Als ik het sluim’rend oog vertrouwen mag,
Dan duidt mijn droom eenig vreugdevol nieuws:
Mijn hart zit zacht op zijnen troon,
En den geheelen dag voerde een luchtige geest
Mij boven de aarde met blijde gedachten.
Shakespeare’s Romeo en Julia.
Het verhaal van Sir Arthur’s ongelukkige omstandigheden had Oldbuck
eenigszins afgeleid van zijn voornemen, om Lovel te ondervragen over de
oorzaak van zijn verblijf te Fairport. Nu echter besloot hij, om een
begin te maken. „Gij waart reeds vroeger met Isabella Wardour bekend,
vertelde zij mij, mijnheer Lovel!”
„Ik had het genoegen gehad,” antwoordde Lovel, „om haar bij mevrouw
Wilmot, in Yorkshire, te ontmoeten.”
„Zoo! dat hebt gij mij nooit gezegd; en gij spraakt haar niet aan als
eene oude kennis?”
„Ik, – ik wist niet, dat het dezelfde dame was eer wij elkander
ontmoetten,” zei Lovel, zeer verlegen, „en toen was het mijn plicht te
wachten, tot zij mij verkoos te herkennen.”
„Ik begrijp uwe kieschheid. De Baronet is een kleingeestige,
eigenzinnige, oude gek; maar zijne dochter, – deze, beloof ik u, is
boven alle ongerijmde plichtplegingen en vooroordeelen verheven. En nu,
daar gij hier een nieuw stel vrienden gevonden hebt, mag ik vragen, of
gij Fairport nog zoo spoedig denkt te verlaten, als gij voornemens
waart?”
„En als ik uwe vraag door eene andere beantwoordde,” hernam Lovel, „en
vroeg, wat gij van droomen denkt?”
„Droomen, malle jongen! – wel, waar voor zou ik die anders houden, dan
voor de begoocheling der verbeelding, als de rede de teugels laat
vallen? – Ik ken tusschen droomen en de hallucinatiën van den waanzin
geen verschil. De woeste paarden slepen het rijtuig in beide gevallen,
waarheen ze willen; in het eene geval is echter de voerman dronken, en
in het andere slaapt hij. Wat zegt ons Marcus Tullius; – „Si insanorum
visis fides non est habenda, cur credatur somnientium visis, quae multa
etiam perturbatiora sunt non intelligo.” Indien men aan de
verbeeldingen der waanzinnigen geen geloof moet hechten, begrijp ik
niet, waarom men de verbeeldingen der droomenden gelooven zou, die nog
veel verwarder zijn.”
„Juist, mijnheer; maar Cicero doet ons ook opmerken, dat, even als
iemand, die den ganschen dag de werpspies slingert, soms het doel
treft, er evenzoo tusschen de menigte nachtelijke droomen één kan
voorkomen, welke met toekomstige gebeurtenissen overeenstemt.”
„Ei, – dat wil zeggen, dat gij, naar uw wijs oordeel, het wit getroffen
hebt? Goede hemel! wat zijn de menschen toch dwaas! Wel nu, ik wil voor
dezen keer de wetenschap der droomuitlegging niet verwerpen; – ik zal
gelooven, dat ze te verklaren zijn, en zeggen, dat er een Daniël
verrezen is, om ze uit te leggen, als gij mij bewijzen kunt, dat uw
droom u eene wijze gedragslijn aangewezen heeft.”
„Zeg mij dan,” antwoordde Lovel, „waarom ik, terwijl ik in twijfel
stond, of ik eene onderneming op zou geven, waartoe ik misschien te
voorbarig besloot, gisteren nacht in mijn droom uw voorzaat zien moest,
die mij, op eene spreuk wees, welke mij tot volharding aanmoedigde? –
Waarom moest ik aan woorden denken, die ik mij niet herinneren kon ooit
te voren gehoord te hebben, die in eene mij onbekende taal dáár
stonden, en die ik echter, toen ze mij vertaald werden, zoo volmaakt
goed op mijne eigene omstandigheden kon toepassen?”
