Als een Griffoen, die door de wildernis,
Gevleugeld snel, over berg, moeras en dal,
Den Armaspier najaagt, die ter sluiks
Aan zijn te waakzaam oog het goed bewaarde goud
Ontrooven wil: zoo woedend viel de Satan.....
Milton, Het verloren Paradijs.
Na het gebruik der ververschingen, hervatte Sir Arthur het gesprek over
de geheimzinnige tooverroede, als een onderwerp, waarover hij reeds
vroeger met Dousterswivel gesproken had. „Mijn vriend, de heer Oldbuck,
zal nu voorbereid zijn, mijnheer Dousterswivel, om met meer ontzag het
bericht aan te hooren, dat gij ons gegeven hebt van de laatste
ontdekkingen, door de broeders van uw genootschap in Duitschland
gedaan.”
„Och, Sir Arthur, het zijn slechts kleinigheden om deze heeren er over
te spreken; want zij zijn niet lichtgeloovig; – das heisst, het
ontbreekt hun, – zoo als men hier zegt, – aan geloof en dat verijdelt
de grootste onderneming.”
„Laat dan ten minste mijne dochter u het verhaal voorlezen, dat zij van
de geschiedenis van Marten Waldeck op het papier bracht.
„O! dat is eene ware historie; – maar Freule Wardour is zoo fijn en
geestig, dat zij zeker wel een roman daarvan gemaakt heeft, – even goed
als Goethe of Wieland het doen konden, op mijn woord van eer!”
„Om u de waarheid te zeggen, mijnheer Dousterswivel,” antwoordde
Isabella Wardour, „het romaneske had zoo zeer de overhand boven het
waarschijnlijke in de oude overlevering, dat eene liefhebster van het
tooverland, zoo als ik, niet nalaten kon om ze hier en daar een weinig
op te sieren, ten einde ze in hare soort te volmaken. – Maar hier is
ze, en indien gij niet geneigd zijt, om dezen lommer te verlaten voor
dat de hitte van den dag eenigszins verminderd is, en gij u tevreden
wilt stellen met mijn slechten arbeid, zal wellicht Sir Arthur, of heer
Oldbuck, ons het verhaal voorlezen.”
„Ik niet,” zeide Sir Arthur; „ik hield er nooit van, om hardop te
lezen.”
„Ik ook niet,” zeide Oldbuck; „en ik heb mijn bril vergeten; – maar
daar is Lovel, met scherpziende oogen en eene goede stem; want de heer
Blattergowl, dat weet ik, leest nooit iets, uit vrees dat men denken
mocht, dat hij ook zijne preeken leest!”
De taak werd dus aan Lovel opgedragen, die met eenige ontroering het
manuscript aannam, dat Isabella Wardour hem eenigszins verlegen
overhandigde: – het bevatte toch de regels door die schoone hand
geschreven, welker bezit hij heimelijk begeerde als den grootsten
zegen, dien hem de aarde kon opleveren. Maar het was noodzakelijk deze
gewaarwordingen te onderdrukken, en na het handschrift doorloopen te
hebben, als om zich met het karakter er van bekend te maken, las hij
het gezelschap het volgende verhaal voor: