Dan dacht hij, de verschijning kwam van Hooger hand,
Die deed de beelden staan of stijgen aan den wand;
Dan weêr, dat alles slechts in de verbeelding lag,
Los overblijfsel, slechts herinnering van den dag.
Wij moeten nu de lezers verzoeken, zich te verplaatsen in het
ontbijtvertrek van den heer Oldbuck, die met verachting van de
hedendaagsche thee en koffij, zich more majorum, krachtiger onthaalde
op een stuk koud rundvleesch, en eene soort van sterk bier, mum
genaamd, gebrouwd van weit en bittere kruiden, welks naam echter nu
slechts nog gevonden wordt in de accijns-wetten onder de meer bekende
namen van appelwijn en andere belastbare dranken. Lovel, die zich liet
overhalen, om het te proeven, stond op het punt van het afschuwelijk te
noemen; maar hij hield zich in, toen hij bedacht, dat dit zijn gastheer
ten hoogste beleedigen zou, die den drank jaarlijks met bijzondere zorg
liet toebereiden, volgens een aloud recept, dat hij van den reeds meer
gemelden Aldobrand Oldenbuck gevonden had. De gastvrijheid der dames
verschafte Lovel een ontbijt meer naar den hedendaagschen smaak, en
terwijl hij het met haar deelde, werd hij door zijdelingsche
navorschingen geplaagd over de wijze, hoe hij den nacht had
doorgebracht.
„Broêr! wij kunnen den heer Lovel heden morgen geen compliment maken,
dat hij er bijzonder goed uitziet; – maar hij wil volstrekt niet
bekennen, dat het aan eenige storing zijner nachtrust toe te schrijven
is. Het is zeker, dat hij er zeer bleek uitziet, en toen hij hier kwam,
was hij bloeiend als eene roos.”
„Maar, zuster, bedenk, dat die roos gisteren avond door zee en wind
heen en weêr geslingerd is als een hoop zeegras, en hoe drommel zoudt
gij willen, dat ze heden nog hare kleur behield?”
„Ik gevoel mij zeker nog eenigszins vermoeid,” zeide Lovel, „in weêrwil
van de heerlijke verkwikkingen, waarmede mij uwe gastvrijheid voorzien
heeft.”
„Och mijnheer!” antwoordde jufvrouw Oldbuck, terwijl zij hem met een
glimlach aanzag, die te kennen geven moest, dat zij harer zaak zeker
was, „gij wilt uit beleefdheid voor ons niet bekennen, dat men u
gestoord heeft.”
„Wezenlijk, ik ben in het geheel niet verontrust geweest; want zoo iets
kan ik van de muziek niet zeggen, waarmede mij de eene of andere
vriendelijke toovergodin verrast heeft.”
„Ik dacht wel, dat Mary u met haar gerammel wakker zou maken; zij wist
niet, dat ik een reet van uw venster opengelaten had; want, van den
geest niet te spreken, moest de groene kamer bij hoogen wind eens
gelucht worden. – Maar ik geloof, dat gij meer gehoord hebt, dan het
gerammel van Mary heden morgen. – Wel nu, de mannen zijn stoute
schepsels; zij durven maar alles aan; zeker, als ik iets van dien aard
had moeten uitstaan, – ik meen iets dat bovennatuurlijk is, ik zou het
in eens hebben uitgeschreeuwd en het geheele huis op de been gebracht
hebben, wat er ook van gekomen ware; – en de dominé, durf ik zeggen,
zou het ook gedaan hebben, en dat heb ik hem ook wel gezegd. Ik ken
niemand, dan mijn broêr, Monkbarns zelven, die er zoo zou hebben door
heen getast, behalve u, mijnheer Lovel!”
„Zulk een geleerd man, als mijnheer Oldbuck, zou niet blootgesteld
wezen aan de verlegenheid, waarin zich de heer, van wien gij gisteren
spraakt, zich bevond.”
