Men spreekt van kloosters, waar bij ’t scheem’rend toortsenlicht,
Te midden van den nacht, de paters biddend zingen:
Hier vindt de bange ziel een schuilplaats, die haar sticht,
Waar ze eig’ne driften doodt, geene and’re komen dingen.
Der godsvrucht vrome plicht stilt de gewetenssmart,
En de gebogen trots boet tranen van het hart.
Crabbe’s Burg.
De Vrijdag morgen was helder en schoon, alsof geene buitenpartij ware
bepaald geweest; wat iets zeldzaams is, zoo wel in het werkelijke leven
als in de romans. Lovel, op wien het weder den natuurlijken invloed
uitoefende, en die zich verheugde in het vooruitzicht van Isabella
Wardour weder te ontmoeten, draafde naar de plaats der vereeniging, in
eene veel opgeruimder stemming, dan hij sedert lang geweest was. De
toekomst scheen, in vele opzichten, voor hem op te helderen, en de
hoop, gelijk de morgenzon door wolken en slagregens heenbrekende,
straalde vroolijk op zijn weg. Hij was, zoo als men uit deze
gemoedsstemming begrijpen zal, de eerste op de plaats der bijeenkomst,
en, als men ook begrijpen kan, zijne blikken waren uitsluitend gericht
op den weg van het kasteel van het Knockwinnock, zoodat hij de aankomst
van de partij van Monkbarns slechts gewaar werd door het schreeuwen van
den voerman, toen het zware rijtuig den berg achter hem oprolde. In dit
rijtuig bevonden zich opgesloten: vooreerst, de deftige gestalte van
den heer Oldbuck zelven; ten tweede, de weinig minder deftige persoon
van den eerwaardigen heer Blattergowl, predikant te Trotcosey, tot welk
kerspel Monkbarns en Knockwinnock behoorden. Zijn eerwaarde was
uitgedoscht met eene kleine krulpruik, waarop een gelijkzijdige
driekantige hoed prijkte. De zijne was de schoonste der drie pruiken,
die zich nog in het kerspel bevonden, en welke, zoo als Monkbarns
gewoonlijk aanmerkte, onderling verschilden als de drie trappen van
vergelijking; zijnde die van Sir Arthur de stellige, zijne eigene de
vergelijkende trap, terwijl de in het oog vallende grijze pruik van den
eerwaarden geestelijke de overtreffende trap voorstelde. De oude Caxon,
die belast was met de zorg voor deze ouderwetsche sieraden,
begrijpende, of voorwendende te begrijpen, dat hij niet wel afwezig kon
zijn bij eene gelegenheid, waarop alle drie vereenigd waren, had achter
op het rijtuig plaats genomen, „om bij de hand te wezen, ingeval de
heeren zijn bijstand behoefden, eer zij aan tafel gingen.” Tusschen de
twee deftige figuren van Monkbarns en den geestelijken heer gedrongen,
zat de tengere gestalte van Mary M’Intyre; daar hare tante een bezoek
in de pastorie, en een gezellig praatje met Rebekka Blattergowl, boven
het onderzoek der bouwvallen van het klooster van St. Ruth verkozen
had.
