NEGENTIENDE HOOFDSTUK

Hier had eene onstuimige ontmoeting plaats,

Tusschen mijn neef den kapitein, en dezen krijgsman,

Over ik weet niet wat! een niets voorvaar;

Mededinging, rang en vergelijkingen

Van krijgsroem! –

Een eerlijke twist.

De aandachtige toehoorders bedankten de schoone schrijfster van

bovenstaand volksverhaal met de de noodige beleefdheid. Oldbuck alleen

haalde den neus op, en merkte op, dat de behendigheid van Freule

Wardour eenigszins geleek op die der goudzoekers, daar het haar gelukt

was, om eene nuttige zedeles te trekken uit een zeer ijdel en

belachelijk sprookje. – Men zegt, dat het de mode is dergelijke

ongerijmde verdichtsels te bewonderen, – maar

– mij is een Engelsch hart verleend:

Het schrikt voor spook, noch rammelend gebeent!”

„Met uw verlof, mijn goeden heer Oldenbuck!” zeide de heer

Dousterswivel, „Freule Wardour heeft deze geschiedenis, even als alles,

wat het haar behaagt in handen te nemen, zeer verfraaid; maar de

geheele historie van den Hartzgeest, en hoe hij over de woeste bergen

gaat met een grooten denneboom tot wandelstok, en met groote groene

kransen om hoofd en lijf, – dat is even waar, als dat ik een eerlijk

man ben!”

„Eene stelling, die zoo gewaarborgd wordt, is niet te betwisten,”

antwoordde de oudheidkenner droogjes. Maar hier werd het gesprek

gestoord door de aankomst van een vreemdeling.

Deze was een schoon jonkman van ongeveer vijfentwintig jaren, als

militair gekleed, en die in zijn blik en zijne manieren zeer veel van

den krijgsman had; zelfs wellicht iets meer dan den volmaakt

fatsoenlijken man geheel en al betaamt, in wiens manieren zijn beroep

nooit doorstralen moet. Hij werd door het grootste gedeelte van het

gezelschap begroet. „Mijn waarde Hector!” riep Mary M’Intire, terwijl

zij opstond om hem de hand te geven.

„Hector, zoon van Priamus! van waar komt gij?” vroeg de oudheidkenner.

„Van Fife, mijn leenheer!” antwoordde lachende de jonge krijgsman, en

vervolgde, na het overige van ’t gezelschap en vooral Sir Arthur en

zijne dochter beleefd gegroet te hebben: „ik vernam van één uwer

bedienden, terwijl ik naar Monkbarns reed, om u mijne opwachting te

maken, dat ik het gezelschap hier zou vinden, en ik nam deze

gelegenheid waar, om aan zoo vele vrienden tegelijk mijne hulde te

brengen.”

„En tevens aan een nieuwen, mijn Trojaan!” zeide Oldbuck. „Mijnheer

Lovel, zie hier mijn neef de kapitein M’Intyre. – Hector, ik beveel

mijnheer Lovel in uwe vriendschap aan.”

De jonge krijgsman vestigde nu zijn scherp oog op Lovel, en groette hem

eerder met terughouding, dan met hartelijkheid; en daar onze vriend die

terughouding bijna aanmatigend vond, was hij even koud en stijf in

zijne beantwoording van den groet, en dus scheen er, zelfs bij de

eerste kennismaking, iets vijandigs tusschen hen te bestaan.

