DRIEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK

– En deze doctor,

Uw vuile en berookte medgezel, hij

Zal u een’ pot vullen met goud,

En straks tegen het andere verwisselen,

Met vluchtig kwik, dat het in de hitte barsten zal

En verdwijnen in fumo.....

De alchimist.

„Hoe bevindt zich de goede heer Oldenbuck? en ik hoop dat Uwé’s jonge

heer, de Kapitein M’Intyre, weder beter is? – Ach! het is geene goede

zaak, als jonge heeren zich looden kogels in het lijf jagen!”

„Alle soorten van ondernemingen in lood zijn zeer gewaagd, mijnheer

Dousterswivel! maar het is een geluk voor mij,” vervolgde de

oudheidkenner, „van mijn vriend, Sir Arthur, te vernemen, dat gij een

beter beroep bij de hand genomen hebt, en een goudontdekker geworden

zijt.”

„Ach, mijnheer Oldenbuck! mijn goede en geëerde patroon moest van deze

kleine zaak niet één woord gesproken hebben; want hoewel ik alle

mogelijke vertrouwen op des goeden heeren Oldenbuck’s voorzichtigheid

en discretie heb, en op zijne groote vriendschap voor Sir Arthur

Wardour, toch, mijn hemel! het is een groot en zwaar geheim!”

„Zwaarder, dan één der metalen, die wij er door ontdekken zullen, vrees

ik,” antwoordde Oldbuck.

„Dat hangt alleen af van Uwé’s geloof en geduld bij het groot

experiment. – Als Uwé zich vereenigt met Sir Arthur, en als hij honderd

en vijftig pond er aan waagt, – zie hier een ellendige Fairport

banknoot, voor vijftig pond; – als Uwé, zeg ik nog honderdvijftig pond

in ellendige banknoten er bij legt, zal Uwé zuiver goud en zilver

hebben; – en hoeveel kan ik niet zeggen.”

„En niemand anders ook, geloof ik,” zei de oudheidkenner. „Maar hoor

eens, mijnheer Dousterswivel, verondersteld, dat wij, zonder dien

niezenden geest verder door eenige berookingen te storen, gezamenlijk,

onder begunstiging van het helder daglicht en ons goed geweten, met

geene andere werktuigen ter bezwering dan goede, stevige houweelen en

schoppen, naar de bouwvallen van St. Ruth gingen, en de oppervlakte van

het koor ter dege, van het eene einde tot het andere omspitten, en ons

alzoo omtrent het bestaan van den veronderstelden schat verzekerden,

zonder eenige verder onkosten te maken; – de bouwvallen behooren aan

Sir Arthur zelven toe, dus kan dit geene zwarigheid opleveren: – wat

dunkt u? Zouden wij slagen, als wij de zaak op die wijze behandelen?”

„Bah! geen koperen vingerhoed zal Uwé vinden! Maar Sir Arthur kan doen

wat hem goed dunkt; – ik heb hem laten zien, hoe het mogelijk is een

groot kapitaal te verkrijgen; – belieft het hem dat niet te gelooven,

dat kan Herman Dousterswivel niet schelen; Sir Arthur verliest alleen

het geld, en het goud en het zilver, – meer niet!”

Sir Arthur wierp een benauwden blik op Oldbuck, die, als hij

tegenwoordig was, een meer dan gewonen invloed op hem uitoefende, hoe

dikwijls beiden ook van gevoelen verschilden. De Baronet wist

inderdaad, wat hij echter niet gaarne zou hebben toegestemd, dat zijn

verstand te kort schoot bij dat van den oudheidkenner. Hij had ontzag

voor diens redelijken, scherpen, spotachtigen geest; hij vreesde zijn

bijtenden scherts, en had ook vertrouwen op zijn algemeen gezond

oordeel. Hij keek hem dus aan, als om zijne toestemming te vragen, om

aan zijne eigene lichtgeloovigheid gehoor te geven. Dousterswivel

ontwaarde, dat de onnoozele Baronet op het punt stond van hem te

ontsnappen, en trachtte dus op zijn raadsman te werken.