Juist toen het gezelschap van Monkbarns en Lovel elkander welkom
heetten, kwam des Baronets rijtuig, eene opene kales, aanstuiven,
terwijl de dampende paarden, de vlugge postiljons, de met wapens
prijkende paneelen, en een paar knechts te paard, een sterke
tegenstelling opleverden met het gehavend rijtuig en de dampige
huurpaarden, die den oudheidkenner en de zijnen vervoerden. De
voornaamste plaatsen waren door Sir Arthur en zijne dochter bezet. Bij
den eersten blik, welken Isabella Wardour en Lovel op elkander wierpen,
verhoogde zich haar blos merkelijk; maar zij had zich waarschijnlijk
voorgenomen, hem als een vriend, en slechts als zoodanig, te ontvangen,
en zij beantwoordde zijn verlegen groet met evenveel beleefdheid als
bedaardheid. Sir Arthur deed de kales stilstaan, om zijn redder
vriendelijk de hand te drukken, en hem het genoegen te kennen te geven,
dat hij nu in de gelegenheid was, om hem persoonlijk zijn dank te
betuigen, en zeide daarop, als om hem eventjes voor te stellen:
„Mijnheer Dousterswivel, mijnheer Lovel”
Lovel bewees daarop de noodige beleefdheid aan den Hoogduitschen
goudzoeker, die gezeten was op de voorste bank van het rijtuig, waar
men gewoonlijk de onderhoorigen of minderen plaatst. De onderdanige,
gemaakt vriendelijke buiging, waarmede de vreemdeling Lovel’s
vluchtigen groet beantwoordde, vermeerderde den inwendigen afkeer,
welken deze reeds voor hem opgevat had: en het bleek duidelijk aan het
fronsen van des oudheidkenners zware wenkbrauwen, dat ook hij deze
vermeerdering van het gezelschap met misnoegen aanzag. Overigens was er
geene gelegenheid tot iets meer dan eenige vriendschappelijke groeten
onder de leden van het gezelschap, tot eindelijk de rijtuigen, ongeveer
drie Engelsche mijlen verder dan de plaats der ontmoeting voortgerold
waren en stil hielden voor eene kleine herberg, de Vier Hoefijzers,
waar Caxon nederig het portier van de chais opende en de trede
neêrliet, terwijl de reizigers in de kales door hunne meer deftige
dienaren uit het rijtuig geholpen werden.
Hier werden de onderlinge begroetingen herhaald; de jonge dames gaven
elkander de hand, en Oldbuck, geheel en al in zijn element, plaatste
zich als leidsman en cicerone aan het hoofd der partij, die zich nu
naar het eigenlijke doel van den tocht begaf. Hij droeg zorg, om Lovel
dicht aan zijne zijde te houden, als den besten toehoorder van het
gezelschap, en wendde zich nu en dan met een paar woorden tot Isabella
Wardour en Mary M’Intyre, die achter hem waren, om haar iets uit te
leggen of te leeren. Den Baronet en den geestelijke vermeed hij
eenigszins, daar hij wel wist, dat zij beiden dachten, niet minder,
maar zelfs meer van de zaak te verstaan dan hij zelf; en Dousterswivel
beschouwde hij niet alleen als een kwakzalver, maar ook geheel als de
oorzaak van zijn gevreesd verlies in de fondsen van ’t mijngenootschap,
zoodat hij hem niet verduren kon. Deze beide heeren werden dus
trawanten van Sir Arthur, bij wien zij zich buitendien natuurlijk
voegden, omdat hij de voornaamste persoon van het gezelschap was.
Niet zelden liggen de schoonste oorden van Schotland in eenig
afgezonderd dal verborgen, zoodat men de geheele landstreek in alle
richtingen zou kunnen doorkruisen, zonder te gissen, dat men zich in de
nabijheid van iets merkwaardigs bevond, als men niet, voorbedachtelijk
of bij toeval, op de plaats zelve gebracht werd. Dit is meer bepaald
het geval met de landstreek rondom Fairport, die, over het algemeen,
open, vlak en kaal is. Maar hier en daar vormen de beddingen van beken
en kleine rivieren diepe valleien, in Schotland onder den naam van dens
bekend, op welker steile en rotsachtige zijden boomen en struiken van
allerlei aard eene schuilplaats vinden, en in weelderige pracht
opgroeien; wat des te aangenamer is, daar het een onverwachte
tegenstelling oplevert met de geheele landstreek. Vooral was dit het
geval met den weg naar de bouwvallen van St. Ruth, die een tijdlang
niets anders was, dan eene schapendrift langs een steilen en naakten
heuvel. Langzamerhand zag men, naarmate het pad naar de laagte ging en
langs den heuvel kronkelde, boomen verschijnen, eerst enkele, mismaakte
en afgeknotte stammen, waaraan de wolvlokken der schapen nog hechtten,
en welker wortels holten opleverden, schuilplaatsen, waarin de lammeren
zich zoo gaarne neêrleggen, een gezicht overigens, aangenamer voor den
beminnaar van het schilderachtige, dan voor den planter en boomkweeker.
