ZESTIENDE HOOFDSTUK

Ik ben betooverd door des schelms omgang. Zoo de

schurk mij geene toovermiddelen gaf, dat ik hem

genegen werd, laat ik mij hangen! Het kan wel niet

anders; hij heeft toovermiddelen gebruikt!

Shakespeare’s Hendrik IV, 2de DL.

Veertien dagen lang ondervroeg de oudheidkenner geregeld den ouden

Caxon, of hij niet gehoord had, waarmede de heer Lovel zich bezig

hield? en geregeld gaf deze ten antwoord, „dat men in de stad niets

hoegenaamd van hem te weten kon krijgen, dan dat hij een stuk of wat

dikke brieven uit het zuiden gekregen had, en dat men hem nooit op

straat zag.”

„Hoe leeft hij, Caxon?”

„Wel, jufvrouw Hadoway zet hem een beefsteak voor, of eene lamskotelet,

of een kip, of iets waarvan zij zelve houdt, en hij eet het in de

kleine roode huiskamer naast zijne slaapplaats. Zij kan niet eens van

hem te weten komen, waarvan hij het meest houdt; en ’s morgens zet zij

thee voor hem, en hij rekent elke week trouw met haar af.”

„Maar gaat hij nooit uit?”

„Hij heeft het wandelen glad opgegeven, en hij brengt den dag door op

zijne kamer met lezen en schrijven. Hij schreef ook een heel pak

brieven; maar hij wilde die niet eens op ons postkantoor doen, ofschoon

jufvrouw Hadoway aanbood, om ze zelve te brengen; maar zond ze onder

couvert aan den Sheriff, en jufvrouw Mailsetter gelooft, dat deze zijn

knecht stuurde, om ze op het postkantoor te Tannonburgh te bezorgen;

het is mijn bescheiden meening, dat hij het doorsnuffelen van zijne

brieven te Fairport vreesde; – en dat mocht wel; want mijne arme

dochter Jenny, –”

„Plaag mij nu niet met uw vrouwvolkje Caxon! – Wat den armen jongen

betreft; – schrijft hij niets anders dan brieven?”

„O ja! – heele vellen vol andere dingen, zegt jufvrouw Hadoway. Zij had

zoo gaarne, dat men hem kon overhalen, om eens te gaan wandelen: zij

vindt, dat hij er slecht uitziet, en zijn eetlust is glad weg; maar hij

wil niet hooren van een voet over den drempel te zetten: – hij, die

vroeger zoo veel placht te wandelen.”

„Dat is verkeerd, ik weet ten naaste bij, waar hij meê bezig is; maar

hij moet ook niet te hard werken. Ik zal hem vandaag nog gaan bezoeken;

– hij is zeker in de Caledoniade verdiept.”

Na het nemen van dit kloek besluit, rustte zich de heer Oldbuck tot den

tocht uit; dat is, hij trok zijne dikke wandelschoenen aan, nam zijne

rotting met gouden knop in de hand, en begaf zich op weg, onder het

mompelen van Falstaff’s woorden, die wij tot motto van dit hoofdstuk

verkozen hebben; want de oudheidkenner was zelf verwonderd, dat hij

zich zoo sterk door dezen vreemdeling aangetrokken gevoelde.

Eene wandeling naar Fairport was voor den heer Oldbuck eene onderneming

geworden, waartoe hij zelden geneigd was. Hij haatte het groeten op

straat, en er waren over het algemeen lediggangers genoeg, die hem

vervolgden, òf met het nieuws van den dag, òf met de eene of andere

nietige zaak. Zoo had hij, bij deze gelegenheid, den voet nauwelijks in

de straten van Fairport gezet, of het heette: „Goeden morgen, mijnheer

Oldbuck, – het is een trefje, als men u te zien krijgt! – Wat denkt gij

van het nieuws in de courant van vandaag? binnen veertien dagen, zegt

men zal de inval plaats hebben.”

