EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK

– De heer Abt heeft een’ geest,

Scherpzoekend, slim, doordringend gelijk vuur!

Diep als de hel daalt hij langs toovertrappen,

En, heeft de duivel goud in zijn bezit,

Hij haalt er iets van af; – het licht in holen,

Die niemand kent, dan ik. –

Het wonder van een koninkrijk.

Lovel volgde bijna werktuigelijk den bedelaar, die met haastigen maar

vasten stap den weg insloeg door bosch en braamstruiken, terwijl hij de

gebaande paden vermeed, en zich dikwijls omkeerde, om te luisteren, of

er ook eenig teeken van vervolging achter hem te hooren was. Soms

daalden zij tot in het bed zelf van de beek, soms hielden zij een nauw

en gevaarlijk pad, dat de schapen (die, met de groote onachtzaamheid,

welke in Schotland algemeen omtrent eigendommen van deze soort

heerscht, in het kreupelhout omzwerven mochten) op den uitersten rand

van de overhangende steilten gemaakt hadden. Van tijd tot tijd, wierp

Lovel een blik op het pad, dat hij den vorigen dag, in gezelschap van

Sir Arthur, den oudheidkenner, en de jonge dames bewandeld had.

Neêrslachtig, verlegen, en door duizenderlei zorgen geplaagd, als hij

toen was, wat zou hij thans niet gegeven hebben, om het gevoel van

onschuld terug te krijgen, dat alléén tegen duizend rampen opwegen kan?

„Zelfs toen,” zoo waren zijne vluchtige en onwillekeurige gedachten,

„zelfs toen, onschuldig en geëerd door allen die mij omgaven, gevoelde

ik mij ongelukkig. Wat ben ik nu, bezoedeld met het bloed van dezen

jongen man? – Het gevoel van trots, dat mij tot deze daad dreef, is

geweken, even als men zegt, dat ook de booze geest dengenen verlaat,

die hij in het verderf stortte.” Zelfs zijne genegenheid voor Isabella

Wardour bezweek in dit oogenblik onder de knaging van fijn geweten, en

hij zou, naar het hem scheen, al de zielskwellingen eener versmade

liefde kunnen te gemoet gaan, om, vrij van bloedschuld, zijne zielerust

terug te hebben.

Deze smartelijke beschouwingen werden niet afgebroken door eenig

gesprek met zijn leidsman, die het kreupelhout vóór hem wegruimde,

terwijl hij nu eens de takken terughield om zijn pad gemakkelijk te

maken, hem dan eens vermaande, zich te haasten, dan weêr bij zich

zelven sprak, volgens de gewoonte van den eenzamen grijsaard, woorden,

die wellicht aan Lovel zouden ontsnapt zijn, ook als hij er naar

geluisterd had, of die, opgevangen en onthouden, te afgebroken waren,

om eenige samenhangende gedachte te geven, – iets dat dikwijls eigen is

aan oude en praatzieke lieden.

Toen eindelijk Lovel, verzwakt door zijne vroegere ongesteldheid, en

uitgeput, zoowel door de hartverscheurende gevoelens, die hem

ontroerden, als door de inspanning om zijn gids te volgen, reeds begon

te dralen en achter te blijven, brachten hem een paar zeer gevaarlijke

schreden op den rand van een afgrond, met struiken en hakhout behangen.

Hier duidde eene kleine opening in de rots, bedekt door de

vooruitstekende takken van een ouden eikenboom, die met zijne dikke en

knoestige wortels in het bovenste gedeelte der rotsen groeide, een hol

aan, bij den ingang niet breeder dan een vossengat, en dat, dus

verborgen, de opmerking zelfs van hem had kunnen ontgaan, die er vlak

bijstond. In dit uiterlijk weinig verleidelijk verblijf, begaf zich nu

de bedelaar. Maar inwendig was de spelonk hooger en ruimer, in twee

afgezonderde gangen verdeeld, die, elkander in rechte hoeken snijdende,

het zinnebeeld van het kruis vormden, en de voormalige schuilplaats van

een kluizenaar uit oude tijden aanwezen. Men vindt vele dergelijke

grotten in verschillende deelen van Schotland. Ik behoef slechts die

van Gorton bij Roslin te noemen, eene plek, zeer bekend bij de

bewonderaars der romantische natuur.

Het licht in het hol was slechts eene duistere schemering bij den

ingang, en ontbrak geheel en al van binnen. „Er zijn er maar weinigen,

die deze plaats kennen,” zei de oude man, „naar mijn weten slechts twee

buiten mij, namelijk, de Klinkende Jan en de Lange Linker. Ik heb

dikwijls zoo bij mij zelven gedacht: wanneer ik eenmaal oud en

afgeleefd ben, en Gods gezegende lucht niet langer genieten kan, wil ik

mij hier naar toe slepen met wat havermeel in mijn zak, en zie, daar is

nog eene schoone bron, die zomer en winter water geeft; – en mij hier

neêrleggen als eene oude hond, die in een bosch of hol sterven gaat,

waar de menschen zijn lijk niet vinden kunnen. – En dan, als de honden

van eene eenzame pachthoeve blaften, zou de huisvrouw roepen: „Stil!

hoor, het is zeker de oude Adam!” en de kinderen zouden naar de deur

loopen, om den ouden Blauwrok wat in den zak te stoppen; – Maar de oude

Adam zou er niet zijn, en men zou nooit meer iets van hem hooren!”

