TWINTIGSTE HOOFDSTUK

– Indien gij de eer veracht,

Vermeet u niet haar verder dan te dienen;

Roem niet meer op onbevlekte wapenen;

En de eervolle naam van wakker krijgsman

Ontvalt u, als der eere lauwerkrans,

Dond’rend van een onwaardig hoofd geslagen!

Een eerlijke twist.

In den vroegen morgen van den volgenden dag liet zich een heer

aanmelden bij den heer Lovel, die op en gereed was, om hem te

ontvangen. Het was een officier, een vriend van kapitein M’Intyre, voor

het oogenblik te Fairport om rekruten te werven. Lovel kende hem

eenigermate. „Ik veronderstel, mijnheer,” zei de heer Lesley, (want zoo

heette zijn bezoeker), „dat gij de reden gissen zult, waarom ik u zoo

vroeg kom lastig vallen.”

„Eene boodschap, zoo als ik veronderstel, van kapitein M’Intyre?”

„Juist: – hij houdt zich beleedigd door de wijze, waarop gij gisteren

geweigerd hebt eenige vragen te beantwoorden, tot welke hij zich

gerechtigd oordeelt ten aanzien van iemand, dien hij in gezelschap met

zijne naastbestaanden vond.”

„Mag ik u vragen, mijnheer Lesley, of gij u zoudt geneigd gevoeld

hebben, om vragen te beantwoorden, die u op zulk een hoogen en

onbeleefden toon gedaan werden?”

„Misschien niet; en daarom, daar ik de drift van mijn vriend M’Intyre

bij dergelijke gelegenheden ken, wenschte ik zeer als vredestichter op

te treden. Daar de heer Lovel alleszins het voorkomen heeft van een

fatsoenlijk man, zou het iedereen natuurlijk alleraangenaamst zijn, als

hij die soort van dubbelzinnigen schijn wilde vermijden, welke degene

pleegt te volgen, van wien men niet volledig weet, wie hij is. Indien

hij mij dus, als aan een gemeenschappelijken vriend wilde veroorloven,

zijn wezenlijken naam aan kapitein M’Intyre mede te deelen; – want wij

moeten opmaken, dat die van Lovel aangenomen is, –”

„Vergeef mij, mijnheer! ik kan die gevolgtrekking niet goedkeuren.”

„Of ten minste,” zeide Lesley voortgaande, „dat het niet de naam is,

onder welken de heer Lovel zich altijd onderscheiden heeft. Als de heer

Lovel de goedheid wilde hebben, om deze omstandigheid op te helderen,

wat hij, ook naar mijn gevoelen, behoorde te doen ter rechtvaardiging

van zijn eigen karakter, zoo neem ik de vereffening van deze

onaangename zaak op mij.”

„Dat wil zeggen, mijnheer Lesley, dat, wanneer ik toestem, om op vragen

te antwoorden, die men geen recht heeft mij te doen, en welke nu

geopperd worden, op straf van kapitein M’Intyre’s ongenoegen, kapitein

M’Intyre zoo goed zal zijn, om voldaan te zijn? – Mijnheer Lesley, ik

heb maar één woord over dit onderwerp te zeggen: ik twijfel niet, of

mijn geheim, indien ik er een had, zou veilig aan uwe eer kunnen

toevertrouwd worden maar ik gevoel mij niet geneigd, om de

nieuwsgierigheid te voldoen van wien het ook zij. Kapitein M’Intyre

ontmoette mij in een gezelschap, dat reeds op zich zelf mij bij

iedereen, en vooral bij hem, als fatsoenlijk man moest aanbevelen. Hij

heeft, naar mijn begrip, geen recht, om verder te gaan, of naar den

stamboom, den rang of de omstandigheden van een vreemdeling te vragen,

die, zonder eenige nauwere betrekking tot hem of de zijnen te zoeken,

toevallig bij zijn oom komt eten, of met zijne zuster gaat wandelen.”

„In dat geval, verzoekt kapitein M’Intyre u in aanmerking te nemen, dat

uwe verdere bezoeken op Monkbarns zoo wel als alle omgang met jufvrouw

M’Intyre moeten gestaakt worden, daar die hem onaangenaam zijn.”

