DE LOTGEVALLEN VAN MARTEN WALDECK. [21]

De eenzame oorden van het Hartzwoud in Duitschland, maar voornamelijk

het gebergte, bekend onder den naam van Blocksberg, of liever de

Brocken, zijn geliefkoosde tooneelen voor de verhalen van toovenaars en

heksen, geesten en verschijningen. De leefwijze der landlieden, die òf

mijnwerkers òf jagers zijn, is van dien aard, dat ze hen bijzonder

bijgeloovig maakt; en dikwijls schrijven zij de natuurverschijnselen,

die zij bij het beoefenen van hun eenzaam, of onderaardsch werk

ontwaren, aan de tusschenkomst van eenigen geest, of aan

bovennatuurlijke krachten toe. Onder de verschillende oude vertelsels,

welke in die woeste landstreek in omloop zijn, is er één zeer algemeen,

namelijk: dat de Hartz bewoond is door eene soort van beschermgeest, in

de gedaante van een wilden man van reusachtige gestalte, het hoofd

bekransd met eikenbladeren, en zijn midden op dezelfde wijze versierd,

terwijl hij in de hand een omgekeerden denneboom, met de wortels naar

boven, draagt. Het is zeker, dat zeer vele menschen verklaren hem in

deze gestalte gezien te hebben, met verbazende schreden over den top

van den tegenoverliggenden berg gaande, terwijl slechts eene smalle

vallei die hoogten van diegene waarop de reiziger zich bevond,

scheidde; en de echtheid der verschijning is inderdaad zoo algemeen

erkend, dat de hedendaagsche vrijgeesten zich alleen hebben weten te

redden, door ze toe te schrijven aan een optisch bedrog. [22]

In vroegere tijden was de omgang van den geest met de inwoners

gemeenzamer, en volgens de overleveringen van den Hartz, placht hij,

met de wispelturigheid, veelal aan dergelijke onderaardsche machten

toegeschreven, zich met de zaken der stervelingen, dan eens tot hun

welzijn, dan eens tot hun ongeluk, te bemoeien. Maar men had opgemerkt,

dat op den langen duur zijne giften noodlottig werden voor hen, die ze

ontvingen, en niet zelden hielden de geestelijke leeraars lange preeken

aan hunne toehoorders, die neêrkwamen op eene waarschuwing, om geen

gemeenschap te hebben met den geest van den Hartz. De ongelukkige

lotgevallen van Marten Waldeck werden dikwijls door de ouders tot een

voorbeeld aangehaald, wanneer zij hunne lichtzinnige kinderen hoorden

lachen om een gevaar, dat zij voor denkbeeldig hielden.

Een reizende Kapucijner monnik had zich in het bezit van den preekstoel

gesteld in de kerk van een klein gehucht, in het Hartzgebergte,

Morgenbrodt genaamd, en voer hevig uit tegen de goddeloosheid der

inwoners, hunne gemeenschap met booze geesten, toovenaars en heksen,

en, in het bijzonder, met den boozen geest van den Hartz. De

leerstellingen van Luther hadden reeds begonnen zich te verspreiden

onder de landlieden; – want ons verhaal speelt onder de regeering van

Karel V, – en zij bespotten den ijver, waarmede de waardige man zijne

leer verkondigde. Maar zijne hevigheid vermeerderde met de

tegenkanting, en hunne tegenkanting nam in evenredigheid tot zijne

hevigheid toe. De inwoners hoorden ongaarne een gemeenzaam geworden en

rustigen geest, die den Brocken zoo vele eeuwen bewoond had, kortaf met

Baalpeor, Astaroth en Beëlzebub zelven vergelijken en, rechtstreeks tot

den bodemloozen Tophet veroordeelen. De vrees, dat de geest zich op

hen, wegens het luisteren naar zulk een onmeêdoogend vonnis, wreken

mocht, verhoogde het volksgevoel dat voor hem pleitte. Een reizende

monnik, zeiden zij, die vandaag komt en morgen gaat, kan zeggen wat hem

goeddunkt; maar wij zijn het, wij, de oude en vaste ingezetenen van de

landstreek, die aan de willekeur van den beleedigden geest blijven

overgelaten, en natuurlijk voor alles boeten moeten. – Aangevuurd door

deze bedenkingen, gingen de boeren van scheldwoorden tot steenen over,

en den priester vrij mild daarop onthaald hebbende, verdreven zij hem

uit het dorp, om ergens anders tegen de geesten te gaan preken.

