Men bezorge dezen brief met spoed – spoed – spoed!
Rijd, rijd! – om uw leven! – om uw leven! – om uw leven!
Oud opschrift op brieven van gewicht.
Terwijl de heer Oldbuck en zijn vriend hun duur gekochten visch
nuttigen, verplaatsen wij ons met den lezer in de achterkamer van den
postmeester te Fairport, waar de vrouw, bij afwezigheid van haren man,
bezig was met de brieven uit te zoeken, die de post uit Edinburg had
gebracht. In kleine landsteden, is dit zeer dikwijls, het tijdstip van
den dag, dat nieuwsgierige praatzusters het bijzonder aangenaam vinden,
om den postmeester of zijne vrouw te bezoeken, om uit het buitenste der
brieven, en, zoo men haar niet belastert, bij gelegenheid ook het
binnenste er van, berichten in te winnen, of gissingen te maken omtrent
de briefwisselingen en zaken harer buren. Twee vrouwen van dezen aard
hielpen, of belemmerden dan ook nu jufvrouw Mailsetter in hare
ambtsverrichtingen.
„Wel hemel!” riep de slagers vrouw, „daar zijn tien, elf – twaalf
brieven voor Tennant en Comp. – die menschen doen meer zaken, dan de
geheele stad bij elkaâr!”
„Ja; maar zie je, mensch!” antwoordde de bakkersvrouw, „twee er van
zijn heel vierkant en op de beide kanten toegelakt: – daar zullen wel
geprotesteerde wissels in zitten!”
„Kwam er nog geen brief voor Jenny Caxon? – de luitenant is al drie
weken weg.”
„Ja zij heeft er een gekregen Dinsdag voor acht dagen.”
„Met scheepsgelegenheid?”
„Wel zeker!”
„Dan is hij van den luitenant,” zei de bakkersvrouw eenigszins
teleurgesteld; „ik had nooit gedacht, dat hij meer naar haar zou
omzien.”
„Ei kijk, daar is er nog één,” zei jufvrouw Mailsetter, „ook een
scheepsbrief, – postmerk Sunderland!” – Allen vlogen op, om hem te
grijpen. – „Neen, neen, dames!” zei jufvrouw Mailsetter; „niets meer
van dat werk! – Weet gij, dat Mailsetter een geduchte vermaning
gekregen heeft van den secretaris te Edinburg, wegens een klacht over
den brief aan Aily Bisset, dien gij opengemaakt hebt, jufvrouw
Shortcake?”
„Ik!” schreeuwde de echtgenoote van den eersten bakker uit Fairport;
„gij weet zelve, dat die open ging, toen ik hem in de handen kreeg; –
’t was mijne schuld niet; – de menschen moesten beter lak gebruiken.”
„Nou, dat is waar,” zei jufvrouw Mailsetter, die ook een komenijswinkel
hield, „en wij hebben wat gekregen, dat ik als extra goed kan
recommandeeren, als gij soms iemand kent, die lak noodig heeft. – Maar
het einde van de grap zal zijn, dat wij onze broodwinning verliezen,
als er ooit weêr dergelijke klachten komen.”
„Ei ja! dat zal de Provoost wel beletten.”
„Neen – neen; ik vertrouw Provoost, noch baljuw: – maar ik wil wel
beleefd en als goede buurvrouw met u handelen, en ik heb er niets
tegen, dat gij het buitenste van een brief bekijkt. – Zie, er staat een
anker op het lak; – hij zal, een van zijne knoopen gebruikt hebben!”
„Laat zien! laat zien!” riepen de vrouwen van den slager en den bakker,
terwijl zij zich met dezelfde nieuwsgierige drift, en weinig minder
kwaadwilligheid, op den veronderstelden minnebrief wierpen, als de
zuster-heksen in Macbeth op den duim van den stuurman. Jufvrouw
Heukbane was eene lange vrouw, en hield den brief tusschen hare oogen
en het licht. Jufvrouw Shortcake, eene kleine dikke vrouw, rekte zich
uit en stond op de teenen om ook deel aan het onderzoek te hebben.