„Ik wenschte, bij God, dat die gedaan en voorbij was, en dat ik er niet

meer van hoorde spreken.”

„Monkbarns, uw dienaar,” zei de bloemkweeker, „ik hoop, dat de planten

voldaan hebben? en als gij eenige bloembollen, nieuwe uit Holland, of,”

(dit zachter) „een anker of wat echt Keulsche jenever noodig hebt, een

van onze brikken kwam gisteren binnen.”

„Dank je, dank je, – voor het oogenblik niets, mijnheer Crabtree!”

antwoordde de oudheidkenner, fiks doorstappende.

„Mijnheer Oldbuck,” zei de stadsschrijver, (een gewichtige persoon, die

op hem aankwam, en het waagde den ouden heer staande te houden.) „De

burgemeester, vernomen hebbende dat gij in de stad waart, verzoekt u

haar in geen geval te verlaten, zonder hem bezocht te hebben; hij moet

u noodzakelijk spreken over een ontwerp, om het water van de

Fairwell-bronnen door een gedeelte van uwe landerijen te brengen.”

„Wat drommel! – hebben zij geen ander land dan het mijne, om er aan te

knoeien en te kerven? – ik geef mijne toestemming niet; – zeg hun dat!

–”

„En de burgemeester en de raad,” vervolgde de stadsschrijver, „hebben

er niet tegen, dat gij de oude steenen van de Donagild’s kapel, om

welke gij gevraagd hebt, wegneemt.”

„Ei? – zoo! zoo! dat is wat anders. – Wel, ik zal bij den burgemeester

aankomen, en wij zullen er over spreken.”

„Maar gij moet u dadelijk verklaren, Monkbarns, als gij de steenen

noodig hebt; want de Deken Harlewalls oordeelt, dat men de

gebeeldhouwde steenen zeer goed in den gevel van het nieuwe stadhuis

zou kunnen te pas brengen; – dat is, de twee figuren, met gekruiste

beenen, die de menschen in de wandeling Robin en Bobbin noemen; aan

weerskanten van de deur, en den anderen steen, dien zij Ailie Dalie

noemen, boven de deur. Het zal zeer netjes zijn, zegt de Deken; en

juist in den nieuw-Gothischen stijl.”

„De Heer verlosse ons van dit Gothisch geslacht! – Een gedenkteeken van

een tempelridder aan weerskanten van eene Grieksche poort, en eene

Madonna er boven! – O crimini! – Wel, zeg den burgemeester, dat ik de

steenen hebben wil, en wij geen geschil zullen hebben over den

waterloop. Het is gelukkig, dat ik juist vandaag dezen kant uitkwam.”

Zij scheidden over en weêr tevreden; maar de slimme schrijver had

groote reden, om zich over zijne behendigheid te verheugen; want het

geheele voorstel eener ruiling van de gedenkteekens, (die de raad

besloten had, als onnut puin te laten opruimen, omdat ze drie voet van

het wandelpad innamen,) tegen het voorrecht, om het water naar de stad

over het erf van Monkbarns te leiden, was een denkbeeld, dat bij hem

zelven in den drang van het oogenblik ontstaan was.