De opmerkingen, welke Lovel gedurende het overige gedeelte van den dag

maakte, waren niet geschikt, om hem met deze vermeerdering van het

gezelschap te verzoenen. Kapitein M’Intyre betoonde zich, met de

beleefdheid, die men van zijne jaren, en van zijn beroep verwachten

mocht, zeer opmerkzaam jegens Isabella Wardour, en had voor haar bij

elke gelegenheid die oplettendheden, welke Lovel, met opoffering van

zijn leven, zou hebben willen bewijzen, en die alleen de vrees van haar

te mishagen hem belette haar te betoonen. Beurtelings met wanhopige

neêrslachtigheid, en met scherp geprikkelde gevoeligheid, zag hij den

schoonen jongen krijgsman al de voorrechten uitoefenen van een

cavalier servente. Hij overhandigde Isabella Wardour de handschoenen,

hielp haar bij het omdoen van haar doek, begeleidde haar op de

wandeling, had eene hand gereed, om elke hindernis van haar pad te

weren, en een arm, om haar te ondersteunen, waar het pad ruw of

moeielijk was; zijne woorden waren tot haar gericht, en telkens als de

omstandigheden toelieten, tot haar alleen. – Lovel wist zeer goed, dat

dit alles slechts die soort van zelfzuchtige hoffelijkheid kon zijn,

waarop sommige jonge lieden zich heden ten dage toeleggen, om de

opmerkzaamheid van de schoonste vrouw in het gezelschap uitsluitend op

zich te vestigen, alsof anderen haar blik niet waardig zijn. Maar hij

meende in het gedrag van kapitein M’Intyre eene genegenheid te

bespeuren, die geschikt was, om de ijverzucht van een minnaar gaande te

maken. Isabella Wardour liet zich ook zijne oplettendheid welgevallen,

en ofschoon Lovel bekennen moest, dat de aard er van niet toeliet, om

die zonder eenigen schijn van gemaaktheid af te wijzen, zoo verbitterde

het hem toch, dat zij het niet deed.

Het hartverscheurende gevoel, door deze gewaarwordingen opgewekt,

maakte hem zeer onverschillig voor de drooge oudheidkundige betoogen,

waarmede Oldbuck, die op zijne bijzondere aandacht aanspraak maakte,

hem onophoudelijk vervolgde, en hij verduurde met een ongeduld, dat

bijna op walging geleek, eene reeks van verhandelingen over

klooster-gebouwen, van allerlei aard, in den deftig Saksischen, of den

sierlijk Gothischen bouwtrant opgericht, of soms zelfs in den gemengden

en zamengestelden stijl van de tijden van Jacobus I, toen, volgens

Oldbuck, alle bouwordes verward, en zuilen van onderscheidene soorten

naast elkander geplaatst of opeen gehoopt werden, als ware alle

symmetrie en verhouding tusschen de onderdeelen en het geheel vergeten,

en de eerste grondbeginselen der kunst tot de oorspronkelijke

verwarring teruggebracht moesten worden. „Wat kan hartverscheurender

zijn, dan het gezicht van onheilen,” zeide Oldbuck met geestdrift, „die

wij genoodzaakt zijn te aanschouwen, zonder de middelen te hebben, om

ze te verhelpen?” – Lovel antwoordde met een onwillekeurigen zucht. –

„Ik zie, mijn waarde jonge vriend in u een alleszins met mij nauw

verwanten geest, en dat gij deze ijselijkheden even diep gevoelt als

ik. Hebt gij die ooit kunnen aanschouwen, zonder dat de wensch bij u

opkwam, om al wat zoo, onteerend is, te verscheuren en te vernielen?”

„Onteerend!” herhaalde Lovel, „in welk opzicht onteerend?”

„Ik meen schandelijk voor de kunst.”

„Waar? Hoe?”

„Op het Portico, bij voorbeeld, van de Hoogeschool te Oxford, waar de

barbaarsche, grillige en onwetende bouwmeester, met onmetelijke

onkosten, verkozen heeft, al de vijf ordes der bouwkunst in den gevel

van één gebouw te vereenigen!”

Met zulke aanvallen, noodzaakte Oldbuck, onbewust hoezeer hij hem

kwelde, Lovel om eenigszins op hem te letten, – even als de behendige

visscher met de hengelroede door middel van de lijn zijne gekwelde

prooi houdt, en zijne macht, in weêrwil van hare wanhopigste pogingen

doet gevoelen.