„’t Is van hem, dat is zeker! – ik zie duidelijk Richard Taffril onder
in den hoek; het is aan alle kanten vol geschreven.”
„Houd het papier wat lager!” riep jufvrouw Shortcake, op een toon, die
veel hooger was, dan de voorzichtigheid bij hare bezigheid eischte –
„houd het wat lager; – denkt gij, dat niemand schrift kan lezen, dan
gij alleen?”
„Stil, stil, dames! in ’s hemels naam!” zei jufvrouw Mailsetter; „er is
iemand in den winkel.” – toen overluid: „Zie eens wie er is, Baby!”
Baby antwoordde van buiten op een gillenden toon: „Er is niemand, dan
Jenny Caxon, juffer, om te vragen, of er ook een brief voor haar is?”
„Zeg haar,” zei de eerlijke postmeesteres, tegen hare vriendinnen
knipoogende, „dat zij morgen om tien uur weêrkomen moet, dan zal ik het
haar zeggen. Wij hebben nog geen tijd gehad, om de brieven uit te
zoeken; – zij heeft altijd zoo veel haast, alsof aan hare brieven meer
gelegen was, dan aan die van de eerste kooplieden der stad.”
De arme Jenny, een buitengewoon schoon en bescheiden meisje, trok haren
mantel om zich heen, zocht den zucht te smoren, dien de teleurstelling
haar afperste, en ging stil naar huis, om nog één nacht het leed te
verduren, door de onzekerheid veroorzaakt.
„Daar staat iets in van eene naald en eene pool!” zei jufvrouw
Shortcake, aan wie hare langere mededingster eindelijk ook een kijkje
vergund had naar het voorwerp harer nieuwsgierigheid.
„Nu, dat is door het onbeschaamde heen!” zeide jufvrouw Heukbane; „een
arme onnoozele deern voor den gek te houden, na er zoo lang meê
verkeerd en haar ongelukkig te hebben gemaakt, zoo als ik niet twijfel,
dat hij gedaan heeft!”
„Dat is maar al te waarschijnlijk,” steunde jufvrouw Shortcake; – „haar
te verwijten, dat haar vader een barbier is, en hij een pruikestok voor
de deur heeft, en dat zij zelve slechts eene naaister is! Foei, dat is
schandelijk!”
„Bedaard, – bedaard, dames!” riep jufvrouw Mailsetter, „gij hebt het
glad mis; – het is een regel uit een van zijne zeemansliedjes, die ik
hem heb hooren zingen; – iets over „getrouw zijn, als de naald aan de
pool.””
„Wel, wel, we willen hopen, dat het zoo is! Maar het staat eene jonge
deern als haar slecht, om briefwisseling te houden met een van ’s
Konings officieren!”
„Dat ontken ik niet,” zei jufvrouw Mailsetter; „Maar die minnebrieven
brengen een boel op bij het postkantoor. – Zie hier! vijf of zes
brieven aan Sir Arthur Wardour; – velen er van zijn met ouwels
toegemaakt en niet ééns niet lak! het gaat hem niet best, gelooft mij!”
„Ei ja, dat zullen brieven over zaken zijn, en niet van zijne groote
vrienden, die ze met hunne wapens toelakken, zoo als ze die dingen
noemen,” zei jufvrouw Heukbane: „Hoogmoed komt voor den val! Hij heeft
al in geen jaar met mijn man afgerekend: – het is een wrakke boel,
geloof ik!”
„Met ons ook, in geen zes maanden!” zuchtte jufvrouw Shortcake; – „het
is mis met hem: daar kunt ge staat op maken!”
„Dáár is een brief,” viel de getrouwe postmeesteres in de rede, „van
zijn zoon den kapitein, denk ik; – op het zegel staan dezelfde dingen
als op het rijtuig van Knockwinnock. Hij zal wel te huis komen, om te
zien wat hij uit den brand redden kan!”