Door deze verschillende beletselen baande zich Monkbarns (om den titel

te bezigen, waarbij hij in de landstreek bekend was), eindelijk den weg

naar het huis van jufvrouw Hadoway. Deze goede vrouw was de weduwe van

een der geestelijken te Fairport, en verkeerde, door het vroegtijdig

afsterven van haren man, in die bekrompen en benauwde omstandigheden,

waarin men de weduwen der geestelijken in Schotland zoo dikwijls

aantreft. De woning, die zij gehuurd had, en de meubels, welke zij

bezat, verschaften haar de middelen, om een gedeelte van haar huis te

verhuren; en daar Lovel een rustig, geregeld en voordeelig inwoner was,

en den onderlingen, onvermijdelijken omgang met zeer veel beleefdheid

en hoffelijkheid paarde, had dit jufvrouw Hadoway, die wellicht niet

gewoon was aan zulk eene vriendelijke bejegening, eene zeer groote

genegenheid voor haren huurder doen opvatten, zoodat zij geene van die

kleine oplettendheden verzuimde, welke de omstandigheden haar toelieten

hem te bewijzen. Iets beters dan gewoonlijk voor „het middagmaal van

den armen jongen heer” te bereiden; zich te beijveren, om bij hen die

zich haren echtgenoot nog herinnerden, of haar om haar eigen wil

liefhadden, eenige schaarsche groenten te krijgen, of iets anders,

hetwelk zij in hare eenvoudigheid veronderstelde, dat den eetlust van

haren kamerbewoner kon opwekken, was een werk, waarin zij vermaak

schepte, ofschoon zij het zorgvuldig verborg voor den persoon, die er

het voorwerp van was. Zij hield hare welwillendheid echter niet geheim,

om den spot te ontgaan van hen, die zouden kunnen veronderstellen, dat

een rond gezichtje niet donkere oogen en eene gezonde gelaatskleur, ook

zelfs bij eene vrouw van vijfenveertig jaren, en daarbij in de nauw

sluitende weduwenmuts gehuld, streven kon naar het maken van

overwinningen; want, om de waarheid te zeggen, daar zulk eene

belachelijke gedachte nooit bij haar zelve opkwam, kon zij ook niet

denken, dat die bij anderen zou ontstaan. Maar zij verborg hare

oplettendheden slechts uit kieschheid voor haren gast, aan wiens

vermogen, om ze te vergelden, zij evenzeer twijfelde, als zij geloofde,

dat hij er toe geneigd was en pijnlijk gegriefd zou zijn, als hij de

geringste van hare beleefdheden onbeloond moest laten. – Nu opende zij

de deur voor den heer Oldbuck, en de verrassing van hem te zien, bracht

haar tranen in de oogen, die zij nauwelijks weêrhouden kon.

„Ik ben blij u te zien, mijnheer! – ik ben zeer blij u te zien! Mijn

arme jonge heer is, vrees ik, niet wel; en o, mijnheer Oldbuck, hij wil

noch dokter, noch dominé, noch notaris spreken! en hoe zou het gaan,

indien, zoo als mijn arme man placht te zeggen, iemand kwam te sterven,

zonder den bijstand der drie geleerde faculteiten?”

„Veel beter dan met haar bijstand,” bromde de cynische oudheidkenner,

„Ik zeg u, jufvrouw Hadoway! de geestelijken leven van onze zonden, de

dokters van onze ziekten, en de rechtsgeleerden van onze rampen.”

„O foei, Monkbarns, zoo iets van u te hooren! – Maar wilt gij naar

boven gaan en den armen jongen zien? – och, mijnheer, zoo jong en

krachtig – en dagelijks eet hij al minder en minder, en nu raakt hij

bijna niets meer aan; voor het fatsoen, neemt hij slechts één hapje uit

den schotel, en zijne arme wangen worden bij den dag magerder en

bleeker, zoodat hij er nu wezenlijk zoo oud uitziet, als ik, die zijne

moeder kon zijn, – niet dat ik juist zóó oud ben, maar toch nagenoeg!”

„Waarom neemt hij niet wat beweging?” vroeg Oldbuck.

„Ik geloof dat wij hem daartoe overgehaald hebben; want hij heeft een

paard gekocht van Gibbie Golightly, den stalknecht. Gibbie zeide, dat

mijnheer een paardenkenner was; want hij bood hem een paard aan, dat

hij dacht, hem lijken zou, omdat hij maar een geleerde is; maar

mijnheer Lovel wilde het niet eens aankijken, en nam er een, dat een

vliegenden dragonder zou kunnen dienen; – het staat op stal in de

herberg aan den overkant van de straat, en hij ging gisteren en heden

morgen vóor het ontbijt uit. – Maar wilt gij niet naar boven gaan?”