Toen bracht hij Lovel, die hem gewillig volgde, in een der gangen van

de spelonk. „Hier,” zeide hij, „is een trap, die naar de vervallen kerk

boven ons voert. Sommigen zeggen, dat deze plaats in oude tijden door

de monniken uitgehouwen werd, om er hunne schatten in te verbergen, en

anderen zeggen, dat zij die gebruikten, om langs dezen weg bij nacht

dingen in het klooster te brengen, die zij er niet goed onder de oogen

der menschen, en bij dag in konden brengen; – en anderen zeggen, dat

een van hen een heilige werd, (of ten minste daarvoor wilde gehouden

worden,) en zijn intrek nam in de cel van St. Ruth, zoo als men het in

oude tijden noemde, en dat hij dezen trap heeft laten maken, om er mede

naar de kerk te gaan, als er dienst was. De heer van Monkbarns zou u

daar veel van weten te zeggen, even als van meer andere dingen, als hij

de plaats maar kende. Maar ze mag ten dienste van menschen of van God

gemaakt zijn, ik heb er in mijne dagen meer dan te veel kwaad in zien

begaan, waaraan ik ook meer deel had dan behoorde, – ja ja, in deze

zelfde donkere schuilplaats. Menige huismoeder is verwonderd geweest,

dat zij haren rooden haan ’s morgens niet had hooren kraaien, als de

arme vogel reeds hier, in dit donkere hol, gebraden was. – En, och! dat

dit en dergelijke kleinigheden het ergste ware! Als gij het geraas

gehoord hadt, dat wij in de ingewanden der aarde maakten, toen Sanders

Aikwood, die boschwachter was, (hij is de vader van Ringan, die het nu

is,) de bosschen afliep, om op het wild te passen, – en soms het licht

uit den ingang van het hol zag flikkeren op de hazelstruiken aan de

tegenoverliggende hoogte, – en dan wat hij uitkraamde van heksen en

spoken, die zich ’s avonds in de oude bouwvallen ophielden, en van de

lichten, die hij gezien had, en het geschreeuw, dat hij gehoord had,

als allen sliepen, behalve hij alleen; en – och! als hij dat steeds van

voren af aan, ’s avonds bij het vuur, aan mij en mijns gelijken

verhaalde, en als ik den ouden mallen vent woord om woord, en vertelsel

om vertelsel terug gaf, hoewel ik veel meer van de zaak afwist, dan

hij. Ei, ei! – dat waren dolle dagen, die – maar ze waren ijdel en

slecht, en het is billijk, dat hij, die een lichtzinnig en los leven

geleid heeft en de liefdadigheid misbruikte, toen hij jong was, ze

misschien missen zou, als hij oud wordt.”

Terwijl Ochiltree dus zijne daden en streken van vroegere dagen

verhaalde, op een toon, waarin beurtelings vroolijkheid en berouw

heerschte had zijn ongelukkige toehoorder zich neêrgezet op de

kluizenaars bank, die in de rots uitgehouwen was, en zich aan die

uitputting van ziel en lichaam overgegeven, welke gewoonlijk op eene

reeks van gebeurtenissen, die beide ontroeren, volgt. – „De arme

jongen!” zei de oude Adam, „en hij slaapt in dit vochtig hol; hij wordt

misschien nooit weêr wakker, of krijgt eene gevaarlijke ziekte; het is

niet met hem als met ons gelijken, die ons gerust overal kunnen

neêrleggen. Sta maar op, mijnheer Lovel! het zal wel schikken met den

kapitein; – en in elk geval zijt gij de eerste niet, wien dat ongeluk

overkomen is: ik heb menig man zien dooden, en zelf helpen dooden,

ofschoon wij te zamen geen twist hadden, – en als het geen kwaad is,

menschen te dooden, met wie men geen twist heeft, alleen omdat zij eene

andere kokarde dragen en eene vreemde taal spreken, kan ik niet

begrijpen, dat de man niet te verontschuldigen is, die zijn vijand

doodt, die opzettelijk gewapend komt, om hem te dooden. Ik wil niet

zeggen, dat het goed is! – of dat het geene zonde is, dat te ontnemen,

wat men niet weêr kan geven, zoo als de adem van den mensch, – maar ik

zeg, dat het eene zonde is, die vergiffenis vinden kan, als men er

berouw over heeft. Zondige menschen zijn wij allen; maar, als gij een

ouden grijzen zondaar gelooven wilt, die het slechte van zijne

levenswijze heeft leeren inzien, dan bevatten de bladzijden van den

Bijbel beloften genoeg, om den slechtsten van ons allen zalig te maken,

als wij er maar aan gelooven willen.”

Met dergelijke troostgronden en blijken zijner godgeleerdheid ging de

bedelaar voort, de aandacht van Lovel bezig te houden, tot de

schemering van den ingang in de duisternis verdwenen was! „Nu,” zeide

Ochiltree, „zal ik u naar eene meer geschikte plaats geleiden, waar ik

menigmaal gezeten heb, om het krassen van den nachtuil te hooren, en

het maanlicht door de oude vensterramen der bouwvallen te zien vallen.

Op dezen tijd van den nacht kan niemand hier komen; en als de laffe

gerechtsdienaren eenige vervolging beproefden, staakten zij die gewis

reeds lang geleden. Geloof mij, zij zijn niet moediger dan anderen, met

al hunne bevelschriften en machtspreuken. Ik heb hen, in mijn tijd,

meermalen een schrik aangejaagd, als zij mij te nabij kwamen. – Maar,

God dank! zij kunnen mij nu niet meer van eenig ander wanbedrijf

betichten, dan dat ik een oud man en een bedelaar ben, en dan nog is

Freule Wardour een krachtige steun, zoo als gij wel weet.” – (Lovel

zuchtte) „kom, wees niet neêrslachtig – het zal wel eens weêr te recht

komen, – geef de dame maar tijd om zich te bedenken: zij is de

schoonste van het land en mijne goede vriendin. – Ik trek nu zoo gerust

voorbij het tuchthuis, als Zondags naar de kerk; – ik geloof voor den

drommel niet, dat iemand het nu wagen zou, om den ouden Adam slechts

een haar te krenken. Ik loop langs ’s heeren straatweg, als ik naar de

stad ga, en ik geef even weinig om een schout, als om een das!”