Drie jonge lieden, die hierbij tegenwoordig en werkzaam geweest waren,

keerden naar de hut terug, waar zij, met den vermoeienden arbeid van

houtskolen voor de smeltovens te bereiden, den schralen kost

verdienden. Onderweg kwam het gesprek natuurlijk op den geest van het

Hartzgebergte, en de leer van den Kapucijner. Max en George Waldeck, de

twee oudste broeders, stemden toe, dat de taal van den Kapucijner

onbescheiden en berispenswaardig geweest was, daar hij zoo vermetel

over het eigenlijk karakter en het verblijf van den geest gesproken

had, maar zij begrepen nochtans, dat het in den hoogsten graad

gevaarlijk was, om geschenken van hem aan te nemen, of eenige

gemeenschap met hem te hebben. Hij was, wel is waar, zeer machtig,

zeiden zij, maar ongemakkelijk en luimig, en hun, die zich met hem

afgaven, ging het zelden goed. Gaf hij niet den dapperen ridder, Egbert

van Rabenwald, het beroemde zwarte ros, waarmede hij al de ridders op

het groote steekspel te Bremen overwon? En stortte daarna niet

hetzelfde ros met zijn ruiter in zulk een diepen en verschrikkelijken

afgrond, dat man en paard voor altijd verdwenen? Gaf hij ook niet aan

vrouw Truitje Trodden een toovermiddel om boter te maken? en werd zij

niet, bij vonnis van het keurvorstelijk crimineel-gerecht, wegens

tooverij verbrand, omdat zij zich op deze gift beroemd had? – Maar deze

en vele andere voorbeelden, die zij aanhaalden van ongelukken en

wederwaardigheden, welke eindelijk met de veelbelovende giften van den

Hartzgeest gepaard gingen, maakten geen indruk op Marten Waldeck, den

jongsten der broeders.

Marten was jeugdig, voortvarend en driftig; hij muntte uit in alle

oefeningen, die de bergbewoners onderscheiden, en was dapper en

onverschrokken geworden door dagelijksche gemeenzaamheid met de

gevaren, welke hem omringden. Hij lachte om de schroomvalligheid van

zijne broeders. „Spreekt mij niet van dergelijke gekheden,” zeide hij;

„de geest is een goede geest; – hij leeft onder ons, alsof hij een boer

was, gelijk wij zijn; – hij bezoekt de eenzame kloven en schuilplaatsen

der bergen, als een jager en geitenherder, – en hij, die het Hartzwoud

en zijne woeste tooneelen bemint, kan niet onverschillig zijn omtrent

het lot der wakkere kinderen van het land. Maar zelfs, indien ook de

geest zoo kwaadaardig was, als gij zegt, hoe zou hij dan nog macht

kunnen uitoefenen over stervelingen, die zich slechts van zijne

geschenken bedienen, zonder zich aan zijn wil te onderwerpen? Wanneer

gij uwe houtskool naar den smeltoven brengt, is dan het geld, dat u de

godslasteraar Blaize, de oude, rampzalige opzichter betaalt, niet even

gangbaar, alsof gij het van den pastoor zelven ontvingt? Het zijn dus

niet de geschenken van den geest, die gevaarlijk zijn; het gevaar hangt

alleen af van het gebruik, dat men er van maakt. En zoo mij de geest op

dit oogenblik verscheen, en mij eene goud- of zilvermijn aanwees, ik

zou aan het delven gaan, zelfs eer hij mij den rug toegekeerd had, en

ik zou mij onder de bescherming achten van een veel Grootere dan hij,

zoolang ik een goed gebruik maakte van den rijkdom, dien hij mij

aanwees.”

Hierop antwoordde de oudste broeder, dat slecht verkregen rijkdom

zelden goed besteed werd; terwijl Marten stoutweg hernam, dat al de

schatten van den Hartz niet de minste verandering zouden brengen in

zijne gewoonten en grondbeginselen, of in zijn karakter.