Langzamerhand vormden de boomen groepen met overhangende kruinen, en
tusschen de stammen groeiden hazelnooten en doornstruiken; en eindelijk
stonden deze groepen zoo dicht bij elkander, dat, ofschoon zich hier en
daar eene open plaats onder de takken bevond, of eene kleine plek
moeras of hei gezien werd, die onvruchtbaar gebleven was voor het zaad,
dat ze in het rond verspreidden, men echter, over het geheel, de streek
niet anders dan boschrijk noemen kon. De hellingen der vallei naderden
elkander meer en meer; men hoorde het ruischen der beek in de diepte;
en door de openingen, welke het bosch opleverde, zag men de wateren
helder en snel vlieten onder de groene takken.
Oldbuck matigde zich nu in alle opzichten het gezag van een cicerone
aan, en waarschuwde het gezelschap zorgvuldig zich geen voet breed van
het pad te verwijderen, dat hij aanwees, als men het volle genot wilde
smaken van hetgeen men ging bezoeken. „Gij zijt gelukkig mij tot gids
te hebben, Isabella,” riep de oude heer, en dreunde, – de versmaat met
hand en hoofd aangevende, met geestdrift de volgende regels op:
„Ik ken elk pad, en elke groene laan,
Elke vallei, en fraai begroeide diepte,
Elke priëel in deze schuilplaats der Natuur.
„Och! de drommel haal ze! – die braamstruiken hebben al den arbeid van
Caxon vernietigd, en mijne pruik bijna in de beek gewipt, – dat heeft
men van aanhalingen hors de propos!”
„Dat moet u niet verontrusten, waarde heer Oldbuck” zeide Isabella
Wardour; „gij hebt uwen trouwen dienaar bij de hand, om dergelijke
rampen te herstellen; en, als gij met uw hoofdsieraad weder in den
vorigen luister verschijnt, zal ik u ook met eene aanhaling ontvangen:
„Zoo zinkt de zonneschijf in d’Oceaan ter neder,
En beurt zij ’t zinkend hoofd nog eens voor ’t laatst omhoog,
Dan prijkt met nieuwen gloed de gouden straalkrans weder,
Die om haar voorhoofd vlamt –”
„O genoeg, genoeg!” antwoordde Oldbuck; „ik had moeten weten, wat het
is u eenig voordeel op mij te geven. – Maar hier is een voorwerp, dat
uwe spotader stuiten zal, want ik weet, dat gij eene bewonderaarster
der natuur zijt!” Inderdaad, toen het gezelschap hem door een gat in
een ouden, vervallen muur gevolgd was, openbaarde zich een tooneel, dat
even onverwacht als treffend was.
Zij stonden vrij hoog op de helling der vallei, die zich eensklaps
geopend had en eene soort van amphitheater vormde, en die ruimte
verschafte aan een helder en diep meer van een paar bunders in
oppervlak, omgeven door eene ruime vlakte. Daarachter verhieven zich de
hoogten van alle kanten steil, op sommige plaatsen afgewisseld door
rotsen, op andere bedekt met struiken, die de hellingen licht en
onregelmatig stoffeerden, en het eentoonige van het groene weiland
braken. Beneden ontlastte zich het meer in de ruischende beek, die hen
vergezeld had van het oogenblik, dat zij de vallei binnen traden. Op
het punt, waar deze uit het moedermeer stroomde, stonden de bouwvallen,
die men ging bezoeken. Zij waren niet zeer uitgestrekt maar de
bijzondere schoonheid er van, zoowel als de woestheid en de
afgelegenheid der plaats, waar zij zich bevonden, gaven ze eene
meerdere bekoorlijkheid dan de overblijfselen van een grootsch gebouw
bezitten, die nabij gewone huizen geplaatst, en door minder romantische
schoonheden omgeven zijn. De oostelijke vensters der kerk waren nog in
hun geheel, met alle versierselen en beeldwerk, en de zijden,
ondersteund door lichte bogen, die, van den muur, waartegen zij
geplaatst waren, afgeweken, en met kroon en snijwerk versierd,
afwisseling en licht in het gebouw brachten. Het dak en het westelijk
gedeelte der kerk waren geheel vervallen; maar de laatste scheen ééne
zijde te hebben daargesteld van een vierkant, waarvan de bouwvallen der
kloostervertrekken de twee anderen, en de tuin de vierde uitmaakten.