Terwijl de bedelaar dus sprak, hield hij zich bezig met de losse

steenen in een hoek van het hol weg te ruimen, die den ingang van den

trap, waarvan hij gesproken had, verborgen. „Er is hier frissche lucht

genoeg,” zei de oude man, „de monniken zorgden daarvoor; want zij waren

kort van adem. Zij hebben hier en daar openingen aangebracht, die

frissche lucht genoeg binnen laten.”

Lovel vond den trap hoewel nauw, zeer luchtig, en noch vervallen, noch

laag. Zij kwamen dus weldra in eene nauwe galerij, loopende langs den

zijmuur van het koor, waaruit zij lucht en licht kregen door openingen,

die behendig gemaskerd waren door de rijke versierselen der Gothische

bouwkunst.

„Deze geheime gang,” – zei de bedelaar – „liep eens rondom een groot

gedeelte van het gebouw naar de plaats, die ik Monkbarns het

Refractorium,” (waarschijnlijk wilde hij Refectorium zeggen,) „heb

hooren noemen, en zoo verder tot aan de woning van den Prior zelven. –

Het is waarschijnlijk, dat hij er gebruik van kon maken, om te

luisteren naar wat de monniken vertelden, als zij aan het eten waren,

en dan kon hij ook hier komen en zien, of zij zich daar ginds beneden

bezig hielden met hunne psalmen te schreeuwen, – en dan, als alles goed

verzorgd was, kon hij aftrekken en daar beneden in het hol een mooi

meisje binnen laten; want zij waren wonderlijke heiligen de monniken, –

of men moet veel leugens van hen verteld hebben. Maar wij gaven ons

jaren geleden veel moeite, om dezen gang op sommige plaatsen op te

vullen, en om anderen af te breken, uit vrees, dat de een of ander

onbekende er inkomen, en den weg naar beneden, naar de spelonk, vinden

mocht; – dat zou een noodlottige slag geweest zijn, die, zoo als ik

zeker weet, aan eenige van de onzen den nek had doen jeuken!”

Zij kwamen nu aan eene plaats, waar de galerij uitgebouwd was in een

halfrond, groot genoeg, om eene steenen bank te bevatten. Eene nis,

vlak daarvoor aangebracht, stak vooruit in het koor, en daar de zijden

van opengewerkte steen waren, kon men daar door heen, van de bank, het

geheele koor in alle richtingen overzien. Waarschijnlijk was deze

plaats, zoo als Adam giste, gemaakt, om den Prior tot een geschikten

schuilhoek te verstrekken, waaruit hij het gedrag der monniken kon

gadeslaan, en zich met eigene oogen overtuigen omtrent het nauwgezet

waarnemen der godsdienstige plechtigheden, waaraan hij, uit hoofde van

zijn rang, geen deel behoefde te nemen. Deze nis was eene van de reeks,

welke zich langs den muur van het koor uitstrekte, en, daar ze van

beneden gezien in geenen deele van de anderen verschilde, kon men de

geheime zitplaats, die nog bovendien gemaskerd was door het steenen

beeld van St. Michiel en den draak, en door het rijk versierde

metselwerk rondom de nis, volstrekt niet ontdekken. De galerij, tot

hare eerste breedte teruggebracht, had zich oorspronkelijk verder

uitgestrekt; maar de landloopers, die het hol van St. Ruth bezochten,

hadden ze, uit voorzorg, met de omliggende steenen toegemetseld.

„Wij zullen hier beter zijn, dan dáár beneden,” zeide Adam, zich

neêrzettende op de steenen bank en de slip van zijn blauwen rok er over

uitspreidende, terwijl hij Lovel uitnoodigde, naast hem te gaan zitten,

– „wij zullen hier beter zijn dan daar beneden; de lucht is zuiver en

zacht, en de geur der muurbloemen en der struikgewassen, die op de

bouwvallen staan, is vrij wat verkwikkelijker, dan de vochtige muffe

reuk daar beneden. Zij rieken het aangenaamst bij nacht, die bloemen,

en men vindt ze het meest op vervallen gebouwen; – welnu, mijnheer

Lovel, kan een van uwe geleerden eene goede reden daarvoor geven?”

Lovel antwoordde ontkennend. „Ik denk,” hernam de bedelaar, „dat ze

gelijk zijn aan de liefdegiften van vele menschen, die, in tegenspoed

gegeven, de grootste waarde hebben; – of wellicht is het een parabel,

om ons te leeren, hen niet te verachten, die zich in de duisternis der

zonde bevinden, of door tegenspoed ter neêrgeslagen zijn, daar God

geuren zendt, om het donkerste uur te verfrisschen, en bloemen en

liefelijke planten, om het vervallen gebouw weder op te sieren. En nu

wilde ik, dat een wijs man mij vertelde, of de Heer het meeste behagen

schept in den aanblik, welken wij nu genieten, – de zilveren en rustige

stralen van het maanlicht, die daar zoo stil over den vloer van deze

oude kerk spelen, en tusschen de groote pilaren en het vensterwerk

doorschijnen en schitteren op de bladeren van het donkere klimop, als

de wind ze beweegt, – ik zou willen weten, zeg ik, of dit aangenamer

voor den Heere is, dan wanneer deze kerk verlicht en verheerlijkt was

door lampen en kandelaren, en toortsen, en myrrhe en wierook, waarvan

de Heilige Schrift spreekt, en met bazuinen, en mannen- en

vrouwenstemmen en muziekinstrumenten. Ik zou willen weten, of die allen

stichtelijk waren, dan of het van die grootsche, weidsche pracht en

heerlijkheid is, dat de Heilige Schrift zegt: zij zijn verfoeielijk! –

Ik denk, mijnheer Lovel, dat bijaldien twee arme ter neêrgedrukte

harten, als het uwe en het mijne, de gave kregen van te bidden, –”

Hier legde Lovel plotseling de hand op des bedelaars arm, en zeide:

„Stil! ik hoor iemand spreken!”

„Ik ben eenigszins hardhoorig,” antwoordde Adam fluisterend; „maar wij

zijn hier veilig; – vanwaar kwam het geluid?”