Zij waren nu op den terugweg naar de plaats, waar zij de rijtuigen

gelaten hadden; en het is moeielijk te begrijpen, hoe dikwijls

gedurende die korte wandeling Lovel, uitgeput door het onophoudelijk

gebabbel van zijn waardigen medgezel, heimelijk wenschte, dat een

gedienstige geest hem verlossen mocht van al de ordes en al de wanorde

der bouwkunst, ooit uitgevonden of bedacht sedert het stichten van

Salomo’s tempel. Eéne kleine omstandigheid nochtans stortte eenige

lavende droppels geduld over zijne koortsachtige onrust uit.

Isabella Wardour en haar zelfbenoemde ridder gingen de anderen in het

nauwe pad vooruit, toen de jonge dame, waarschijnlijk wenschende zich

met het overige gezelschap te vereenigen, en haar tête-à-tête met den

jongen officier af te breken, plotseling bleef stilstaan, tot de heer

Oldbuck haar inhaalde. „Ik wenschte u eene vraag te doen, mijnheer

Oldbuck, omtrent de dagteekening van deze belangrijke bouwvallen.”

Men zou te kort doen aan het savoir faire van Isabella Wardour, met te

veronderstellen, dat zij niet begreep, hoe op deze vraag een antwoord

van onmetelijke lengte volgen moest. De oudheidkenner, opgewekt als het

strijdros door het geluid van de trompet, verdiepte zich dadelijk in de

verschillende bewijsgronden vóór en tegen de dagteekening van 1273, die

men aan het klooster van St. Ruth, in een onlangs verschenen werk over

de Bouwkundige Oudheden van Schotland had toegekend. Hij noemde de

namen op van al de abten, die het gesticht bestuurd hadden, van al de

edelen, van wie zij goederen gekregen hadden, en van de koningen, die

in de vervallen kerk eene laatste rustplaats gevonden hadden. Even als

een hoeveelheid buskruid, die vuur vat, niet nalaat eene andere in de

nabijheid in brand te steken, begon de Baronet, (den naam van één

zijner voorouders, door Oldbuck genoemd, opvangende), een verhaal van

diens oorlogen, overwinningen en zegepralen; en de waardige Dr.

Blattergowl werd, door de melding van eene gift in landerijen, cum

decimis inclusis, tam vicariis quam garbalibus, et nunquam antea

separatis, bewogen, om eene lange verklaring te beginnen van de

uitlegging, door het Tiendgerecht aan eene dergelijke clausule gegeven,

bij gelegenheid van een rechtsgeding over de laatste vermeerdering

zijner bezoldiging. De redenaars streefden, gelijk drie wedrenners, elk

naar zijn doel, zonder zich veel te bekommeren, hoe de een den ander in

den weg liep en hinderde. De heer Oldbuck harangueerde, de Baronet

declameerde, de heer Blattergowl betoogde en verklaarde de wet, terwijl

Latijnsche phrases, uit middeleeuwsche officiële stukken, vermengd

werden met de vreemdklinkende uitdrukkingen der heraldiek en de nog

barbaarscher taal van het Schotsche Tiend-gerecht. „Hij was,” riep

Oldbuck uit, sprekende van den abt Aldemar, „voorwaar een voorbeeldig

prelaat; en wegens de nauwgezetheid van zijne zeden, de stipte naleving

der boetregels, gevoegd bij zijn liefderijken gemoedsaard en de

ongesteldheden, waaraan hij door zijne hooge jaren en vroome

kloosteroefeningen leed, –”

Hier moest hij toevallig hoesten, en Sir Arthur viel in, of liever

vervolgde, – „werd gemeenlijk de Geharnaste Duivel genoemd; hij voerde

een rood schild met een zwarten dwarsbalk, wat wij sedert afgelegd

hebben, en viel in den veldslag van Verneuil in Frankrijk, nadat hij

zes Engelschen met eigen hand gedood had. –”