De oudheidkenner barstte uit in een schaterenden lach. „Verschoon mij,
mijn jonge vriend, maar zoo is het, dat wij onnoozele stervelingen ons
zelven bedriegen, en buiten ons om naar beweeggronden zoeken, die in
onze eigene grillen te vinden zijn. Ik geloof, dat ik u uit de
verlegenheid helpen kan, ten aanzien van uw vizioen. Gij waart gisteren
na tafel zoo verdiept in gepeins, dat gij weinig acht gaaft op het
gesprek tusschen Sir Arthur en mij, tot wij op het geschilpunt kwamen
betreffende de Picten, dat zoo onverwacht afgebroken werd; maar ik
herinner mij, dat ik aan Sir Arthur een boek toonde, door mijn voorzaat
gedrukt, en hem het motto liet zien; uwe gedachten waren elders, maar
uw oor heeft werktuigelijk de klanken opgevangen en behouden, en uwe
levendige verbeelding, aangezet door Grizels sprookje, heeft, naar ik
veronderstel, u in den droom deze Hoogduitsche woorden weder
voorgesteld. Wat de wakende wijsheid betreft, die zich van zulk eene
beuzelachtige omstandigheid gretig bedient, om haar volharden in
eenigen maatregel te verschoonen, voor welken zij geene betere
rechtvaardiging vinden kan, – dat is juist eene dier looze streken, die
de wijsten van ons zich nu en dan zelven spelen, om hunne neiging, ten
koste van hun verstand, te volgen.”
„Ik beken het,” zei Lovel, blozende, – „ik geloof, mijnheer Oldbuck,
dat gij gelijk hebt; en ik moet, vrees ik, in uwe achting dalen, daar
ik een oogenblik gewicht aan zulke nietigheden heb kunnen hechten; maar
ik werd geslingerd door tegenstrijdige wenschen en besluiten, en gij
weet, welk een dun lijntje men noodig heeft, om de boot te slepen,
wanneer ze vlot op de baren is, ofschoon een kabeltouw haar nauwelijks
in beweging zou brengen, als ze hoog en droog op het strand ligt.”
„Goed zoo, goed zoo!” – riep de oudheidkenner: „In mijne achting dalen?
Waarachtig niet? Ik houd te meer van u, man! wel, wij hebben over en
weêr historie tegen historie, en ik kan, nu zonder beschaamd te zijn,
er over nadenken, hoe ik mij zelven blootgesteld heb met dat vervloekte
Praetorium; ofschoon ik nog altijd overtuigd ben, dat Agricola’s kamp
ergens in dezen omtrek moet geweest zijn. – En nu, Lovel, mijn goede
jongen, wees oprecht met mij. – Wat doet gij uit Wittemberg? – zoo als
Hamlet zegt; – waarom verliet gij uw vaderland en uw beroep, om u te
Fairport met niets doen op te houden? Uit lust tot lediggang, vrees
ik?”
„Juist,” antwoordde Lovel, zich aan eene onvermijdelijke ondervraging
onderwerpende, – „nu ben ik van alle menschen los, en ik heb er zoo
weinigen, in wie ik belang stel, of die zich aan mij laten gelegen
liggen, dat het verzaken van mijn beroep mij onafhankelijk maakt. De
man, wiens voor- of tegenspoed niemand aangaat, is het best bevoegd, om
zijn geluk op zijne eigene wijze te zoeken.”
„Vergeef mij, longman!” zei Oldbuck, hem de hand vriendelijk op den
schouder leggende, en plotseling blijvende stilstaan, – „sufflamina: –
een oogenblik geduld, als ’t u belieft; – ik wil veronderstellen, dat
gij geene vrienden hebt, die in uw voorspoed deelen, of er zich over
verheugen, – dat gij zelfs niet terug kunt zien op iemand, wien gij
dankbaarheid verschuldigd zijt, of hopen op hen, die van u afhangen
moesten; het is echter niet minder uw plicht, om rustig het pad der
deugd te blijven bewandelen: want uw werkzaam streven behoort niet
slechts aan de samenleving, maar in nederige dankbaarheid aan het
Opperwezen, dat er u een lid van maakte, en met voldoende krachten
uitrustte, om u zelven en anderen van nut te zijn.”