„Ik zal zeer zeker,” zeide Lovel, „mijnheer Oldbuck gaan bezoeken, zoo

dikwerf het mij gelegen komt, zonder in het minst acht te slaan op de

bedreigingen en de gevoeligheid van zijn neef. Ik eerbiedig den naam

van de jonge dame te zeer (hoe weinig ik haar ook ken), om dien in een

dergelijken twist te mengen.”

„In dat geval, verzoekt kapitein M’Intyre, dat de heer Lovel, als hij

niet wenscht te worden bekend gemaakt als iemand op wien zeer

ergerlijke verdenkingen rusten, hem te willen begunstigen met eene

ontmoeting heden avond, tegen zeven ure, bij den doornboom in het

kleine dal, dicht bij de bouwvallen van St. Ruth.”

„Ik zal hem zeker opwachten. Er is slechts ééne zwarigheid: – ik moet

een vriend vinden, om mij te vergezellen, en waar er een te zoeken

binnen deze korte tijdruimte, daar ik geene kennissen te Fairport heb,

weet ik niet; – ik zal mij echter op de plaats bevinden, kapitein

M’Intyre kan er op rekenen.”

Lesley had den hoed genomen, en was reeds aan de deur van het vertrek,

toen hij, als getroffen door de eigenaardigheid van Lovel’s toestand,

terugkeerde, en hem weder aansprak: „mijnheer Lovel, er is in dit alles

iets zoo zonderlings, dat ik niet over mij verkrijgen kan, niet nog

ééns op de zaak terug te komen. Gij moet zelf op dit oogenblik

gevoelen, hoe lastig het voor u is om uw incognito te bewaren, voor

hetwelk ik overtuigd ben, dat geen onteerende reden bestaan kan.

Intusschen maakt deze geheimzinnigheid het moeielijk voor u, den

bijstand te verkrijgen van een vriend op een beslissend oogenblik,

waarop die zoo noodzakelijk is; – ja, vergun mij er bij te voegen, dat

zeer velen het zelfs als een blijk van overdreven eergevoel in M’Intyre

zullen aanmerken, dat hij u eene ontmoeting geeft, terwijl uw karakter

en uwe omstandigheden zoo raadselachtig schijnen.”

„Ik begrijp, waar gij heen wilt, mijnheer Lesley,” hervatte Lovel; „en

ofschoon ik mij zou kunnen beleedigd achten door uwe

veronderstellingen; ben ik het echter niet, omdat ze welgemeend zijn.

Maar, naar mijn oordeel, kan diegene aanspraak maken op al de

voorrechten van een fatsoenlijk man, wien men, zoolang men hem kent,

niets onbetamelijks of onfatsoenlijks kan te laste leggen. Wat een

vriend betreft, ik hoop, dat ik den een of ander vinden zal, om mij den

gevorderden dienst te bewijzen; en indien hij al minder ondervinding

van dergelijke zaken moge hebben, dan wenschelijk is, zoo ben ik altoos

verzekerd, dat ik door die omstandigheid niet verliezen zal als gij u

op de strijdplaats, al is het ook aan de zijde van mijn tegenstanders,

bevindt.”

„Dat vertrouw ik ook,” zeide Lesley; „maar daar ik voor mij zelven

wenschen moet, zulk eene zware verantwoordelijkheid met een anderen

bekwamen vriend te deelen, zoo vergun mij te zeggen, dat de oorlogsbrik

van den luitenant Taffril op de reede aangekomen is, en dat hij zelf

zich bij den ouden Caxon bevindt, waar hij logeert. Ik geloof, dat gij

hem ongeveer zoo veel kent, als mij; en daar ik ongetwijfeld u

denzelfden dienst gaarne zou bewezen hebben, als ik niet voor de andere

partij in de zaak betrokken was, ben ik zeker, dat ook hij op uw eerste

verzoek gereed zal zijn.”

„Dus bij den doornboom, mijnheer Lesley, heden avond te zeven ure: – de

wapens, veronderstel ik, zijn pistolen?”

„Juist! M’Intyre heeft dit uur verkozen, omdat hij dan het best van

Monkbarns ontsnappen kan. Hij was heden morgen om vijf uur bij mij, om

terug te keeren en tegenwoordig te zijn eer zijn oom opstond. Ik wensch

u goeden morgen, mijnheer Lovel” – en Lesley verliet het vertrek.

