– Er was een tijd, dat ik u haatte,
En nog is ’t niet, dat ik u liefde draag’,
Uw bijzijn, dat ’k als onbescheiden laakte,
Gedoog ik nu; –
Maar denk geenzins aan verdere belooning.
Zoo als ’t u belieft.
Het rood op de wangen van Isabella Wardour was aanmerkelijk verhoogd,
toen zij, na den noodigen tijd, om hare denkbeelden te regelen, in de
kamer trad.
„Het verheugt me, dat gij gekomen zijt, mijne schoone vijandin!” zei de
oudheidkenner, haar zeer vriendelijk groetende; „want ik heb een zeer
weêrspannigen, of ten minste een zeer onoplettenden toehoorder gehad in
mijn jongen vriend hier, terwijl ik hem trachtte bekend te maken met de
geschiedenis van het kasteel van Knockwinnock. Ik geloof, dat het
gevaar van gisteren nacht den armen jongen versuft heeft. Maar gij!
Wel, gij ziet er uit alsof het vliegen door de nachtlucht uwe
natuurlijkste en meest geschikte bezigheid ware. Uwe kleur is nog beter
zelfs, dan toen gij gisteren mijn hospitium met uw bezoek vereerdet. En
Sir Arthur, – hoe maakt het mijn goede, oude vriend?”
„Tamelijk wel, mijnheer Oldbuck, maar ik vrees, niet geheel in staat,
om uwe gelukwenschen te ontvangen, of om den heer Lovel voor zijn
voorbeeldeloozen moed te danken.”
„Ik wil het wel gelooven,” hernam Oldbuck; „een zacht donzen kussen is
voor zijn waardig grijs hoofd veel beter, dan die vervloekte Lijsje’s
schoot, – zoo als de rotsen heeten.”
„Ik was niet voornemens mij op te dringen,” zei Lovel, aarzelend en met
slecht onderdrukte ontroering; „ik was niet, – ik was niet voornemens
aan Sir Arthur of aan zijne dochter de tegenwoordigheid van iemand op
te dringen, die, – die noodzakelijk onaangenaam zijn moet, – daar hij
hen aan een ongelukkig oogenblik moet herinneren.”
„Geloof niet, dat mijn vader zoo onrechtvaardig en ondankbaar is,”
antwoordde Isabella. „Ik durf zeggen,” vervolgde zij, terwijl zij
Lovel’s verlegenheid deelde, – „ik durf zeggen, – ik ben zeker, dat
mijn vader zich gelukkig achten zou zijne dankbaarheid te betoonen, –
op iedere wijze, – die, – die mijnheer Lovel zelf geschikt zou kunnen
oordeelen.”
„Wat drommel!” viel Oldbuck in, „wat is dat voor eene bepaling? – Op
mijne eer, ze herinnert mij aan onzen dominé, die, als een uitgemaakte
oude gek, eenmaal den inval kreeg, om op de inclinatie van mijne zuster
Grizel te drinken, en het noodig oordeelde, er de heilzame clausule bij
te voegen: wanneer – die deugdzaam is, mejufvrouw! – Kom, laat ons dien
onzin vergeten. Sir Arthur zal ons bij eene volgende gelegenheid wel
welkom heeten. – En wat nieuws is er uit het koninkrijk der
onderaardsche duisternis en luchtige hoop? – wat zegt de zwarte geest
der mijnen? – Heeft Sir Arthur iets goeds van zijne laatste onderneming
in Glen-Withershins gehoord?”
Isabella schudde het hoofd; – „slechts zeer weinig goeds, vrees ik,
mijnheer Oldbuck, maar daar liggen eenige stukken erts, die onlangs
gezonden zijn.”
„Och, mijn arme, lieve honderd pond sterling, die Sir Arthur mij
overreedde, als aandeel in die hopelooze speculatie te geven! ze zouden
mij eene kar vol mineraliën opgebracht hebben; – maar laat ik ze eens
zien!”
