TWAALFDE HOOFDSTUK

Bedelaars? – De eenigste vrijen in uwen staat;

Vrijer dan schattingvrij, die geene wetten erkennen,

Geen landvoogd dienen, noch band van godsdienst kennen,

Dan welken zij afleiden uit hunne oude gewoonten,

Of zich zelven geven, – toch zijn het geene muiters.

Brome.

Met verlof van onze lezers, zullen wij nu de langzame, hoewel krachtige

schreden van den oudheidkenner vooruitloopen, wiens gedurig stilhouden,

als hij zich omkeerde, om Lovel iets merkwaardigs in den omtrek te

wijzen, of eenige geliefde stelling met meer klem te betoogen dan de

beweging der wandeling toeliet, hunne vorderingen zeer vertraagde.

De vermoeienissen en gevaren van den vorigen avond beletten Isabella

Wardour niet, op haar gewoon uur op te staan, en aan hare dagelijksche

bezigheden te gaan, zoodra zij zich gerust gesteld had omtrent de

gezondheid van haren vader. Sir Arthur leed slechts nog aan de gevolgen

der groote ontroering en buitengewone vermoeienis; maar deze waren

genoeg, om hem op zijne kamer te doen blijven.

Alleronaangenaamst voor Isabella was de terugblik op de gebeurtenissen

van den vorigen dag. Zij was haar leven en dat van haren vader

verschuldigd aan hem, wien zij boven alle anderen, het minst wenschte

iets verplicht te zijn, omdat zij ook juist hem bezwaarlijk de

geringste dankbaarheid kon betuigen, zonder eene hoop aan te moedigen,

die wellicht voor beiden noodlottige gevolgen zou kunnen hebben.

„Waarom toch moest ik zulke diensten, met zoo veel persoonlijk gevaar

bewezen, van iemand ontvangen, wiens romantische liefde ik zoo

onophoudelijk heb trachten tegen te gaan? Waarom moest het toeval hem

nu dit voordeel op mij geven? En waarom, – och, waarom, moet ook thans

een half gesmoord gevoel in mijn eigen hart, in weêrwil van mijn

verstand, bijna juichen, dat hem die kans te beurt viel?”

Terwijl Isabella zich dus zelve van wispelturigheid en grillen

beschuldigde; zag zij aan het einde der laan, niet haren jongeren en

meer geduchten redder naderen, maar den ouden bedelaar, die zulk eene

hoofdrol in het melo-drama van den vorigen avond gespeeld had.

Zij schelde om hare meid. „Laat den ouden man boven komen!”

De meid keerde binnen weinige minuten terug. – „Hij wil volstrekt niet

boven komen, freule! – hij zegt, dat zijne schoenen met spijkers nog

nooit op een tapijt geweest zijn, en dat, met ’s hemels zegen, ze er

nooit op zullen komen. Zal ik hem in de dienstboden-kamer brengen?”

„Neen, – ik moet hem spreken. Waar is hij?” Want zij had hem uit het

gezicht verloren, toen hij het huis naderde.

„Hij zit in de zon op de steenen bank, op het plein, naast het venster

van de huiskamer.”

„Zeg hem, daar te blijven; – ik zal beneden komen en uit het venster

met hem spreken.”

Zij ging dadelijk naar beneden, en vond den bedelaar, half zittende

half leunende op de bank naast het venster. Adam Ochiltree, oud en

bedelaar als hij was, had waarschijnlijk toch eenige bewustheid van den

gunstigen indruk, welken zijne groote gestalte, gebiedende

gelaatstrekken, en zijn lange witte baard en haar maakten. Men had van

hem de opmerking gemaakt, dat hij zelden in eene houding gezien werd,

die deze persoonlijke voorrechten niet op het voordeeligst deden

uitkomen. Zoo als hij thans lag, half achterover, met zijne gerimpelde,

hooggekleurde wang, en zijn helder grijs oog naar den hemel gericht,

met zijn staf en zak naast zich, en eene eenvoudige wijsheid in zijn

blik met een spottend lachje op het gelaat, terwijl hij een oogenblik

op het plein rondkeek, en dan weder het oog omhoog sloeg, zou hem een

kunstenaar tot het model hebben kunnen nemen van een ouden wijsgeer der

Cynische school, peinzende over de ijdelheid der wereldsche dingen, en

het onzekere der menschelijke bezittingen, en hemelwaarts ziende naar

die bron, vanwaar alleen iets duurzaam goeds kan verwacht worden.