„Dekreet tot aanvoering van bewijs,” vervolgde de geestelijke op dien

dralenden, bedaarden betoogtrant, welke, hoewel in het begin door de

heftigheid van zijne mededingers overschreeuwd, nochtans op de lange

baan, in deze soort van wedstrijd, de overhand behaalt; „dekreet tot

aanvoering van bewijs gepronuntiëerd zijnde, en partijen daarvan

gediend hebbende, scheen de quaestie uitgemaakt te zijn, toen hun

zaakwaarnemer, in plaats van verder te renuntiëren, integendeel daarop

aanhield, tot grond aanvoerende, dat hij getuigen had, om te bewijzen,

dat zij altijd de lammerentiend van het tiendvrije land geheven hadden,

wat echter slechts eene uitvlucht was; want, –”

Maar, de Baronet en de heer Oldbuck, weêr tot adem gekomen, begonnen

hier hunne verscheidene redevoeringen te vervolgen, en de drie draden,

zoo als men ze naar touwslagers stijl zou kunnen noemen, werden op

nieuw in eene onoplosbare streng van verwarring samen gehaspeld.

Maar, hoe nietig deze wartaal ook schijnen moge, was het nochtans

klaarblijkelijk Isabella’s voornemen om er naar te luisteren, liever

dan den kapitein M’Intyre gelegenheid te geven om hun gesprek te

hernieuwen; zoodat hij, na een korten tijd gewacht te hebben met een

ongeduld, dat zijne fiere gelaatstrekken slecht verbergen konden, haar

overliet aan het gesprek, dat zij den slechten smaak had boven het

zijne te verkiezen, en zijne zuster onder den arm nemende, leidde hij

haar op een kleinen afstand van het overige gezelschap.

„Naar ik bemerk, Mary, is de buurt noch levendiger, noch minder geleerd

geworden gedurende mijne afwezigheid.”

„Wij hebben uw geduld en uwe wijsheid gemist; om ons te onderrichten,

Hector!”

„Wel verplicht, waarde zuster! Maar gij hebt een wijzer, zoo al geen

levendiger man ter vermeerdering van uw gezelschap gekregen, dan uw

onwaardigen broeder. Zeg me toch wie is deze heer Lovel, dien onze oude

oom zoo dadelijk lief voor zich gewonnen heeft? – hij placht niet zoo

genaakbaar te zijn voor vreemdelingen.”

„De heer Lovel, Hector, schijnt een zeer fatsoenlijk jonkman te zijn.”

„Zoo? dat wil zeggen: hij maakt eene buiging als hij in de kamer komt,

en draagt een rok, die gaaf aan de ellebogen is?”

„Neen, broeder, het beteekent vrij wat meer. Het beteekent, dat zijne

manieren en woorden de gevoelens en opvoeding der hoogere klassen

uitdrukken.”

„Maar ik wenschte te weten, wat zijne geboorte en de rang is, dien hij

in de maatschappij bekleedt, en welke aanspraak hij heeft om in den

kring te verschijnen, waarin ik hem gemeenzaam opgenomen vind?”

„Indien gij bedoelt, hoe hij op Monkbarns gekomen is, dan moet gij dat

aan oom vragen, die waarschijnlijk zal antwoorden, dat hij in zijn

eigen huis zulk gezelschap verzoekt, als hem goeddunkt en als gij met

uwe vraag Sir Arthur bedoelt, moet gij weten, dat mijnheer Lovel aan

hem en aan Isabella Wardour een zeer gewichtigen dienst bewezen heeft.”

„Hoe! die romantische geschiedenis is dus waar? – En eilieve! dingt de

dappere ridder, volgens de aangenomen gewoonte, naar de hand van de

jonge dame, die hij uit het gevaar verloste? – Ik weet, dat zoo iets in

alle opzichten naar de regels van een roman is; en ik vond haar

buitengewoon droog toen wij samen wandelden, en zij scheen van tijd tot

tijd als bezorgd, om haren dapperen ridder geen aanstoot te geven.”

„Mijn waarde Hector, indien gij nog wezenlijk eenige genegenheid voor

Isabella Wardour koestert, –”

„Indien, Mary? wat beteekent indien?”

„Ik beken, dat ik uwe volharding als hopeloos beschouw.”