„Ik weet, mijn goede heer Oldenbuck, dat het te vergeefsch is, met Uwé

over geesten en spoken te redeneeren. Doch bezie slechts dezen

curieuzen horen; ik weet, dat Uwé die curiositeiten van alle landen

kent, en u herinnert hoe de groote Oldenburgsche horen, die nog in het

Museum te Kopenhagen bewaard wordt, aan den Hertog van Oldenburg door

een vrouwelijken geest gegeven werd; zoodat ik, zelfs als ik het wilde,

Uwé niet zou bedriegen kunnen, – Uwé, die alle curiositeiten zoo wel

kent; en daar is het horen vol munten; – ware het eene doos, een

kistje, ik had geen woord meer daarover te zeggen.”

„Dat het een horen is,” zeide Oldbuck, „zet voorwaar uw gezegde kracht

bij. Hij was reeds door de natuur gefatsoeneerd, en daarom zeer veel in

gebruik bij onbeschaafde volkeren, ofschoon misschien de horen in een

overdrachtelijken zin meer in de mode kwam, naarmate de beschaving

vorderingen maakte. En deze horen hier,” vervolgde hij, terwijl hij

dien op zijne mouw wreef, „is een zeldzaam en eerbiedwaardig

overblijfsel der oudheid, en zonder twijfel bestemd, voor den een of

ander een cornu-copia, of horen van overvloed te worden; maar, òf voor

den goudzoeker, òf voor zijn patroon, daaromtrent mag men recht

twijfelen.”

„Wel, mijnheer Oldenbuck! ik vind Uwé nog immer zwaar van geloof. –

Doch die monniken, dat kan ik Uwé verzekeren, kenden het Magisterium.”

„Laat ons van het Magisterium liever zwijgen, mijnheer Dousterswivel,

en een weinig aan den Magistraat denken. Weet gij, dat deze uwe

bezigheid strijdig is met de wetten van Schotland, en dat wij beiden,

Sir Arthur en ik, vrederechters zijn?”

„Mijn hemel! en wat doet dat er toe, als ik de heeren alleen van dienst

wil wezen?”

„Hoe! gij moet weten, dat, toen de wetgeving de wreede wetten tegen de

tooverij afschafte, zij zich geenszins vleide met de hoop om de

bijgeloovige gevoelens der menschheid te vernietigen, waarop dergelijke

hersenschimmen gegrond waren! – en om te voorkomen, dat listige

bedriegers misbruik van dergelijke gevoelens zouden maken, is er, in

het negende jaar van de regeering van George II, Hoofdst. 5 zijner

wetten, bepaald, dat al wie voorgeven zal, door zijne bedrevenheid in

eenige geheime wetenschap, verloren, gestolen, of verborgen goed te

ontdekken, met tepronkstelling en gevangenis, als een gemeene oplichter

en bedrieger, zal gestraft worden.”

„En spreekt zóó de wet?” vroeg Dousterswivel met eenige ontroering.

„Gij zult die zelf zien!” antwoordde de oudheidkenner.

„Dan, mijne heeren, wil ik afscheid van u nemen; ik verlang niet te

pronken zoo als Uwé het bedoelt, – dat is eene zeer onaangename wijze

om een luchtje te scheppen, naar ik mij verbeeld; en in Uwé’s

gevangenis heb ik nog veel minder zin; want daarin kan men in het

geheel geene lucht krijgen.”

„Als gij dat gevoelt, mijnheer Dousterswivel, raad ik u te blijven,

waar gij zijt; want ik kan u niet laten gaan, dan in het gezelschap van

een agent van policie; en, daarenboven, verwacht ik, dat gij ons nu

zult vergezellen naar de bouwvallen van St. Ruth, en ons de plaats

aanwijzen, waar gij u verbeeld dien schat te vinden.”

„Mijn hemel! mijnheer Oldenbuck! zoo maakt men het toch niet met een

ouden vriend, en ik zeg Uwé ronduit, dat, wanneer Uwé nu daarheen gaat,

Uwé niet eens een zesstuiversstuk zult vinden.”

„Ik zal toch de proef nemen, en gij zult behandeld worden, naar dat ze

uitvalt; – altijd met Sir Arthurs verlof!”