Isabella, nu met hare rijzige en bevallige gestalte aan het open

venster verschijnende, dat van het plein slechts gescheiden was door de

traliën, waarmede men, in oude tijden, de benedenvensters van een

kasteel verzekerde, wekte eene belangstelling van anderen aard, en had

eene romantische verbeeldingskracht kunnen herinneren aan eene gevangen

jonkvrouw, die haar lijden aan een pelgrim verhaalde, opdat hij de

dapperheid van elken ridder, dien hij ontmoette, mocht inroepen, om

haar uit de harde gevangenschap te verlossen.

Nadat Isabella haren dank in bewoordingen betuigd had, die zij dacht,

dat het aangenaamst zijn zouden, en welke de bedelaar verklaarde zijne

verdiensten verre te boven te gaan, begon zij zich op eene wijze uit te

drukken, die zij veronderstelde, dat meer ingang vinden zou. „Zij wist

niet,” zeide zij, „wat haar vader voornemens was voor hun redder te

doen; maar zeker zou het iets zijn, dat hem, zijn leven lang, rustige

en gemakkelijke dagen verschaffen zou; – indien hij zijn intrek op het

kasteel wilde nemen, zou zij bevel geven, –”

De oude man lachte en schudde het hoofd. „Ik zou uwe deftige

dienstboden tot last en schande zijn, dame, en ik ben tot dusver

niemand tot schande geweest, dat ik weet.”

„Sir Arthur zou strenge bevelen geven.”

„Gij zijt zeer goed; – ik twijfel er niet aan; – ja, ik twijfel er niet

aan; maar er zijn dingen, die een meester kan gebieden, en ook anderen,

die hij niet gebieden kan. Ik geloof wel, dat hij hun bevelen zou de

handen van mijn lijf af te houden – (en ik geloof ook, dat zij dat

buitendien zouden doen), en hij zou ook wel zorgen, dat zij mij mijne

soep en een stukje vleesch gaven; – maar gelooft gij, dat Sir Arthur

het spottend woord en den minachtenden blik zou kunnen beletten; of

maken, dat zij mij het eten met dien vriendelijken oogopslag gaven, die

het zoo smakelijk maakt; of dat hij hun het geheime spotten en de

kleine steken zou kunnen verbieden, die meer leed doen, dan het ergste

schelden? – Ik ben ook de luiste oude vent die er ooit leefde; en, om u

de ronde waarheid te zeggen, ik zou een zeer slecht voorbeeld geven in

eene geregelde huishouding.”

„Nu dan, Adam, wat dunkt u van een net huisje met een tuin, en den

dagelijkschen middagkost, en niets te doen, dan wat in den tuin te

spitten, als gij er lust in hadt?”

„En hoe dikwijls denkt gij, dat ik er lust in zou hebben, Freule?

Misschien één- of tweemaal tusschen Lichtmis en Kermis. En al ging

alles naar mijn zin, alsof ik Sir Arthur zelf was, dan zou ik het toch

niet uithouden, altijd op dezelfde plaats te zijn, en nacht op nacht

dezelfde balken en dwarshouten boven mijn hoofd te zien. En dan heb ik

zoo wat mijne eigene grillen, die in een rondzwervenden bedelaar niet

hinderen, die zich aan niemands luimen behoeft te storen; maar weet ge

– Sir Arthur heeft ook de zijne; – en ik zou die bespotten of er om

lachen, en gij zoudt kwaad worden, en dan was ik in staat, mij te

verhangen!”

„O, gij zijt een bevoorrecht mensch, Adam! – wij zullen u alle

mogelijke vrijheid geven. Dus laat u raden, – en denk aan uw ouden

dag!”