„Ei! ei! gij weet nu ook, waaraan het hapert: – aan de taal. Hij heeft
middelen op zijne eigene hand, om alle soorten van spoken, God weet
waarheen, te verbannen; maar men zou niet gaarne onbeleefd zijn jegens
een zijner voorouders, al spookte hij nog zoozeer. – Zeker, broêr, als
ooit iemand weêr in de kamer slapen moet, wil ik het recept beproeven,
dat gij mij in een boek hebt laten zien; ofschoon het christelijker
ware, dunkt mij, dat gij de mattenkamer in orde liet brengen. Het is er
wel wat vochtig en somber, dat is zeker; maar wij hebben zelden eene
logeerkamer noodig.”
„Neen, neen, zuster, vochtigheid en duisternis zijn erger dan spoken;
de onzen zijn geesten des lichts: – gij moest liever zelve het
tooverrniddel beproeven.”
„Dat zou ik gaarne doen, Monkbarns, als ik de bestanddeelen er van maar
had, zoo als die in mijn kookboek opgenoemd zijn. Daar is ijzerkruid en
anijskruid in, – dat heugt mij; – onze David Dibble zal er wel
uitkomen, al geeft hij er geen Latijnsche namen aan, – en peperkorrels;
nu die hebben wij genoeg want –”
„Hypericon, malloot! schreeuwde Oldbuck; „Waaraan denkt gij? of gelooft
gij, dat de geesten, ofschoon uit lucht bestaande, door een recept
tegen een windje te verdrijven zijn? – Deze wijze Grizel, mijnheer
Lovel, herinnert zich (hoe nauwkeurig, moogt gij zelf oordeelen,) een
toovermiddel, waarvan ik haar eens sprak, en dat haar bijgeloovig brein
zoo zeer schijnt getroffen te hebben, dat zij het veel beter onthouden
heeft, dan al de degelijke dingen, die ik in de laatste tien jaren
vertelde. – Maar menig ander oud wijf –”
„Oud wijf, Monkbarns!” riep mejufvrouw Oldbuck, haren gewonen
onderworpen toon eenigszins vergetende, „gij zijt waarlijk niet al te
beleefd!”
„Ik blijf echter rechtvaardig, Grizel! Ik begrijp onder dezelfde
benaming menigen beroemden naam, van Jamblichus af, tot Aubrey toe, die
hun tijd verspild hebben met denkbeeldige middelen uit te vinden tegen
niet bestaande kwalen. – Maar ik hoop, mijn jonge vriend, dat gij, met
of zonder betoovering, – versterkt door de kracht der Hypericon,
„Met anijs- en met ijzerkruid,
Dat ’t spel van heks en spoken stuit,”
of ongewapend en weêrloos tegen de aanvallen der onzichtbare wereld,
nog wel een tweeden nacht zult wagen aan de verschrikkingen van het
spookvertrek, en een anderen dag schenken aan uwe getrouwe vrienden.”
„Ik wenschte hartelijk, dat ik het kon; maar –”
„Spreek mij van geen maar; – ik ben er zeer op gesteld!”
„Ik ben u ten hoogste verplicht, waarde heer, maar –”
„Nu hoor eens, – alweêr maar! – ik haat dat maar; – maar is mij een
veel afgrijsselijker klank, dan neen zelf. Neen is een stugge, eerlijke
vent, die ruw en rond zijn gevoelen zegt; – maar is een kruipend,
draaiend koppelwoord, dat den beker wegrukt, op het oogenblik dat men
hem aan de lippen brengt.”
„Maar neemt het vorig goede weg;
Weg dan met dat ja, maar!
Ja, maar is als een stokkenknecht,
Op zondaars wachtend na ’t gerecht.
„Wel,” antwoordde Lovel, wiens voornemens op dit oogenblik wezenlijk
nog wankelend waren, „de herinnering aan mij zal zich bij u niet met
zulk een ellendig woord verbinden. Ik vrees, dat ik weldra Fairport zal
moeten verlaten, – en ik wil, daar gij zoo goed zijt het te wenschen,
van deze gelegenheid gebruik maken, om nog één dag hier door te
brengen.”