„Maar ik weet niet, dat ik zulke krachten bezit,” hernam Lovel,
eenigszins ongeduldig; „ik vraag niets van de samenleving, dan de
vergunning, om ongestoord mijn levensweg te bewandelen, zonder anderen
te hinderen, of te moeten dulden, dat ik door anderen gehinderd worde;
– ik ben niemand iets schuldig; – ik heb de middelen, om geheel
onafhankelijk te leven, en mijne wenschen zijn te dien opzichte zoo
matig, dat die middelen, hoe beperkt ook; eerder overvloedig dan
ontoereikende zijn.”
„Dan voorwaar,” zei Oldbuck, de hand terug trekkende en weêr
voortwandelende, „als gij zulk een echte wijsgeer zijt, dat gij gelooft
geld genoeg te hebben, valt er niets meer te zeggen. – Ik heb geen
recht om u raad te geven; – gij hebt de akmé – het toppunt der
volmaaktheid bereikt. En waarom is Fairport de uitverkoren
verblijfplaats geworden van zulk eene verhevene wijsbegeerte? – het is,
alsof een vereerder van den waren Godsdienst zich bij voorkeur vestigde
te midden der afgodendienaren in het land van Egypte. Er is geen mensch
in Fairport, of hij aanbidt het gouden kalf, – den mammon der
ongerechtigheid; – wel, ik zelf ben zoo besmet met hunne ondeugd, dat
ik soms geneigd ben, een afgodendienaar te worden.”
„Daar mijn lievelingsvak de letterkunde is, en omstandigheden, die ik
niet wel mededeelen kan, mij, ten minste voor een tijd, den
krijgsdienst deden verlaten, heb ik Fairport uitgezocht, als eene
plaats, waar ik mij aan mijne bezigheden kon overgeven, zonder eenige
dier verzoekingen tot afleiding, welke een meer deftige kring mij
wellicht zou hebben aangeboden.”
„Zoo! zoo!” zei Oldbuck, met een veelbeteekenenden blik. – „Ik begin
uwe toepassing van de spreuk van mijn voorvader te begrijpen; gij dingt
naar de gunst van het publiek, ofschoon niet langs den weg, dien ik
eerst vermoedde. – Gij wenscht als schrijver bekend te worden, en gij
hoopt de volksgunst door vlijt en volharding te verwerven.”
Lovel, die eenigszins door het scherp ondervragen van den ouden heer in
het nauw gebracht was, begreep, dat hij niet beter kon doen, dan hem in
het denkbeeld te laten, dat hij zelf had gelieven op te vatten.
„Ik ben wel eens,” antwoordde hij, „dwaas genoeg geweest aan zoo iets
te denken.”
„Och, mijn arme jongen, niets kan treuriger zijn; of gij moest, zoo als
jonge lieden wel eens zijn, verliefd zijn op eenig nietig vrouwelijk
schepseltje, wat zoo als Shakespeare naar waarheid zegt, zoo veel is,
als terzelfder tijd dood gedrukt, gegeeseld en gehangen te worden.”
Hij ging nu met zijne vragen voort, die hij soms vriendelijk genoeg was
van zelf te beantwoorden. Want deze goede oude heer had, bij zijne
oudheidkundige navorschingen, langzamerhand smaak gekregen in het
opmaken van besluiten uit veronderstellingen, die dikwijls zeer ver
waren van gegrond te zijn; en daar hij, zoo als de lezer reeds zal
hebben opgemerkt, vrij stijfhoofdig was, liet hij zich niet licht
afleiden, of te recht wijzen, omtrent daadzaken of meeningen, – zelfs
niet door diegenen, welke het grootste belang hadden bij de
onderwerpen, waarover hij redeneerde. Hij ging dus voort met Lovel’s
letterkundige loopbaan voor hem te schetsen.