Op den Baronet volgde de heer Oldbuck. – „Twee brieven voor Monkbarns:
– die komen van eenige zijner geleerde vrienden; zie, hoe dicht ineen
gekrabbeld tot aan het lak toe; – om de dubbele vracht te vermijden:
dat is naar Monkbarns zijn zin. Als hij een brief franco afzendt, vult
hij hem juist op tot het gewicht van één ons, zoodat één korreltje de
schaal zou doen overhellen: – maar ze zijn ook nooit een korrel te
zwaar. Wel, ik zou bankroet gaan, als ik hun, die peper en zwavel en
dergelijke dingen koopen, zulk gewicht gaf.”
„Het is een schriel heer, die Monkbarns,” zei jufvrouw Heukbane. „In
Augustus zal hij weêr meer drukte maken over het koopen van een
vierendeeltje lam, dan een ander over een halve os! – Laat ons nog een
glaasje kaneelwater proeven, jufvrouw Mailsetter, mijne lieve! – Och,
menschen! als gij zijn broeder gekend hadt, zoo als ik! – menigmaal
kwam hij hier inloopen, om mij te zien, met een paar wilde eendvogels
in zijn zak, als mijn eerste man naar Falkirk was. – Wel, wel, – ik zou
u daarvan het een en ander kunnen vertellen!”
„Ik zal niets ten nadeele van dezen Monkbarns zeggen,” zei jufvrouw
Shortcake; „zijn broeder heeft mij nooit wilde eendvogels gebracht, en
deze is een vriendelijk, braaf mensch. Hij neemt het brood voor zijn
geheele huisgezin van ons, en hij rekent elke week met ons af; – eens
echter was hij erg in de weer, toen wij hem een boekje, in plaats van
den kerfstok zonden [18], wat, zeide hij, de echte, ouderwetsche wijze
was om af te rekenen, tusschen de winkeliers en hunne klanten; en dat
is waar ook!”
„Maar zie eens hier!” riep jufvrouw Mailsetter, „hier is iets, om zich
blind op te kijken! – Wat zoudt gij niet geven, om het binnenste van
dien brief te zien? – dat is wat nieuws; – nooit zag ik iets
dergelijks: „Aan den heer William Lovel, ten huize van Mejufvrouw
Hadoway, Hoogstraat, Fairport, bij Edinburg.” Dit is de tweede brief,
dien hij gehad heeft, sedert hij hier is.”
„In vredes naam, laat zien! In ’s Hemels naam, laat zien! – dat is hij,
van wien de geheele stad niets weet, – het is een flinke jongen; – laat
– laat zien!” riepen de twee waardige dochters van moeder Eva.
„Neen, neen, dames!” riep jufvrouw Mailsetter; „blijft er af, – blijft
er af, zeg ik! – dit is geene van uwe vierstuivers waar, waarvan wij
het bedrag voor het postkantoor onder ons kunnen vergoeden, als er een
ongeluk aan komt. De vracht is vijfentwintig shillings, – en hier is de
orde, om den brief aan den heer met eene expresse te verzenden, in
geval hij niet te huis is! Neen, neen, hiermeê valt niet te spotten!”
„Maar laat het ons dan eventjes van buiten zien, mensch!”
Niets kon men daaruit opmaken, dan eenige aanmerkingen over de
bijzondere eigenschappen, die de wijsgeeren aan de stof toeschrijven:
lengte, breedte, diepte en zwaarte. Het couvert bestond uit sterk, dik
papier, ondoordringbaar voor de nieuwsgierige oogen, welke er op
staarden, als of ze uit hunne holen springen wilden. Het zegel toonde
een afdruk van een wapen, en trotseerde alle pogingen om den inhoud in
te zien, zonder het open te breken.
