– En deze doctor,
Uw vuile en berookte medgezel, hij
Zal u een’ pot vullen met goud,
En straks tegen het andere verwisselen,
Met vluchtig kwik, dat het in de hitte barsten zal
En verdwijnen in fumo.....
De alchimist.
„Hoe bevindt zich de goede heer Oldenbuck? en ik hoop dat Uwé’s jonge
heer, de Kapitein M’Intyre, weder beter is? – Ach! het is geene goede
zaak, als jonge heeren zich looden kogels in het lijf jagen!”
„Alle soorten van ondernemingen in lood zijn zeer gewaagd, mijnheer
Dousterswivel! maar het is een geluk voor mij,” vervolgde de
oudheidkenner, „van mijn vriend, Sir Arthur, te vernemen, dat gij een
beter beroep bij de hand genomen hebt, en een goudontdekker geworden
zijt.”
„Ach, mijnheer Oldenbuck! mijn goede en geëerde patroon moest van deze
kleine zaak niet één woord gesproken hebben; want hoewel ik alle
mogelijke vertrouwen op des goeden heeren Oldenbuck’s voorzichtigheid
en discretie heb, en op zijne groote vriendschap voor Sir Arthur
Wardour, toch, mijn hemel! het is een groot en zwaar geheim!”
„Zwaarder, dan één der metalen, die wij er door ontdekken zullen, vrees
ik,” antwoordde Oldbuck.
„Dat hangt alleen af van Uwé’s geloof en geduld bij het groot
experiment. – Als Uwé zich vereenigt met Sir Arthur, en als hij honderd
en vijftig pond er aan waagt, – zie hier een ellendige Fairport
banknoot, voor vijftig pond; – als Uwé, zeg ik nog honderdvijftig pond
in ellendige banknoten er bij legt, zal Uwé zuiver goud en zilver
hebben; – en hoeveel kan ik niet zeggen.”
„En niemand anders ook, geloof ik,” zei de oudheidkenner. „Maar hoor
eens, mijnheer Dousterswivel, verondersteld, dat wij, zonder dien
niezenden geest verder door eenige berookingen te storen, gezamenlijk,
onder begunstiging van het helder daglicht en ons goed geweten, met
geene andere werktuigen ter bezwering dan goede, stevige houweelen en
schoppen, naar de bouwvallen van St. Ruth gingen, en de oppervlakte van
het koor ter dege, van het eene einde tot het andere omspitten, en ons
alzoo omtrent het bestaan van den veronderstelden schat verzekerden,
zonder eenige verder onkosten te maken; – de bouwvallen behooren aan
Sir Arthur zelven toe, dus kan dit geene zwarigheid opleveren: – wat
dunkt u? Zouden wij slagen, als wij de zaak op die wijze behandelen?”
„Bah! geen koperen vingerhoed zal Uwé vinden! Maar Sir Arthur kan doen
wat hem goed dunkt; – ik heb hem laten zien, hoe het mogelijk is een
groot kapitaal te verkrijgen; – belieft het hem dat niet te gelooven,
dat kan Herman Dousterswivel niet schelen; Sir Arthur verliest alleen
het geld, en het goud en het zilver, – meer niet!”
Sir Arthur wierp een benauwden blik op Oldbuck, die, als hij
tegenwoordig was, een meer dan gewonen invloed op hem uitoefende, hoe
dikwijls beiden ook van gevoelen verschilden. De Baronet wist
inderdaad, wat hij echter niet gaarne zou hebben toegestemd, dat zijn
verstand te kort schoot bij dat van den oudheidkenner. Hij had ontzag
voor diens redelijken, scherpen, spotachtigen geest; hij vreesde zijn
bijtenden scherts, en had ook vertrouwen op zijn algemeen gezond
oordeel. Hij keek hem dus aan, als om zijne toestemming te vragen, om
aan zijne eigene lichtgeloovigheid gehoor te geven. Dousterswivel
ontwaarde, dat de onnoozele Baronet op het punt stond van hem te
ontsnappen, en trachtte dus op zijn raadsman te werken.