„En het zal u vergolden worden, mijn jonge vriend! Ten eerste zal ik u
het graf laten zien van Jan van Girnell, en dan zullen wij langzaam
langs het strand wandelen, na ons eerst van de hoogte van het water
verzekerd te hebben, (want wij willen geene avonturen, geen klim- en
hijschwerk meer,) tot aan het kasteel van Knockwinnock, en vragen, hoe
de oude ridder en mijne schoone vijandin het maken; – wat niets meer is
dan de beleefdheid vordert; en verder, –”
„Vergeef mij, waarde heer, maar wellicht ware het beter, dat gij uw
bezoek tot morgen uitsteldet; – ik ben een vreemdeling, zoo als gij
weet. –”
„En zijt daarom te meer gehouden, om uwe beleefdheid te toonen, zou ik
denken. Maar vergeef mij, een woord genoemd te hebben, dat wellicht bij
den oudheidkenner alleen te huis behoort; – ik ben nog van de oude
school.
„Wanneer men mijlen galoppeerde
Naar zijne schoone van het bal,
Te hooren of geen koû haar deerde.”
„Wel, als – als, – als gij denkt, dat men erop rekent; – maar ik
geloof, dat ik beter deed met weg te blijven.”
„Neen, neen, vriend; ik ben niet ouderwetsch genoeg, om u te dringen
tot hetgeen u onaangenaam is, – volstrekt niet! – Het is mij genoeg,
dat ik eenige remora, eenige reden tot uitstel, eenig beletsel ontdek,
waarnaar ik het recht niet heb te vragen. Wellicht zijt gij ook nog
eenigszins vermoeid; – ik verzeker u, dat ik middelen zal vinden, om
uwe geestvermogens te onderhouden, zonder uwe ledematen af te matten.
Ik ben zelf geen vriend van al te sterke beweging. – Eenmaal daags eene
wandeling in den tuin is beweging genoeg voor een denkend wezen, men
moet een dwaas of een vossenjager zijn, om meer te verlangen. Wel, waar
zullen wij meê beginnen? – met mijne verhandeling over de kunst van
kampen aan te leggen? – maar deze hou ik in petto, als eene
hartsterking na het eten. Ik zal u den pennestrijd laten zien tusschen
Mac-Cribb en mij over Ossian’s Gedichten; ik ben het eens met den
scherpzinnigen eilandbewoner; – hij met de voorstanders der echtheid.
Die strijd begon met zachte, honigzoete, maagdelijke beleefdheid; maar
is al doende scherper en heviger geworden; – het geschrift heeft reeds
iets gekregen van den stijl van den ouden Scaliger. – Ik hoop maar
niet, dat de schelm iets van Ochiltree’s verhaal zal te weten komen;
maar, in het ergste geval, zou ik hem geducht kunnen havenen over den
gestolen Antigonus. Ik zal u zijn laatsten brief eens geven en het blad
met mijn antwoord: – het is nog al raak!”
Dit zeggende, trok de oudheidkenner eene lade open, en begon eene
menigte oude en nieuwe geschriften te doorschommelen. Maar het ongeluk
wilde, dat deze geleerde heer zich meermalen in het geval van zeer vele
andere geleerden en ongeleerden bevond, en leed onder hetgeen Harlequin
l’embarras des richesses noemt; – met andere woorden, de rijkdom van
zijne verzamelingen belette hem dikwijls het voorwerp te vinden,
waarnaar hij zocht. „Verwenschte papieren! – Ik geloof,” zei Oldbuck,
terwijl hij alles ten onderste boven keerde, – „ik geloof, dat zij zich
als de sprinkhanen vleugels maken, en wegvliegen. Maar zie hier,
beschouw intusschen dezen kleinen schat!”
Met deze woorden gaf hij Lovel een eiken kistje over, aan de hoeken met
zilveren rosetten en knopjes voorzien. – „Druk, bid ik u, op dat
knopje,” zeide hij, toen hij merkte, dat Lovel aan het slot werkte.