„Jongens!” zei jufvrouw Shortcake, terwijl zij het pakje in de hand
woog, en, zeer waarschijnlijk, hoopte dat het al te sterke lak van zelf
smelten en zich ontbinden zou; „ik zou wel eens willen weten, wat er in
zit; want die Lovel is de vreemdste mensch, die ooit te Fairport
geweest is. Niemand weet wat van hem te maken!”
„Wel, wel, dames!” hernam de postmeesteres, „wij zullen gaan zitten, en
er eens over keuvelen. Baby, breng theewater binnen! – Zeer verplicht
voor uwe koekjes, mejufvrouw Shortcake! – en dan zullen wij den winkel
sluiten, en Baby binnen roepen, en een partijtje maken, tot de man te
huis komt, – en dan zullen wij de heerlijke kalfszwezerikken proeven,
die gij zoo goed geweest zijt mij te zenden, jufvrouw Heukbane!”
„Maar wilt gij niet eerst den brief aan den heer Lovel verzenden?”
vroeg jufvrouw Heukbane.
„Waarlijk, ik weet niet wien er meê te sturen eer mijn man te huis
komt; want de oude Caxon vertelde mij, dat de heer Lovel den geheelen
dag op Monkbarns bleef; – hij heeft er de koorts gekregen door dien
heer en Sir Arthur uit zee te halen.”
„Die malle, oude kerels!” zei jufvrouw Shortcake; „wat bewoog hen, om
in een nacht, als dien van gisteren uit te gaan.”
„Men had mij gezegd, dat het de oude Adam was, die hen redde,” zeide
jufvrouw Heukbane, „Adam Ochiltree, de Blauwrok, weet ge, – en dat hij
hen alle drie uit het water haalde; want Monkbarns had hen bepraat, om
er in te gaan, om de werken van de oude monniken te zoeken.”
„Wel neen, – gekheid!” antwoordde de postmeesteres; „ik zal het u
vertellen zoo als Caxon het mij verteld heeft. Zie je, Sir Arthur en
zijne dochter en de heer Lovel hadden op Monkbarns zullen eten.”
„Maar, jufvrouw Mailsetter!” viel haar jufvrouw Heukbane op nieuw in de
rede, „zult gij niet trachten, dezen brief met eene expresse te
verzenden? – Onze hit en onze jongen, hebben al vroeger depèches voor
het postkantoor overgebracht, en de hit heeft heden nog geene dertig
mijlen afgelegd; – Jan was bezig met hem te poetsen, toen ik hier naar
toe kwam.”
„Wel, jufvrouw Heukbane!” zei de brievenvrouw, op de lippen bijtende,
„gij weet, dat mijn man zelf gaarne als expresse rijdt. Wij moeten
onzen afval aan onze eigene honden geven; – het brengt hem telkens eene
halve guinje in den zak, zoo dikwijls, hij zijne merrie bestijgt; en
hij zal weldra hier zijn, – of het zal er wel niet veel toe doen, of
die heer den brief heden nacht, of morgen vroeg krijgt.”
„Alleen maar dat de heer Lovel te huis zal zijn, eer de expresse
vertrokken is,” zeide jufvrouw Heukbane, „en wat dan? – maar gij weet
zelve het best wat te doen!”
„Wel, wel, jufvrouw Heukbane!” antwoordde hare vriendin, eenigszins
verdrietig en zelfs verlegen; „ik ben gaarne wèl met mijne buren; –
leven en laten leven, zoo als men zegt, is mijn grondbeginsel, – en
daar ik zoo mal was van de order te laten zien, – moet men zeker
daaraan gehoorzamen; – maar ik heb uw knecht niet noodig; – hartelijk
dank; – ik zal den kleinen David op uw hit zenden, en dat zal juist
vijf shillings en drie stuivers voor ieder van ons zijn.”
„David! Wel Heere! die jongen is nog geen tien jaar oud: en, om rond
met u te werk te gaan, onze hit is koppig, en de weg is niet best, en
niemand kan hem rijden, dan onze Jan.”