„Ik weet, mijn goede heer Oldenbuck, dat het te vergeefsch is, met Uwé
over geesten en spoken te redeneeren. Doch bezie slechts dezen
curieuzen horen; ik weet, dat Uwé die curiositeiten van alle landen
kent, en u herinnert hoe de groote Oldenburgsche horen, die nog in het
Museum te Kopenhagen bewaard wordt, aan den Hertog van Oldenburg door
een vrouwelijken geest gegeven werd; zoodat ik, zelfs als ik het wilde,
Uwé niet zou bedriegen kunnen, – Uwé, die alle curiositeiten zoo wel
kent; en daar is het horen vol munten; – ware het eene doos, een
kistje, ik had geen woord meer daarover te zeggen.”
„Dat het een horen is,” zeide Oldbuck, „zet voorwaar uw gezegde kracht
bij. Hij was reeds door de natuur gefatsoeneerd, en daarom zeer veel in
gebruik bij onbeschaafde volkeren, ofschoon misschien de horen in een
overdrachtelijken zin meer in de mode kwam, naarmate de beschaving
vorderingen maakte. En deze horen hier,” vervolgde hij, terwijl hij
dien op zijne mouw wreef, „is een zeldzaam en eerbiedwaardig
overblijfsel der oudheid, en zonder twijfel bestemd, voor den een of
ander een cornu-copia, of horen van overvloed te worden; maar, òf voor
den goudzoeker, òf voor zijn patroon, daaromtrent mag men recht
twijfelen.”
„Wel, mijnheer Oldenbuck! ik vind Uwé nog immer zwaar van geloof. –
Doch die monniken, dat kan ik Uwé verzekeren, kenden het Magisterium.”
„Laat ons van het Magisterium liever zwijgen, mijnheer Dousterswivel,
en een weinig aan den Magistraat denken. Weet gij, dat deze uwe
bezigheid strijdig is met de wetten van Schotland, en dat wij beiden,
Sir Arthur en ik, vrederechters zijn?”
„Mijn hemel! en wat doet dat er toe, als ik de heeren alleen van dienst
wil wezen?”
„Hoe! gij moet weten, dat, toen de wetgeving de wreede wetten tegen de
tooverij afschafte, zij zich geenszins vleide met de hoop om de
bijgeloovige gevoelens der menschheid te vernietigen, waarop dergelijke
hersenschimmen gegrond waren! – en om te voorkomen, dat listige
bedriegers misbruik van dergelijke gevoelens zouden maken, is er, in
het negende jaar van de regeering van George II, Hoofdst. 5 zijner
wetten, bepaald, dat al wie voorgeven zal, door zijne bedrevenheid in
eenige geheime wetenschap, verloren, gestolen, of verborgen goed te
ontdekken, met tepronkstelling en gevangenis, als een gemeene oplichter
en bedrieger, zal gestraft worden.”
„En spreekt zóó de wet?” vroeg Dousterswivel met eenige ontroering.
„Gij zult die zelf zien!” antwoordde de oudheidkenner.
„Dan, mijne heeren, wil ik afscheid van u nemen; ik verlang niet te
pronken zoo als Uwé het bedoelt, – dat is eene zeer onaangename wijze
om een luchtje te scheppen, naar ik mij verbeeld; en in Uwé’s
gevangenis heb ik nog veel minder zin; want daarin kan men in het
geheel geene lucht krijgen.”
„Als gij dat gevoelt, mijnheer Dousterswivel, raad ik u te blijven,
waar gij zijt; want ik kan u niet laten gaan, dan in het gezelschap van
een agent van policie; en, daarenboven, verwacht ik, dat gij ons nu
zult vergezellen naar de bouwvallen van St. Ruth, en ons de plaats
aanwijzen, waar gij u verbeeld dien schat te vinden.”
„Mijn hemel! mijnheer Oldenbuck! zoo maakt men het toch niet met een
ouden vriend, en ik zeg Uwé ronduit, dat, wanneer Uwé nu daarheen gaat,
Uwé niet eens een zesstuiversstuk zult vinden.”
„Ik zal toch de proef nemen, en gij zult behandeld worden, naar dat ze
uitvalt; – altijd met Sir Arthurs verlof!”