En dit zeggende, plaatste hij zich aan de tafel in den hoek, waarop de
voortbrengselen der mijnen lagen, en ving aan, ze één voor één te
onderzoeken, morrende bij elk stuk, dat hij opnam en ter zijde legde.
Intusschen werd Lovel als het ware gedwongen tot eene soort van
tête-à-tête met Isabella Wardour, en hij nam deze gelegenheid waar, om
haar met eene zachte en ontroerde stem toe te voegen: „Ik vertrouw, dat
zeer onverwachte omstandigheden de onbescheidenheid van iemand zullen
verontschuldigen, die reden heeft, zich een ongewenschten gast te
achten.”
„Mijnheer Lovel,” antwoordde Isabella Wardour, op denzelfden
voorzichtigen toon; „ik vertrouw, dat gij niet zult, – ik ben zeker,
dat gij niet in staat zijt, om het voordeel te misbruiken, dat de
diensten u geven, welke gij ons bewezen hebt, en welke, daar zij mijn
vader aangaan, – nooit genoeg erkend of vergolden kunnen worden. Kon
mijnheer Lovel mij zien, zonder dat het zijne rust stoorde, – kon hij
mij als eene vriendin, – als eene zuster zien, – zoo zou ons niemand, –
en, naar al hetgene ik van mijnheer Lovel gehoord heb, moest ook
niemand ons meer welkom zijn dan hij; maar, –”
Oldbuck’s verwensching van het voegwoordje maar, weêrklonk in Lovel’s
hart. – „Vergeef mij, Freule Wardour, dat ik u in de rede val: – gij,
behoeft niet te vreezen, dat ik u verder lastig zal vallen over een
onderwerp, waaromtrent ik reeds zoo onverbiddelijk afgewezen werd; maar
voeg niet bij de strengheid, waarmede gij mijne liefde verwerpt, de
wreedheid van te eischen, dat ik ze verloochenen zou.”
„Ik ben zeer verlegen, mijnheer Lovel, over uwe – ik wenschte niet een
hard woord te bezigen, – over uwe romaneske en hopelooze volharding.
Het is voor u zelven, dat ik spreek, hopende, dat gij niet het recht
zult vergeten, dat het vaderland op uwe talenten heeft; – dat gij niet
in de ijdele vruchtelooze vervolging eener verkeerd geplaatste
voorkeur, den tijd moogt opofferen, die uwe pogingen beloonende, den
grondslag leggen zou tot uwen toekomstigen roem. Laat ik u bidden, een
moedig besluit te nemen!”
„Genoeg, Freule Wardour! ik begrijp volkomen, dat –”
„Gij zijt beleedigd, mijnheer Lovel, en, geloof mij, ik deel in de
smart die ik u veroorzaak; – maar kan ik, rechtvaardig jegens mij
zelve, en billijk omtrent u, anders doen? – Zonder de toestemming van
mijn vader, zal ik nooit aan het aanzoek van wien het ook zij, gehoor
geven, en hoe geheel onmogelijk het is, dat hij de voorkeur, waarmede
gij mij vereert, met een gunstig oog zou aanzien, daarvan zijt gij ten
volle overtuigd, – en inderdaad, –”
„Neen, neen! ga niet voort. Is het niet genoeg, alle hoop in mijn
tegenwoordigen toestand te verijdelen! Zeg niets verder: – waarom er
bij voegen, wat gij ook doen zoudt, als Sir Arthur’s zwarigheden uit
den weg konden worden geruimd?”
„Dat zou ook inderdaad onnoodig zijn, mijnheer Lovel, omdat het
onmogelijk is die uit den weg te ruimen, en ik wenschte alleen als uwe
vriendin, en als iemand, die u haar eigen en haar vaders leven te
danken heeft, u te bidden die ongelukkige neiging te onderdrukken, – om
een land vaarwel te zeggen, dat geen gelegenheid voor uwe talenten
aanbiedt, – en het eervolle beroep te hervatten, dat gij schijnt
verlaten te hebben.”