Lovel wees naar de deur van het koor, die, rijk versierd, aan het

westelijk einde van het gebouw stond onder een gothisch venster, door

hetwelk het volle maanlicht in de kerk viel.

„Het kan niemand van ons volk zijn,” zeide Adam op denzelfden zachten

en voorzichtigen toon; „slechts twee van hen kennen deze plaats, en zij

zijn vele mijlen van hier, als zij nog steeds hun moeielijken levensweg

bewandelen. Ik kan niet denken, dat politie-agenten op dit uur van den

nacht zich hier zouden wagen. Ik sla geen geloof aan de

oudewijvenvertelsels van spoken, ofschoon deze plaats wel voor hen zou

geschikt zijn. Maar menschen of geesten, daar komen zij aan; – twee

mannen met een licht!”

En inderdaad, terwijl de bedelaar sprak, verduisterden twee

menschelijke gedaanten met hare schaduwen, den ingang van het koor,

door welks opening men te voren in het verschiet de door de maan

verlichte weide zien kon, en de kleine lantaren, welke een van hen

droeg, glinsterde bleek in de heldere en krachtige stralen der maan,

gelijk de avondster bij het licht van den vallenden avond. De eerste en

natuurlijkste gedachte was, dat, in weêrwil van de verzekeringen van

Adam Ochiltree, de personen, die op zulk een ongewoon uur de bouwvallen

naderden, dienaren der justitie moesten zijn, om Lovel te zoeken. Maar

zij deden niets, om dit vermoeden te bevestigen. De oude man stiet

Lovel aan, en waarschuwde hem fluisterend, dat het beste was om rustig

te blijven, en uit hunne tegenwoordige schuilplaats de bewegingen der

indringers gade te slaan. Deed er zich iets voor, dat hun aftocht

noodzakelijk maakte, dan hadden zij den geheimen trap en het hol achter

zich, waardoor zij in het bosch zouden kunnen ontsnappen, voor dat zij

eenig gevaar liepen van achterhaald te worden. Zij hielden zich dus zoo

stil mogelijk, en namen met ongeduldige en angstige nieuwsgierigheid

elk geluid en elke beweging van hunne rustverstoorders waar.

Na eenigen tijd zacht te zamen gesproken te hebben, naderden de twee

gedaanten tot in het midden van het koor, en eene stem, welke Lovel

dadelijk aan toon en tongval voor die van Dousterswivel herkende, sprak

hoorbaar, hoewel steeds gedempt:

„Waarlijk, mijn goede heer, daar kan geene betere gelegenheid en stonde

zijn voor deze groote onderneming. Uwé zal zien, dat het louter onzin

is, wat de heer Oldenbuck zegt, en dat hij niet meer verstaat van wat

hij spreekt, als een klein kind. Bij mijne ziel! hij verwacht zoo rijk

te worden als een jood, voor zijne ellendige honderd pond, waaruit ik

mij, op mijn eerewoord, zoo veel maak als uit honderd stuivers. Maar

aan Uwé, mijn grootmoedige patroon! aan Uwé’s Genade wil ik alle

geheimen der kunst zien laten, – ja, zelfs het geheim van den grooten

Pymander.”

„Die ander daar,” fluisterde Adam; „zal waarschijnlijk Sir Arthur zijn.

Ik ken niemand dan hem, die hier op dit uur zou willen komen, en wel

met dien vreemden landlooper. Men zou zeggen, dat hij door hem behekst

is; – hij doet hem nog gelooven, dat kalk kaas is; – maar laten wij

zien wat zij doen.”

Deze stoornis en de zachte toon, waarop Sir Arthur sprak, maakten, dat

het geheele antwoord van dezen aan den goudzoeker voor Lovel verloren

ging, uitgezonderd de drie laatste woorden, die met nadruk uitgesproken

werden: „Zeer groote onkosten;” – waarop Dousterswivel dadelijk hernam:

„Onkosten! – gewis ja! – daar moeten groote onkosten gemaakt worden! –

Men kan toch niet oogsten zonder zaaien; – de onkosten zijn het zaad –

de rijkdommen en de mijnen van edele metalen, en dan de groote, dikke

kisten met zilver zijn de oogst – en ja, een zeer goede oogst op mijn

woord! Nu, Sir Arthur, heeft Uwé heden nacht een weinig zaad van tien

guinjes gestrooid; zooveel als een snuifje – en zoo Uwé niet een

grooten oogst krijgt – dat is een groote oogst voor een beetje zaad;

want alles moet in proportie zijn, zoo als Uwé weet, dan noem Herman

Dousterswivel nimmer meer een eerlijk man! Nu ziet Uwé, mijn geëerde

patroon! – want voor Uwé wil ik niets geheim houden – Uwé ziet deze

kleine zilveren plaat. – Uwé weet, dat de maan in achtentwintig dagen

het gansche Dierenriem omwandelt; – elk kind weet dat. – Welnu, als zij

in de vijftiende station, das heisst aan het hoofd van Libra is, neem

ik de plaat, en graveer op den eenen kant de woorden Schedharschemoth

schartachan, – das heisst, de Intelligencies der Intelligencies van de

maan, en ik teeken de figuur daarvan als eene vliegende slang met het

hoofd van een kalkoen – zoo! – Dan maak ik op dezen kant de tafel van

de maan, das heisst, een quadraat van negen, vermenigvuldigd met zich

zelf, met eenentachtig getallen op alle kanten, en diameter negen – dat

is het zeer goed! – Nu zal ik mij daarvan bedienen bij ieder quartier

der maan, dat ik vinden zal in dezelfde proporties van onkosten, die ik

aan suffumigationen maak, als negen staat tot het produkt van negen

gemultipliceerd met zich zelf. – Heden nacht zal ik niet meer vinden

dan twee of driemaal negen, wegens eene vijandige macht, die zich in

het huis der ascensie bevindt.”