Sir Arthur had gedurende dit onderzoek zeer verlegen gestaan. Oldbuck’s
hardnekkig ongeloof deed hem het bedrog van Dousterswivel sterk
vermoeden, en de goudzoeker had zijne zaak lang niet zoo bedaard en
dapper verdedigd, als hij verwacht had. Evenwel verzaakte hij hem niet
geheel.
„Mijnheer Oldbuck,” zei de Baronet, „gij zijt niet geheel rechtvaardig
omtrent den heer Dousterswivel. Hij heeft aangenomen, om de ontdekking
te doen met behulp van zijne kunst, en door gebruik te maken van den
bijstand der onzichtbare wezens, die gesteld zijn over het planeetuur,
waarin de proef moet ondernomen worden; en gij vergt van hem, onder
bedreiging van straf, dat hij die nu zal doen, zonder hem eenig gebruik
der middelen te vergunnen, die hij er voor noodig acht om te slagen.”
„Dit zeide ik juist niet; – ik verlang slechts van hem, dat hij
tegenwoordig zij, als wij het onderzoek doen, en dat hij ons intusschen
niet verlate. Ik vrees, dat hij eenige verstandhouding heeft met de
wezens waarvan gij spreekt, en dat hetgeen nu te St. Ruth mocht
verborgen zijn, verdwijnen kon, eer wij er heen komen.”
„Wel, mijne heeren!” zei Dousterswivel verdrietig, „ik wil zonder
zwarigheid met u gaan; doch ik zeg het u te voren, Uwé zult niets
vinden, om uwe moeite te beloonen.”
„Wij willen er de proef van nemen,” zei de oudheidkenner; en men gaf
bevel om het rijtuig van den Baronet in te spannen, terwijl Isabella
Wardour van haren vader de boodschap kreeg, te Monkbarns te toeven, tot
hij van zijn uitstap zou zijn terug gekeerd. De jonge dame gaf zich
eenige vergeefsche moeite, om deze beschikking met het gesprek overeen
te brengen, dat, naar zij veronderstelde, tusschen Sir Arthur en den
oudheidkenner moest plaats gehad hebben, maar zag zich voor het
oogenblik genoodzaakt, in onzekerheid achter te blijven.
Overigens was de rid der schatgravers droefgeestig genoeg.
Dousterswivel bewaarde een somber stilzwijgen, daar zijne gedachten
vervuld waren met zijne teleurgestelde verwachting en de straf, die hem
dreigde; – Sir Arthur, wiens gouden droomen langzamerhand verdwenen
waren, dacht, in somber gepeins verdiept, over naderende ongelukken na;
en Oldbuck, die begreep, dat eene zoo krachtdadige bemoeiing met de
zaken van zijn buurman dezen het recht gaf, om eenigen bijstand van hem
te verwachten, overlegde in hoe ver hij genoodzaakt zou wezen, zijne
beurs te openen.
Terwijl zij dus alle drie in onaangename beschouwingen verzonken waren,
werd er ter nauwernood een woord gewisseld, tot zij bij de herberg van
de Vier Hoefijzers aankwamen. Hier voorzagen zij zich van de noodige
hulp en werktuigen voor hunne opdelvingen, en terwijl zij met deze
toebereidselen bezig waren, voegde zich de oude bedelaar Ochiltree
onverwachts bij hen.
„Zoo! – God zegene u, edele heeren, en schenke u een lang leven! – ik
ben blij te hooren, dat de jonge Kapitein M’Intyre weldra weêr op de
been zal zijn. – Gedenkt heden den armen grijsaard!”
„Wel, oude vriend,” zei Oldbuck, „gij zijt niet meer te Monkbarns
gekomen, sedert uwe gevaren tusschen land en water: – hier is iets voor
u om snuif te koopen;” – en, terwijl hij naar de beurs tastte, trok hij
ter zelfder tijd den horen uit den zak, waarin zich de munten bevonden.
„Ei! en daar is iets, om de snuif in te doen,” zei de bedelaar den
ramshoren ziende; – „dat stuk is een oude kennis van mij. Met eede zou
ik die snuifdoos onder een duizendtal herkennen; – menig jaar heb ik
die bij mij gedragen, tot ik ze tegen deze blikken doos met den ouden
George Glen, den mijnwerker, verruilde, toen hij er te Glen-Withershins
zin in kreeg.”