Lovel was zoo moedig als een mensch maar zijn kan; maar niemand kan bij

zich zelven over zulk een beslissend oogenblik, als thans op handen

was, nadenken, zonder een gevoel van ontzagwekkenden ernst. Binnen

weinige uren kon hij in eene andere wereld zijn, om rekenschap te geven

van eene daad, welke, bij bedaard nadenken, uit een godsdienstig

oogpunt niet te rechtvaardigen was; of hij kon op aarde ronddolen als

een Kaïn, met het teeken van den broedermoord op het voorhoofd. En dit

alles kon hij voorkomen door het spreken van één enkel woord. Maar dan

fluisterde de trots hem in, dat men, als hij dit woord nu uitsprak, dat

aan eene beweegreden zou toeschrijven, die hem meer zou verlagen, dan

de meest beleedigende verdenking, tot welke zijn stilzwijgen aanleiding

kon geven. Iedereen, Isabella Wardour zelve, moest hem dan ook, dacht

hij, voor een lagen en onteerden lafaard houden, die, door de vrees

voor eene ontmoeting met kapitein M’Intyre gedreven, de opheldering

gaf, welke hij aan de bedaarde en beleefde verzoeken van den heer

Lesley geweigerd had. M’Intyre’s onbeschoft gedrag tegen hemzelven, de

aanmatigende manieren, die hij zich omtrent Isabella Wardour

veroorloofd had, en de alles te bovengaande onbillijkheid en

onbeleefdheid zijner vragen omtrent iemand, die hem geheel vreemd was,

schenen Lovel te rechtvaardigen in zijne weigering om aan zijne

onrechtvaardige eischen te voldoen. In ’t kort, hij nam het besluit,

dat men van zulk een jongen man kon verwachten, om, namelijk, de oogen

zijner meer bedaarde rede te sluiten, en de ingeving van zijn

beleedigden trots te volgen. Met dit voornemen zocht hij den luitenant

Taffril op.

De luitenant ontving hem met al de beleefdheid van een fatsoenlijk man

een al de rondborstigheid van den zeeman, en hoorde, niet zonder

verwondering, de bijzonderheden aan, welke Lovels verzoek voorafgingen,

dat hij hem bijstaan wilde bij zijne ontmoeting met kapitein M’Intyre.

Toen hij geëindigd had, stond Taffril op; en wandelde een paar maal in

het vertrek op en neêr.

„Dit is eene zonderlinge zaak,” zeide hij, „en inderdaad, –”

„Ik begrijp, mijnheer Taffril, hoe weinig ik gerechtigd ben tot het

doen van mijn tegenwoordig verzoek; maar de drang der omstandigheden

laat mij bijna geene keuze over.”

„Sta mij eene vraag toe,” zeide de zeeman; „is er iets, waarover gij u

schaamt, in de omstandigheden, welke gij weigert mede te deelen?”

„Op mijn woord van eer, neen! er is niets in, dan wat ik vertrouw, dat

ik binnen zeer korten tijd aan de geheele wereld zal kunnen openbaren.”

„Ik hoop, dat uwe geheimhouding niet ontstaat uit valsche schaamte over

den nederigen stand van uwe vrienden, of betrekkingen?”

„Neen, op mijn woord!” hernam Lovel.

„Ik kan mij in zulke dwaasheden niet wel voegen,” zeide Taffril

„inderdaad, men zou die bij mij niet veronderstellen kunnen, want ik

ben, wat mijne afkomst betreft, zoo te spreken, van vóór den mast

gekomen, en denk weldra eene verbintenis aan te gaan, die de wereld

vernederend genoeg vinden zal, met een zeer beminnelijk meisje, dat ik

leerde kennen toen wij buren waren, op een tijdstip, dat ik weinig

dacht aan het geluk, dat mij in den dienst voorthielp.”

„Ik verzeker u, mijnheer Taffril, dat, welke ook de stand mijner ouders

ware, ik nimmer er aan denken zou, om dien uit kleingeestigen trots te

verbergen. Maar mijn toestand is van dien aard, dat ik de vrijheid niet

heb, vooralsnog van mijne familie te spreken.”