„Maar, Dousterswivel!” zeide de onnoozele Baronet, „gelijkt dat niet op

tooverij? Ik ben een getrouwe, hoewel onwaardige zoon der Episcopale

kerk, en ik wil niets te doen hebben met den boozen geest.”

„Bah! Bah! – niets van tooverij! – niets daar van! – Het is alles

gegrond op den planetarischen invloed en de sympathie en kracht der

getallen. – Ik zal Uwé nog wel iets geheel anders zien laten. – Ik zeg

niet, dat geen geest daarbij is; wegens de suffumigation; maar als Uwé

niet bang is, zal hij niet onzichtbaar zijn.”

„Ik ben in het geheel niet verlangend, om hem te zien,” zeide de

Baronet, wiens moed, naar eene zekere trilling zijner stem te

oordeelen, aan een aanval van koorts scheen te lijden.

„Dat is jammer,” zeide Dousterswivel; „ik had Uwé gaarne den geest

laten zien, die dezen schat als een grimmige wachthond bewaart. – Doch

ik weet met hem om te gaan! – Uwé is dus niet nieuwsgierig om den geest

te zien?”

„In het geheel niet,” antwoordde de Baronet, als op onverschilligen

toon; „ik geloof, dat wij niet veel tijd over hebben.”

„Excuseer, mijn patroon! het is nog geen twaalf, en twaalf is juist het

planetarische uur; en ik kon Uwé intusschen den geest zien laten,

alleen tot genoegen. Zie, ik zou maar een vijfhoek in een kring

trekken, wat heel makkelijk is, en in het midden maakte ik mijne

suffumigation, en daar waren wij als in eene sterke burcht, en Uwé

zoudt het zwaard houden, terwijl ik de noodige woorden sprak. Dan zou

Uwé den vasten muur open zien gaan als de poort eener stad; en dan, –

wacht eens – ja, – dan zou Uwé eerst zien een hert, door drie

jachthonden vervolgd, die het nederwerpen als op de groote jacht van

den keurvorst, – en dan zou een leelijke, kleine, vuile, zwarte neger

verschijnen en de honden het hert afnemen, – en paf, – alles

verdwijnen! – Dan zou Uwé horens blazen hooren, dat al de ruïnen zouden

weêrgalmen, – ja, op mijn woord, zeer aardige jachtstukken zouden ze

spelen, zoo goed als de heer Fischer op zijne hoboe. – Recht zoo! – Dan

kwam een heraut, dien wij Ehrenhold noemen, die op de trompet blaast, –

en dan kwam de groote Peolphan, de Machtige Jager van het Noorden

genoemd, op zijn zwarten hengst; – maar Uwé verlangt niet, dit alles te

zien?”

„Wel, ik ben niet bang,” antwoordde de arme Baronet; „maar, – er

gebeuren soms wel groote ongelukken bij zulke gelegenheden?”

„Bah! – ongelukken? neen! bij gelegenheid, ja, als de kring niet zuiver

rond is, of de helpende toeschouwer bang wordt, en het zwaard niet vast

en recht op den grooten jager houdt, maakt deze er gebruik van, om hem

uit den kring te halen, en hem te worgen, – anders niet!”

„Nu dan, Dousterswivel, met het meeste vertrouwen in mijn eigen moed en

in uwe bekwaamheid, zullen wij ons van deze verschijning verschoonen en

tot onze bezigheid overgaan.”

„Van ganscher harte; mij kan het niet schelen; en de tijd is ook dáár.

– Belieft Uwé het zwaard te houden, tot ik het vuurtje heb aangelegd.”

„Dousterswivel stak hierop een klein hoopje spanen in brand, die

toebereid waren met eene harsachtige stof, om ze hevig te doen vlammen,

en toen het vuur op het helderste brandde, en voor een korten tijd met

zijn glans al de bouwvallen in het rond verlichtte, wierp de goudzoeker

er een handvol kruiden in, die een sterken en prikkelenden reuk

verspreidden. De bezweerder en zijn leerling werden er zoo zeer door

aangedaan, dat zij sterk hoesten en niezen moesten, en daar de dampen

zich tusschen de pilaren van het gebouw verspreidden, en door al de

reten drongen, hadden ze dezelfde uitwerking op den bedelaar en Lovel.

„Wat is dat voor een echo?” riep de Baronet, verwonderd over het

niezen, dat van boven weêrgalmde; „of,” – zich aan den goudzoeker

vasthoudende, – „kan het de geest ook zijn, van wien gij spraakt, die

onze onderneming tegen zijne verborgen schatten bespot?”

„N–n – neen,” stamelde de goudzoeker, die den schrik van zijn leerling

begon te deelen, „ik hoop van neen!”

Op het zelfde oogenblik bracht eene geweldige niesbui, die de bedelaar

niet weêrhouden kon, en welke bij geene mogelijkheid voor eene echo te

houden was, vergezeld van een hollen half onderdrukten hoest, de beide

schatgravers geheel en al van streek. „God sta ons bij!” riep de

Baronet.

„Alle guten Geister loben den Herrn!” gilde de verschrikte goudzoeker

uit. – „Ik denk,” vervolgde hij, na een oogenblik van stilzwijgen, „dat

het beter zou zijn dit bij daglicht te doen; – het beste ware, dat wij

van hier weggingen!”

„Lage bedrieger!” riep de Baronet, bij wien deze uitdrukkingen een

vermoeden deden ontstaan, dat zijn schrik overwon, daar het zich

vereenigde met het gevoel van wanhoop bij het gevaar van geheel en al

te gronde gericht te zijn; „bedriegelijke kwakzalver! dit is een uwer

streken, om u te ontslaan van het houden uwer belofte, zoo als gij dat

reeds zoo dikwijls gedaan hebt. Maar, bij den hemel! heden nacht wil ik

weten, waarop ik vertrouwde, toen ik mij tot mijn ongeluk met u inliet!