„En waarom hopeloos, mijne wijze zuster?” vroeg kapitein M’Intyre;

„Freule Wardour kan, zoo als haar vaders zaken staan, geen aanspraak

maken op een groot vermogen; en, wat geboorte betreft, geloof ik dat de

naam van M’Intyre niet minder, –”

„Maar, Hector,” vervolgde zijne zuster, „Sir Arthur beschouwt ons nog

altijd als leden van de familie Monkbarns.”

„Sir Arthur mag ons beschouwen uit welk oogpunt hem goeddunkt; maar

iedereen, die zijn gezond verstand bezit, zal weten; dat de vrouw den

rang aanneemt van haren man, en dat mijns vaders stamboom van vijftien

kwartieren, waarop niets te zeggen valt, mijne moeder geadeld moet

hebben, al stroomde er niets anders dan boekdrukkersinkt door hare

aderen.”

„Om Gods wil, Hector, neem u in acht! – Eene enkele uitdrukking als

deze, door eenigen onbescheiden of baatzuchtigen luisteraar aan mijn

oom overgebracht, zou u voor altijd zijne gunst doen verliezen, en de

kans vernietigen van hem ooit in zijne bezittingen op te volgen.”

„Ook goed! Ik heb een beroep gekozen, dat onmisbaar is, en ook nog, ten

minste voor de eerste halve eeuw, onmisbaar zal blijven; en mijn goede

oude oom mag, als het hem belieft, zijne erfenis en zijn burgerlijken

naam aan uw boezelaar hangen, Mary, en gij kunt, als het u belieft,

dezen zijn nieuwen gunsteling trouwen, en dan kunt gij beiden gerust,

vreedzaam en geregeld leven, als het den Hemel behaagt! Mijn besluit is

genomen, – ik zal niemand om een erfenis vleien, die mij door

geboorterecht toekomt!”

Mary M’Intyre legde de hand op den arm van haren broeder, en bad hem

zijn drift te beteugelen. „Wie anders,” zeide zij, „beleedigt u, of

zoekt u te beleedigen, dan uwe eigene onstuimigheid? – Welke gevaren

tart gij, dan die, waaraan gij u zelf verkiest bloot te stellen? – Onze

oom was tot nog toe altijd goedig en vaderlijk in zijn gedrag jegens

ons, en waarom zouden wij veronderstellen, dat hij in de toekomst

anders zou zijn, dan hij altijd geweest is, sedert wij als weezen aan

zijne zorgen overgelaten werden?”

„Hij is, dat moet ik bekennen, een voortreffelijke oude heer,” hernam

M’Intyre, „en ik word woedend op mij zelven, als ik hem soms beleedig;

maar zijne eeuwige redeneeringen over dingen, die geen duit waard zijn;

– zijne navorschingen over potten en pannen en onbruikbare

pijpenkrabbers; – dit alles put mijn geduld uit. Ik ben, ik moet het

bekennen, wat driftig van aard, zuster!”

„Maar al te driftig, lieve broeder! In hoe veel gevaren – en, vergeef

mij dat ik het zeg, eenige daarvan weinig eervol van aard, – heeft deze

opvliegende en geweldige drift u niet gebracht! Laat zulke wolken de

oogenblikken niet bederven, die gij in ons midden zult doorbrengen;

laat liever onzen ouden weldoener zijn bloedverwant zien zoo als hij

is: – edelmoedig, vriendelijk en levendig, zonder woest, stijfhoofdig

of driftig te zijn.”

„Wel,” antwoordde kapitein M’Intyre, „ge hebt me nu de les gelezen; –

de beleefdheid zal mijn streven zijn! Ik zal mij beleefd jegens uw

nieuwen vriend gedragen; ik zal den heer Lovel aanspreken.”

Met dit besluit, dat voor het oogenblik zeer oprecht was, voegde hij

zich weêr bij de partij, die vóór hen uitwandelde. De driedubbele

verhandeling was nu geëindigd, en Sir Arthur sprak over het

buitenlandsch nieuws en den staatkundigen toestand van het land;

onderwerpen, waarover iedereen zich bevoegd acht zijn gevoelen mede te

deelen. Toen men bij toeval sprak over een gevecht, het vorige jaar

voorgevallen, gaf Lovel, die zich toevallig in het gesprek mengde,

eenig bericht dienaangaande, van welks nauwkeurigheid kapitein M’Intyre

niet scheen overtuigd te zijn, hoezeer hij zijne twijfelingen zeer

beleefd te kennen gaf.