„Dadelijk, dadelijk; – is er ook iemand bij hem?”

„O, mijn lieve mijnheer Oldbuck! geen mensch; hij wilde niemand

ontvangen, toen hij frisch en gezond was, hoe zou het dus mogelijk

zijn, dat iemand uit Fairport, nu naar hem om zou zien?”

„Ja, ja, zeer waar! Het zou vreemd zijn, als het anders ware. – Kom,

wijs mij den weg jufvrouw Hadoway, opdat ik mij niet vergis, en ergens

heen kom, waar ik niet wezen moet.”

De goede jufvrouw wees den heer Oldbuck den smallen trap, geleidde en

waarschuwde hem voor elke wending, terwijl zij hem aanhoudend

beklaagde, dat hij genoodzaakt was, om zoo hoog te klimmen. Eindelijk

tikte zij zachtjes aan de deur van Lovel’s zitkamer. „Binnen!” riep

deze, en jufvrouw Hadoway liet den heer van Monkbarns binnen.

De kleine kamer was net en zindelijk en betamelijk gestoffeerd, en

daarbij versierd met die overblijfsels van mejufvrouw Hadoway’s jeugdig

borduurwerk, welke zij nog bewaard had, maar het vertrek was klein en

benauwd, en, zoo als het den heer Oldbuck toescheen, een zeer ongezond

verblijf voor een jong mensch, wiens gezondheid verzwakt was, eene

opmerking, die hem in een ontwerp versterkte, dat reeds lang ten

opzichte van Lovel bij hem opgekomen was. Deze zat aan eene

schrijftafel met eene menigte boeken en papieren, op eene sofa, in

zijne kamerjapon en muilen. Oldbuck schrikte over de verandering, die

hij in hem opmerkte. Wangen en voorhoofd waren doodsbleek, uitgezonderd

daar, waar eene schitterende roode plek sterk en pijnlijk in het oog

viel, als zeer verschillend van de gezonde, heldere kleur, die vroeger

zijn gelaat overdekte en eenigszins blozend maakte. Oldbuck merkte op,

dat de kleeding, die hij aanhad, zoo wel als de rok, die naast hem over

een stoel hing, zwaren rouw aanwezen. Zoodra de oudheidkenner

binnentrad, stond Lovel van de sofa op en kwam hem te gemoet, om hem te

verwelkomen.

„Dit is zeer vriendelijk,” zeide hij, terwijl hij hem de hand drukte en

hartelijk dankte voor zijn bezoek; „dit is zeer vriendelijk, – en

daarbij voorkomt gij mij, daar ik voornemens was u eerstdaags te komen

zien; – gij moet weten, ik heb mij onlangs een paard aangeschaft.”

„Dat hoor ik van jufvrouw Hadoway: – ik hoop maar, mijn goede jonge

vriend, dat gij gelukkig geslaagd zijt met een mak paard te vinden. Ik

had ook eens de onvoorzichtigheid een paard van denzelfden Gibbie

Golightly te koopen; dat dier rende met mij op zijn rug twee mijlen de

jachthonden achter na, waarmeê ik zoo weinig te maken had, als met de

sneeuw van laatstleden winter, en, nadat ik, zoo als ik veronderstel,

veel toegebracht had tot het vermaak der jachtpartij, was het

vriendelijk genoeg, mij in eene drooge sloot er af te smijten. Het uwe,

hoop ik, zal een vreedzamer beest zijn?”

„Ik hoop ten minste, dat wij meer eensgezind zullen zijn op onze

tochten.”

„Dat is te zeggen, gij verbeeldt u een goed ruiter te zijn?”

„Ik zou mij niet gaarne voor een zeer slecht ruiter houden.”

„Neen, gij jonge lieden gelooft u dadelijk meesters in de kunst te

moeten noemen. Maar, hebt gij er ooit ondervinding van gehad? Want,

crede experto, met een driftig paard is geen gekscheren!”