– ga dan voort! – en komen er duivelen of heksen, gij zult mij den

schat laten zien, of zelf bekennen een schurk en bedrieger te zijn, of,

bij het woord van een wanhopend en te gronde gericht man, ik zend u

naar een plaats, waar gij geesten genoeg zult zien!”

De schatgraver, evenzeer bevangen door den angst voor de

bovennatuurlijke wezens, door welke hij zich omringd geloofde, als voor

het verlies van zijn leven, dat in de macht stond van een wanhopig

geworden man, kon slechts uitbrengen: „Mijn patroon! dit is niet eene

allerbeste behandeling. – Bedenk, mijn geëerde heer Baron, dat die

geesten, –”

Hier liet Adam! die deel begon te nemen aan het kluchtige van het

tooneel, een akelig gehuil hooren, eene overdrijving en verlenging van

den weemoedigen klaagtoon, waarop hij gewoon was aalmoezen te vragen. –

Dousterswivel wierp zich op de knieën en steunde: „Beste Sir Arthur,

laat ons gaan, of laat mij gaan!”

„Neen, bedriegelijke schurk!” riep de Baronet, het zwaard, dat hij voor

de bezwering had medegebracht, uit de schede trekkende, „deze uitvlucht

zal u niet helpen! – Monkbarns waarschuwde mij reeds lang voor uwe

schelmsche streken; – ik wil den schat zien, eer gij deze plaats

verlaat, of gij zult u zelven een bedrieger verklaren, en doet gij dat

niet, waarlijk ik jaag u dit zwaard door het lijf, al zouden alle

geesten uit de hel rondom ons verrijzen!”

„In ’s hemels naam! heb geduld, mijn geëerde patroon! en Uwé zal al de

schatten hebben, die ik ken; ja – ja, voorwaar, Uwé zal ze hebben; –

maar spreek niet van de geesten, dat maakt hen boos!”

Adam Ochiltree maakte zich nu gereed, om een nieuw gehuil aan te

heffen, maar werd teruggehouden door Lovel, die meer belangstelling in

de zaak begon te gevoelen, toen hij het ernstige en bijna wanhopige

gedrag van Sir Arthur gadesloeg. Dousterswivel, terzelfder tijd bezield

met de vrees voor den boozen geest en voor het geweld van Sir Arthur,

speelde zijne rol van bezweerder buitengemeen slecht, daar hij de

genoegzame mate van kalm zelfvertrouwen niet durfde toonen, die noodig

was om den laatste te bedriegen. Hij rolde nochtans de oogen, mompelde

en stotterde vreemde bezweringen, verdraaide de gelaatstrekken en

ledematen, meer met wezenlijken angst, dan met overleg, en ging

eindelijk naar een hoek van het gebouw, waar een platte steen lag, met

de daarop uitgehouwen beeldtenis van een gewapenden krijgsman in

liggende houding. „Mijn patroon!” mompelde hij tegen Sir Arthur, –

„hier is het – God helpe ons!”

Sir Arthur, die, nadat het eerste oogenblik van bijgeloovige vrees

voorbij was, al zijne vermogens scheen te hebben opgewonden tot het

uiterste besluit, om het waagstuk door te zetten, verleende den

goudzoeker zijn bijstand, om den steen om te wentelen, wat zij met

vereenigde krachten, door middel van een hefboom, waarvan de goudzoeker

voorzien was, met moeite volbrachten. Geen bovennatuurlijk licht steeg

uit den grond op, om de onderaardsche schatten aan te wijzen, noch had

er eenige verschijning van geesten, aardsche of helsche, plaats. Maar

toen Dousterswivel, hevig bevende, een paar slagen met een houweel

gedaan, en in de haast een paar schoppen aarde uitgeworpen had, (want

de noodige werktuigen ter opdelving waren door hem medegebracht,)

hoorde men den klank van vallende stukken metaal; en Dousterswivel,

snel grijpende naar het voorwerp, dat dus geklonken had, en met de

schop uit de aarde was uitgeworpen, riep uit: „O, mijn beste, waardige

patroon! dit is alles – voorwaar! – ik meen alles, dat wij heden nacht

doen kunnen!” – En hij keek rond met een schichtigen blik, als om te

zien, uit welken hoek de wreker van zijn bedrog verrijzen zou.

„Laat zien,” zeide Sir Arthur; en herhaalde daarop met steeds

toenemenden, strengen ernst: „ik wil voldaan zijn: – ik zal met eigene

oogen zien en oordeelen!” Hij hield dan ook het voorwerp bij het licht

der lantaren. Het was een klein kistje, – maar Lovel kon uit de verte

niet duidelijk den vorm onderscheiden, – hetwelk hij, volgens de

uitroepingen van den Baronet, bij het opendoen, besloot, dat opgevuld

was met munten. „Ei zoo!” zeide de Baronet, „dit is inderdaad gelukkig,

en indien het een geëvenredigd goed geluk op grootere ondernemingen

voorspelt, zal het waagstuk geschieden. Die zeshonderd pond, die ik

opgenomen heb, gevoegd bij mijne andere schulden, moeten mij voorwaar

te gronde richten. – Gelooft gij, dat wij dit kunnen voorkomen door de

proef te hervatten, – bij de eerstvolgende verandering van maan, bij

voorbeeld, – dan zal ik het noodige voorschot wagen, hoe ik er ook aan

kome!”

„O mijn goede patroon!” antwoordde Dousterswivel „laat ons van dat

alles nu niet spreken; maar help mij den steen weder op zijn plaats

leggen, en dan zullen wij weg gaan.” – Dienovereenkomstig bracht hij,

zoodra zij met den steen klaar waren, Sir Arthur, die zich nu op nieuw

door hem liet leiden, van de plaats weg, waar een kwaad geweten en

bijgeloovige vrees den goudzoeker achter elken pilaar spoken deden

veronderstellen, loerende met het oogmerk, om hem voor zijn verraad te

straffen.