„Zoo! inderdaad?” zeide Oldbuck; – „dus hebt gij dien met een
mijnwerker verruild! maar ik veronderstel, dat gij hem nooit te voren
zóó gevuld hebt gezien?” – ter zelfder tijd opende hij den horen en
toonde hem de munten.
„Dat is waar, Monkbarns! – toen die mij toebehoorde, heb ik er nooit
meer, dan voor de waarde van zes stuivers zwarte rappé te gelijk in
gehad; maar gij zult er eene oudheid van maken, zoo als gij van zoo
veel andere dingen gedaan hebt, die tot niets anders goed zijn. Ik
wilde wel dat de een of ander ook eene oudheid van mij maakte; maar
menigeen stelt meer belang in oude stukken koper, en horen en erts, dan
in een ouden kerel uit zijn eigen land en volk.”
„Gij kunt nu gissen,” zeide Oldbuck, zich tot Sir Arthur wendende, „aan
wien gij verleden nacht verplichting hadt. Het nasporen van deze cornu
copia tot in de handen van een mijnwerker, brengt het tamelijk dichtbij
die van onzen vriend; – ik hoop, dat wij heden morgen even gelukkig
slagen zullen, zonder er iets voor te betalen.”
„En waarheen gaan vandaag de heeren,” vroeg de bedelaar, „met de
houweelen en schoppen? – Dat is zeker weêr een zet van u, Monkbarns!
gij zijt er op uit, om eenige van die oude monniken daar uit hunne
graven op te halen vóór den dag der opstanding; – maar ik zal u in elk
geval volgen, en zien wat gij er van maakt.”
Het gezelschap kwam weldra bij de bouwvallen van de abdij aan, en hield
in het koor stil, om te overleggen, in welke richting men beginnen zou.
De oudheidkenner wendde zich intusschen tot den goudzoeker.
„Mag ik vragen, mijnheer Dousterswivel, hoe gij er over denkt? – zullen
wij, naar alle waarschijnlijkheid, het best slagen met van het westen
naar het oosten, of wel van het oosten naar het westen te graven? – of
wilt gij ons bijstaan met uw driehoekig fleschje met meidauw, of met
uwe tooverroede? of zult gij de goedheid hebben van ons te voorzien met
eenige hoogdravende, bulderende kunsttermen, die, als ze bij de
tegenwoordige verrichtingen niet baten, toch noch van dienst kunnen
zijn voor degenen onder ons, die het geluk niet hebben van ongetrouwd
te wezen, om hunne schreeuwende kinderen daarmede stil te maken?”
„Mijnheer Oldenbuck!” zeide Dousterswivel gemelijk, „Ik heb het reeds
gezegd, Uwé zult niets goed doen, en voor uwe complimenten zal ik wel
een middel vinden, om u later te bedanken – ja, dat zal ik!”
„Als de heeren voornemens zijn, den grond op te graven,” zei de oude
Adam, „en den raad van eene arme ziel willen aannemen, zou ik met dien
grooten steen beginnen, waarop een liggende man afgebeeld is.”
„Ik heb zelf eenige reden, om goede gedachten van dat plan te hebben,”
zei de Baronet.
„En ik,” – zeide Oldbuck, – „heb er niets tegen in te brengen: het was
niet ongewoon, de schatten in de graven der afgestorvenen te verbergen:
– men zou vele voorbeelden daarvan kunnen aanhalen, uit Bartholinus en
anderen.”
De grafzerk, dezelfde, waaronder de munten door Sir Arthur en den
goudzoeker gevonden waren, werd weder opgelicht, en de grond week
gemakkelijk voor de spade.
„Het is nieuw bewerkte grond,” zeide Adam, „en gemakkelijk om hem om te
spitten: – dat weet ik wel; want ik werkte eens een zomer bij den ouden
Willem Winnet, den doodgraver, en heb meer dan één graf in mijn tijd
gemaakt; maar ik verliet hem ’s winters; want het was zeer koud werk;
en toen kregen wij eene groene kersmis, en het volk stierf als de
muizen; – want gij weet, eene groene kersmis maakt een vet kerkhof; –
en ik was nooit, mijn leven lang, tegen harden arbeid bestand; – dus
trok ik af en liet Willem zijne laatste woningen alleen graven.”