„Wel, ik zou het niet wagen mij een groot ruiter te noemen; maar toen

ik, verleden jaar, in het gevecht te .... als adjudant van Sir ....

dienst deed, zag ik menigen beteren ruiter dan ik uit den zadel

gelicht!”

„O! gij hebt den verschrikkelijken God des oorlogs in de oogen gezien;

– gij zijt bekend met de vertoornde blikken van den krijgshaftigen

Mars? – Die ondervinding volmaakt uwe bekwaamheden voor het

heldendicht! – Maar de Britten, zult gij u herinneren, vochten in

wagens, – covinarii zegt Tacitus; – gij herinnert u de schoone

beschrijving van de slachting daardoor onder het Romeinsche voetvolk

aangericht, ofschoon de geschiedschrijver ons verhaalt, dat de ruwe,

ongelijke bodem weinig geschikt was voor paarden. En waarlijk, over het

geheel, welke soort van wagens men ergens anders in Schotland heeft

kunnen gebruiken dan op de straatwegen, is altijd voor mij een raadsel

geweest. – En nu, – heeft de Zanggodin u bezocht? – Hebt gij iets

afgemaakt om mij te laten zien?”

„De tijd,” zeide Lovel, een blik op zijne zwarte kleeding werpende, „is

minder aangenaam door mij besteed geworden.”

„De dood van een vriend?”

„Ja, mijnheer Oldbuck, van bijna den eenigen vriend, dien ik mij ooit

beroemen kon te bezitten.

„Inderdaad? – Wel, jonkman wees getroost,” zei de oudheidkenner op een

ernstigen toon, die zeer verschilde van zijne gewone, gemaakte

deftigheid. „Een vriend door den dood verloren te hebben, terwijl de

onderlinge achting nog warm en onverkoeld was, – terwijl de traan nog

vloeien kan, onverbitterd door eenige pijnlijke herinnering aan

verkoeling, of wantrouwen, of verraad, is misschien een gelukkig

ontsnappen aan eene zwaardere bezoeking. Zie rond, – hoe weinigen ziet

gij oud worden, omringd door hen, die hunne eerste vrienden waren! –

Onze bronnen van gemeenschappelijk genoegen drogen langzamerhand op,

naarmate wij voorttrekken door het dal van Bacha, en wij graven ons

nieuwe putten, van welke de eerste deelgenooten van onzen tocht

verstooten blijven. Afgunst, naijver, nijd komen tusschenbeide, en

verwijderen anderen van onze zijde, tot ons niemand meer overblijft,

dan diegenen, met welke wij eerder door gewoonte, dan door voorkeur

verbonden zijn, of die, nader in bloedverwantschap dan in neigingen,

den ouden man bij zijn leven gezelschap houden, om niet vergeten te

worden bij zijn dood – Haec data poena diu viventibus! – O, Lovel, als

het uw lot wordt, om den kouden, nevelachtigen, eenzamen avond van het

leven te bereiken, zult gij aan de smarten uwer jeugd terugdenken, als

aan de lichte wolkjes, die voor een oogenblik de stralen van de nog

opkomende zon verduisteren. – Maar mijne woorden dringen in uwe ooren

door, zonder uw hart te bereiken.”

„Ik ben zeer gevoelig voor uwe deelneming,” antwoordde de jongeling;

„maar de pas toegebrachte wond moet altijd hevig pijn doen, en – houd

het mij ten goede, – het zou mij weinig troosten in mijne tegenwoordige

droefheid om overtuigd te zijn, dat het leven mij verder niets

opleveren zou, dan eene reeks van teleurstellingen. En vergun mij er

bij te voegen: gij, mijnheer Oldbuck, hebt minder redenen, dan vele

andere menschen, om het leven uit zulk een somber oogpunt te

beschouwen. Gij bezit een voldoend en zelfs ruim vermogen, – zijt

algemeen geacht en geëerd, – kunt, naar uwe eigene uitdrukking, vacare

musis, en in uwe studiën uw smaak vrij volgen; – buiten ’s huis kunt

gij uw eigen vriendenkring vormen, en daar binnen geniet gij de

liefderijkste en onvermoeidste verpleging uwer dierbare

naastbestaanden.”