„En waarmede denkt gij uwe loopbaan als man van letteren te openen? –
Maar ik kan het gissen; – de poëzie, – de poëzie, – de geliefde
verleidster der jeugd! Ja! ik merk een zedige, verlegene toestemming in
uwe oogen en manieren. – En van welken aard is uwe dichterlijke ader? –
Zijt gij geneigd naar de hoogere streken van den Parnassus te streven,
of zult gij slechts beneden om den voet van den berg heen fladderen?”
„Tot dus ver ondernam ik niets dan eenige kleine lierdichten.”
„Juist zoo als ik dacht! – Uwe vleugels beproefd, van tak tot tak
gehuppeld! Maar ik vertrouw, dat gij eene stoutere vlucht zult nemen. –
Merk wel op, dat ik u in geenen deele aanraad, om op deze onvoordeelige
loopbaan te volharden; – maar gij beweert geheel en al onafhankelijk te
zijn van het publiek?”
„Geheel en al,” hernam Lovel.
„En dat gij besloten hebt, geene andere loopbaan voor het oogenblik te
kiezen?”
„Voor het oogenblik is dat mijn besluit,” antwoordde Lovel.
„Wel, dan blijft er niets ander voor mij over, dan dat ik u in uw
voornemen raad geef. Ik heb zelf twee Verhandelingen in het Magazijn
der Oudheidkunde uitgegeven, en ben dus een schrijver van ondervinding.
Het waren mijne Aanmerkingen over Hearne’s uitgave van Robert van
Gloucester, geteekend Scrutator; en de andere, geteekend Indagator, was
over eene plaats in Tacitus. – Ik zou er iets kunnen bijvoegen, dat, in
zijn tijd, veel opgang maakte, namelijk mijn stuk, in het
Heeren-Magazijn, over de inscriptie van Oelia Lelia, hetwelk ik Oedipus
onderteekende. – Dus ziet gij, dat ik geen nieuweling ben in de
geheimen van den schrijver, en noodzakelijk bekend moet wezen met den
smaak en den geest des tijds. – En nu nog eens, waarmede denkt gij te
beginnen?”
„Ik ben niet van voornemen, om dadelijk iets uit te geven.”
„O! dat gaat nooit; in al uwe ondernemingen moet gij de vrees voor het
publiek voor oogen hebben. Laat ons eens zien. – Eene verzameling van
vluchtige stukken; – maar neen, – uwe vluchtige poëzie zou wellicht
paalvast bij den boekverkooper blijven. – Het moet iets zijn, dat
tevens degelijk en aantrekkelijk is. – Geene romances of bespottelijke
vertelseltjes. – Ik wilde dat gij terstond eene hoogere vlucht naamt. –
Laat zien – wat dunkt u van een echt heldendicht? – in den grootschen
ouderwetschen, geschiedkundigen trant, – behoorlijk en deftig in
twaalf, of vierentwintig boeken? Zie zoo! – ik zal u het onderwerp aan
de hand geven: de Slag tusschen de Caledoniërs en de Romeinen. De
Caledoniade, of de verijdelde inval, – zoo moet het heeten! Dat zal met
den hedendaagschen smaak overeenkomen, en gij kunt er hier en daar iets
toepasselijk op deze tijden invlechten.”
„Maar de inval van Agricola werd niet afgeweerd.”
„Neen; maar gij zijt een dichter; – een vrij man, en even zoo weinig
aan waarheid, of waarschijnlijkheid gebonden, als Virgilius zelf. – Gij
moogt de Romeinen verslaan, ondanks Tacitus.”
„En Agricola’s kamp verplaatsen naar het kamp van – hoe noemt gij het,
in weêrwil van Adam Ochiltree?”
„Niets meer daarvan, als gij mij liefhebt! – En toch geloof ik wel, dat
gij, zonder het te willen, in beide gevallen de juiste waarheid
vertellen zoudt, in weêrwil van de toga van den geschiedschrijver, en
van den blauwen kiel van den bedelaar.”