De spitters waren nu ver genoeg met hun arbeid gevorderd, om te
ontdekken, dat de zijden van het graf, hetwelk zij opruimden,
aanvankelijk voorzien waren geweest met vier muren van ruwen steen, een
langwerpig vierkant vormende, waarschijnlijk ter opname van de
doodkist.
„Het is de moeite waard met onzen arbeid voort te gaan,” zei de
oudheidkenner, „al ware het alleen uit nieuwsgierigheid. Het zal mij
benieuwen te zien, aan wiens graf men zoo buitengewoon veel moeite
heeft besteed.”
„Het wapen en het schild,” zeide Sir Arthur met een zucht, „zijn
dezelfde als die op Misticot’s toren, welke men veronderstelt dat door
Malcolm den overweldiger gebouwd werd. Niemand weet, waar hij begraven
is, en er bestaat nog eene oude voorspelling in onze familie, die ons
niets goeds belooft, als men zijn graf ontdekt.”
„Ik weet het,” zei de bedelaar, „ik heb het dikwijls gehoord, toen ik
nog een kind was:
„Coemt Malcolm Misticot syn graft oyt aen de sonne,
Is ’t lant van Knockwinnock verlore ende ghewonne.”
Oldbuck lag reeds met den bril op den neus op de grafzerk geknield, en
trachtte, gedeeltelijk met het oog, gedeeltelijk met den vinger, het
vermolmde wapenschild na te gaan, dat bij de beeldtenis van den
afgestorven krijgsman uitgehouwen was. „Het is zeker genoeg,” riep hij
uit, „het wapen der Knockwinnock’s, met dat der Wardour’s er bij.”
„Richard, bijgenaamd Wardour met de roode hand,” zeide Sir Arthur,
„huwde met Sybilla Knockwinnock, de erfgename van het Saksische
geslacht, en door deze verbintenis gingen het kasteel en de landerijen
over op de Wardours, in het jaar 1150.”
„Juist, Sir Arthur! en hier is de noodlottige balk, het teeken van
onechtheid, dwars over de beide wapens. Waar zijn onze oogen geweest,
dat wij dit belangrijke gedenkstuk niet al lang geleden ontdekt
hebben?”
„Ei ja! waar lag liever de grafsteen, dat hij ons niet vroeger onder de
oogen gekomen is?” zei Ochiltree; „want ik heb deze oude kerk, als man
en kind, reeds meer dan zestig jaren gekend, en ik heb de zerk nooit te
voren gezien, en ze is toch zoo klein niet, dat men ze licht
voorbijgaan zou.”
De omstanders werden dus op den vroegeren toestand der bouwvallen in
dien hoek van het koor opmerkzaam gemaakt, en allen kwamen overeen, dat
zij zich een grooten puinhoop herinnerden, welken men had moeten
wegruimen, om den grafsteen zichtbaar te maken. Sir Arthur had zich,
wel is waar, hebben kunnen te binnen brengen, het gedenkstuk bij de
vorige gelegenheid gezien te hebben; waar hij was te zeer ontroerd
geweest, om zich die omstandigheid te herinneren.
Terwijl men zich dus bezig hield met deze herinneringen en
redeneeringen, gingen de werklieden niet hun arbeid voort, en daar het
uitwerpen der aarde hoe langer zoo moeielijker werd, begon hun de taak
ten laatste te vervelen.
„Wij zijn nu tot op den grond,” zei een hunner, „en er is noch kist,
noch iets anders hier; – deze of gene slimme vogel zal ons vóór geweest
zijn;” en de arbeider klom uit het graf.
„Kom, jongen!” zeide Adam, terwijl hij in zijne plaats in het graf
klom; „laat ik eens zien, wat een oude doodgraver kan: – gij kunt goed
zoeken, maar slecht vinden.”
Zoodra hij in het graf was, stiet hij zijn staf zoo diep hij kon in den
grond benedenwaarts: – hij vond weêrstand, en de bedelaar riep, even
als een schooljongen, als hij wat vindt: „Deelen doe ik niet: – alles
mijn! Half part doe ik niet!”