„Dat is meer dan genoeg,” zei de eerlijke zeeman; „geef mij de hand; ik

zal trachten u door deze zaak te helpen, zoo goed ik kan, ofschoon het

altijd een zeer onaangenaam iets is – maar wat doet dat er toe? Onze

eigen eer is ons, na die van ons land, het naaste; – gij zijt een

flinke jongen, en ik beken, dat de heer Hector M’Intyre, met zijn

langen stamboom en zijn familietrots, mij voorkomt zeer veel van een

kwast te hebben. Zijn vader was een arme krijgsman, even als ik; – hij

zelf, geloof ik, is weinig meer, als zijn oom hem niet voort helpt, –

en of iemand het geluk ter zee of te land volgt, daarin, zou ik denken,

is weinig onderscheid!”

„Volstrekt geen!” antwoordde Lovel.

„Kom,” zei zijn nieuwe bondgenoot, „wij zullen samen eten en het

noodige voor de ontmoeting beramen. Ik hoop, dat gij u goed van het

pistool weet te bedienen?”

„Niet bijzonder,” antwoordde Lovel.

„Dat doet mij leed, – M’Intyre, zegt men, schiet scherp.”

„Dat spijt mij,” zeide Lovel, „zoowel voor hem, als voor mij; – ik moet

dus uit zelfverdediging mijn best doen.”

„Wel,” voegde er Taffril bij, „ik zal onzen chirurgijn medenemen; – het

is een goede, knappe jongen om eene wond te kalefateren. Ik zal Lesley,

die voor een soldaat een ronde vent is, doen weten, dat de dokter beide

partijen ten dienste staat. – Is er nog iets, dat ik voor u doen kan,

in geval van een ongeluk?”

„Ik heb slechts weinig, waarmede ik u lastig zal vallen,” zeide Lovel;

„dit kleine briefje bevat den sleutel van mijne schrijftafel, en van

mijn geheim; – er is één brief in de schrijftafel,” eene onwillekeurige

opwelling onderdrukkende, „dien ik u verzoek de goedheid te willen

hebben, eigenhandig af te geven.”

„Ik begrijp u,” zei de zeeman; „neen, vriend, schaam u daarover niet –

een liefderijk hart mag voor een oogenblik overloopen, als het schip

voor den slag gereed is; – en verlaat u op mij, wat ook uw wensch zijn

moge, Taffril zal dien beschouwen als den laatsten wil van een

stervenden broeder. Maar dit is alles onzin: – wij zullen de wapens

behoorlijk in orde brengen en gij eet om vier uur met mij en mijn

kleinen chirurgijn in de herberg hier over de deur.”

„Afgesproken!” zeide Lovel.

„Afgesproken!” zeide Taffril; en de zaak was afgedaan.

Het was een schoone zomeravond, en de schaduw van den eenzamen

doornboom verlengde zich op de groene oppervlakte der smalle vallei,

die door de wouden omgeven was, waar binnen zich de bouwvallen van St.

Ruth bevonden.

Lovel en de luitenant Taffril, met den wondarts, betraden de plaats met

een doel, welks aard zeer in strijd was met de rust en den vrede, die

er, vooral op dezen tijd van den dag, heerschte. De schapen, welke,

gedurende de brandende hitte, in de kloven en diepten der rotsachtige

hoogten, of onder de wortels der oude holle bomen, geschuild hadden,

waren nu verspreid op de hellingen der bergen, om hun avondvoedsel te

zoeken, en blaatten elkander toe met dat eentonig treurig geluid, dat

te gelijk aan het landschap leven geeft, en de eenzaamheid doet

gevoelen. Taffril en Lovel vervolgden, in een ernstig gesprek

gewikkeld, hun weg, daar zij, uit vrees van ontdekt te worden, hunne

paarden, met den knecht van den luitenant, naar de stad terug gezonden

hadden. Hunne tegenpartij was nog niet op de kampplaats verschenen.

Maar, toen zij er kwamen, zat er, op den wortel van den ouden boom, een

man, zoo krachtig in zijne grijsheid, als de met mos begroeide, maar

sterke en knoestige takken, die zich boven hem uitstrekten. Het was de

oude Ochiltree. „Dit is lastig genoeg,” zeide Lovel „hoe komen wij van

den ouden man af?”