„Wel, uwe wenschen zullen vervuld worden: – heb slechts eene kleine
maand geduld, en als ik in dien tijd u geene voldoende gronden kan
aantoonen, om mijn verblijf te Fairport te verlengen, – gronden, die
gij zelve zult moeten goedkeuren, – dan zal ik deze streken vaarwel
zeggen, en tevens aan al mijne hoop op geluk!”
„Dat niet, mijnheer Lovel, vele, vele jaren van wel verdiend geluk, op
een vaster grond steunende, dan uwe tegenwoordige wenschen beloofden,
hebt gij, naar ik vertrouw, te wachten; – maar het is hoog tijd, om dit
gesprek te eindigen. Ik kan u niet noodzaken, mijn raad te volgen; – ik
kan mijn vaders huis niet ontzeggen aan den redder van zijn en mijn
leven; maar hoe eerder de heer Lovel zich overwinnen kan, en zich
onderwerpt aan de onvermijdelijke teleurstelling van wenschen, die zoo
onbedachtzaam gekoesterd werden, des te hooger zal hij in mijne achting
rijzen. Intusschen moet hij het mij ten goede houden, dat ik, zoo wel
om hem zelven, als om mij, eenige verdere woorden over een zoo
smartelijk onderwerp vermijd.”
Op dit oogenblik kwam een bediende melden, dat Sir Arthur den heer
Oldbuck wenschte te spreken op zijne kamer.
„Ik zal u den weg wijzen,” zeide Isabella, die waarschijnlijk voor een
langer tête-à-tête met Lovel beducht was; en zij geleidde dan ook den
oudheidkenner naar het vertrek van haren vader.
Sir Arthur lag, de beenen in flanel gewikkeld, op eene sofa. „Welkom,
mijnheer Oldbuck!” zeide hij, „ik vertrouw, dat u de koude van gisteren
avond beter bekomen is, dan mij?”
„Wel zeker, Sir Arthur, ik was er niet zoo zeer aan blootgesteld; – ik
bleef op terra firma; – gij gaaft u aan de koude avondlucht over, in de
ruimste beteekenis van het woord. Maar zulke waagstukken betamen een
dapperen ridder beter dan een nederigen landman: te rijden op de
vleugels van den nachtwind, te dalen in de ingewanden der aarde! – Wat
nieuws van onze onderaardsche Goede Hoop, de terra incognita van
Glen-Withershins?”
„Vooralsnog niets goeds,” zei de Baronet, zich haastig omkeerende,
alsof de jicht hem juist pijnigde; „maar Dousterswivel wanhoopt niet!”
„Niet?” zei Oldbuck, „nu dan doe ik het, met zijn verlof. – Wel! de
oude Dr. H–n [17] zeide mij, toen ik te Edinburg was, dat, naar de
proeven te oordeelen, die ik hem liet zien, de man nooit koper genoeg
zou vinden, om een paar zes stuivers broekgespen van te maken, – en ik
zie niet, dat die stukken op de tafel beneden, veel van de anderen
verschillen.”
„De geleerde doctor is toch niet onfeilbaar, naar ik veronderstel.”
„Neen! maar hij is een van onze eerste scheikundigen; en uw
peripatetische wijsgeer is, vrees ik, een van die geleerde gelukzoekers
door Kircher beschreven; artem habent sine arte, partem sine parte,
quorum medium est mentiri, vita eorum mendicatum ire; dat wil zeggen,
Freule Isabella, –”
„Het is niet noodig, het te vertalen,” zeide Isabella; „ik begrijp zoo
wat uwe meening; – maar ik hoop, dat de heer Dousterswivel een beter
karakter aan den dag zal leggen!”
„Daaraan twijfel ik zeer,” antwoordde de oudheidkenner, „en wij zijn al
mooi door hem gefopt, als wij de ader niet ontdekken, die hij ons al
twee jaren lang voorspeld heeft.”
„Gij hebt geen heel groot belang bij de zaak, mijnheer Oldbuck!” zei de
Baronet.