Sir Arthur had gedurende dit onderzoek zeer verlegen gestaan. Oldbuck’s

hardnekkig ongeloof deed hem het bedrog van Dousterswivel sterk

vermoeden, en de goudzoeker had zijne zaak lang niet zoo bedaard en

dapper verdedigd, als hij verwacht had. Evenwel verzaakte hij hem niet

geheel.

„Mijnheer Oldbuck,” zei de Baronet, „gij zijt niet geheel rechtvaardig

omtrent den heer Dousterswivel. Hij heeft aangenomen, om de ontdekking

te doen met behulp van zijne kunst, en door gebruik te maken van den

bijstand der onzichtbare wezens, die gesteld zijn over het planeetuur,

waarin de proef moet ondernomen worden; en gij vergt van hem, onder

bedreiging van straf, dat hij die nu zal doen, zonder hem eenig gebruik

der middelen te vergunnen, die hij er voor noodig acht om te slagen.”

„Dit zeide ik juist niet; – ik verlang slechts van hem, dat hij

tegenwoordig zij, als wij het onderzoek doen, en dat hij ons intusschen

niet verlate. Ik vrees, dat hij eenige verstandhouding heeft met de

wezens waarvan gij spreekt, en dat hetgeen nu te St. Ruth mocht

verborgen zijn, verdwijnen kon, eer wij er heen komen.”

„Wel, mijne heeren!” zei Dousterswivel verdrietig, „ik wil zonder

zwarigheid met u gaan; doch ik zeg het u te voren, Uwé zult niets

vinden, om uwe moeite te beloonen.”

„Wij willen er de proef van nemen,” zei de oudheidkenner; en men gaf

bevel om het rijtuig van den Baronet in te spannen, terwijl Isabella

Wardour van haren vader de boodschap kreeg, te Monkbarns te toeven, tot

hij van zijn uitstap zou zijn terug gekeerd. De jonge dame gaf zich

eenige vergeefsche moeite, om deze beschikking met het gesprek overeen

te brengen, dat, naar zij veronderstelde, tusschen Sir Arthur en den

oudheidkenner moest plaats gehad hebben, maar zag zich voor het

oogenblik genoodzaakt, in onzekerheid achter te blijven.

Overigens was de rid der schatgravers droefgeestig genoeg.

Dousterswivel bewaarde een somber stilzwijgen, daar zijne gedachten

vervuld waren met zijne teleurgestelde verwachting en de straf, die hem

dreigde; – Sir Arthur, wiens gouden droomen langzamerhand verdwenen

waren, dacht, in somber gepeins verdiept, over naderende ongelukken na;

en Oldbuck, die begreep, dat eene zoo krachtdadige bemoeiing met de

zaken van zijn buurman dezen het recht gaf, om eenigen bijstand van hem

te verwachten, overlegde in hoe ver hij genoodzaakt zou wezen, zijne

beurs te openen.

Terwijl zij dus alle drie in onaangename beschouwingen verzonken waren,

werd er ter nauwernood een woord gewisseld, tot zij bij de herberg van

de Vier Hoefijzers aankwamen. Hier voorzagen zij zich van de noodige

hulp en werktuigen voor hunne opdelvingen, en terwijl zij met deze

toebereidselen bezig waren, voegde zich de oude bedelaar Ochiltree

onverwachts bij hen.

„Zoo! – God zegene u, edele heeren, en schenke u een lang leven! – ik

ben blij te hooren, dat de jonge Kapitein M’Intyre weldra weêr op de

been zal zijn. – Gedenkt heden den armen grijsaard!”

„Wel, oude vriend,” zei Oldbuck, „gij zijt niet meer te Monkbarns

gekomen, sedert uwe gevaren tusschen land en water: – hier is iets voor

u om snuif te koopen;” – en, terwijl hij naar de beurs tastte, trok hij

ter zelfder tijd den horen uit den zak, waarin zich de munten bevonden.

„Ei! en daar is iets, om de snuif in te doen,” zei de bedelaar den

ramshoren ziende; – „dat stuk is een oude kennis van mij. Met eede zou

ik die snuifdoos onder een duizendtal herkennen; – menig jaar heb ik

die bij mij gedragen, tot ik ze tegen deze blikken doos met den ouden

George Glen, den mijnwerker, verruilde, toen hij er te Glen-Withershins

zin in kreeg.”