„Hier, vader Adam!” riep Taffril, die den bedelaar van ouds herkende;

„hier is een daalder voor u; – gij moet ginds naar de Vier Hoefijzers

gaan, – de kleine herberg, die gij kent, en vragen naar den knecht met

blauw en gele liverei. Als hij nog niet gekomen is, moet gij op hem

wachten en hem zeggen, dat wij binnen een uur bij zijn meester zullen

zijn. In elk geval blijft gij daar, tot wij terug zijn, – en nu pak op!

– Kom, kom ligt je anker!”

„Dank voor uwe aalmoes,” zeide Ochiltree, het geldstuk in den zak

stekende; „maar vergeef het mij, mijnheer Taffril, ik kan op dit

oogenblik uwe boodschap niet doen.”

„Waarom niet man? Wat zou u beletten?”

„Ik wilde een woord met den jongen heer Lovel spreken.”

„Met mij?” vroeg Lovel; „wat hebt gij mij te zeggen. Kom, spreek maar

op, en maak het kort!”

De bedelaar leidde hem eenige weinige schreden ter zijde. „Zijt gij aan

Monkbarns iets schuldig?”

„Schuldig! – Wel neen! – Wat beteekent dat? – hoe komt gij op die

gedachte?”

„Gij moet weten, dat ik vandaag aan het huis van den Sheriff was; want,

de hemel helpe mij! ik dwaal langs den weg als een onrustige geest, –

en wie denkt gij, dat daar aan kwam rijden in een wagen? Wel, Monkbarns

geheel alleen! nu is het geene kleinigheid, die mijnheer Oldbuck een

wagen en postpaarden doet nemen, twee dagen achter elkander!”

„Goed, goed; maar wat gaat mij dat alles aan?”

„O, gij zult het hooren, dadelijk hooren. – Wel, Monkbarns ging

afzonderlijk met den Sheriff; al wat arm volk was, moest buiten

blijven; – gij weet toch, hoe beleefd de groote heeren altijd onder

elkander zijn –”

„Om ’s Hemels wil, mijn oude vriend!”

„Waarom zegt gij niet liever ronduit loop naar den drommel! mijnheer

Lovel. Dat zou meer gepast zijn, dan op die ongeduldige wijze van den

hemel te spreken.”

„Maar ik heb hier dringende zaken met den luitenant Taffril af te

doen.”

„Wel, wel, alles op zijn tijd, – ik mag een weinig vrijheid nemen met

mijnheer Daniel Taffril; ik heb lang geleden veel houten dingen voor

hem gemaakt; want ik arbeidde in hout en was ook ketellapper er bij.”

„Gij zijt gek, Adam, of zoekt mij dol te maken.”

„Geen van beide,” zeide Adam, eensklaps zijne slepende bedelaars dreun

in een korten en beslissenden toon veranderende; „de Sheriff zond om

zijn klerk, en daar de jongen vrij los van tong is, vernam ik, dat het

was ter uitvaardiging van een bevelschrift, om u te vatten; – ik dacht

wegens schulden; want iedereen weet, die heer laat niemand gaarne de

hand in zijn zak steken. – Maar nu mag ik wel zwijgen; want ik zie den

jongen M’Intyre en mijnheer Lesley aankomen, en ik gis, dat Monkbarns

oogmerk goed was, en dat het uwe veel slechter is, dan het behoorde te

zijn.”

De partijen naderden thans, en groetten elkander met de ernstige

beleefdheid, die de omstandigheden eischten. „Wat doet deze oude knaap

hier?” vroeg M’Intyre.

„Ik ben wel een oude knaap,” antwoordde Adam; „maar ik ben ook een oud

soldaat van uw vader; – want ik diende met hem bij het 42ste regiment.”

„Gij moogt gediend hebben waar gij wilt, gij hebt geen recht om u hier

op te dringen,” hernam M’Intyre, „of” – en hij hief den stok op om hem

te verschrikken, ofschoon zonder het oogmerk, om den ouden man aan te

raken. Maar Ochiltree’s moed was door de beleediging gaande gemaakt.

„Houd uw stokje maar voor u, kapitein M’Intyre! Ik ben een oud soldaat,

zoo als ik u zeide, en ik zal veel van uw vaders zoon verdragen; maar

raak mij niet aan met uw rotting zoo lang mijn eigen stok heel is!”