„En toch te veel; en toch te veel, Sir Arthur! – Evenwel zou ik, om den
wille van deze mijne schoone vijandin hier, alles gaarne kwijt zijn,
als gij er niet meer bij op het spel had!”
Er volgde een pijnlijk stilzwijgen van eenige oogenblikken; want Sir
Arthur was te trotsch, om het verijdelen zijner gouden droomen te
erkennen; ofschoon hij zich zelven niet langer verbergen kon, dat de
onderneming zeer waarschijnlijk daarmede eindigen zou. „Ik hoor,” zeide
hij ten laatste „dat de jonge heer, aan wiens moed en tegenwoordigheid
van geest wij gisteren nacht zoo veel verschuldigd waren, mij met een
bezoek vereerd heeft. Het spijt mij, dat ik hem niet ontvangen kan, en
inderdaad niemand hoegenaamd, dan een ouden vriend zoo als gij,
mijnheer Oldbuck!”
Eene buiging van des oudheidkenners stijve ruggegraat erkende dit
voorrecht.
„Gij hebt veronderstel ik te Edinburg met dezen jongen heer kennis
gemaakt?”
Oldbuck verhaalde de omstandigheden, door welke zij elkander hadden
leeren kennen.
„Wel, dan is mijne dochter eene oudere kennis van den heer Lovel dan
gij.”
„Inderdaad! nu dat wist ik niet.”
„Ik ontmoette mijnheer Lovel,” zeide Isabella, eenigszins blozende
„toen ik verleden lente bij tante Wilmot logeerde.”
„In Yorkshire? – en welken rang bekleedde hij of wat deed hij toen?”
vroeg de heer Oldbuck; „en waarom herkendet gij hem niet, toen ik hem
aan u voorstelde?”
Isabella beantwoordde de minst moeielijke vraag, en ontweek de andere.
„Hij was officier bij het leger, en had, geloof ik, met roem gediend:
hij was zeer gezien en geacht als een beminnelijk en veelbelovend
jongeling.”
„En, eilieve!” hernam de oudheidkenner, die niet de man was, om zich
met één antwoord op twee verschillende vragen tevreden te stellen, „als
dat zoo is, waarom spraakt gij den jongen niet dadelijk aan, toen gij
hem bij mij ontmoettet? – Ik dacht niet, dat gij zoo veel van dien
kleingeestigen vrouwentrots bezat!”
„Daarvoor was eene reden,” zeide Sir Arthur deftig. „Gij kent de
begrippen, – vooroordeelen, zult gij ze misschien noemen, – van ons
huis, omtrent de zuiverheid der geboorte; deze jongeling schijnt de
onechte zoon te zijn van een man van aanzien; mijne dochter verkoos
niet de kennis te hernieuwen, eer zij wist of ik het goedkeurde, dat
zij hem kende.”
„Indien het zijne moeder geweest ware, in plaats van hem zelven, zou ik
het best kunnen begrijpen. De arme jongen! Dat was dus de reden, waarom
hij zoo afgetrokken en verlegen scheen, toen ik hem de beteekenis
uitlegde van den bastaardsbalk op het schild ginds op den hoektoren.”
„Juist!” zei de Baronet met veel zelfbehagen; „het is het schild van
Malcolm den Overweldiger, zoo als men hem noemt. De toren, dien hij
bouwde, heet naar hem de Malcolm’s toren, bij verbastering de Misticots
toren. Op den Latijnschen stamboom van ons geslacht komt hij voor onder
den naam van Miscolumbus Nothus; en zijne tijdelijke overweldiging van
onzen eigendom, en zijne hoogst onrechtvaardige poging om zijn
bastaard-geslacht op ons erfgoed Knockwinnock te vestigen, berokkende
zoo vele vijandelijkheden onder en ongelukken aan ons geslacht, dat ze
ons zeer stijfden in den afkeer en tegenzin, welken ik van mijne
geëerbiedigde voorouders overerfde, voor bastaardbloed en onechte
kinderen.”