Die zijde van de gebouwen, welke over de beek hingen, was gedeeltelijk
op eene steile rots opgericht; want de plaats was bij vroegere
gelegenheden tot krijgshaftige doeleinden aangewend, en met veel
bloedvergieten in den tijd van Montrose ingenomen. De grond, die
eertijds tot tuin gediend had, onderscheidde zich nog door eenige
weinige vruchtboomen. Op een grooteren afstand van de gebouwen, stonden
enkele verspreide eiken-, olmen- en kastanjeboomen, die eene
aanmerkelijke hoogte bereikt hadden. Het overige der ruimte tusschen de
bouwvallen en den heuvel, bestond uit eene groene vlakte, met kort gras
bedekt, welke de dagelijksche bezoeken der schapen in veel fraaier orde
hielden, dan indien zij aan de zeis en den bezem ware onderworpen
geweest. Het geheele tooneel had iets rustigs, dat bedarend en treffend
was, zonder eentonig te zijn. De donkere, diepe kom, waarin het helder
blauwe meer rustte, dat de waterleliën terugkaatste, die op de
oppervlakte van het water groeiden, en de boomen, die hier en daar
hunne takken van de steile rotsen uitspreidden, dit alles leverde een
schoon kontrast op met de onrust der woelende wateren van de beek,
welke door de opening, als uit een kerker, losbrak, en verder door de
vallei stroomde, rondom den voet der rotsen, waarop de bouwvallen
stonden, kronkelende en tegen iedere hoogte of elken steen, die haren
loop belemmerde, schuimend aanbruischende. Een even groot kontrast
leverde de vlakke groene weide, waarin de bouwvallen gelegen waren, en
de oude zware boomen, die er verspreid stonden, vergeleken met de
steile hellingen, gedeeltelijk van onderen gestoffeerd met licht en
luchtig struikgewas, gedeeltelijk zich verliezende in steile klippen,
bekleed met purperen heideplanten, en gedeeltelijk afgebroken en breede
kruinen van grauwe rots vertoonende, geschakeerd met klimop en die
krachtige planten, welke zelfs in de dorste rotskloven wortel vatten.
„Hier was de wijkplaats der geleerdheid in de dagen der duisternis,
mijnheer Lovel!” zeide Oldbuck, om wien zich het geheele gezelschap nu
verzameld had, terwijl men het onverwachte gezicht van de romantische
plek bewonderde; „daar plachten de wijzen uit te rusten die, deze
wereld moede, zich toewijdden aan de toekomst en aan de welvaart der
geslachten, die hen zouden opvolgen. – Ik zal u dadelijk de boekerij
toonen. Ziet gij dien muur met vierkante, van boven spits toeloopende
vensterramen? daar stond zij, gevuld, zoo als een oud handschrift, dat
ik bezit, mij verzekert, met vijf duizend boekdeelen; – en hier mocht
ik wel het klaaglied aanheffen van den geleerden Leland, die het
tegrondgaan der kloosterboekerijen betreurende (even als Rachel, hare
kinderen) uitroept: dat, bijaldien de pauselijke breven, decreten,
decretalen, en andere dergelijke duivelsche uitvindingen, ja, indien de
sophismen van Heytesburg, de Universaliën van Porphyrius, de logica van
Aristoteles, er de godgeleerdheid van Dunce, en dergelijke (verschoon
mij, Freule Wardour!) luizige listen en vruchten van den bodemloozen
afgrond, uit onze boekerijen geroofd waren, ten gerieve der
kruidenierswinkels, kaarsenmakers, zeepverkoopers en andere bezitters
van het aardsche, wij ons daarover zouden hebben kunnen troosten; –
maar om onze oude kronieken, onze edele historiën, onze geleerde
commentariën en oorspronkelijke oorkonden tot zulke verachtelijke
doeleinden te gebruiken, – dat heeft onze natie verlaagd, en moet ons
onteeren in de oogen van het laatste nageslacht. O schandelijke
onachtzaamheid, voor ons land!”