Lovel deed het; het deksel vloog open, en vertoonde een dun boekje, in
kwarto formaat, keurig in zwart leder gebonden. „Daar mijnheer Lovel,
daar is het werk, waarvan ik u gisteren avond sprak; – de zeldzame
kwarto uitgave van de Augsburgsche Geloofsbelijdenis, de grondslag en
tevens het bolwerk der Hervorming, opgesteld door den geleerden en
eerbiedwaardigen Melanchthon, verdedigd door den Keurvorst van Saksen
en andere kloekmoedige mannen, die voor hun geloof zelfs tegen een
machtigen en overwinnenden Keizer opstonden, – en gedrukt door den
weinig minder eerbied- en prijzenswaardigen Aldobrand Oldenbuck, mijn
gelukkigen voorvader, in weêrwil van de despotieke pogingen van Filips
II, om terzelfder tijd de burgerlijke en godsdienstige vrijheid te
vernietigen. Ja, mijnheer! wegens het drukken van dit werk, werd deze
uitstekende man door zijn ondankbaar vaderland verdreven, en
genoodzaakt, zijne huisgoden hier, te Monkbarns, te midden der
puinhoopen van bijgeloof en heerschzucht, over te brengen. Aanschouw
zijn eerwaardige beeldtenis, mijnheer Lovel, en eerbiedig de eervolle
bezigheid, waarin hij voorgesteld wordt, als persoonlijk aan de pers
werkende, ter verspreiding van christelijke en staatkundige kennis. En
ziehier zijn lievelingsspreuk, het onafhankelijke zelfvertrouwen
uitdrukkende, dat niets aan de bescherming van anderen wil verschuldigd
zijn, dan hetgeen door verdiensten verkregen wordt, – dus die vastheid
van gemoed, die onverzettelijke volharding te kennen gevende, door
Horatius aanbevolen. Hij was inderdaad een man, die, te midden van de
vernieling zijner drukkerij, zijner persen, vormen en letters,
onverzettelijk zou zijn gebleven. Lees, zeg ik, zijne leuze: want elke
drukker had er ééne, toen deze heerlijke kunst het eerst beoefend werd.
Die van mijn voorzaat was, zoo als gij ziet, de Hoogduitsche spreuk:
„Kunst macht Gunst,” – dat is, verstand of voorzichtigheid, in het
aanwenden van onze natuurlijke talenten en goede gaven, zal ons
genegenheid en bescherming verwerven, ook als vooroordeel of onkunde
ons tegenwerken.”
„En dat,” zeide Lovel, na een oogenblik in gepeins gezwegen te hebben
„dat is dus de beteekenis van deze Duitsche woorden?”
„Zonder twijfel; – gij ziet, hoe toepasselijk ze zijn op de bewustheid
van innerlijke waarde, en voortreffelijkheid in eene nuttige en
vereerenswaardige kunst. Ieder drukker, zoo als ik u reeds gezegd heb,
had in die dagen zijne leuze, zijn motto, zijne spreuk, als ik het zoo
noemen mag, zoo goed als de dappere ridders, die zich met vechten en
steekspelen ophielden. Mijn voorzaat was zoo trotsch op de zijne, alsof
hij het op het slagveld had aangenomen; ofschoon het eerder de
uitbreiding der kennis, dan het bloedvergieten gold. En niettemin is er
eene familie-overlevering, dat eene omstandigheid, die vrij romanesk
was, hem deze spreuk deed aannemen.”
„En welke omstandigheid, waarde heer, is dat geweest?”
„Ze vermindert wel eenigzins den roem van mijn voorvader, ten aanzien
van voorzichtigheid en wijsheid; – sed semel insanivimus omnes; – wie
is er, die niet eenmaal in zijn leven eene dwaasheid beging? Men zegt,
dat mijn voorvader gedurende zijne leerjaren bij den afstammeling van
den ouden Faust, dien het volkssprookje onder den naam van Faustus aan
den duivel overlevert, zich liet begoochelen door een nietig
schepseltje, – de dochter van zijn meester, Bertha genoemd. Zij
wisselden ringen met elkander, of voerden, zoo als het gebruik toen
was, de eene of andere niets beteekenende plechtigheid uit om elkaar
onderlinge liefde te verzekeren, en Aldobrand ving zijne reis door
Duitschland aan, gelijk het een eerlijken ambachtsman betaamde, – en
zoo als te dien tijd de gewoonte vorderde; want ieder werkman maakte
zijn toer door het Rijk, en beoefende zijn beroep in al de voornaamste
steden, eer hij zich ergens bepaald vestigde. Dit was eene wijze
gewoonte; want daar dergelijke reizigers in iedere stad bij die van hun
ambacht als broeders opgenomen werden, waren zij altijd zeker om
kundigheden te verkrijgen, of mede te deelen. – Mijn voorzaat, te
Neurenberg teruggekeerd, vernam, dat zijn oude meester onlangs
gestorven was, en dat twee of drie mededingers, waaronder zelfs een
paar half verhongerde adellijke spruiten, zich opdeden, die mejufvrouw
Bertha het hof maakten, van wie verteld werd, dat zij door haars vaders
dood, in het bezit was geraakt van een vermogen, dat zeer goed tegen
zestien adellijke kwartieren opwegen kon. Maar Bertha, die voor eene
vrouw nog al verstand bezat, had de gelofte gedaan van geen man te
zullen trouwen, dan die met haar vaders drukpers wist te werken. Die
kunst was in dien tijd zeldzaam en bewonderenswaardig; de uitvlucht
verloste haar dan ook niet alleen dadelijk van hare adellijke
aanbidders, die even gaarne met een tooverroede, als met de zethaak van
den drukker zouden hebben willen omgaan; maar ook eenige der gewone
drukkers ondernamen de proef te vergeefs, daar geen hunner genoegzaam
meester van de kunst was; – maar ik verveel u?”