„Zag men ooit iets dergelijks?” zeide Adam, toen beiden gelijk schimmen

verdwenen waren door dezelfde poort, waardoor zij binnen gekomen waren;

– „zag men ooit iets dergelijks? – Maar wat kunnen wij doen voor dien

armen, dommen Baronet? – Toch toonde hij veel meer moed, dan ik bij hem

verwacht had; – ik dacht, dat hij den vreemden landlooper het koude

staal door het lijf gejaagd zou hebben. Sir Arthur was niet half zoo

moedig op Lijsjes Schoot; maar toen was zijn bloed niet warm, en dat

maakt een machtig onderscheid. Ik heb menig man gezien, die een ander

in drift zou overhoop gestoken hebben, en niet veel lust zou gehad

hebben, tegen het Crummie’s-hoorn op te klimmen. Maar wat zullen wij

voor hem doen?”

„Ik veronderstel,” zeide Lovel, „dat zijn vertrouwen op dezen kerel

weêr volkomen hersteld zal zijn door dit bedrog, dat zeer zeker te

voren beraamd was.”

„Wat! – het geld? – Ei ja, – geloof dat vrij! – Zij, die verbergen,

weten het best waar te vinden; – hij wacht maar, tot hij hem voor zijne

laatste guinje opgelicht heeft, om zich weg te pakken naar het land,

waar hij te huis behoort, die landlooper! Ik had grooten lust, om zoo

net van pas te komen en hem een klapje met mijn dikken stok te geven;

hij zou dat voor eene benedictie van den een of anderen der vorige

abten gehouden hebben. – Maar het is beter niet onvoorzichtig te zijn;

– langzaam gaat zeker; – vroeger of later vind ik hem!”

„Wat dunkt u er van, om den heer Oldbuck in te lichten?” zeide Lovel.

„Ja! dat weet ik niet! – Monkbarns en Sir Arthur gelijken elkander, en

toch gelijken zij elkander niet. Monkbarns heeft soms invloed op hem,

en soms bekreunt zich Sir Arthur even weinig om hem, als om mij.

Monkbarns is ook zelf in eenige dingen niet al te wijs. – Hij zou een

oud tweestuivers-stuk voor eene Romeinsche munt aannemen, zoo als hij

ze noemt, of eene gracht voor eene legerplaats houden, alleen op een

leugen, die er de leêgloopers van verzinnen. Ik zelf, God vergeve het

mij! heb hem menig fijn uitgedacht vertelsel voor goede munt

aangepraat. Maar met dat al, is hij zeer weinig toegeeflijk jegens

anderen; en hij is vlug en hard genoeg, om hen hunne dwaasheden te

verwijten, – alsof hij er zelf geene had! Hij zal u den geheelen dag

aanhooren, als gij hem vertelt van Wallace, en den blinden Hendrik, en

David Lindsay; maar gij moet hem niet spreken van spoken en heksen, of

geesten, die op de aarde rondwaren, of iets dergelijks. Hij heeft den

ouden Caxon bijna uit het venster gesmeten, (en hij had even goed hem

zijne beste pruik achterna kunnen smijten,) omdat hij hem vertelde, dat

hij een geest gezien had op den humlock-berg. En als hij het nu in dien

zin opnam, zou hij wellicht driftig worden en meer kwaad dan goed doen;

– dat is al een paar maal het geval geweest wat die mijnen betreft; –

het was, alsof Sir Arthur genoegen schepte om er zich dieper in te

steken, naarmate Monkbarns hem daartegen waarschuwde.”

„Hoe zoudt gij het dan vinden,” zeide Lovel, „indien, wij de zaken ter

kennis van Freule Wardour brachten!”

„Och, het arme kind! hoe zou zij haren vader beletten zijn zin te doen?

– En dan, wat zou het helpen? – Men spreekt reeds onder de menschen

over de zeshonderd pond, en een van de procureurs te Edinburg heeft Sir

Arthur reeds de sporen van de wet in de zijde gedrukt om hem te doen

betalen, en als hij het niet kan, moet hij òf in de gijzeling, òf het

land ruimen. Hij is wanhopig geworden, en grijpt naar deze kans, als

het eenige wat hem van den ondergang kan redden. Waartoe zou het dus

dienen, het arme meisje te plagen met iets, dat niet te verhelpen is? –

En buitendien, om de waarheid te zeggen zou ik niet gaarne het geheim

van deze plaats ontdekken. Het komt altijd te pas, zoo als gij zelf nu

ziet, om eene schuilplaats op eigen hand te hebben, en ofschoon ik er

nu geene meer noodig heb, en den hemel bid, dat ik niets doen zal, om

er weêr eene te behoeven, zoo kan toch niemand weten, aan welke

verzoeking hij blootgesteld zal worden. En, om kort te gaan, ik kan de

gedachte niet uitstaan, dat iemand iets van deze plaats zou weten. Men

zegt: bewaar een ding zeven jaren, en het zal u te pas komen; – en het

kan gebeuren, dat ik het hol noodig heb voor mij zelven, of iemand

anders.”

Deze reden, waarbij Adam Ochiltree, in weêrwil van zijne zedelessen en

vroome woorden, bijzonder gehecht scheen te zijn, zoowel uit gewoonte

als uit eigenbelang, kon niet goed door Lovel bestreden worden, die op

dat oogenblik het voordeel genoot van het geheim, over welks bewaring

de oude man zich zoo ongerust toonde.

Intusschen was dit avontuur voor Lovel van grooten dienst geweest, want

het had zijn geest afgeleid van de ongelukkige gebeurtenis van den

avond, en merkelijk de veerkracht zijner ziel hersteld, die hem bij het

eerste gezicht van zijn ongeluk verlaten had. Hij bedacht zich, dat het

geenszins noodzakelijk volgde, dat eene gevaarlijke wonde doodelijk

was; – dat men hem van de plaats weggebracht had, zelfs eer de wondarts

een woord over den toestand van Kapitein M’Intyre gezegd had, – en dat

ook, als het ergste gebeurde, hem plichten op aarde te vervullen

bleven, die, zoo zij de zielskalmte, of het gevoel der onschuld al niet

konden herstellen, altijd een beweeggrond zouden opleveren, om zijn

leven te verduren, en het ter zelfder tijd aan de meest werkzame

weldadigheid toe te wijden.