„En o, John Knox!” zei de Baronet, „door wiens invloed, en onder wiens
opzicht, deze vaderlandslievende taak verricht werd!”
De oudheidkenner, eenigermate in den toestand van eene houtsnip, die in
een strik gevangen is, draaide zich om en hoestte, om een lichten blos
te verbergen, terwijl hij zich op een antwoord bedacht. – „Wat den
Apostel der Schotsche Reformatie, –”
Maar Isabella Wardour viel hem in de rede, ten einde zulk een
gevaarlijk gesprek af te breken. „Mag ik vragen, wie de schrijver was,
dien gij aanhaaldet, mijnheer Oldbuck?”
„De geleerde Leland, die tot waanzin verviel door het vernielen der
kloosterboekerijen in zijn tijd.”
„Nu, zijn ongeluk mag misschien het verstand gered hebben van menigen
hedendaagschen oudheidkenner, die zeker zou verdronken zijn, als zulk
eene uitgestrekte zee van geleerdheid niet door eenige afleiding ware
verminderd geworden.”
„Wel, dank zij den Hemel, dat gevaar is voorbij; – zij hebben ons
nauwelijks een lepel vol overgelaten.”
Dit zeggende, bracht hij het gezelschap van de helling, langs een
steil, maar veilig pad, dat op de groene weide leidde, waar de
bouwvallen stonden. „Daar leefden zij,” vervolgde de oudheidkenner,
„zonder iets te doen te hebben, dan hun tijd door te brengen met het
nasporen van de geheimen der meest verwijderde oudheid, met het
overschrijven van manuscripten, en het samenstellen van nieuwe werken
ter onderrichting van het nageslacht.”
„En,” voegde de Baronet er bij, „met het uitoefenen hunner
godsdienstplichten, op eene het priesterschap waardige, prachtige en
plechtige wijze.”
„En met Sir Arthur’s verlof” zei de heer Dousterswivel met eene diepe
buiging, en in zijn gebroken dialect: „die monniken kunnen ook zeer
mooie proeven, in derzelver laboratoria, genomen hebben in de
scheikunde en de magia naturalis”
„Ik verbeeld mij,” zei de geestelijke, „dat zij genoeg te doen hadden
met het inzamelen van de tienden voor de pastorie en voor den vicaris
over drie rijke kerspelen.”
„En alles,” voegde Isabella Wardour er bij, terwijl zij den
oudheidkenner toeknikte, „zonder eenige stoornis van den kant der
vrouwen!”
„Juist zoo, mijne schoone vijandin!” antwoordde Oldbuck, „dit was een
Paradijs, waar geen Eva toegelaten werd; en des te meer moeten wij ons
verwonderen, dat de goede vaders het kwamen te verliezen.”
Met zulke aanmerkingen over de bezigheden van hen, die vroeger de
bouwvallen bewoond hadden, wandelden zij een tijdlang van het eene met
mos begroeide overblijfsel naar het andere, onder geleide van Oldbuck,
die met veel genot den platten grond van het gebouw uitlegde, en het
gezelschap de verscheidene vermolmde opschriften voorlas en verklaarde,
welker sporen men nog kon nagaan op de grafsteenen der dooden, of onder
de ledige nissen der heilige beelden. „Wat is de reden,” vroeg
eindelijk Isabella Wardour den oudheidkenner, „dat de overlevering ons
zulke schrale berichten bewaard heeft omtrent de bewoners van deze
deftige gebouwen, met zoo veel moeite en met zoo veel smaak opgericht,
en welker eigenaren in hun tijd zulk een groot gezag en algemeenen
invloed bezaten? De minste toren van een roofzieken baron of
landjonker, die van zijne lans en zijn breed zwaard leefde, heeft zijne
eigene oude overlevering, en de schaapherder zal u nauwkeurig de namen
en daden opnoemen van de bewoners; maar ondervraagt men een landman
over deze schoone en uitgebreide overblijfsels, – deze torens, deze
bogen en zuilen, en spitse vensterramen, met zulke kosten voltooid, dan
luidt zijn antwoord in drie woorden: „Ze werden lang geleden door de
monniken gebouwd.””