„Volstrekt niet. Ik bid u, mijnheer Oldbuck, ga voort; ik luister met
buitengewone belangstelling.”
„Wel – het is inderdaad niets dan gekheid, – maar hoe het zij,
Aldobrand kwam te Neurenberg aan, in de gewone kleeding, zoo als wij
het noemen zouden, van een drukkersknecht, – dezelfde, waarin hij
Duitschland doorreisd, en met Luther, Melanchthon, Erasmus en andere
geleerde mannen verkeerd had, die zijne kunde, en de macht, die hij
bezat om die te verspreiden, niet verachtten, hoewel beide onder zulk
een nederig uiterlijk verborgen waren. Maar wat in de oogen van de
wijsheid, van den godsdienst, van de geleerdheid en de wijsbegeerte
eerbiedwaardig was, scheen gering en verachtelijk in de oogen van een
onnoozel en verwend meisje; en Bertha weigerde haren vorigen minnaar in
het gescheurde wambuis, met eene lederen muts, schoenen met spijkers,
en het schootsvel van een reizenden handwerksman, te herkennen. Hij
eischte echter het recht om tot de proef toegelaten te worden; en toen
de overige mededingers, òf den wedstrijd geweigerd, òf wel het werk zoo
slecht ten uitvoer hadden gebracht, dat de duivel zelf het niet zou
hebben kunnen lezen, al had zijne zaligmaking er van afgehangen, waren
alle oogen op den vreemdeling gevestigd. Aldobrand trad bevallig voor,
zette een stuk, zonder eene enkele letter, scheiteeken of komma te
vergeten, bracht het over zonder dat zich iets in het minste
verplaatste, en trok eene eerste proef zoo netjes en vrij van
drukfeilen, alsof die eene persrevisie geweest ware! Allen juichten den
waardigen opvolger van den onsterfelijken Faust toe; – het blozende
meisje erkende hare dwaling, dat zij eerder op het oog, dan op het
verstand vertrouwd had, en de gelukkige bruidegom koos dadelijk tot
zijne leus de toepasselijke woorden: „Kunst macht Gunst.” – Maar wat
scheelt u? – gij zijt in diep gepeins? Wel, – ik heb u immers gezegd,
dat dit geen onderwerp was voor den denkenden man; – daar vind ik juist
den Ossiaanschen tweestrijd onder mijne vingers!”
„Vergeef mij, mijnheer Oldbuck,” zeide Lovel; „gij zult mij wellicht
zeer kinderachtig en wispelturig vinden; maar gij scheent te
vooronderstellen, dat Sir Arthur, volgens alle regels der beleefdheid,
op een bezoek van mij rekent?”
„Kom, kom! ik kan u verontschuldigen; en wanneer gij ons zoo gauw moet
verlaten, als gij zegt, wat is er aan gelegen, hoe hoog gij in zijner
gunst staat? – En ik waarschuw u, dat mijne verhandeling over de wijze
van kampen aan te leggen, eenigszins uitvoerig is, en ons al den tijd,
dien wij heden middag kunnen uitwinnen, zal bezig houden, zoodat gij
den Ossiaanschen pennestrijd zult moeten missen, als wij er den morgen
niet aan toewijden. Wij zullen ons naar mijn groen priëel, naar mijn
heiligen hulstboom ginds begeven, en het dáár fronde super viridi
hebben.