„Wel, wel, ik had ongelijk; – ik had ongelijk,” zeide M’Intyre; „hier

is een daalder voor u, ga maar weg – maar wat is er nu te doen?”

De oude man verhief zich tot zijne volle buitengewone lengte, en

geleek, in weêrwil van zijne kleeding, die inderdaad meer had van die

eens pelgrims, dan van een gewonen bedelaar, door zijne gestalte,

manieren, en de waardigheid zijner stem en gebaren, veeleer op een

grijzen monnik, of preekenden kluizenaar en raadgever der jonge lieden,

die in het rond stonden, dan wel op een voorwerp van hunne

liefdadigheid. Zijne taal was, wel is waar, ongekunsteld en eenvoudig

als zijne kleeding; maar even stout en vrijmoedig, als zijne houding

deftig en vol waardigheid was. „Jongelingen! waarom kwaamt hij hier?”

sprak hij, zich tot de verwonderde toehoorders wendende; „zijt gij

gekomen te midden van de liefelijkste werken van God, om daar zijne

wetten te schenden? – Hebt gij daarom de werken der menschen verlaten,

de huizen en steden, die slechts klei en stof zijn, gelijk zij, die ze

oprichtten; en zijt gij hier gekomen te midden der vreedzame bergen, en

bij de rustige wateren, – die duren zullen zoo lang het aardsche

bestaat, – om elkander het leven te benemen, dat in den loop der natuur

toch zoo kort duurt, om er eene lange rekenschap van te geven, als het

eenmaal uitgebluscht is?”

„O, heeren! hebt gij broeders, zusters, vaders, die u verzorgden, en

moeders, die voor u hebben geleden, – vrienden, die u als een stuk van

hun eigen hart beschouwen? En is dit de weg, dien gij inslaat, om hen

kinderloos en broederloos te maken, en hen van hunne vrienden te

berooven? – Och! het is een slechte strijd, waarin hij, die overwint,

de ongelukkigste is. Bedenkt dit, kinderen! – Ik ben een arme man; –

maar ik ben ook een oud man, en wat mijne armoede aan het gewicht van

mijn raad beneemt, wordt twintigmaal vergoed door grijze haren en een

oprecht u toegenegen hart. – Gaat naar huis, gaat naar huis! – De

Franschen zullen eerstdaags komen, om ons uit te plunderen, en gij zult

genoeg te vechten hebben; en misschien sukkelt de oude Adam zelf nog

meê, als hij eenig geschikt steunpunt kan vinden, om er zijn geweerloop

over te leggen, – en moge hij het dan nog beleven, te verhalen, wie van

u zich het best gekweten heeft, als het eene goede zaak gold.”

Er was iets in de onverschrokken en onafhankelijke wijze van handelen,

in de stoute gevoelens en manhaftige, ruwe welbespraaktheid van den

grijsaard, dat diepen indruk op de partijen maakte, en voornamelijk op

de secondanten, die niet door hun trots aangespoord waren, om den twist

tot eene bloedige beslissing te brengen, en die integendeel, hartelijk

naar eene gelegenheid verlangden, om op eene verzoening aan te dringen.

„Op mijn woord, mijnheer Lesley,” zeide Taffril, „de oude Adam spreekt

als een orakel. – Onze vrienden hier waren gisteren zeer driftig, en

dus natuurlijk zeer dwaas. – Vandaag behoorden zij koelbloedig te

wezen, of wij, ten minste, moesten het voor hen zijn. Mij dunkt, alles

moest van weêrszijden vergeven en vergeten wezen; wij zullen elkander

allen de hand geven, onze schoten in de lucht doen, en naar huis gaan,

om samen in de herberg te soupeeren.”

„Dat raad ik ook aan,” zeide Lesley; „want, met zeer veel drift en

knorrigheid van weerskanten, beken ik mij niet in staat, eenigen

redelijken grond van twist te ontdekken.”

„Heeren!” zeide M’Intyre, zeer koel, „dit alles had men van te voren

moeten bedenken. Naar mijn begrip, zouden menschen, die eene zaak van

dezen aard zoo ver doorgedreven hebben als wij, en dan uit elkander

gingen zonder ze verder door te zetten, zeer vroolijk in de herberg

kunnen gaan eten; maar den volgenden morgen zouden zij met een naam

opstaan, even gehavend als de kleeding van onzen vriend hier, die ons

verplicht heeft met eene vrij onnoodige tentoonspreiding van zijne

welsprekendheid. Ik spreek voor mij zelven, maar ik gevoel mij

gedrongen, u te verzoeken, zonder langer verwijl een einde aan de zaak

te maken.”