„Ditmaal, Hector, moet gij bekennen ongelijk te hebben,” zeide zijn

oom, „ofschoon ik weet, dat niemand dat zoo ongaarne doet als gij; maar

gij waart te dien tijde in Engeland, en mijnheer Lovel was zeer

waarschijnlijk in de zaak betrokken.”

„Ik spreek dus tot een militair,” zeide M’Intyre; „mag ik vragen, tot

welk regiment de heer Lovel behoort?” – De heer Lovel gaf hem den naam

op van het regiment. – „Het is vreemd, dat wij elkander nooit te voren

ontmoet hebben, mijnheer Lovel. Ik ken uw regiment zeer goed, en heb er

op verschillende plaatsen, lang mede gediend.”

Een blos bedekte voor een oogenblik Lovel’s gezicht. „Ik ben een tijd

lang niet bij mijn regiment geweest,” antwoordde hij, „ik was in den

laatsten veldtocht bij de staf van den Generaal –”

„Wel! dat is nog vreemder; want ofschoon ik niet onder den Generaal –

diende, had ik nochtans gelegenheid, om de namen der officieren van

zijn staf te kennen, en kan mij dien van Lovel niet herinneren.”

Bij deze opmerking bloosde Lovel op nieuw, zoo sterk, dat hij de

aandacht van het geheele gezelschap tot zich trok, terwijl een

spottende lach de zegepraal van kapitein M’Intyre bekrachtigde. „Daar

is iets vreemds in,” zeide Oldbuck bij zich zelven; „maar ik zal niet

licht mijn fenix der reismakkers opgeven, – al zijne daden en woorden

en zijn geheele gedrag zijn die van een fatsoenlijk man!”

Lovel had intusschen zijn zakboek genomen, en na er een brief

uitgezocht te hebben, nam hij dien uit het couvert en gaf hij het

schrijven aan M’Intyre over. „Gij kent naar alle waarschijnlijkheid de

hand van den Generaal; – ik beken, ik moest die overdreven

uitdrukkingen van onderscheiding en achting, waarmede hij mij vereert,

niet toonen.” De brief bevatte zeer verplichtende en hoffelijke

uitdrukkingen van den bedoelden Generaal, wegens onlangs verrichtte

krijgsdiensten. Kapitein M’Intyre, kon toen hij hem doorzien had, niet

ontkennen, dat hij door den Generaal geschreven was; maar merkte

droogjes aan, terwijl hij hem terug gaf, dat het adres ontbrak. „Het

adres, kapitein M’Intyre,” antwoordde Lovel op denzelfden toon, „zal te

allen tijde tot uw dienst zijn, als gij verkiest, er naar te komen

vragen.”

„Ik zal zeker niet in gebreke blijven om dat te doen,” antwoordde de

jonge krijgsman.

„Kom, kom!” riep Oldbuck uit, „wat moet dat alles beteekenen? – Is

Hiras onder ons verschenen? – Wij verlangen hier geen zwetsen, jonge

heeren! Zijt gij uit den oorlog gekomen, om in ons vreedzaam land

huiselijken twist te stoken? Wilt gij als de jonge bulhonden, wanneer

de stier weggevoerd is, elkander aanvallen, verscheuren, en de brave

lieden, die er bij staan, in de beenen bijten?”

Sir Arthur vertrouwde, zoo hij zeide, dat de heeren zich zelven niet

zoo zeer vergeten zouden, om in twist te geraken over zulk een nietig

voorwerp als de omslag van een brief!