„Een hoezee! een hoezee! zij dien boom gewijd;
Is vriendschap oprechtheid? is liefde beleid?”
„Maar, wezenlijk!” vervolgde de oude heer, „nu ik u zoo aanzie, begin
ik te gelooven dat gij wel van eene andere meening zoudt kunnen zijn.
Amen! van ganscher harte! – Ik laster niemands stokpaardje als hij het
slechts niet tegen het mijne aanrijdt; richt hij zijne lans op die
wijze, dan moet hij op zijne oogen passen. – Wat antwoordt gij, – in de
taal der wereld of der lage wereldlingen, als gij u tot dien bekrompen
sfeer vernederen kunt, – zullen wij blijven of gaan?”
„Wel dan, in de taal der zelfzucht, die de heerschende taal der wereld
is, – laat ons maar gaan.”
„Amen, amen! sprak de Graaf Maarschalk,” [16] antwoordde Oldbuck,
terwijl hij zijne pantoffels ruilde tegen een paar stevige
wandelschoenen met slopkousen, van zwart laken. Hij verlengde slechts
de wandeling door eene kleine afwijking naar het graf van Jan Girnell,
den laatsten kloostervoogd, die op Monkbarns gewoond had. Op een
heuvel, liefelijk naar het zuiden hellende, en over twee of drie
heerlijke plaatsen in de verte, het gezicht op de zee en de Mosselklip
aanbiedende, lag onder een ouden eikenboom een met mos begroeide steen,
die ter nagedachtenis van den beroemden man een opschrift droeg welks
vermolmde letters, naar de verzekering van den heer Oldbuck, die echter
door velen betwijfeld werd, in dezer voege konden ontcijferd worden:
Hier Daen van de Girnelt lit,
Haeve ende gued en hat hi nit.
In sine tyd elcks wijfs henne eiere lei,
Ende hat elcks goeds mans haert kiendekes er by;
Hi veilde ’t schepel in parte vyve,
Vier voer die heilighe Kercke ende ein voer die
arme wyve.
„Gij ziet,” zeide hij, „hoe bescheiden de vervaardiger van dit
grafschrift in zijne aanbeveling is; hij verhaalt ons, dat de eerlijke
Jan vijf kwart uit het schepel kon maken, dat hij het vijfde deel aan
de vrouwen van het kerspel gaf, en de overige vier aan den abt en het
kapittel verrekende, – dat in zijn tijd de hennen der boerinnen altijd
eieren legden, (dat dank hun de drommel, als zij een vijfde gedeelte
van des abts koren kregen,) en dat de woning van elken braven man met
kinderen gezegend was, – een wonderwerk, dat zij, even als ik, als
geheel onverklaarbaar hebben moeten beschouwen! – Maar wij zullen Jan
van Girnell verder ongemoeid laten rusten, en ons naar het gele zand
begeven, waar de zee zich, thans als een verslagen vijand, van den
grond verwijdert, waarop hij ons gisteren avond slag leverde.”
Dit zeggende, sloeg hij den weg in naar het strand. Op de duinen zag
men vier of vijf hutten door visschers bewoond, wier booten, hoog op
het strand gehaald, de welriekende geuren verspreidden van pik,
smeltende onder eene brandende zon, vermengd met die der vischgraten en
andere vuiligheden, waarvan de Schotsche hutten gewoonlijk omgeven
zijn. Ongehinderd door deze verfoeielijke reuken, zat eene vrouw van
middelbare jaren, met een gelaat, dat duizend stormen getrotseerd kon
hebben, een net te verstellen aan de deur van eene der hutten. Een
zakdoek, vast om haar hoofd gebonden, en een soort van buis, dat
vroeger aan een man toebehoord had, gaven haar een mannelijk voorkomen,
hetwelk vermeerderd werd door hare sterke, buitengemeen groote gestalte
en schorre stem.
„Wat hebt gij vandaag noodig, edele heer?” sprak of liever schreeuwde
zij Oldbuck toe, „frissche schelvisschen van allerlei grootte en
heerlijke tarbot?”