„Maar ik ben nog niet zoo heel oud, – toen ik eens aan den gang kwam

was ik gisteren nog los genoeg, en buigzaam als een aal. – En dan, wat

zouden de menschen in den omtrek doen, als zij den ouden Adam Ochiltree

missen moesten, die het nieuws en de kwinkslagen van de eene woning in

de andere brengt, met peperkoek voor de meisjes, – en de jongens hunne

netten helpt verstellen, en de vrouwen hare ketels lapt, en de kinderen

hunne rieten sabels en grenadiersmutsen maakt, en vliegenklappen voor

de heeren en dan nog op den koop toe meer oude gezangen en vertelsels

kent, dan iemand in het geheele graafschap, en iedereen lachen doet,

bij wien hij komt? – Waarlijk, Freule! ik kan mijn beroep niet

neêrleggen, het zou een algemeen verlies zijn!”

„Wel nu, Adam, als gij denkt, dat gij zoo onmisbaar zijt, en zelfs het

vooruitzicht van onafhankelijkheid u niet kan doen wankelen, –”

„Neen, neen, Freule! – het is juist omdat ik onafhankelijker blijf, zoo

als ik ben. Ik vraag in elk huis niet meer dan één maal, of wellicht

maar een mondvol; – weigert men het hier, ik krijg het dáár; – zie, men

kan niet zeggen, dat ik van iemand in het bijzonder afhang, maar van de

geheele landstreek over het algemeen.”

„Nu dan, beloof mij slechts, dat gij mij het zult laten weten, als gij,

op uw ouden dag, niet meer in staat, om uw gewonen gang te gaan,

verlangt eene vaste woonplaats te kiezen; – en neem inmiddels dit aan!”

„Neen, neen, ik neem niet veel geld te gelijk aan, dat is tegen den

regel; – en, – ofschoon het niet beleefd schijnt, zoo iets te zeggen; –

men zegt, dat het geld bij Sir Arthur zelven schaarsch wordt, en dat

hij zich ten gronde richt met zijn spitten en graven naar lood en koper

daar ginds!”

Hoezeer Isabella reeds een voorgevoel had van hetgeen Ochiltree zeide,

hoorde zij nochtans niet zonder ontroering, dat haar vaders

verlegenheid reeds zoo algemeen bepraat werd: alsof de laster zich ooit

een zoo aangenamen buit liet ontglippen, als het struikelen der braven,

den val der machtigen, en het verarmen der rijken. – Zij zuchtte diep.

– „Wel, Adam! laat de menschen maar praten wat zij willen, wij hebben

genoeg, om onze schulden te betalen, – en om u onzen dank te betuigen

is eene der eersten; – ik bid u dus dringend, dit geld aan te nemen!”

„Om den een of anderen nacht tusschen stad en dorp beroofd en vermoord

te worden, – of, wat even erg is, in aanhoudende vrees te leven? Ik ben

niet,” – (de stem latende dalen, tot een gefluister, en scherp in het

rond ziende:) „ik ben niet geheel van alles ontbloot; en al kom ik ook

in een sloot te sterven, zullen zij nog genoeg in dezen ouden blauwen

rok vinden, om mij als Christen-mensch te begraven, en daarbij de

jongens en meisjes nog iets voor het lijkbewaken te geven. Zie, zoo is

er gezorgd voor de uitvaart van den ouden bedelaar, en meer is er niet

noodig! – Zoo iemand van mijns gelijken ooit eene banknoot wilde

wisselen, wie denkt gij, zou zoo dwaas zijn, hem ooit meer eene

liefdegift te geven? Als een loopend vuur zou het weldra door het

geheele land verspreid zijn, dat de oude Adam zoo iets gedaan had, en

dan, verzeker ik u, – al klaagde ik mij dood, – geen mensch zou mij een

mondvol vleesch of een stuiver meer geven.”

„Is er dan niets, dat ik voor u doen kan?”