Een ieder, van den ter neêrgeslagen Baronet af, tot den misnoegden
goudzoeker toe, werd nu door den geest van nieuwsgierigheid bezield;
allen verdrongen zich rondom het graf en zouden er in gesprongen zijn,
als het ruim genoeg geweest ware, om hen gezamenlijk te bevatten. De
werklieden, die in hun vervelenden en waarschijnlijk hopeloozen arbeid
begonnen waren te verflauwen! grepen weder naar hunne gereedschappen,
en gebruikten ze met den meesten ijver. Hunne schoppen stieten weldra
op eene harde houten oppervlakte, die, toen de aarde er van opgeruimd
was, den duidelijken vorm aannam van eene kist, welke echter veel
kleiner was dan eene doodkist. Dadelijk waren allen in de weer, om ze
uit het graf te lichten, en terwijl ze opgeheven werd, verhieven zich
alle stemmen over de zwaarte, en voorspelden de waarde er van. Zij
hadden zich niet vergist.
Zoodra de kist op den grond geplaatst en het deksel door een houweel er
afgebroken was, vond men eerst een omhulsel van grof linnen, dan eene
groote hoeveelheid werk, en daaronder eene menigte zilveren staven. Een
algemeene vreugdekreet begroette eene zoo verrassende en gewenschte
ontdekking. De Baronet hief handen en oogen ten hemel, met de stille
verrukking van iemand, die zich van eene onuitsprekelijke kwelling des
geestes bevrijd vindt. Oldbuck, die nauwelijks zijne oogen gelooven
kon, ligtte het eene stuk zilver na het andere op. Er was geen
opschrift op te vinden, noch eenig merk, behalve slechts op één, dat
Spaansch scheen te zijn. Aan de echtheid en groote waarde van den
schat, die vóór hem lag, kon hij niet meer twijfelen; evenwel legde hij
stuk voor stuk ter zijde, en vergeleek de lagen met elkander,
verwachtende, dat de onderste van mindere waarde zouden zijn; maar ook
te dezen opzichte kon hij geen onderscheid vinden, en hij moest
eindelijk bekennen, dat Sir Arthur nu in het bezit was van staven, ter
waarde van ten minste duizend pond sterling. Sir Arthur beloofde nu
eene ruime belooning aan de werklieden voor hunne moeite, en begon
reeds met zijn vriend te overleggen, hoe dezen rijken buit naar het
kasteel van Knockwinnock over te brengen, toen de goudzoeker, van zijne
verwondering, welke niet minder dan die van al de overige leden van het
gezelschap geweest was, eindelijk hersteld, Sir Arthur zachtjes aan de
mouw trok, hem zijne nederige gelukwenschingen bracht, en zich dadelijk
daarop met een zegevierenden blik tot Oldbuck wendde.
„Ik zeide Uwé, mijn goede vriend, heer Oldenbuck, dat ik gelegenheid
zoeken wilde, om Uwé voor Uwé’s hoffelijkheid te bedanken; nu, dunkt
het Uwé niet, dat ik daartoe een goed middel gevonden heb?”
„Hoe! gij, mijnheer Dousterswivel? Gij verbeeldt u iets tot onzen
voorspoed bijgedragen te hebben! – Gij vergeet, dat gij ons den
bijstand van uwe wetenschap weigerdet, man! En gij zijt ook hier zonder
de wapens, die de overwinning verzekeren moesten, welke gij nu
voorgeeft, te hebben behaald. Gij hebt noch tooverij, noch talisman,
noch bezwering, noch kristal, noch geheimzinnige figuren gebruikt. Waar
zijn uwe Abraxas en Abrakadabra’s? [26]
„Uw pad, uw kraai, uw draak, en uw panter,
Uw zon, uw maan, firmament, dierenkring,
Uw Lato, Azoch, Zernich, Chibrit, Heautarit,
Uw kooksels en toestel, met tooverroede en ring,
Te talrijk om hier op te noemen? –
„O, voortreffelijke Ben Jonson! lang moge uwe asch in vrede rusten; gij
geesel der kwakzalvers van uwe dagen! – wie had kunnen denken hen weêr
te zien opstaan in de onze?”
Het antwoord van den goudzoeker op dezen uitval van den oudheidkenner
moeten wij tot ons volgend hoofdstuk bewaren.