„Wel ja! mijn vrouwvolkje is voor vrouwen, – dank zij mijne strenge

tucht, – nog al beleefd en handelbaar; zij storen mijne morgenstudiën

niet, – sluipen langs den vloer met den stillen tred eener kat, als ik

lust heb, na tafel, of na de thee, in mijn leuningstoel een dutje te

doen. Dat is alles goed en wel; maar ik mis iemand, aan wien ik mijne

gedachten kan meêdeelen, – iemand om meê te praten!”

„Waarom verzoekt gij dan niet uw neef, den kapitein M’Intyre, om bij u

te komen? Hij staat voor een geestig jong mensch bekend.”

„Hoe! mijn neef Hector? – dien heethoofd? – Hoe! – De hemel beware mij;

ik zou even graag eene brandende toorts op mijne hooizolders brengen. –

Hij is een Almanzor, een Chamont, – heeft een Hooglandschen stamboom

even lang als zijn zwaard, en een zwaard zoo lang als de Hoogstraat te

Fairport, dat hij tegen den heelmeester aldaar trok, toen hij er de

laatste maal was. Ik verwacht hem eerstdaags hier; maar ik zal hem op

een afstand houden, dat beloof ik u! – Hij, een vaste bewoner van mijn

huis! om mijne stoelen en tafels van zijne drift te zien beven! – Neen!

neen! ik wil geen Hector M’Intyre. – Maar hoor, Lovel, gij zijt een

stil, zachtaardig jong mensch; zoudt gij niet goed doen met u een paar

maanden te Monkbarns te vestigen; want ik begrijp, dat gij niet

dadelijk voornemens zijt deze streek te verlaten? – Ik zal eene deur

uit uwe kamer naar den tuin laten maken; – dat zou slechts eene

kleinigheid kosten, – er is al eene oude deur daar, die lang geleden

toegemetseld werd; door deze deur kunt gij de groene kamer uit- en

ingaan naar verkiezing, zoodat gij niets met den ouden man, noch hij

met u, zal te doen hebben. Wat den kost betreft, jufvrouw Hadoway zegt

me, dat gij, zoo als zij het noemt, zeer matig in het eten zijt: dus

zult gij u met mijn eenvoudigen disch wel vergenoegen. Uw linnen, –”

„Ik bid u, waarde heer Oldbuck,” viel hem Lovel, met een glimlach in de

rede, welken hij niet bedwingen kon; „eer uwe gastvrijheid mijne

leefwijze regelt, vergun mij u welmeenend te danken voor zulk een

vriendelijk aanbod. Thans is het mij onmogelijk, er gebruik van te

maken; maar zeer waarschijnlijk zal ik, eer ik Schotland vaarwel zeg,

gelegenheid vinden om u een bezoek van eenigen duur te geven.”

De heer Oldbuck was eenigszins uit het veld geslagen. „Wel, ik dacht

iets gevonden te hebben, dat ons beiden lijken zou; en wie weet, wat er

met den tijd gebeurde, en of wij ooit weder scheiden zouden? Wel ik ben

heer en meester over mijne landerijen! – dat is het voordeel van af te

stammen van een mensch, die meer gezond verstand dan hoogmoed had. Men

kan mij niet noodzaken, mijne landerijen, have en goed aan iemand

anders te vermaken, dan ik wil. Er bestaat geen band, om menschen tot

erfgenamen te benoemen, die zoo onbeduidend en nietig zijn als de

papiertjes onder aan den staart van een vlieger, om de vlucht van mijne

neigingen te belemmeren! – Wel, ik zie, dat u dit voor het oogenblik

niet verleidt; – maar de Caledoniade gaat toch door, hoop ik?”