Zoo waren de gevoelens van Lovel, toen het uur naderde, waarop, volgens

de berekening van Adam Ochiltree, die ten gevolge van zijne opmerkingen

aangaande den loop der sterren, den bijstand van uurwerk of een anderen

tijdmeter niet behoefde, het zaak was, om hunne schuilplaats te

verlaten, en zich naar het strand te begeven, om de boot van Luitenant

Taffril, overeenkomstig de afspraak, te ontmoeten.

Zij keerden langs denzelfden gang terug, die hen tot de geheime

zitplaats der voormalige abten gebracht had; en toen zij uit de grot in

het bosch kwamen, kondigde het geluid, en zelfs het gezang der vogelen

den reeds naderenden dageraad aan. Hierin werden zij bevestigd door de

licht gele wolken, welke zich over de zee vertoonden, zoodra zij, toen

zij het bosch achter zich hadden, een vrij gezicht op den horizon

kregen. Het morgenuur, hetwelk men zegt dat de zanggodinnen gunstig is,

heeft waarschijnlijk deze eigenschap verkregen door zijne uitwerking op

de verbeeldingskracht en de gevoelens der menschen. Zelfs voor hen,

die, gelijk Lovel, een slapeloozen en angstigen nacht hebben

doorgebracht, is de morgenkoelte eene versterking en verkwikking voor

geest en lichaam. Met nieuwe krachten bezield, stapte dus Lovel,

aangevoerd door den trouwen bedelaar, wakker en opgeruimd, door den

dauw over de duinen, welke de Den of het woud van St. Ruth, zoo als de

bosschen, die de bouwvallen omgeven, algemeen genoemd werden, van het

zeestrand scheidden.

Toen hare schitterende schijf uit den Oceaan begon te verrijzen, vielen

de eerste stralen der zon op den kleinen oorlogsbrik, die op de reê

lag. Aan het strand bevond zich de wachtende boot reeds, en Taffril

zelf, in zijn mantel gehuld, zat aan het roer. Hij sprong uit de boot,

zoodra hij den bedelaar met Lovel zag naderen, en den laatste hartelijk

de hand schuddende, verzocht hij hem niet neêrslachtig te zijn.

„M’Intyre’s wond,” – zeide hij, – „was bedenkelijk, maar waarschijnlijk

niet doodelijk.” – Hij had zorg gedragen om het goed van Lovel in

stilte aan boord van den brik te doen brengen; en hij vertrouwde, dat,

als Lovel op het schip verkoos te blijven, de straf van een klein

tochtje het eenige onaangename gevolg van deze ontmoeting zou zijn. Wat

hem zelven betrof, zijn tijd en zijne bewegingen waren grootendeels

vrij, uitgezonderd de noodzakelijke verplichting van op zijn station te

blijven.

„Wij zullen over onze verdere bewegingen spreken,” zeide Lovel, „zoodra

wij aan boord zijn.”

Daarop zich naar Adam wendende, trachtte hij hem wat geld in de hand te

drukken. „Ik geloof,” zeide Adam, terwijl hij het terug wilde geven,

„dat alle menschen hier gek zijn geworden, of dat zij mijn ambacht te

gronde richten willen, even als men zegt, dat te veel water den

molenaar verdrinkt. Men heeft mij in deze laatste paar weken meer goud

aangeboden, dan ik ooit vroeger in mijn leven gezien heb. Bewaar uw

geld, jongeling! gij zult het noodig hebben, geloof mij, en ik behoef

het niet. Voor mijne kleederen heb ik niet veel noodig, en ik krijg

alle jaar een blauwen rok, en juist zoo veel zilveren

vierstuivers-stukken, als de Koning, God zegene hem, jaren oud is! Gij

en ik dienen denzelfden heer, zoo als gij weet, Kapitein Taffril! Wij

krijgen onze uitrusting, – en eten en drinken heb ik voor het vragen

als ik rondga, of, is er iets buitengewoons te doen, dan kan ik er een

paar dagen buiten; want mijn regel is, om nooit te betalen: – zoodat al

het geld, dat ik noodig heb, alleen dient om tabak en snuif te koopen,

en soms een slokje bij koud weêr, ofschoon ik geen jeneverdrinker ben,

al ben ik een oude bedelaar. Dus neem uwe goudstukken terug, en geef

mij een blanken schelling.”

Van deze eigenzinnige begrippen, die zoo als Adam zich verbeeldde, ten

nauwste in verband stonden met de eer van zijn beroep, was hij niet af

te brengen en was noch door drangredenen noch door bidden daartoe te

bewegen, en Lovel was dus verplicht, zijne gift weêr op te steken, en

een vriendelijk afscheid van den bedelaar te nemen; hij gaf hem dus de

hand en betuigde hem zijn hartelijken dank voor den gewichtigen dienst,

welken hij hem bewezen had; terwijl hij hem ter zelfder tijd

geheimhouding aanbeval van hetgeen zij dien nacht gezien hadden. –

„Twijfel daar niet aan,” zeide Ochiltree; „nooit in mijn leven vertelde

ik iets uit gindsch hol, ofschoon ik er menig aardig stukje in beleefd

heb.”

De boot stak nu in zee. De oude man bleef haar nakijken, terwijl zij

snel naar den brik vloog, door de riemen van zes wakkere roeiers

gedreven, en Lovel zag hem op nieuw zijne blauwe muts zwaaien tot

teeken van afscheid eer hij zich omwendde en zijn weg langzaam langs

het strand vervolgde, als om zijne dagelijksche rondzwervingen te

hervatten.

De oudheidkenner · 第 26 / 54 题