„Zoo! inderdaad?” zeide Oldbuck; – „dus hebt gij dien met een

mijnwerker verruild! maar ik veronderstel, dat gij hem nooit te voren

zóó gevuld hebt gezien?” – ter zelfder tijd opende hij den horen en

toonde hem de munten.

„Dat is waar, Monkbarns! – toen die mij toebehoorde, heb ik er nooit

meer, dan voor de waarde van zes stuivers zwarte rappé te gelijk in

gehad; maar gij zult er eene oudheid van maken, zoo als gij van zoo

veel andere dingen gedaan hebt, die tot niets anders goed zijn. Ik

wilde wel dat de een of ander ook eene oudheid van mij maakte; maar

menigeen stelt meer belang in oude stukken koper, en horen en erts, dan

in een ouden kerel uit zijn eigen land en volk.”

„Gij kunt nu gissen,” zeide Oldbuck, zich tot Sir Arthur wendende, „aan

wien gij verleden nacht verplichting hadt. Het nasporen van deze cornu

copia tot in de handen van een mijnwerker, brengt het tamelijk dichtbij

die van onzen vriend; – ik hoop, dat wij heden morgen even gelukkig

slagen zullen, zonder er iets voor te betalen.”

„En waarheen gaan vandaag de heeren,” vroeg de bedelaar, „met de

houweelen en schoppen? – Dat is zeker weêr een zet van u, Monkbarns!

gij zijt er op uit, om eenige van die oude monniken daar uit hunne

graven op te halen vóór den dag der opstanding; – maar ik zal u in elk

geval volgen, en zien wat gij er van maakt.”

Het gezelschap kwam weldra bij de bouwvallen van de abdij aan, en hield

in het koor stil, om te overleggen, in welke richting men beginnen zou.

De oudheidkenner wendde zich intusschen tot den goudzoeker.

„Mag ik vragen, mijnheer Dousterswivel, hoe gij er over denkt? – zullen

wij, naar alle waarschijnlijkheid, het best slagen met van het westen

naar het oosten, of wel van het oosten naar het westen te graven? – of

wilt gij ons bijstaan met uw driehoekig fleschje met meidauw, of met

uwe tooverroede? of zult gij de goedheid hebben van ons te voorzien met

eenige hoogdravende, bulderende kunsttermen, die, als ze bij de

tegenwoordige verrichtingen niet baten, toch noch van dienst kunnen

zijn voor degenen onder ons, die het geluk niet hebben van ongetrouwd

te wezen, om hunne schreeuwende kinderen daarmede stil te maken?”

„Mijnheer Oldenbuck!” zeide Dousterswivel gemelijk, „Ik heb het reeds

gezegd, Uwé zult niets goed doen, en voor uwe complimenten zal ik wel

een middel vinden, om u later te bedanken – ja, dat zal ik!”

„Als de heeren voornemens zijn, den grond op te graven,” zei de oude

Adam, „en den raad van eene arme ziel willen aannemen, zou ik met dien

grooten steen beginnen, waarop een liggende man afgebeeld is.”

„Ik heb zelf eenige reden, om goede gedachten van dat plan te hebben,”

zei de Baronet.

„En ik,” – zeide Oldbuck, – „heb er niets tegen in te brengen: het was

niet ongewoon, de schatten in de graven der afgestorvenen te verbergen:

– men zou vele voorbeelden daarvan kunnen aanhalen, uit Bartholinus en

anderen.”

De grafzerk, dezelfde, waaronder de munten door Sir Arthur en den

goudzoeker gevonden waren, werd weder opgelicht, en de grond week

gemakkelijk voor de spade.

„Het is nieuw bewerkte grond,” zeide Adam, „en gemakkelijk om hem om te

spitten: – dat weet ik wel; want ik werkte eens een zomer bij den ouden

Willem Winnet, den doodgraver, en heb meer dan één graf in mijn tijd

gemaakt; maar ik verliet hem ’s winters; want het was zeer koud werk;

en toen kregen wij eene groene kersmis, en het volk stierf als de

muizen; – want gij weet, eene groene kersmis maakt een vet kerkhof; –

en ik was nooit, mijn leven lang, tegen harden arbeid bestand; – dus

trok ik af en liet Willem zijne laatste woningen alleen graven.”