De beide twistenden loochenden eenig voornemen van dien aard, en

verzekerden, met eene kleur als vuur en fonkelende oogen, dat zij nooit

in hun leven bedaarder geweest waren, dan op dat oogenblik. Maar er was

eene blijkbare verlegenheid onder het gezelschap ontstaan; het gesprek

was verder te zeer afgepast, om gezellig te zijn, en Lovel, voelende

dat hij door het overige gezelschap met een koel en wantrouwend oog

beschouwd werd, en dat hij, door zijne onduidelijke antwoorden, het

recht gegeven had tot zonderlinge vermoedens te zijnen opzichte, nam

het kloekmoedig besluit om het geluk op te offeren, dat hij zich

voorgesteld had door den dag op Knockwinnock door te brengen.

Hij klaagde dus over erge hoofdpijn, veroorzaakt door de hitte van het

weder, waaraan hij, sedert zijne laatste onpasselijkheid, niet was

blootgesteld geweest, en verschoonde zich beleefd bij Sir Arthur, die,

eerder gehoor gevende aan zijne tegenwoordige verdenkingen, dan aan de

dankbaarheid voor vroegere diensten verschuldigd, niet meer bij hem

aandrong, om zijn gegeven woord te houden, dan de stijfste

wellevendheid vereischte.

Toen Lovel afscheid van de dames nam, scheen Isabella Wardour

ongeruster, dan hij tot nog toe had opgemerkt. Zij gaf hem de oorzaak

daarvan te kennen door een blik, alleen voor hem verstaanbaar, dien zij

op kapitein M’Intyre wierp, en hoopte, met eene stem, die veel

aandoenlijker klonk dan anders, dat het geene minder aangename partij

was, die hen allen van het vermaak van Lovels gezelschap beroofde. „Er

was volstrekt niets,” verzekerde hij haar, „tusschenbeide gekomen; het

was slechts een nieuwe aanval eener ongesteldheid, waaraan hij sedert

eenigen tijd onderhevig was.”

„De voorzichtigheid is zeker in zulke gevallen het beste middel, en ik,

– en elke vriend van den heer Lovel zal gaarne zien, dat hij die in

acht neemt.”

Lovel boog diep en met een hoogen blos, en Isabella Wardour, alsof zij

gevoelde, dat zij te veel gezegd had, keerde zich om, en ging naar het

rijtuig. Lovel was nu gereed om afscheid te nemen van Oldbuck, die

intusschen met behulp van Caxon, zijne gehavende pruik had hersteld, en

den rok afgeborsteld, die eenige teekens droeg van het ruwe pad, waar

langs zij gegaan waren. „Hoe, man!” zeide Oldbuck, „gij gaat ons toch

niet verlaten wegens de dwaze, onbescheidene nieuwsgierigheid en drift

van Hector? – Wel! hij is een onbezonnen jongen, – altijd een baloorig

kind geweest, sedert hij in de armen zijner min was; – hij smeet mij

zijne bel en koralen naar het hoofd, omdat ik hem wat suiker weigerde,

– en gij hebt te veel verstand, om u aan dien twistzieken jongen te

storen; æquam servare mentem is de spreuk van onzen vriend Horatius. Ik

zal Hector straks de les oplezen, en alles terecht brengen.” Maar Lovel

volhardde in zijn voornemen, om naar Fairport terug te keeren.

De oudheidkenner nam nu een ernstiger toon aan. „Jonkman! pas op uwe

tegenwoordige gevoelens. Het leven is u tot nuttige en waardige

doeleinden gegeven, en moet bewaard blijven, om de letterkunde op te

luisteren, als gij niet opgeroepen wordt, het ter verdediging van het

vaderland, of ter redding der onschuld te wagen. Het tweegevecht, een

gebruik bij de beschaafde ouden onbekend, is van al de ongerijmdheden,

die ons de Gothische horden aanbrachtten, de grootste, de meest

goddelooze en de wreedste! Laat mij niets meer van deze ongerijmde

twisten hooren, en ik zal u het vertoog tegen het tweegevecht laten

zien, dat ik opstelde, toen de stadsklerk en de rechter Mucklewame zich

het voorrecht aanmatigden elkander uit te dagen. Ik wilde mijne

verhandeling, die ik Pacificator onderteekende, laten drukken; maar het

was niet noodig, daar de stedelijke raad zich de zaak aantrok!”