„En,” zeide Lovel, „daar ik nooit eenig uitstel gewenscht heb, moet ik

ook deze heeren verzoeken, de noodige schikkingen zoodra mogelijk te

maken.”

„Kinderen, kinderen!” riep de oude Ochiltree; maar merkende, dat men

niet langer naar hem luisterde, – „dolkoppen, moest ik zeggen, – maar

uw bloed kome op uwe eigene hoofden!” – En de oude man verwijderde zich

van den grond, die nu door de secondanten afgemeten werd, en ging voort

bij zich zelven te pruttelen en zijne verontwaardiging en angst te

uiten, die met een diep gevoel van pijnlijke nieuwsgierigheid vermengd

waren. Zonder verder op zijne tegenwoordigheid en vertoogen acht te

slaan, maakten de heer Lesley en de Luitenant de noodige beschikkingen

voor het tweegevecht, en men kwam overeen, dat beide partijen vuur

zouden geven, zoodra de heer Lesley zijn zakdoek liet vallen.

Het noodlottige teeken werd gegeven, en beide vuurden bijna op

hetzelfde oogenblik. De kogel van den kapitein M’Intyre vloog dicht

langs de zijde van zijne tegenpartij, maar zonder hem te raken. Die van

Lovel ging juister naar het doel; M’Intyre wankelde en viel. Terwijl

hij zich op den arm verhief, was zijn eerste uitroep: „Het is niets; –

het is niets; – geeft ons de andere pistolen!” Maar op hetzelfde

oogenblik zeide hij op zachteren toon „Ik geloof dat ik genoeg heb, en

wat nog erger is, ik vrees dat ik het verdien. Mijnheer Lovel, of hoe

uw naam ook zij, vlucht, en red u; – getuigt gij allen, dat ik de

aanleiding gaf tot alles.” Toen op nieuw op zijn arm steunende, voegde

hij er bij: „Geef mij de hand, Lovel! – ik houd u voor een fatsoenlijk

man, – vergeef mijne lompheid, en ik vergeef u mijn dood. – Mijne arme

zuster!”

De wondarts kwam, om zijne rol in het treurspel te verrichten, en Lovel

stond met een ontroerd en verwilderd oog te staren op de ellende,

waarvan hij de werkdadige, hoewel de onwillige oorzaak geweest was.

Eindelijk werd hij uit zijne verbijstering gerukt door den bedelaar,

die hem bij den arm pakte. – „Waarom staat gij te gapen op hetgeen

gedaan is? – Wat beslist is, is beslist! – Gedane zaken hebben geen

keer! Maar weg, weg met u, indien gij uw jong bloed van een

schandelijken dood wilt redden. – Ik zie de lieden ginds, die te laat

komen, om u te scheiden; – maar toch, meer dan vroeg genoeg, om u in de

gevangenis te sleepen!”

„Hij heeft gelijk! – hij heeft gelijk!” riep Taffril; „gij moet niet

beproeven den straatweg te houden; – blijf tot van nacht in het bosch.

Mijn brik zal tegen dien tijd onder zeil zijn, en om drie uren in den

morgenstond, als het getij gunstig is, zal ik de boot bij de Mosselklip

zenden, om u te wachten.”

„O ja, vlucht, vlucht!” herhaalde de gewonde, terwijl stuipachtige

snikken zijne woorden belemmerden.

„Kom met mij,” zei de bedelaar, Lovel meêsleepende; „het plan van den

kapitein is het beste; – ik zal u naar eene plaats brengen, waar gij

inmiddels veilig zoudt zijn, al zochten zij u met speurhonden.”

„Ga, ga!” herhaalde de luitenant Taffril dringend; „hier te blijven zou

loutere dwaasheid zijn.”

„Het was erger dan dwaasheid, hier te komen,” zeide Lovel, hem de hand

drukkende. – „Maar vaarwel!” en hij volgde Ochiltree in het dichtste

van het bosch.

De oudheidkenner · 第 25 / 54 题