„Dat spijt mij,” antwoordde de postmeesteres deftig; „dan moeten wij
maar wachten, tot de man te huis komt, – want ik zou niet gaarne de
verantwoordelijkheid op mij nemen van den brief aan zulk een klant als
uw Jan te hebben toevertrouwd; – onze David behoort zoowat tot de
posterijen.”
„Wel, wel, jufvrouw Mailsetter, ik zie, waar gij heen wilt; – maar hebt
gij lust, om er den jongen aan te wagen, ik waag er het beest aan!”
Men gaf dus de noodige bevelen. Het onwillige paard werd van zijn bos
stroo afgenomen, en op nieuw voor den dienst uitgerust. David, een
lederen brievenzak dwars over zijne schouders, werd in den zadel
geplaatst, met een traan in het oog en een zweep in de hand. Jan leidde
vriendelijk het dier tot buiten de stad, en dwong het door het klappen
van zijn zweep en het geschreeuw zijner welbekende stem, om den weg
naar Monkbarns in te slaan.
De buurjufvrouwen maakten intusschen, even als de Sybillen, nadat zij
hare tafels geraadpleegd hadden, het nieuws van den avond op, dat den
volgenden morgen, langs honderden kanalen en met even zoo vele
veranderingen, door de wereld van Fairport verspreid werd. Talrijk,
vreemd en onzamenhangend waren de geruchten, die hare berichten en
gissingen deden ontstaan. Eenigen zeiden, dat Tennant en Comp. bankroet
waren, en dat al hunne wissels met protest terug gekomen waren; –
anderen, dat zij eene groote bestelling voor het Gouvernement gekregen
hadden, en brieven van de voornaamste kooplieden te Glasgow, die er,
tegen eene premie, aandeelen in verlangden. Het eene bericht meldde,
dat de Luitenant Taffril bekend had, in het geheim met Jenny Caxon
getrouwd te zijn, – een ander, dat hij haar een brief gezonden had, vol
verwijtingen over hare lage geboorte en slechte opvoeding en waarin hij
haar voor eeuwig vaarwel zeide. Algemeen verhaalde men, dat de zaken
van Sir Arthur hopeloos verward waren; en dit gerucht werd door de
verstandigen slechts betwijfeld; omdat men nagaan kon, dat het uit den
winkel van jufvrouw Mailsetter kwam, en deze bron meer beroemd was
wegens het veelvuldige, dan wel wegens het nauwkeurige nieuws, dat zij
opleverde. Maar allen kwamen overeen, dat er een pakje van het
ministerie gekomen was aan het adres van den heer Lovel, en dat het uit
het hoofdkwartier te Edinburg gezonden werd door een
ordonans-dragonder, die Fairport door gegaloppeerd was, zonder zich op
te houden, dan alleen om naar den weg naar Monkbarns te vragen. Men
legde de reden tot zulk eene buitengewone zending aan een zeer stil en
afgezonderd levend man verschillend uit. Eenigen zeiden, dat Lovel een
geëmigreerd edelman was, die opgeroepen werd, om zich aan het hoofd van
een opstand te plaatsen, die in de Vendée uitgebroken was, – anderen,
dat men hem voor een spion hield, – anderen, dat hij een generaal was,
die in het geheim de kusten opnam; – anderen, dat hij een prins was,
die incognito reisde.