Zijne broeders verzochten Marten minder roekeloos hierover te spreken,

en slaagden met moeite, om zijne gedachten af te leiden, door ze op

eene op handen zijnde everzwijnenjacht te vestigen. Dit gesprek bracht

hen aan hunne hut, een ellendig verblijf, gelegen op den rand van eene

woeste, romantische vallei in eene der eenzaamste schuilhoeken van den

Brocken. Zij losten hunne zuster af bij het passen op de verbranding

van de houtskool, wat aanhoudende oplettendheid vereischt, en

verdeelden de nachtwacht onderling, overeenkomstig hunne gewoonte,

volgens welke altijd één der broeders waakte, terwijl de anderen

sliepen.

Max Waldeck, de oudste, waakte gedurende de twee eerste uren van den

nacht, en schrikte zeer toen hij, op de tegenovergelegene helling der

vallei, een ontzachlijk groot vuur zag, omgeven door eenige gedaanten,

die met wonderlijke gebaren daarom heen schenen te dansen. Max kwam

aanvankelijk in verzoeking, om zijne broeders op te roepen; maar zich

den roekeloozen aard van den jongsten herinnerende, en het onmogelijk

achtende, om den oudsten te wekken, zonder den eerstgenoemde te storen,

– en tevens denkende, dat, hetgeen hij zag, eene begoocheling was van

den geest, uitgelokt misschien, door de gewaagde uitdrukkingen, door

Marten den avond te voren gebezigd, oordeelde hij het best, om zich toe

te vertrouwen aan de bescherming der gebeden, die hij van buiten kende,

en sloeg verder in grooten schrik en angst deze vreemde en treffende

verschijning gade. Nadat het vuur eenigen tijd gevlamd had, verdween

het, langzamerhand verflauwend, in de duisternis, en het overige

gedeelte van de nachtwacht van Max werd slechts verontrust door de

herinnering aan den doorgestanen schrik.

George trad nu in de plaats van Max, die zich ter rust begeven had. Het

verschijnsel van een verbazend groot vlammend vuur, op den top van de

tegenovergelegene helling, vertoonde zich op nieuw aan het oog van den

waker. Het was, als te voren, omgeven door donkere gestalten, tusschen

den waarnemer en het heldere licht van het vuur te onderscheiden, die

er om heen dansten en zweefden, alsof zij bezig waren met het

verrichten van eenige geheimzinnige plechtigheid. George, ofschoon even

voorzichtig als Max, was van ondernemender aard. Hij besloot het

voorwerp zijner verwondering meer van nabij te beschouwen, en beklom

dus, na het riviertje, dat door de diepe vallei vloeide, overgestoken

te zijn, de tegenoverliggende hoogte, en naderde tot binnen een korten

afstand het vuur, dat klaarblijkelijk met dezelfde woede brandde, als

toen hij het uit de verte had gadegeslagen.

Het voorkomen van hen, die het omgaven, geleek naar dat der spoken,

welke men in akelige droomen ziet, en bevestigde hem dadelijk in zijn

eerste denkbeeld, dat zij niet tot deze wereld behoorden. Onder deze

bovennatuurlijke gedaanten, onderscheidde Waldeck die van een

verbazenden reus, in zijne hand, met den wortel naar boven, een

denneboom houdende, waarmede hij van tijd tot tijd het vlammende vuur

scheen aan te stoken, en met geene andere kleeding, dan een krans van

eikenloof om hoofd en lendenen. George ontzonk de moed, toen hij in

deze verschijning den Hartzgeest herkende, zoo als die hem dikwijls

beschreven was geworden door de oude schaapherders en jagers, die hem

over de bergen hadden zien stappen. Hij keerde zich om, en was op het

punt van te vluchten; maar, bij nadere overweging, schaamde hij zich

over zijne angst, zeide in zich zelven het vers van den gewijden

zanger: „Alle goede geesten loven den Heere!” wat in dat land voor een

krachtig formulier gehouden wordt om geesten te bezweren, en wendde

zich nog eenmaal om naar de plaats, waar hij het vuur gezien had. Maar

het was niet meer zichtbaar.