„Maar ik verzeker u, waarde heer, dat er tusschen kapitein M’Intyre en

mij niets is, dat zulk eene eerbiedwaardige tusschenkomst noodzakelijk

zou maken.”

„Het zij zoo! want anders zal ik beide partijen tot secondant dienen.”

Dit zeggende, klom de oude heer in den wagen, waarnaast Mary M’Intyre

haren broeder aan de praat hield, uit het beginsel, dat den eigenaar

van een twistzoekenden hond hem aan zijne zijde doet houden, om hem te

beletten op iemand anders aan te vallen. Maar het gelukte Hector, aan

hare voorzorg te ontsnappen; want, daar hij te paard zat, draafde hij

achter de rijtuigen, tot zij werkelijk den weg ingeslagen hadden naar

Knockwinnock, en toen, rechtsomkeerd makende, gaf hij zijn ros de

sporen in de tegenovergestelde richting.

Weinige minuten brachten hem bij Lovel, die, wellicht zijn oogmerk

gissende, stapvoets voortreed, tot de hoefslagen achter hem kapitein

M’Intyre aankondigden. De jonge krijgsman, wiens natuurlijke drift door

de snelheid der beweging nog meer opgewekt was, hield zijn paard

plotselijk en met geweld stil naast Lovel’s zijde, en vroeg toen, even

den hoed aanrakende, op een zeer hoogen toon: „Wat moet ik begrijpen,

mijnheer, uit uw gezegde, dat uw adres tot mijn dienst was?”

„Eenvoudig, mijnheer, dat mijn naam Lovel, en dat mijn verblijf voor

het oogenblik te Fairport is, – zoo als gij zien zult op dit kaartje.”

„En dit zijn al de inlichtingen, welke gij geneigd zijt mij te geven.”

„Ik zie niet, dat gij het recht hebt, meer te vragen.”

„Ik vind u, mijnheer, in gezelschap van mijne zuster, en ik heb het

recht, te weten, wie in het bijzijn mijner zuster toegelaten werd.”

„Ik zal de vrijheid nemen, u dat recht te betwisten. Gij vindt mij in

een gezelschap, dat tevreden is met de inlichtingen, die ik voegzaam

oordeelde ten aanzien mijner zaken te geven, en gij, geheel vreemd,

hebt geen recht, om meer te vragen.”

„Mijnheer Lovel, indien gij gediend hebt, zoo als gij gezegd hebt, –”

„Indien!” antwoordde Lovel. – „Indien ik gediend heb, zoo als ik gezegd

heb?”

„Juist, mijnheer, dat zijn mijne woorden, – indien gij gediend hebt,

moet gij weten, dat gij mij satisfactie verschuldigd zijt, op de eene

of op de andere wijze.”

„Als gij het zoo begrijpt, zal ik niet nalaten u die te geven, kapitein

M’Intyre, op de wijze, waarop dat woord gewoonlijk onder fatsoenlijke

lieden gebezigd wordt.”

„Zeer wel, mijnheer!” hervatte Hector, en, zijn paard omkeerende,

galoppeerde hij weg om zijne vrienden weêr in te halen.

Zijne afwezigheid had hen reeds verontrust, en zijne zuster, die het

rijtuig had laten stilstaan, lag met het hoofd uit het portier, om te

zien waar hij bleef.

„Wat nu te doen?” zei de oudheidkenner, „gij rijdt heen en weêr, alsof

uw nek er meê gemoeid was? – waarom blijft gij niet bij het rijtuig?”

„Ik had mijne handschoenen vergeten,” zeide Hector.

„Uwe handschoenen vergeten! – Gij wilt, veronderstel ik, zeggen, dat

gij gingt om den handschoen neder te werpen; – maar ik zal maatregelen

omtrent u nemen, jonge heer! – gij zult heden avond met mij naar

Monkbarns terugkeeren!” Dit zeggende, beval hij den voerman door te

rijden.

De oudheidkenner · 第 24 / 54 题