De vraag was eenigszins lastig. Sir Arthur keek opwaarts, als hoopte
hij, dat hem eenig antwoord mocht worden ingegeven; – Oldbuck schoof
ongeduldig zijne pruik naar achteren; – de geestelijke was van
gevoelen, dat de leden zijner gemeente te diep doordrongen waren van de
rechtzinnige leer der Presbyteriaansche kerk, om eenige overleveringen
te bewaren van de Paapsche puinhoopen van het land, welke takken waren
van den alles overschaduwenden boom der ongerechtigheid, welks wortels
in de ingewanden stonden van de zeven heuvelen der zonde. – Lovel
dacht, dat zich de vraag het best liet oplossen door in aanmerking te
nemen, welke voorvallen de diepste indrukken nalaten in de gemoederen
van het volk. „Dit,” beweerde hij, „zijn niet zulke gebeurtenissen,
welke op de trapsgewijze vorderingen van eene vruchtbaar makende rivier
gelijken, maar de zoodanige, die de toomelooze woede eener
overstrooming in hare werking evenaren. De tijdstippen, volgens welke
het volk den tijd berekent, zijn altijd die van vrees en ontroering, en
het begint te rekenen na een storm, of na eene aardbeving, of na het
uitbarsten van een burgeroorlog. En als dit de daadzaken zijn, die het
meest in het geheugen van het gemeen bewaard worden, kunnen wij ons
niet verwonderen,” eindigde hij, „dat de woeste krijgsman in de
herinnering blijft, terwijl de vreedzame kloosterling aan de
vergetelheid overgeleverd wordt.”
„Met uw verlof, mijne Herren en Damen, en met de uwe, Sir Arthur en ook
met de uwe, Freule Wardour, en met goedvinden van den eerwaarden heer
prediker, en van mijn goeden vriend den heer Oldenbuck, die mijn
landsman is, en van den goeden jongen heer Lovel ook, ik denke, het
komt alles van de hand der eere.”
„Wat voor eene hand?” riep Oldbuck.
„De – eerehand, mijn goede heer Oldenbuck! dat is een zeer groot en
verschrikkelijk geheim, – dat de monniken gebruikten, om hunne schatten
te verbergen, als ze uit hun klooster verdreven werden, door hetgeen
gij de Reformation noemt.”
„Zoo, waarlijk! geef ons daar eenige beschrijving van,” zeide Oldbuck;
„want dat is iets, dat men wel zou willen weten.”
„Wel, mijn goede heer Oldenbuck! Gij zult zeker gelieven mij uit te
lachen. – Maar die eerehand is zeer wel bekend in die landstreken, waar
Uwé’s voorouders woonden, – en het is die hand, die men van een dood
mensch, die wegens moord gehangen is, heeft afgesneden en zuiver in den
rook van jeneverhout heeft drogen laten, en als Uwé een beetje van wat
men taxis noemt daarbij voegt, zoo is het niet beter, – dat is, het zal
geen kwaad, – dan neemt Uwé een weinig vet van een beer, en van een
das, en van een wild zwijn, en van een zuigend kind, dat echter nog
niet gedoopt is (want dat is eene hoofdzaak), en Uwé maakt van dat
alles eene kaars, en steekt die in de hand der eere op het juiste uur
en de minuut, en met de daarbij behoorende ceremoniën, en hij die naar
schatten zoekt, zal er geene vinden, wie hij ook zijn moge.”
„Dit resultaat zou ik gerust durven bezweren,” zei de oudheidkenner;
„en placht men, mijnheer Dousterswivel, zich in Westfalen van dit
elegant candelabrum te bedienen?”
„Gewis, heer Oldenbuck! zoodra men niet gaarne had, dat van wat men
deed gesproken werd; – en de monniken plachten het te doen, als zij het
zilver en de groote kelken, en de ringen met zeer precieuse steenen en
juweelen verbergen wilden.”
„En toch hebt gij, heeren ridders van het Rozenkruis, zonder twijfel,
middelen om het tooverspel te breken, en datgene te ontdekken, hetwelk
de arme monniken zich zoo vele moeite gaven, om te verbergen?”