De spitters waren nu ver genoeg met hun arbeid gevorderd, om te

ontdekken, dat de zijden van het graf, hetwelk zij opruimden,

aanvankelijk voorzien waren geweest met vier muren van ruwen steen, een

langwerpig vierkant vormende, waarschijnlijk ter opname van de

doodkist.

„Het is de moeite waard met onzen arbeid voort te gaan,” zei de

oudheidkenner, „al ware het alleen uit nieuwsgierigheid. Het zal mij

benieuwen te zien, aan wiens graf men zoo buitengewoon veel moeite

heeft besteed.”

„Het wapen en het schild,” zeide Sir Arthur met een zucht, „zijn

dezelfde als die op Misticot’s toren, welke men veronderstelt dat door

Malcolm den overweldiger gebouwd werd. Niemand weet, waar hij begraven

is, en er bestaat nog eene oude voorspelling in onze familie, die ons

niets goeds belooft, als men zijn graf ontdekt.”

„Ik weet het,” zei de bedelaar, „ik heb het dikwijls gehoord, toen ik

nog een kind was:

„Coemt Malcolm Misticot syn graft oyt aen de sonne,

Is ’t lant van Knockwinnock verlore ende ghewonne.”

Oldbuck lag reeds met den bril op den neus op de grafzerk geknield, en

trachtte, gedeeltelijk met het oog, gedeeltelijk met den vinger, het

vermolmde wapenschild na te gaan, dat bij de beeldtenis van den

afgestorven krijgsman uitgehouwen was. „Het is zeker genoeg,” riep hij

uit, „het wapen der Knockwinnock’s, met dat der Wardour’s er bij.”

„Richard, bijgenaamd Wardour met de roode hand,” zeide Sir Arthur,

„huwde met Sybilla Knockwinnock, de erfgename van het Saksische

geslacht, en door deze verbintenis gingen het kasteel en de landerijen

over op de Wardours, in het jaar 1150.”

„Juist, Sir Arthur! en hier is de noodlottige balk, het teeken van

onechtheid, dwars over de beide wapens. Waar zijn onze oogen geweest,

dat wij dit belangrijke gedenkstuk niet al lang geleden ontdekt

hebben?”

„Ei ja! waar lag liever de grafsteen, dat hij ons niet vroeger onder de

oogen gekomen is?” zei Ochiltree; „want ik heb deze oude kerk, als man

en kind, reeds meer dan zestig jaren gekend, en ik heb de zerk nooit te

voren gezien, en ze is toch zoo klein niet, dat men ze licht

voorbijgaan zou.”

De omstanders werden dus op den vroegeren toestand der bouwvallen in

dien hoek van het koor opmerkzaam gemaakt, en allen kwamen overeen, dat

zij zich een grooten puinhoop herinnerden, welken men had moeten

wegruimen, om den grafsteen zichtbaar te maken. Sir Arthur had zich,

wel is waar, hebben kunnen te binnen brengen, het gedenkstuk bij de

vorige gelegenheid gezien te hebben; waar hij was te zeer ontroerd

geweest, om zich die omstandigheid te herinneren.

Terwijl men zich dus bezig hield met deze herinneringen en

redeneeringen, gingen de werklieden niet hun arbeid voort, en daar het

uitwerpen der aarde hoe langer zoo moeielijker werd, begon hun de taak

ten laatste te vervelen.

„Wij zijn nu tot op den grond,” zei een hunner, „en er is noch kist,

noch iets anders hier; – deze of gene slimme vogel zal ons vóór geweest

zijn;” en de arbeider klom uit het graf.

„Kom, jongen!” zeide Adam, terwijl hij in zijne plaats in het graf

klom; „laat ik eens zien, wat een oude doodgraver kan: – gij kunt goed

zoeken, maar slecht vinden.”

Zoodra hij in het graf was, stiet hij zijn staf zoo diep hij kon in den

grond benedenwaarts: – hij vond weêrstand, en de bedelaar riep, even

als een schooljongen, als hij wat vindt: „Deelen doe ik niet: – alles

mijn! Half part doe ik niet!”