„O ja; – ik zal als naar gewoonte om mijn aalmoes komen, en nu en dan

wil ik wel wat snuif hebben, – en gij zoudt den veldwachter kunnen

verzoeken, mij niet te plagen, en een goed woord doen bij Sander

Netherstanes, den molenaar, dat hij zijn grooten hond aan de ketting

legt; – ik zou niet willen dat hij het arme dier kwaad deed; want het

is juist zijn plicht om de bedelaars, zoo als ik ben, aan te blaffen. –

En dan is er noch iets; maar gij zult het zeer onbeschaamd van iemand

als ik ben vinden, om er van te spreken.”

„Wat is het, Adam? – zoo het u betreft, zal het geschieden, als het in

mijn vermogen is.”

„Het gaat u zelve aan, en het is in uwe macht, en het moet er uit! Gij

zijt eene schoone jonge dame, en goed, en waarschijnlijk ook rijk; –

maar wees nooit meer zoo hard tegen dien jongen Lovel, als gij eenigen

tijd geleden waart, op eene wandeling langs de Briery-heuvels, toen ik

u beiden zag en hoorde, ofschoon gij mij niet zien kondet. – Wees

verstandig met den jongen; want hij houdt veel van u, en hij was het,

en niet ik, die Sir Arthur en u gisteren redde.”

Hij sprak deze woorden zacht, maar duidelijk, en ging daarop, zonder

een antwoord af te wachten, naar eene deur, die naar de vertrekken der

dienstboden leidde, en trad zoo het huis binnen.

Isabella Wardour bleef eenige oogenblikken in dezelfde houding staan,

waarin zij deze zonderlinge toespraak had aangehoord, leunende, tegen

de traliën van het venster, en zij kon niet besluiten, een enkel woord

over zulk een teeder onderwerp te uiten, voordat de bedelaar uit het

gezicht was. Moeielijk viel het, voorwaar, te bepalen wat zij doen

moest. Dat hare zamenkomst en haar gesprek met dezen jongen en

onbekenden vreemdeling een geheim was, in het bezit van iemand uit de

allerlaagste klasse, waaruit eene jonge dame een vertrouweling zoeken

zou, en dat zij dus in de macht was van iemand, die van beroep de

algemeene nieuwskramer was van de geheele buurt, trof haar pijnlijk.

Zij had wel geen reden, te veronderstellen, dat de oude man opzettelijk

iets doen zou, om haar te grieven, veelmin om haar te beleedigen; maar

de vrijheid, die hij nam, om haar over zulk een teeder onderwerp te

onderhouden, toonde, zoo als men had mogen verwachten, een volslagen

gebrek aan kieschheid; en wat hij ook bij de eerste gelegenheid in het

hoofd zou krijgen te zeggen of te doen, het was vrij zeker, dat zulk

een verklaarde bewonderaar der vrijheid niet aarzelen zou, het zonder

den minsten schroom te vertellen, of ten uitvoer te brengen. Dit

denkbeeld was haar zoo pijnlijk, en kwelde haar zoo zeer, dat zij half

wenschte, den bijstand van Ochiltree en Lovel den vorigen avond te

hebben gemist.

Terwijl zij dus ontroerd bleef staan, zag zij eensklaps Oldbuck en

Lovel het plein opkomen. Zij keerde zich oogenblikkelijk ver genoeg van

het venster af, om, zonder gezien te zijn, te kunnen opmerken, hoe de

oudheidkenner voor den gevel van het huis bleef stilstaan, en, naar de

verschillende wapenschilden van de voormalige eigenaren wijzende, bezig

scheen met Lovel zeer veel belangrijke en geleerde uitleggingen te

geven, die Isabella, uit de afgetrokken houding van zijn toehoorder,

gissen kon, dat geheel en al voor hem verloren gingen. Het werd

dringend noodzakelijk, oogenblikkelijk een besluit te nemen; zij

schelde dus om een dienstbode, en beval hem de heeren binnen te laten,

terwijl zij zich, langs een anderen trap, naar haar eigen vertrek

begaf, om vóór zij zich vertoonde, te overleggen hoe zij zich gedragen

zou. De bezoekers werden, overeenkomstig haar bevel, in de zaal

gebracht, waar men gewoon was gezelschap te ontvangen.

De oudheidkenner · 第 16 / 54 题