„Ik ken die geschiedenis,” zelde Oldbuck, „en ik verhaalde die zoo even
aan Lovel, met eenige der wijze grondregels en vaste grondbeginsels,
welke ze uw geslacht ingeprent had. De arme jongen! Het moet hem zeer
getroffen hebben; ik hield zijne afgetrokkenheid voor onachtzaamheid,
en was er eenigzins knorrig over, en het blijkt slechts een overmaat
van gevoel geweest te zijn! Ik hoop echter, Sir Arthur, dat gij uw
leven niet te minder achten zult, omdat het door zulk een bijstand
behouden werd?”
„En mijn redder ook niet,” antwoordde de Baronet; „mijn huis en mijn
tafel zullen even goed voor hem openstaan, alsof hij van het
roemrijkste geslacht afstamde.”
„Kom, dat verheugt mij; – hij weet dus, waar een maaltijd te zoeken,
als hij er een noodig heeft. – Maar wat kan hij in dezen omtrek te doen
hebben? Ik moet hem daarover ondervragen; en als ik vind, dat hij het
noodig heeft, – en zelfs in elk geval, – zal hij mijn besten raad
hebben.” – Met deze edelmoedige belofte, nam hij van Isabella en haren
vader afscheid, vol ijver om Lovel onder handen te nemen. Hij zeide hem
kortaf, dat Isabella zich liet verontschuldigen, – dat zij moest
blijven, om haren vader op te passen, nam hem onder den arm, en bracht
hem buiten het kasteel.
Knockwinnock behield nog steeds in vele opzichten het uiterlijk van het
kasteel eener oude heerlijkheid. Het had zijne ophaalbrug, ofschoon die
niet meer opgetrokken werd, en droge grachten, welker hellingen met
groene struiken bepoot waren. Daarboven verrees het oude gebouw,
gedeeltelijk uit grondvesten in de roode rotsen gehouwen, die tot de
klippen van het strand neêrdaalden, en gedeeltelijk loodrecht op de
groene kanten der gracht. De boomen van de groote laan zijn reeds
beschreven en vele anderen verhieven zich in het rond, hoog en zwaar,
als om het vooroordeel te weêrleggen, dat men geen timmerhout in de
nabijheid van den oceaan kan laten groeien. Onze wandelaars hielden
stil en zagen naar het kasteel terug, zoodra zij den top van eene
kleine hoogte bereikt hadden, waarover hun weg huiswaarts ging; want
het spreekt, dat zij de gevaren van het getij niet wilden wagen, door
langs het strand terug te keeren. Het gebouw spreidde zijne breede
schaduw over het dichte lommer der heesters onder het gebouw; terwijl
vóór, aan den gevel, de vensterruiten in de zon glinsteren. Onze
vrienden beschouwden ze met zeer verschillende gewaarwordingen. Lovel,
met de oogen van den verliefde, die zich voedt en leeft van de lucht,
zooals men zegt, dat de kameleon doet, of van de onzichtbare
schepseltjes, die ze bevat, terwijl hij trachtte te gissen, welke der
tallooze vensters tot het vertrek behoorden, op dat oogenblik
verheerlijkt door de tegenwoordigheid van Isabella. De overpeinzingen
van den oudheidkenner waren van veel treuriger aard, en werden
gedeeltelijk uitgedrukt door den uitroep van „Cito peritura!” toen hij
zich van de beschouwing van het kasteel afwendde. Lovel, uit zijne
mijmering ontwaakt, keek hem aan, als om de beteekenis van deze
onheilspellende woorden te vragen. De oude man schudde het hoofd. „Ja
mijn jonge vriend!” zeide hij, „ik vrees zeer, – en het snijdt mij door
de ziel, terwijl ik het zeg, – dat dit oud geslacht langzamerhand te
gronde gaat!”
„Inderdaad!” antwoordde Lovel, „gij verrast mij zeer!”