Slechts de bleeke maan verlichte de helling der vallei, en toen George

met bevende schreden, met angstzweet op het voorhoofd, en haren, die

onder zijne kolenbrandersmuts overeind rezen, op de plaats kwam, waar

het vuur nog onlangs zichtbaar was, en die hij aan een ouden,

verwelkten eikenboom herkennen kon, vond hij op de hoogte geen spoor

meer van al wat hij gezien had. Het mos en de wilde bloemen waren

onverzengd, en de takken van den ouden eik, die zoo straks nog door

vlammen en rook omhuld scheen, waren met den zwaren middernachtsdauw

bedekt.

George keerde met bevende schreden terug naar zijne hut, en in den

geest van zijn oudsten broeder, besloot hij, niets te zeggen van

hetgeen hem overkomen was, uit vrees van bij Marten die roekelooze

nieuwsgierigheid op te wekken, welke hij bijna als goddeloos

beschouwde.

Het was nu de beurt van Marten, om te waken. De haan had reeds

gekraaid, en de nacht liep ten einde. Toen hij naar den toestand van

het vuur keek, waarin het hout lag, dat tot kolen moest verbrand

worden, was hij verwonderd te zien, dat men den brand niet goed

onderhouden had; want George had, bij zijn uitstapje en de gevolgen er

van, het hoofddoel van zijn waken vergeten. Martens eerste gedachte

was, om zijne broeders op te roepen; maar ontwarende, dat zij

buitengemeen vast en zwaar sliepen, eerbiedigde hij hunne rust, en

begon zelf het vuur van het noodige brandhout te voorzien. Hetgeen hij

er op legde, scheen nat en niet goed te zijn; want het vuur verflauwde

eerder, dan dat het weder opflikkerde. Marten ging dus eenige takken

van een houtstapel halen, zorgvuldig tot dat doel gehakt en gedroogd;

maar bij zijne terugkomst, vond hij het vuur geheel uitgebluscht. Dit

was een ernstig ongeluk, en dreigde hun, voor meer dan één dag, hun

onderhoud te kosten. De geplaagde en verdrietige kolenbrander wilde nu

vuur slaan, om het hout weêr aan te steken; maar het tondel was nat, en

ook hierin slaagde hij niet. Hij wilde nu zijne broeders gaan roepen, –

want de omstandigheden schenen dringend, – toen op eenmaal de

flikkeringen van een glinsterend licht, dat niet alleen door het

venster, maar ook door elke opening van de ruwe hut schitterde, hem op

dezelfde verschijning opmerkzaam maakte, die te voren de nachtwaken van

zijne beide broeders verontrust had. Zijne eerste gedachte was, dat de

Muhlhausers, hunne mededingers in den handel, en met wie zij menigen

twist hadden gehad, zich over de grenzen gewaagd hadden, om in hun

bosch te stroopen, en hij besloot, zijne broeders te wekken, en de

stoutmoedigheid der roovers te bestraffen. Maar, na een oogenblik

nagedacht, en de gebaren en bewegingen van hen, die bij het vuur waren,

gadegeslagen te hebben, veranderde hij van gevoelen, en, hoewel anders

een twijfelaar aan dergelijke zaken, besloot hij nu, dat hij eene

bovennatuurlijke verschijning zag. „Maar het mogen menschen of booze

geesten zijn,” zei de onverschrokken kolenbrander, „die ginds met zulke

vreemde gebaren rondspringen, ik zal naar hen toegaan, en een licht

vragen, om mijn vuur weêr aan te steken.” Hij gaf terzelfder tijd het

denkbeeld op, van zijne broeders te wekken; want er heerschte een

bijgeloovig begrip, dat dergelijke ondernemingen, als hij voorhad,

slechts door één persoon volbracht konden worden. Hij vreesde ook, dat

zijne broeders, met hunne angstige schroomvalligheid, hem verhinderen

mochten de navorschingen te doen, waartoe hij besloten had. Dus greep

hij zijne jachtspies van den muur, en de onverschrokken Marten Waldeck

ging alleen op zijn gewaagden tocht uit.