Intusschen was de tocht van het pakje, dat tot zoo vele gissingen
aanleiding gegeven had, op weg naar den eigenaar, te Monkbarns,
gevaarlijk en niet onafgebroken geweest. De overbrenger, David
Mailsetter, geleek, zoo als men zich verbeelden kan, weinig op een
moedigen dragonder, en werd alleen verder naar zijne bestemming
gevoerd, zoolang het dier zich het geklap der zweep en het geschreeuw
van den slagersknecht herinnerde. Maar zoodra het gevoelde, hoe David,
wiens beentjes niet lang genoeg waren, om hem in evenwicht te houden,
op zijn rug heen en weêr zwaaide, begon het paard de ontvangen
aanwijzingen te verachten. Eerst zette de hit zich langzamerhand in den
stap. Dit maakte geen punt van twist uit tusschen hem en zijn ruiter,
die zeer onthutst was geweest door de snelheid der eerste beweging, en
nu de gelegenheid van den langzamen gang waarnam, om op een stuk
peperkoek te kauwen, dat hem zijne moeder in de hand gestopt had, om
den jeugdigen zendeling van het postkantoor tevreden te stellen en tot
het kwijten van zijn plicht aan te moedigen. Langzamerhand maakte het
paard gebruik van dit gebrek aan kracht, om de teugels uit Davids
handen te rukken, en zich langs de laan aan het grazen te zetten. Zeer
verschrikt door deze teekens van koppigen weêrstand, en even bevreesd,
om te blijven zitten, als te vallen, verhief de arme David de stem en
begon bitter te weenen. De hit, dit gedruisch boven zijn kop hoorende,
begon waarschijnlijk te denken, dat het beter voor hem en voor David
ware, terug te keeren vanwaar zij kwamen, en maakte dus ook
rechtsomkeerd naar Fairport. Maar, even als de meeste terugtochten in
eene vlucht ontaarden, begon ook het ros, – verschrikt door het
schreeuwen van het knaapje, en het slaan der teugels, die langs zijne
beenen slingerden, – daar het toch eenmaal in de richting naar Fairport
was, – zoo door te draven dat, indien ten minste David in den zadel
gebleven ware (wat zeer te betwijfelen stond), het hem weldra voor
Heukbane’s staldeur zou gebracht hebben; toen, op een draai van den
weg, een bondgenoot in de gestalte van Adam Ochiltree, tusschenbeide
kwam, die den toom greep en het paard tegenhield.
„Wat scheelt er aan kleine? wat! is dat een jongen om te rijden?”
„Ik kan ’t niet helpen! – zij heeten mij kleinen David.”
„En waar ga je naar toe?”
„Ik ga naar Monkbarns.”
„Wel! dit is de weg niet naar Monkbarns.”
Maar David kon slechts met snikken en tranen antwoorden.
De oude Adam was gauw tot medelijden bewogen, als het kinderen gold.
„Ik ging dien kant niet uit,” dacht hij; „maar dat is het voordeel van
mijne levenswijze, dat ik nooit verkeerd kan gaan. Zij zullen mij wel
te Monkbarns laten overnachten, en ik zal met het kind daarheen
sukkelen; want het paard zal hem de hersens nog inslaan, als er niemand
bij is, om het te leiden. – Dus hebt gij een brief, kind? – Wilt gij
mij dien laten zien?”
„Ik mag den brief aan niemand laten zien,” stamelde de jongen, „tot ik
hem aan den heer Lovel gegeven heb; want ik ben een trouwe dienaar van
het postkantoor, als het maar niet om den hit ware.”
„Goed zoo, kleine man!” zei Ochiltree, den kop van het weêrspannige
paard naar Monkbarns wendende; „maar wij zullen den hit met ons beiden
den weg wijzen, als hij niet al te halsstarrig is.”
Juist op de hoogte van Kinprunes, waar Monkbarns Lovel na tafel
uitgenoodigd had, was de oudheidkenner (weder verzoend met de vroeger
in waarde gedaalde plek), bezig met de plaats op te nemen, die een
geschikt tooneel opleverde voor eene beschrijving van Agricola’s kamp
bij het aanbreken van den dag, toen zijn blik getroffen werd door de
verschijning van den bedelaar met zijn beschermeling.
„Wat drommel! – daar komt, geloof ik, de oude Adam aan met pak en zak.”