Een ieder, van den ter neêrgeslagen Baronet af, tot den misnoegden

goudzoeker toe, werd nu door den geest van nieuwsgierigheid bezield;

allen verdrongen zich rondom het graf en zouden er in gesprongen zijn,

als het ruim genoeg geweest ware, om hen gezamenlijk te bevatten. De

werklieden, die in hun vervelenden en waarschijnlijk hopeloozen arbeid

begonnen waren te verflauwen! grepen weder naar hunne gereedschappen,

en gebruikten ze met den meesten ijver. Hunne schoppen stieten weldra

op eene harde houten oppervlakte, die, toen de aarde er van opgeruimd

was, den duidelijken vorm aannam van eene kist, welke echter veel

kleiner was dan eene doodkist. Dadelijk waren allen in de weer, om ze

uit het graf te lichten, en terwijl ze opgeheven werd, verhieven zich

alle stemmen over de zwaarte, en voorspelden de waarde er van. Zij

hadden zich niet vergist.

Zoodra de kist op den grond geplaatst en het deksel door een houweel er

afgebroken was, vond men eerst een omhulsel van grof linnen, dan eene

groote hoeveelheid werk, en daaronder eene menigte zilveren staven. Een

algemeene vreugdekreet begroette eene zoo verrassende en gewenschte

ontdekking. De Baronet hief handen en oogen ten hemel, met de stille

verrukking van iemand, die zich van eene onuitsprekelijke kwelling des

geestes bevrijd vindt. Oldbuck, die nauwelijks zijne oogen gelooven

kon, ligtte het eene stuk zilver na het andere op. Er was geen

opschrift op te vinden, noch eenig merk, behalve slechts op één, dat

Spaansch scheen te zijn. Aan de echtheid en groote waarde van den

schat, die vóór hem lag, kon hij niet meer twijfelen; evenwel legde hij

stuk voor stuk ter zijde, en vergeleek de lagen met elkander,

verwachtende, dat de onderste van mindere waarde zouden zijn; maar ook

te dezen opzichte kon hij geen onderscheid vinden, en hij moest

eindelijk bekennen, dat Sir Arthur nu in het bezit was van staven, ter

waarde van ten minste duizend pond sterling. Sir Arthur beloofde nu

eene ruime belooning aan de werklieden voor hunne moeite, en begon

reeds met zijn vriend te overleggen, hoe dezen rijken buit naar het

kasteel van Knockwinnock over te brengen, toen de goudzoeker, van zijne

verwondering, welke niet minder dan die van al de overige leden van het

gezelschap geweest was, eindelijk hersteld, Sir Arthur zachtjes aan de

mouw trok, hem zijne nederige gelukwenschingen bracht, en zich dadelijk

daarop met een zegevierenden blik tot Oldbuck wendde.

„Ik zeide Uwé, mijn goede vriend, heer Oldenbuck, dat ik gelegenheid

zoeken wilde, om Uwé voor Uwé’s hoffelijkheid te bedanken; nu, dunkt

het Uwé niet, dat ik daartoe een goed middel gevonden heb?”

„Hoe! gij, mijnheer Dousterswivel? Gij verbeeldt u iets tot onzen

voorspoed bijgedragen te hebben! – Gij vergeet, dat gij ons den

bijstand van uwe wetenschap weigerdet, man! En gij zijt ook hier zonder

de wapens, die de overwinning verzekeren moesten, welke gij nu

voorgeeft, te hebben behaald. Gij hebt noch tooverij, noch talisman,

noch bezwering, noch kristal, noch geheimzinnige figuren gebruikt. Waar

zijn uwe Abraxas en Abrakadabra’s? [26]

„Uw pad, uw kraai, uw draak, en uw panter,

Uw zon, uw maan, firmament, dierenkring,

Uw Lato, Azoch, Zernich, Chibrit, Heautarit,

Uw kooksels en toestel, met tooverroede en ring,

Te talrijk om hier op te noemen? –

„O, voortreffelijke Ben Jonson! lang moge uwe asch in vrede rusten; gij

geesel der kwakzalvers van uwe dagen! – wie had kunnen denken hen weêr

te zien opstaan in de onze?”

Het antwoord van den goudzoeker op dezen uitval van den oudheidkenner

moeten wij tot ons volgend hoofdstuk bewaren.

De oudheidkenner · 第 28 / 54 题