„Dat is eene stoute bewering! – Wel, ik zal mijn best doen; – gij zult
mij wel bijstaan met plaatselijke ophelderingen?”
„Zou ik niet, man? – wel, ik zal de historische en kritische
aanmerkingen bij ieder gezang voegen, en het plan van het gedicht zelf
ontwerpen. Ik maak aanspraak op eenig dichterlijk genie, mijnheer
Lovel, hoewel ik nooit verzen maken kon.”
„Het is jammer, mijnheer, dat gij te kort moest komen in eene
hoedanigheid, die eenigszins een hoofdvereischte van de kunst genoemd
mag worden.”
„Eene hoofdvereischte? – volstrekt niet; – het is slechts het
werktuigelijke gedeelte! – Een mensch kan dichter zijn, zonder spondeën
en dactylen te tellen als de ouden, of de einden der verzen in rijm te
doen klinken, gelijk de hedendaagschen, – even als men een bekwaam
bouwmeester zijn kan, zonder als een metselaar te kunnen werken.
Gelooft gij, dat Palladius of Vitruvius ooit een kalkbak, hebben
gedragen?”
„Dan moesten er twee schrijvers voor elk dichtstuk zijn; de ééne om het
plan te ontwerpen, en de andere om het uit te voeren.”
„Wel, dat zou zoo kwaad niet zijn; in elk geval zullen wij dat
beproeven; niet dat ik met mijn naam wenschte te prijken voor het
publiek; gij zoudt in de voorrede van den bijstand van een geleerden
vriend kunnen spreken, met zoo veel ophef als gij verkiest. – De
ijdelheid van den schrijver is mij geheel vreemd!”
Lovel vermaakte zich zeer over eene verklaring, zoo weinig strokende
met de gretigheid, waarmede zijn vriend de gelegenheid scheen aan te
grijpen, om voor het publiek op te treden, hoewel op eene wijze, meer
gelijkende naar het klimmen achter op een rijtuig, dan het daarin
plaats nemen. De oudheidkenner was inderdaad buitengemeen verheugd;
want hij had, even als vele andere mannen, die hun leven in onbekende
letterkundige navorschingen doorbrengen, eene geheime zucht, om in druk
te verschijnen, die door vlagen van huiverigen angst, van vrees voor de
kritiek, en door de gewoonten van traagheid en uitstel tegengehouden
werd. „Maar,” dacht hij, „ik kan, als een tweede Trojaan, mijne pijlen
slingeren van achter het schild van een vriend; en verondersteld, dat
hij geen dichter van den eersten rang bleek te zijn, zoo ben ik in
geenen deele verantwoordelijk voor zijne gebreken, en de degelijke
aanteekeningen zullen waarschijnlijk den zwakken tekst verhelpen! –
Maar hij is, – hij moet een goed dichter zijn; – hij heeft al de
afgetrokkenheid van den bezoeker van den Parnassus; – hij beantwoordt
zelden eene vraag eer men die tweemaal herhaald heeft; hij drinkt zijn
thee kokend heet, en eet, zonder te weten wat hij in den mond steekt.
Dit is de eigenlijke aestus, de divinus afflatus, de goddelijke adem,
waardoor de dichter boven dit ondermaansche verheven is. – Ook zijne
visioenen hebben vele kenmerken van dichterlijke razernij. – Ik moet
niet vergeten Caxon heden avond naar zijne kamer te zenden, om te zien,
of hij het licht uitdoet. Dichters en geestenzieners zijn daaromtrent
soms wat nalatig.” Toen zich naar Lovel wendende, en zijne verdere
gedachten hardop uitdrukkende, zeide hij:
„Ja, mijn waarde Lovel, gij zult noten in overvloed hebben, en ik
geloof, wezenlijk, dat wij de geheele Verhandeling over de kunst van
kampen aan te leggen in het aanhangsel opnemen kunnen; – dat zou het
werk eene groote waarde bijzetten! Daarenboven zullen wij de goede oude
vormen weêr invoeren, die men in de hedendaagsche tijden zoo zeer
verwaarloost. Gij zult de Zanggodin inroepen, – en zeker moet zij een
schrijver gunstig zijn, die in eene eeuw van algemeenen afval, met het
geloof van een Abdiel, den ouden vorm van aanbidding getrouw blijft! –
Dan moeten wij ook eene verschijning hebben, waarin de Genius van
Caledonië zich aan Galgacus vertoont, en hem de deftige reeks der echt
Schotsche Koningen laat zien; – en over Boethius zal ik loskomen in de
noten; – neen, ik moet dat punt niet aanraken, nu Sir Arthur
waarschijnlijk buitendien ergernissen genoeg zal hebben; – maar Ossian,
Macpherson en Mac-Cribb zal ik vernielen!”