Met geen minder voorspoed dan zijn broeder George, maar met vrij wat

meer moed, trok Marten over het riviertje, beklom den berg, en naderde

de geesten zoo dicht, dat hij de gedaante en het uiterlijk van den

Hartzgeest dadelijk herkende. Eene koude rilling overviel hem voor het

eerst van zijn leven; maar de herinnering, dat hij op een afstand de

ontmoeting, welke hij nu had, niet gevreesd, maar zelfs gewenscht had,

versterkte zijnen wankelenden moed, en zijn trots hem verder

aanprikkelend, ging hij tamelijk bedaard naar het vuur, terwijl de

gedaanten, die het omgaven, hoe langer hoe wilder, spookachtiger en

bovennatuurlijk schenen, naarmate hij naderde. Hij werd met een luiden,

wanklinkenden, onnatuurlijken lach ontvangen, wat in zijne verbaasde

ooren ontzettender luidde dan het noodlottigste en droefgeestigste

gehuil, dat men zich verbeelden kan. „Wie zijt gij?” vroeg de reus, met

eene soort van gemaakte deftigheid op zijne woeste gelaatstrekken, die

tusschenbeide stuipachtig vertrokken door den lach, welken hij scheen

te onderdrukken.

„Marten Waldeck, de kolenbrander,” antwoordde de stoutmoedige

jongeling; „en wie zijt gij?”

„De Koning van de Woestenij en van de Mijn,” antwoordde het spook. –

„En waarom waagt gij het, mijne geheimen te bespieden?”

„Ik kom een kool halen, om mijn vuur weêr aan te maken,” antwoordde

Marten stout, en vroeg daarop vrijmoedig: „Wat zijn dat voor geheimen,

die gij hier viert?”

„Wij vieren,” antwoordde de beleefde geest, „het huwelijk van Hermes

met den Zwarten Draak. – Maar neem het vuur, dat gij kwaamt zoeken, en

vertrek! – Geen sterveling kan ons lang aanschouwen en blijven leven.”

De boer stak de punt van zijne speer in een groot stuk vlammend hout,

dat hij slechts met eenige moeite oplichten kon, en keerde daarop naar

zijne hut terug, terwijl de lachende stemmen met driedubbeld geweld

door de smalle vallei weêrklonken. Toen Marten zijne hut weêr bereikt

had, legde hij, hoezeer ook verwonderd over hetgeen hij gezien had,

dadelijk zorgvuldig de gloeiende kool tusschen het hout, op eene wijze,

die het best geschikt was, om het vuur spoedig te doen branden; maar,

na menige poging en het vergeefsche gebruik van blaasbalk en vuurtang,

doofde de kool, die hij van het vuur van den geest gekregen had, geheel

en al uit. Hij keerde zich om, en zag het vuur steeds nog op den berg

vlammen, hoewel zij, welke het omgeven hadden, verdwenen waren. Daar

hij begreep, dat het spook den spot met hem gedreven had, prikkelde dit

zijn ondernemenden geest, en hij besloot dus de zaak door te zetten, en

begaf zich andermaal naar het vuur, vanwaar hij, ongedeerd door den

geest, op dezelfde wijze een vlammend stuk houtskool medebracht; maar

steeds zonder te slagen in het aanmaken van zijn vuur. Zijne

ongestrafte poging vermeerderde zijne roekeloosheid; hij ondernam eene

derde reis, en bereikte als te voren het vuur; maar toen hij zich op

nieuw van een brandend stuk hout voorzien had, en zich omkeerde om te

vertrekken, hoorde hij de schorre en bovennatuurlijke stem, die hem

vroeger toegesproken had, deze woorden uiten: „Waag het niet ten

vierdemaal terug te keeren!”

Daar de poging, om het vuur met deze laatste kool aan te maken, even

vruchteloos als de vorige bleef, gaf Marten wanhopig de onderneming op,

en wierp zich op een stapel drooge bladeren, besloten, om de

mededeeling van zijn vreemd avontuur aan zijne broeders tot den

volgenden morgen uit te stellen. Hij werd uit een diepen slaap, waarin

de vermoeienis van zijn lichaam en de ontroering van zijn geest hem

dompelden, gewekt door luide kreten van verrassing en vreugde. Zijne

broeders, verwonderd dat zij bij hun ontwaken het vuur uitgebluscht

vonden, hadden het willen opstoken, en toen zij het brandhout

verschikken wilden, vonden zij in de asch drie zeer zware stukken

metaal, welke zij, met die mineralogische kennis, die de meeste boeren

uit den Hartz bezitten, dadelijk voor zuiver goud herkenden.