„Het is te vergeefs, dat wij ons verharden,” ging de oudheidkenner
voort, terwijl hij de reeks zijner eigene gedachten volgde, – „het is
te vergeefs, dat wij ons verharden, om met die onverschilligheid, die
zij verdienen, de wisselvalligheden van deze bedriegelijke,
onbestendige wereld te aanschouwen. Te vergeefs streven wij om die
onafhankelijke, onkwetsbare wezens, de teres atque rotundus van den
dichter, te zijn. De Stoïcijnsche hoogte, waarop de wijsbegeerte
voorgeeft ons boven de rampen en ongelukken van het menschelijk leven
te plaatsen, is even hersenschimmig, als de toestand van denkbeeldige
rust en volmaaktheid, waarnaar eenige ijdele dweepers streven.”
„En de Hemel verhoede, dat het anders zijn zou,” riep Lovel met drift.
„De Hemel verhoede, dat eenige vorderingen der wijsbegeerte ons ooit in
staat stelden, ons gevoel zoo stomp en verhard te maken, dat het zich
door niets bewegen liet, dan door hetgene dadelijk en onmiddellijk uit
ons eigen baatzuchtig belang voortsproot! Ik zou even gaarne eene hand
hard als horen hebben, om ze voor eenige toevallige snede of kneuzing
beveiligd te zien, als dat ik het Stoïcisme najagen zou, dat mijn hart
hard als een rotssteen maakte!”
De oudheidkenner keek zijn jeugdiger begeleider aan, met een half
medelijdenden, half goedkeurenden blik, en haalde de schouders op,
terwijl hij antwoordde: „Wacht, eens, jong mensch! wacht, tot uwe
levensschuit zestig jaren lang door den storm der aardsche
wisselvalligheden geslingerd is; – in dien tusschentijd zult gij de
zeilen leeren bijhalen en aan den storm nageven; – of, in de taal der
wereld, gij zult wederwaardigheden genoeg verduurd hebben en te
verduren vinden, om uw gevoel en uwe edelmoedigheid in aanspraak te
nemen, zonder u meer met het lot van anderen te bemoeien! dan hoogst
noodzakelijk is.”
„Wel, mijnheer Oldbuck, zoo zij het, maar vooralsnog gelijk ik meer op
u in uw doen, dan in uw stelsel, want ik kan niet nalaten diep
getroffen te zijn door het lot van de familie, die wij juist verlaten
hebben.”
„En dit moogt gij wel,” antwoordde Oldbuck; „de nood van Sir Arthur is
binnen kort zoo dringend geworden, dat het mij verwondert, dat die u
nog niet bekend was. En dan zijne ongerijmde en kostbare ondernemingen,
met dien Hoogduitschen landlooper, Dousterswivel!”
„Ik geloof dien heer gezien te hebben, toen ik mij, bij toeval, in het
koffijhuis te Fairport bevond; – een lange, sombere, onhebbelijke man,
met zware wenkbrauwen, – die zich over wetenschappelijke onderwerpen,
zoo als het mij in mijne onwetendheid ten minste toescheen, eerder
stout dan geleerd uitliet, zeer eigendunkelijk was in het voordragen en
handhaven zijner gevoelens, en de kunsttermen op eene zonderlinge,
geheimzinnige wijze, met zijne wartaal vermengde. Een eenvoudig jong
mensch fluisterde mij in, dat hij een illuminé was, en omgang had met
de onzichtbare wereld.”