De bedelaar verklaarde de reden van zijne komst, en David, die er op
stond, om zijn last letterlijk uit te voeren en tot het huis van
Monkbarns te gaan, werd met moeite overgehaald om het pakje aan den
eigenaar zelven af te staan, hoezeer hij hem eene mijl dichterbij
aantrof, dan de plaats, waarheen hij gezonden was. – „Maar moeder zei,
ik moest vijfentwintig shillings port ontvangen, en tien shillings en
zes stuivers voor de expresse: – daar is het papiertje.”
„Laat zien, – laat zien!” zei Oldbuck, den bril opzettende en het
gekneuterde afschrift der post-reglementen onderzoekende, waarop David
zich beriep. „Expresse, één dag met man en paard, niet boven de tien
shillings en zes stuivers. – Een dag? wel, het is nog geen uur; – man
en paard? wel, het is een aap op eene half doode kat!”
„Vader zou zelf gekomen zijn,” zeide David, „op de groote bruine
merrie, als gij tot morgen avond hadt willen wachten.”
„Vierentwintig uur na den bepaalden tijd der bestelling! – Gij schelm!
begint gij zoo vroeg met bedriegen?”
„Wel, Monkbarns, vaar niet uit tegen een kind,” zei de bedelaar; „denk
er aan, dat de slager zijn beest, en de moeder haar zoontje er aan
waagde, en ik ben zeker, dat tien shillings en zes stuivers niet te
veel is. Gij hebt het ook zoo nauw niet genomen met Jan Howie, toen –”
Lovel, die, op het veronderstelde praetorium gezeten, den inhoud van
het pakje doorloopen had, maakte een einde aan den twist, door aan
Davids eisch te voldoen; keerde zich daarop zeer ontroerd naar den heer
Oldbuck, en verschoonde zich, dat hij dien avond niet niet hem naar
Monkbarns kon terugkeeren. „Ik moet dadelijk naar Fairport, en
misschien die stad op het eerste bericht, dat elk oogenblik komen kan,
verlaten. Ik zal nooit uwe goedheid vergeten, mijnheer Oldbuck.”
„Geen slecht nieuws, hoop ik?” zei de oudheidkenner.
„Van zeer gemengden aard,” antwoordde zijn vriend. „Vaarwel! in voor of
tegenspoed, zal ik nooit uwe vriendschap vergeten.”
„Neen, neen, – blijf, blijf nog één oogenblik. Indien, – indien, –”
(met veel inspanning) „indien gij wat geld noodig hebt, – ik heb
vijftig, – of honderd guinjes tot uwe beschikking – tot – tot
Pinksteren, – of inderdaad, zoolang gij verkiest.”
„Ik ben u zeer verplicht, mijnheer Oldbuck, maar ik ben van geld
voorzien,” zeide zijn geheimzinnige jonge vriend. „Verschoon mij; – ik
kan wezenlijk nu niets verder zeggen! Ik schrijf, of zie u, eer ik
Fairport verlaat, – dat is, als ik genoodzaakt word, die plaats te
verlaten.” Dit zeggende drukte hij den oudheidkenner hartelijk de hand,
wendde zich van hem af, en ging snel stadwaarts, zonder op verdere
vragen te wachten.
„Vreemd, zeer vreemd, voorwaar!” zeide Oldbuck; „maar er is iets aan
dien jongen, dat ik niet doorgronden kan; en toch kan ik geen kwaad van
hem denken. Ik moet naar huis gaan, en het vuur in de groene kamer
uitdoen; want geene van mijn vrouwvolkje zou zich er na de schemering
in wagen!”
„En hoe zal ik weêr naar huis komen?” stamelde de ongelukkige expresse.
„Het is een mooie avond,” zei de blauwrok, naar den hemel ziende; „ik
kan even goed naar de stad gaan, en voor het kind zorgen.”
„Doe dat, doe dat, Adam, en,” voegde de oudheidkenner er bij, terwijl
hij een oogenblik in zijn grooten vestzak schommelde, tot hij het
voorwerp, dat hij zocht, gevonden had, „daar heb je een shilling, om
snuif te koopen!”