestreden heeft der oudste en geloofwaardigste
schrijvers, op wie, als op eerbiedwaardige en met mos begroeide zuilen,
het aanzien van onze Schotsche oudheden rust.”
„Zoo, zoo,” hernam Oldbuck, „gij bedoelt waarschijnlijk Maire en Boece,
den Jachin en den Boas, niet der geschiedenis, maar van de vervalsching
en van het bedrog. En niettegenstaande al wat gij mij verhaald hebt,
beschouw ik uw vriend Dousterswivel als even weinig geloofwaardig als
één van hen.”
„Wel nu, mijnheer Oldbuck,” zeide Sir Arthur, „om geene oude twisten op
te rakelen, gij denkt, naar ik veronderstellen moet, dat het mij,
dewijl ik aan de oude geschiedenis van mijn vaderland geloof, aan oogen
en ooren ontbreekt, om zeker te zijn van de gebeurtenissen, die onder
mijne oogen voorvallen?”
„Vergeef, mij, Sir Arthur!” antwoordde de oudheidkenner; „maar ik
beschouw al de blijken van schrik, welke deze waardige heer, uw
collaborator, verkoos voor te wenden, slechts als een gedeelte van
zijne rol. En, wat de gouden en zilveren munten betreft, deze leveren
zulk een mengelmoes op van verschillende landen en dagteekening, dat ik
die onmogelijk voor een verborgen schat houden kan, maar veeleer
veronderstel, dat ze gelijk zijn aan de beurzen op de tafel van
Hudibras’ pleitbezorger:
„Geld ten toon gespreid, als eieren in een nest,
Om cliënten aan te halen
En valschen raad te doen betalen.”
„Dergelijke kunstjes zijn in ieder beroep bekend, waarde Sir Arthur!
Maar, mag ik u vragen, hoeveel kost deze ontdekking?”
„Ongeveer tien guinjes.”
„En gij hebt de wezenlijke waarde gekregen van twintig guinjes in
ongangbare munten, en zoo veel meer nog, als ze daarenboven waard mogen
zijn voor zulke dwazen als wij, die de zeldzaamheid er van betalen.
Dit, moet ik veronderstellen, was een lokaas, om er bij de eerste
gelegenheid partij van te trekken. En wat stelt hij u nu voor te
wagen?”
„Honderdenvijftig pond; ik heb hem een derde gedeelte van het geld
gegeven, en met het overige, dacht ik, zoudt gij mij kunnen bijstaan.”
„Dit dunkt mij kan de laatste slag niet wezen; – het is te weinig en
niet beduidend genoeg; waarschijnlijk laat hij ons ook nog dezen keer
winnen, zoo als fijne spelers soms met een onervarene doen. – Sir
Arthur, gij gelooft, hoop ik, dat ik u gaarne van dienst zou zijn?”
„Zeker, mijnheer Oldbuck, ik verbeeld mij, dat mijn vertrouwen in u bij
deze gelegenheid daaromtrent geen twijfel over laat.”
„Nu dan, sta mij toe, dat ik met Dousterswivel spreek. Indien het geld
tot uw nut en voordeel kan worden voorgeschoten, zult gij er als oude
buurman, niet om verlegen blijven; maar indien ik, zoo als ik me
verbeeld, den schat voor u ontdekken kan zonder een dergelijk
voorschot, zult gij, veronderstel ik, er niets tegen hebben?”
„Dat is aan geen bedenking onderhevig; ik kan er niets hoegenaamd tegen
hebben!”
„Nu dan! Waar is Dousterswivel?” vervolgde de oudheidkenner.
„Om u de waarheid te zeggen, hij is in mijn rijtuig, voor de deur; maar
daar ik wist, dat gij tegen hem ingenomen waart, –”
„Dank zij den Hemel! ik ben tegen niemand ingenomen, Sir Arthur!
Stelsels, en geene bijzondere personen zijn het, die ik bestrijd.”
Hij schelde. „Jenny, Sir Arthur en ik zenden onze complimenten aan
mijnheer Dousterswivel, den heer in Sir Arthur’s rijtuig, en verzoeken
om het genoegen van zijn gezelschap.”
Jenny vertrok en bracht de boodschap over. Het was geenszins het plan
van Dousterswivel geweest den heer Oldbuck tot deelgenoot van zijn
voorgewend geheim te maken. Hij had gerekend, dat Sir Arthur de noodige
bijdrage zou kunnen krijgen, zonder eenigen uitleg over de wijze,
waarop die besteed zou worden, en hij wachtte beneden slechts met het
oogmerk, om zich zoodra mogelijk in het bezit van geld te stellen, daar
hij wel voorzag, dat zijne rol ten einde liep. Nu echter uitgenoodigd,
om in de tegenwoordigheid van Sir Arthur en van den heer Oldbuck te
verschijnen, besloot hij kloekmoedig zich op de kracht zijner
onbeschaamdheid te verlaten, waarmede de lezer zal hebben opgemerkt,
dat hem de natuur zeer mild bedeeld had.