„O, dezelfde, – dezelfde! – hij heeft juist kennis genoeg, om geleerd
en verstandig te spreken met lieden, wier verstand hij vreest; en, om
de waarheid te zeggen, deze hoedanigheid, gevoegd bij zijne
voorbeeldelooze onbeschaamdheid, heeft mij een tijdlang misleid, toen
ik hem voor het eerst leerde kennen. Maar sedert heb ik vernomen, dat
hij zich bij gekken en vrouwen als een volmaakte kwakzalver gedraagt, –
van het magisterium, – van sympathiën, – van de cabala, – van de
tooverroede spreekt, en al de bedriegerijen in het werk stelt, waarmede
de rozenkruisers eene minder verlichte eeuw begoochelden, en die, tot
onze eeuwige schande, in de onze eenigszins herleven. Mijn vriend
Heavysterne had dezen mensch buiten ’s lands gekend, en gaf mij, zonder
het te willen, – want hij is, moet gij weten, zelf een der geloovigen,
– den sleutel tot zijn karakter. Och! ware ik slechts voor één enkelen
dag Kalif, zoo als de eerlijke Abu Hassan wenschte te zijn, ik zou deze
goochelaars met schorpioen-roeden de wereld uit geeselen! Zij brengen
het hoofd der eenvoudigen en lichtgeloovigen met hun geheimzinnig
gemaal even zeker op hol, alsof zij hunne hersens door brandewijn
verhit hadden, en ledigen hen dan even gemakkelijk de zakken. En nu
heeft deze avontuurlijke kwakzalver den laatsten slag toegebracht, om
een oud en achtingswaardig geslacht te gronde te richten!”
„Maar hoe heeft hij Sir Arthur kunnen verleiden tot eenige gevaarlijke
ondernemingen?”
„Wel, ik weet het zelf niet. Sir Arthur is een goede, brave man; – maar
heeft, zoo als gij uit zijne verwarde begrippen omtrent de Pictische
taal zult gemerkt hebben, niet al te veel doorzicht. Zijne goederen
blijven in de familie, en hij is altijd in geldverlegenheid geweest.
Deze zakkenroller beloofde gouden bergen, en men vond eene Engelsche
compagnie, die groote sommen voorschieten wilde: – naar ik vrees op Sir
Arthur’s naam. Eenige heeren, – en ik was dom genoeg er onder te zijn,
– namen kleine aandeelen in de onderneming, en Sir Arthur zelf deed
groote voorschotten: wij werden meêgesleept door den schoonen schijn,
en nog meer door schoone leugens, en nu ontwaken wij en zien, dat het
een droom geweest is!”
„Het verwondert mij, mijnheer Oldbuck, dat gij Sir Arthur door uw
voorbeeld aangemoedigd hebt.”
„Wel,” zeide Oldbuck, de zware, grijze wenkbrauwen fronsende, „ik ben
er zelf eenigszins verwonderd en beschaamd over; het was geene
winstzucht; – niemand geeft minder om geld, (ofschoon ik zeer
voorzichtig ben,) dan ik; – maar mij dacht, ik kon een sommetje wagen.
Men verwacht, (ofschoon ik zeker niet inzien kan waarom,) dat ik iets
geven zal aan den een of anderen, die goed genoeg zal zijn, om mij van
dat schepseltje, mijne nicht, Mary M’Intyre, te verlossen; en misschien
denkt men, dat ik iets doen zal, om dien jongen kwast, haren broeder,
die bij het leger is, voort te helpen. In beide gevallen zou het
verdriedubbelen van het gewaagde mij geholpen hebben. En daarbij had ik
eenig vermoeden, dat de Phoeniciërs, in vroegere tijden, juist op die
plaats koper gegraven hadden. De doortrapte schurk, Dousterswivel,
ontdekte mijne zwakke zijde, en dischte mij vreemde vertelsels op (die
vervloekte vent!) van oude schachten en sporen van bergwerken, geheel
anders aangelegd en bearbeid, dan die van latere tijden; en – met één
woord, – ik was een gek, en daarmeê is het uit! Mijn verlies is niet
zoo groot, dat het de moeite waard is, er van te spreken; maar Sir
Arthur heeft zich, naar ik begrijp, zeer diep ingelaten, en mijn hart
bloedt voor hem en voor het arme jonge meisje, dat zijne armoede deelen
moet.”
Hier volgde een stilzwijgen, tot het gesprek, zoo als het in het
volgend hoofdstuk beschreven wordt, hervat werd.