„Ach! lieve heer Oldenbuck!” hernam de goudzoeker met een
veelbeteekenend hoofdschudden, „Uwé is zwaar van geloof; doch als Uwé
die groote stukken gezien hadt, zoo massief, Sir Arthur! – zoo curieus
fatsoeneert, Freule Wardour! – en het zilveren kruis dat wij,
(Schroepfer [19] en ik,) voor den heer Freigraaf, das heisst, den Baron
van Blunderhausen, vonden, dan geloof ik, heer Oldenbuck, zou Uwé ook
wel geloofd hebben.”
„Voorwaar zien, is gelooven. – Maar waarin bestond uwe kunst; – wat was
uw geheim, Mijnheer Dousterswivel?”
„Aha! dat is ja mijn klein geheim, mijn goede heer Oldenbuck! – Uwé
excuseert, dat ik dat voor mij houd; – doch wil ik Uwé wel zeggen, dat
er vele middelen toe zijn, – als bij voorbeeld de droom, welken men
driemaal gehad heeft, dat is een zeer goed middel.”
„Dat verheugt mij,” zeide Oldbuck; „ik heb een vriend,” (van ter zijde
een blik op Lovel werpende) „die bijzonder begunstigd is met de
bezoeken van de koningin Mab [20].”
„Dan hebben wij nog de sympathiën, en de antipathiën, en de vreemde
eigenschappen en natuurlijke krachten van verscheidene kruiden, en de
kleine tooverroede.”
„Ik zou veel liever eenige van die wonderen zien, dan er van hooren,
zeide Isabella Wardour.”
„Maar zeer vereerde jonge dame, om dat groote wonder te doen, en om al
het zilver en de schatten te vinden, daartoe ontbreekt het ons aan de
benoodigdheden in dit oogenblik; toch om Uwé te obligeeren en Sir
Arthur, mijn genadigen patroon, en den eerwaarden geestelijken heer, en
den goeden heer Oldenbuck, en den jongen heer Lovel, die ook een zeer
goede jonge heer is, wil ik Uwé zien laten, dat het mogelijk, zeer
mogelijk is, de wellen en de kleine beekjes, die in den grond verborgen
zijn, zonder eenige schop of spade te ontdekken.”
„Hm!” zeide de oudheidkenner, „ik heb van dat raadseltje gehoord. In
ons land zal het niet veel opbrengen; – gij moest er meê naar Spanje en
Portugal gaan, en er partij van trekken.”
„Ja toch, mijn beste heer Oldenbuck, daar is de Inquisition, en het
Auto-da-fé; – daar kon ik, die slechts een filosoof ben, als een
toovenaar verbrand worden!”
„Dan zouden zij altoos nog hunne kolen verspillen,” zeide Oldbuck. –
„Maar,” vervolgde hij fluisterend tegen Lovel, „indien zij hem te pronk
stelden als den meest onbeschaamden schurk, die ooit de tong roerde,
zouden zij hem meer naar verdienste straffen. – Ik geloof waarachtig,
dat hij ons een van zijne goochelkunstjes gaat vertoonen!”
De goudzoeker had zich werkelijk naar een klein bosch kreupelhout, op
eenigen afstand van de bouwvallen begeven, waar hij zich druk bezig
hield met te zoeken naar hetgeen hij tot zijn geheimzinnig oogmerk
behoefde; en, na verscheidene takjes afgesneden, onderzocht en
verworpen te hebben, koos hij eindelijk een hazeltakje met eene vork
aan het einde, hetwelk hij verklaarde, dat de vereischte kracht bezat,
om er de proef, die hij voorhad, mede te doen. En nu, met de twee
einden van de vork, elk tusschen den vinger en duim, en dus den stok
overeind houdende, trok hij, stapvoets, door de vervallen gangen der
kloostergebouwen, door de overige nieuwsgierige leden van het
gezelschap gevolgd.