De onderlinge vreugde en gelukwenschingen werden eenigszins verminderd,

toen zij van Marten de wijze vernamen, waarop zich de zaak toegedragen

had, waaraan zij, na de ondervinding, die zij zelve van de nachtelijke

verschijning hadden, volledig geloof sloegen. Maar zij konden de

verzoeking niet weêrstaan om zijne schatten met hem te deelen. Marten

Waldeck begon nu, als hoofd van het huis, den grooten heer te spelen:

hij kocht landerijen en bosschen, bouwde een kasteel, verkreeg een

adelbrief, en werd, tot groote verontwaardiging van de aanzienlijken

uit de buurt, met al de voorrechten van een man van hooge afkomst

bekleed. Zijn moed in den oorlog, zoowel als in bijzondere veten,

gevoegd bij het groot aantal onderhoorigen, die hij bezoldigde, hielden

hem een tijdlang staande tegen den haat, welken zijne plotselinge

verheffing, zijn overmoed en zijne aanmatigingen verwekten. En nu zag

men, in het voorbeeld van Marten Waldeck, wat men bij zoo veel anderen

heeft opgemerkt; hoe weinig de stervelingen de uitwerking voorzien

kunnen, welke onverwachte voorspoed op hun karakter hebben zal. De

booze driften, welke de armoede onderdrukt en verborgen had, werden nu

rijp, en droegen heillooze vruchten onder den invloed der verzoeking en

der macht om daaraan te voldoen. Even als de eene golf de andere

opvolgt, zoo verwekt de eene slechte drift de andere; – de booze geest

der gierigheid wekte dien van den trots op, en de trots werd

ondersteund door wreedheid en onderdrukking. Waldeck’s karakter, –

altijd stout en ondernemend, – hard en aanmatigend geworden door den

voorspoed, maakte hem niet slechts gehaat bij den adel, maar evenzeer

bij de lagere standen, die met dubbele ontevredenheid de drukkende

macht van den leenheer zoo gewetenloos uitgeoefend zagen door iemand

zelf uit den laagsten stand van het volk verrezen. Zijn avontuur, hoe

zorgvuldig ook geheim gehouden, begon insgelijks onder de menschen

bekend te worden, en de geestelijken brandmerkten reeds als een

toovenaar en medeplichtige van booze geesten den vrek, die na op zulk

eene vreemde wijze een ontelbaren schat verkregen te hebben, dien niet

had zoeken te heiligen, door er een aanmerkelijk gedeelte van aan de

kerk te schenken. Omringd door openbare en geheime vijanden, door

duizenderlei hatelijkheden getergd, en door de kerk met een banvloek

bedreigd, betreurde Marten Waldeck, of, zoo als wij hem nu noemen

moeten, de Baron van Waldeck, dikwijls oprecht het harde werk en de

onschuldige genoegens van zijne vroegere onbenijde armoede. Maar zijn

moed begaf hem niet onder al deze kwellingen, en scheen eerder toe te

nemen met de gevaren, die hem als dreigende onweêrswolken omgaven,

totdat ééne omstandigheid zijn val verhaastte.