„O zeker,” zeide Lovel; „ik kan er niet aan denken, om een plan te

laten varen, dat zoo veel belooft!”

„Dat doet het wezenlijk,” zei de oudheidkenner met een plechtigen blik;

want ofschoon hij verstand en doorzicht genoeg bezat, om de plannen te

beoordeelen, die door anderen ontworpen werden, was hij nochtans,

natuurlijk, overdreven ingenomen met degenen, welke hij zelf gesmeed

had. – „Het is wezenlijk een ontwerp dat, indien volbracht in den geest

waarin het gevormd werd, de letterkunde van het tegenwoordige geslacht

zal helpen zuiveren van den blaam van lichtzinnigheid!”

Hier werden zij gestoord door een tikken aan de kamerdeur, en een

briefje voor den heer Lovel werd binnengebracht. De knecht wachtte, op

antwoord, zei jufvrouw Hadoway. – „Dit betreft u mede, mijnheer

Oldbuck,” zeide Lovel, het briefje, na het eventjes ingezien te hebben,

aan den oudheidkenner overhandigende.

Het was een schrijven van Sir Arthur Wardour, in de beleefdste

bewoordingen, waarmede hij zijn leedwezen te kennen gaf, dat een aanval

van jicht hem tot nog toe belet had den heer Lovel de beleefdheden te

bewijzen, waarop hem zijn gedrag in een oogenblik van groot gevaar zoo

zeer het recht gaf, – en zich verontschuldigende, dat hij niet in

persoon zijne opwachting kwam maken, (in de hoop, dat de heer Lovel hem

van deze plechtigheid wel zou willen verschoonen), noodigde hij hem uit

om deel te nemen aan eene kleine partij, welke hij tegen den volgenden

dag voorsloeg naar de bouwvallen van het klooster van St. Ruth, om

daarna op het kasteel Knockwinnock het middagmaal te gebruiken en den

avond door te brengen. Sir Arthur eindigde met te zeggen, dat hij

insgelijks de familie Monkbarns verzocht had. De plaats van vereeniging

was bepaald bij een slagboom, die zich ongeveer op een gelijken afstand

bevond van de onderscheidene punten, van welke het gezelschap samen

moest komen.

„Wat zullen wij doen?” vroeg Lovel, den oudheidkenner aanziende: maar

tamelijk vast bepaald omtrent hetgene hij zelf voornemens was.

„Gaan, man! – gaan in elk geval, ofschoon het mij ook een wagen kosten

zal, die u en mij en Mary Mac Intyre zeer goed bevatten zal; en het

andere vrouwelijk schepsel kan naar de pastorie gaan, en gij kunt met

den wagen naar Monkbarns komen, daar ik hem voor den ganschen dag nemen

zal.”

„Maar mij dunkt, dat ik beter deed van te paard te gaan.”

„Juist! ik vergat uw Bucephaal. Maar gij zijt, in het voorbijgaan

gezegd, een malle jongen; gij zoudt beter gedaan hebben met achttien

stuivers per rid voor het beest te betalen, dan het dier te koopen, –

als gij toch meer vertrouwen in zijne beenen, dan in uwe eigen

ledematen hebt.”

„Wel, daar de paarden het voordeel opleveren van hunne beenen veel

sneller te bewegen, en, behalve dat, vier beenen in plaats van twee

hebben, beken ik over te hellen –”

„Genoeg –genoeg! – volg uw eigen zin! Dan zal ik Grizel of den dominé

meêbrengen; want ik geniet gaarne de volle waarde voor mijn geld, – en

wij ontmoeten elkander aan den Tirlingen-slagboom, Vrijdag, klokslag

twaalf.” – En met deze afspraak scheidden de vrienden.

De oudheidkenner · 第 20 / 54 题