„Maar wij moeten aan de kosten van het drukken denken,” zeide Lovel,
die beproeven wilde of deze wenk ook als koud water vallen zou op den
blakenden ijver van zijn zelfbenoemden medewerker.
„Kosten!” zei de heer Oldbuck, terwijl hij werktuigelijk in den zak
tastte, – „dat is zoo! – ik zou gaarne iets doen! – Maar zoudt gij het
werk niet bij inteekening willen uitgeven?”
„Volstrekt niet!” antwoordde Lovel.
„Neen! neen!” hernam de oudheidkenner, blijmoedig toestemmende, „dat is
niet fatsoenlijk. – Wil ik u wat zeggen; ik ken een boekverkooper, die
eenig vertrouwen in mijn oordeel stelt, en het papier en drukwerk er
aan wagen zal, en ik zal zoo vele exemplaren voor u zoeken te plaatsen,
als ik maar kan.”
„O, ik ben geen broodschrijver! ik wenschte slechts geen nadeel te
lijden.”
„Stil! stil! – ik zal er wel voor zorgen: – het alles op de uitgevers
schuiven. Ik ben verlangend, u aan het werk te zien. Gij zult
ongetwijfeld rijmlooze verzen kiezen? – Die zijn grootscher en deftiger
voor een geschiedkundig onderwerp; en, voor wat u betreft, mijn vriend,
laten die zich, geloof ik, gemakkelijker schrijven.”
Dit gesprek bracht hen op Monkbarns, waar de oudheidkenner een scherpen
uitval van zijne zuster verduren moest, die, zonder tot de wijsgeeren
te behooren, in het voorportaal stond te wachten, om hem de les te
lezen. „Bewaar ons, Monkbarns, is alles niet reeds duur genoeg, dat gij
tot den visch toe moet opjagen, door aan dat oude wijf, Luckie
Mucklebackit, juist te geven, wat zij goedvindt te vragen?”
„Wel, Grizel, ik dacht, dat ik een koopje had!”
„Een mooi koopje, als gij haar ruim de helft geeft van hetgeen zij
vraagt! – Als gij u met de huishouding bemoeien wilt, en visch koopen
op uwe eigene hand, moet gij nooit veel meer bieden, dan een vierde! En
de onbeschaamde slet durfde nog een borrel komen vragen; – maar wij
hebben haar de waarheid gezegd, Jenny en ik.”
„Waarlijk,” zei Oldbuck met een schelmschen blik tot zijn metgezel,
„ons geluk, dunkt mij, was groot, dat ons buiten het gehoor van dien
twist hield! – Wel, wel, Grizel! eens in mijn leven was ik dan ultra
crepidam, – buiten mijn beroep – dat stem ik gaarne toe! Maar wat de
kosten aangaat, – de zorg is doodelijk! – en wij zullen den visch eten,
wat het ook koste! En nu, Lovel, moet gij weten dat ik te eerder
aanhield, dat gij vandaag zoudt blijven, omdat onze maaltijd beter zal
zijn, dan naar gewoonte; – de overblijfsels van een feest zijn mij
aangenamer nog, dan het feest zelf! Ik vind smaak in de analecta, de
collectanea, zoo als men die zou kunnen noemen, van den vorigen dag,
die bij zulke gelegenheden op tafel gezet worden. En zie, daar gaat
Jenny de etensklok luiden!”