ACHTTIENDE HOOFDSTUK

Als een Griffoen, die door de wildernis,

Gevleugeld snel, over berg, moeras en dal,

Den Armaspier najaagt, die ter sluiks

Aan zijn te waakzaam oog het goed bewaarde goud

Ontrooven wil: zoo woedend viel de Satan.....

Milton, Het verloren Paradijs.

Na het gebruik der ververschingen, hervatte Sir Arthur het gesprek over

de geheimzinnige tooverroede, als een onderwerp, waarover hij reeds

vroeger met Dousterswivel gesproken had. „Mijn vriend, de heer Oldbuck,

zal nu voorbereid zijn, mijnheer Dousterswivel, om met meer ontzag het

bericht aan te hooren, dat gij ons gegeven hebt van de laatste

ontdekkingen, door de broeders van uw genootschap in Duitschland

gedaan.”

„Och, Sir Arthur, het zijn slechts kleinigheden om deze heeren er over

te spreken; want zij zijn niet lichtgeloovig; – das heisst, het

ontbreekt hun, – zoo als men hier zegt, – aan geloof en dat verijdelt

de grootste onderneming.”

„Laat dan ten minste mijne dochter u het verhaal voorlezen, dat zij van

de geschiedenis van Marten Waldeck op het papier bracht.

„O! dat is eene ware historie; – maar Freule Wardour is zoo fijn en

geestig, dat zij zeker wel een roman daarvan gemaakt heeft, – even goed

als Goethe of Wieland het doen konden, op mijn woord van eer!”

„Om u de waarheid te zeggen, mijnheer Dousterswivel,” antwoordde

Isabella Wardour, „het romaneske had zoo zeer de overhand boven het

waarschijnlijke in de oude overlevering, dat eene liefhebster van het

tooverland, zoo als ik, niet nalaten kon om ze hier en daar een weinig

op te sieren, ten einde ze in hare soort te volmaken. – Maar hier is

ze, en indien gij niet geneigd zijt, om dezen lommer te verlaten voor

dat de hitte van den dag eenigszins verminderd is, en gij u tevreden

wilt stellen met mijn slechten arbeid, zal wellicht Sir Arthur, of heer

Oldbuck, ons het verhaal voorlezen.”

„Ik niet,” zeide Sir Arthur; „ik hield er nooit van, om hardop te

lezen.”

„Ik ook niet,” zeide Oldbuck; „en ik heb mijn bril vergeten; – maar

daar is Lovel, met scherpziende oogen en eene goede stem; want de heer

Blattergowl, dat weet ik, leest nooit iets, uit vrees dat men denken

mocht, dat hij ook zijne preeken leest!”

De taak werd dus aan Lovel opgedragen, die met eenige ontroering het

manuscript aannam, dat Isabella Wardour hem eenigszins verlegen

overhandigde: – het bevatte toch de regels door die schoone hand

geschreven, welker bezit hij heimelijk begeerde als den grootsten

zegen, dien hem de aarde kon opleveren. Maar het was noodzakelijk deze

gewaarwordingen te onderdrukken, en na het handschrift doorloopen te

hebben, als om zich met het karakter er van bekend te maken, las hij

het gezelschap het volgende verhaal voor:

De oudheidkenner · 第 22 / 54 题