De regeerende Hertog van Brunswijk had al de Duitsche edellieden van

hooge en roemrijke afkomst openlijk doen uitnoodigen op een plechtig

steekspel; en Marten Waldeck had de onbeschaamdheid, om, schitterend

gewapend, vergezeld door zijne twee broeders en een prachtig uitgerust

gevolg, onder de ridderschap der provincie te verschijnen, en te vragen

om tot het strijdperk toegelaten te worden. Dit beschouwde men als het

toppunt van verwaandheid. Duizend stemmen deden zich hooren: „Wij

willen geen kolenbrander in onze ridderspelen!” Razend geworden,

ontblootte Marten het zwaard, en velde den wapenheraut ter neder, die,

aan het algemeen verlangen toegevende, hem het binnentreden in het

strijdperk beletten wilde. Dadelijk zag men een honderdtal zwaarden

ontbloot, om eene misdaad te wreken, die men te dien tijde slechts als

iets minder dan heiligschennis en koningsmoord beschouwde. Waldeck, na

zich als een leeuw verdedigd te hebben, werd gegrepen, staandsvoets

door de scheidsrechters ondervraagd, en veroordeeld, omdat hij den

landvrede van zijn vorst verbroken en geweld gepleegd had aan de

heilige persoon van een wapenheraut, de rechterhand te verliezen,

voorts uit den adelstand, dien hij onwaardig was, ontzet en uit de stad

verdreven te worden. Nadat men hem zijne wapenrusting afgerukt, en hij

de verminking volgens het wreede vonnis ondergaan had, gaf men het

ongelukkig slachtoffer der eerzucht aan het gemeen prijs, dat hem met

bedreigingen en scheldwoorden vervolgde, – beurtelings tegen den

heksenmeester en onderdrukker, zoo als men hem noemde, uitvoer, tot men

eindelijk tot gewelddadigheden overging. Zijne broeders (want zijn

gevolg was gevlucht en verstrooid), slaagden ten laatste, om hem uit de

handen van het gemeen te redden, toen het, na zijne wreedheid verzadigd

te hebben, hem half dood door bloedverlies en de geleden mishandelingen

had laten liggen. Het werd hun nochtans niet vergund, zoo groot was de

wreedheid van hunne vijanden, om zich van eenig ander vervoermiddel

voor den ongelukkige te bedienen, dan juist van eene van die

kolenbranderskarren, welke zij vroeger zelven plachten te gebruiken:

daarin plaatsten zij dus hun broeder op een bos stroo, nauwelijks

hopende dat zij eenige schuilplaats vinden zouden, eer de dood hem van

zijne ellende bevrijd had.

Toen de Waldeck’s op deze rampzalige wijze voorttrekkende, hun

geboorteland genaderd waren, zagen zij, in een hollen weg tusschen twee

bergen, eene gestalte op hen toekomen, die op het eerste gezicht op een

ouden man geleek. Maar, naar mate de gedaante naderde, werden de

ledematen en de gestalte grooter, de mantel viel van de schouders, de

pelgrimsstaf werd een omgekeerde pijnboom, en de reusachtige gestalte

van den Hartzgeest vertoonde zich in al zijne verschrikkelijkheden.

Tegenover de kar gekomen, waarop zich de ongelukkige Waldeck bevond,

vertrokken zich zijne ontzagwekkende gelaatstrekken tot eene grijns van

onbeschrijfelijke verachting en boosaardigheid, terwijl hij den lijder

vroeg: „Hoe vindt gij het vuur, dat mijne kolen aangestookt hebben?” De

geestkracht, die met den schrik zijne twee broeders verlaten had,

scheen Marten zelven op nieuw te bezielen. Hij verhief zich op de kar,

fronste de wenkbrauwen, en, de vuist ballende, schudde hij die tegen

het spook, met een afzichtelijken blik van haat en tergende bedreiging.

Het spook verdween, naar zijne gewoonte, met een ijselijken en

minachtender lach, en liet Waldeck uitgeput door de laatste poging der

bezwijkende natuur.

De verschrikte broeders wendden de kar naar de torens van een klooster,

dat in een dennebosch naast den weg verrees. Zij werden liefderijk door

een barrevoetschen, langgebaarden kapucijner ontvangen, en Marten

leefde slechts lang genoeg, om zijne eerste biecht te doen sedert den

dag van zijnen onverwachten voorspoed, en absolutie te bekomen van

denzelfden priester, dien hij, juist op dien dag drie jaren te voren,

uit het gehucht Morgenbrodt had helpen verdrijven. De drie jaren van

zijn schijnbaren voorspoed beschouwde men als in geheimzinnig verband

met het getal zijner gangen naar het vuur op den heuvel.

Het lichaam van Marten Waldeck werd in het klooster ter aarde besteld,

waar hij den geest had gegeven, en in hetwelk zijne broeders, na het

ordekleed aangenomen te hebben, leefden en stierven, onder het

uitoefenen van liefdadige en vrome plichten. Zijne landerijen, waarop

niemand eenige aanspraak maakte, bleven onbebouwd liggen, tot zij door

den Keizer, als een vervallen leen, opgeëischt werden; en de bouwvallen

van het kasteel, dat Waldeck naar zijn eigen naam genoemd had, worden

nog steeds door de mijnwerkers en kolenbranders gemeden, als de

woonplaats van booze geesten. Aldus zag men de ellende, welke

plotseling verkregen en slecht besteede rijkdommen aankleeft, levendig

voor oogen gesteld in de lotgevallen van Marten Waldeck.

De oudheidkenner · 第 23 / 54 题