„Ik geloof werkelijk, dat er hier geen water was,” zei de goudzoeker,
na verscheidene gedeelten van het gebouw te hebben rondgewandeld,
zonder eenige van die teekens op te merken, welke hij voorgaf te
wachten. „Ik geloof, dat deze Schotsche monniken het water te koud
vonden voor het klimaat, en dronken altijd den goeden Rhein-wein; –
maar, aha! – zie daar!” – De oogen der omstanders vestigden zich nu
allen op de roede, en zij zagen, dat die tusschen zijne vingers
draaide, ofschoon hij verzekerde, dat hij die zeer stevig vasthield. –
„Hier in den omtrek is water,” – en zich heen en weêr wendende, zoo als
de bewegingen der tooverroede schenen te eischen, trad hij eindelijk in
eene ledige ruimte der bouwvallen, waar de keuken van het klooster
geweest was, toen de roede zich zoodanig keerde, dat ze bijna loodrecht
naar den grond wees. „Hier is de plek,” zei de goudzoeker, „en als Uwé
hier geen water vindt, zoo mag Uwé mij vrij een onbeschaamden bedrieger
noemen!”
„Die vrijheid zal ik toch nemen,” fluisterde de oudheidkenner Lovel
toe, „of wij water vinden, of niet.”
Een knecht, die met eene mand vol ververschingen gekomen was, werd nu
naar de hut van een naburiger boschwachter gezonden, om eene spade en
een houweel te halen. Nadat de steenen en het puin van de plaats, door
den heer Dousterswivel aangewezen, opgeruimd waren, kwam men weldra tot
de zijden van een gemetselden put; en toen men verder, met behulp van
den boschwachter en zijn zoon, eenige voet puin opgeruimd had, begon
het water snel op te borrelen, tot groot genoegen van den wijsgeer, tot
verwondering van de dames, van den heer Blattergowl en van Sir Arthur,
tot verrassing van Lovel, en tot beschaming van den ongeloovigen
oudheidkenner. Hij liet echter niet na, om Lovel zijn protest tegen het
wonderwerk in het oor te blazen. „Dit is slechts eene list, en anders
niets,” zeide hij; „de schurk heeft door het een of ander toeval
geweten, dat deze oude put hier was, eer hij met zijn goochelkunstje
voor den dag kwam. Let op hetgene hij er van zal opsnijden! Ik vergis
mij zeer, zoo dit stukje niet op erger bedrog doelt. Zie, hoe de schurk
pocht op het gelukken zijner proef, en hoe de arme Sir Arthur zich laat
overstelpen door den vloed van wartaal, die hij staat uit te kramen,
als de grondbeginselen zijner geheime wetenschappen!”
„Uwé ziet, mijn goede patroon! Uwé ziet, mijne schoone dames, Uwé ziet,
eerwaarde heer Blattergowl, en zelfs heer Lovel en heer Oldenbuck
kunnen zien, als zij gelieven willen te zien, dat de kunst geen anderen
vijand heeft dan de onwetendheid. Bezie dit stokje van eene
hazelstruik; – het is tot niets goed, dan om een klein kind te
straffen, – („Daartoe is ’t slechts te misbruiken; maar voor u wenschte
ik eene fiksche geesel,” mompelde Oldbuck), – „en neemt het een
filosoof in de hand – paf! zoo maakt het de grootste ontdekking. Maar
dat is niets Sir Arthur! – niets, – in het geheel niets, eerwaarde heer
Blattergowl! niets, dames! – volstrekt niets, jonge heer Lovel en goede
heer Oldenbuck, bij wat de kunst doen kan. Ah! als iemand hoofd en hart
had, ik zou hem wel andere dingen, dan de waterbronnen zien laten – ik
zou hem –”
„En er zou maar weinig geld daartoe noodig zijn, niet waar?” vroeg de
oudheidkenner.
„Bah! eene kleinigheid, dat niet waard is over te spreken,” antwoordde
de goudzoeker.
„Dat dacht ik wel!” hernam de oudheidkenner; „en ik zal u intusschen,
zonder eenige tooverroede, eene heerlijke pastei van wildbraad, en eene
flesch echte Madera toonen, en ik geloof, dat dit ruim opwegen zal
tegen alles, wat de kunst van mijnheer Dousterswivel in staat is te
doen verschijnen!”
Het maal werd, naar de uitdrukking van den heer Oldbuck, aangericht
fronde super viridi, onder een zwaren ouden boom, „des abts eik”
genaamd, en het gezelschap, in het rond plaats nemende, bewees alle eer
aan den inhoud van de mand.