„Hoe veel voor de tarbot en schelvisch?” vroeg de oudheidkenner.
„Vier blanke shillings en zes stuivers,” antwoordde de waternimf.
„Vier groote duivels en zes kleine!” hernam de oudheidkenner; „denkt
gij, dat ik gek ben, Maggie?”
„En denkt gij,” hervatte het vischwijf, de armen in de zijde zettende,
„dat mijn man en mijne jongens naar zee zullen gaan in een weêr, als
gisteren en vandaag, – zulk eene zee, als nu nog, – en niets voor hun
visch krijgen, en nog op den koop toe uitgescholden worden, Monkbarns?
Het is geen visch, dat gij koopt, – het zijn menschenlevens.”
„Wel, Maggie, ik zal u een goed bod doen; – ik bied u een shilling voor
de tarbot en de schelvisch, of zes stuivers voor elk afzonderlijk, – en
indien al uw visch zoo goed betaald wordt, zullen, denk ik, uw man en
uwe zonen eene goede reis gemaakt hebben.”
„Ik wilde liever, dat de boot op de Bell-rots stuk geslagen ware! Een
shilling, – twaalf stuivers, – voor die twee schoone visschen! dat is
me een bod!”
„Wel dan, oude heks! breng uw visch naar Monkbarns, en zie, wat mijne
zuster er voor geven wil?”
„Neen, neen, Monkbarns, de drommel ook! – ik heb liever met u zelven te
doen; want ofschoon gij hard genoeg zijt, jufvrouw Grizel is toch nog
vasthoudender.” (Op zachteren toon.) „Ik zal ze u laten voor drie
shillings en zes stuivers.”
„Achttien stuivers, of niets!”
„Achttien stuivers!” (luidkeels, – vol verbazing, langzaam overgaande
in eene soort van droevig geween.) – „Gij wilt ze dan niet hebben?” (en
luider toen zij zag, dat hij heenging:) – „ik zal ze u geven, – en, –
en, – en een half dozijn krabben toe, om de saus te maken, voor drie
shillings en een borrel!”
„Een daalder dan, Maggie, en een borrel!”
„Wel dan, mijnheer, gij moet uw zin hebben; maar een borrel is geld
waard, nu de stokerijen stilstaan!”
„En ik hoop, dat ze nooit weêr in werking zullen komen,” zei Oldbuck.
„Ei ja! – dat valt u en uws gelijken, groote lui, gemakkelijk te
zeggen, die overvloed aan alles, vuur en brand, eten en kleeding hebt,
en droog en vergenoegd bij den haard zit; – maar als gij geen vuur,
geen eten, geene droge kleederen hadt, en van koû vergingt, en met een
beklemd hart zat, wat nog het ergste van alles is, met juist één
dubbeltje op zak, – zoudt ge niet blij zijn om er een borrel voor te
koopen, die voor brand en kleeding en avondmaal en hartversterking op
den koop toe dienen zou tot den volgenden morgen toe?”
„Dat is waar, – zeer waar, Maggie! – is uw man op zee? – al heden
morgen vertrokken, na zijne vermoeienis van gisteren?”
„Wel zeker is hij op zee, Monkbarns! hij vertrok heden morgen om vier
uur, terwijl het nog al spookte op zee, na den wind van gisteren, en
onze boot danste op het water als een kurk.”
„Wel, hij is een werkzaam mensch. Breng den visch naar Monkbarns.”
„Dat zal ik doen, – of ik zal liever de kleine Jenny sturen; zij zal
harder loopen; maar om den borrel zal ik zelve bij Jufvrouw Grizel
aangaan, en zeggen, dat gij me gezonden hebt.”
Een allervreemdst uitziend schepsel, dat voor eene soort van meermin,
had kunnen doorgaan, en in eene plas tusschen de rotsen aan het waden
was, werd door de heesche stem harer moeder uit het water geroepen; en
nadat deze het kind eerst wat netjes gemaakt had, zoo als zij het
noemde, door het éénige kleedingstuk, dat het bedekte, en dat
nauwelijks tot aan de knieën reikte, met een soort van rooden mantel te
omhangen, werd het met den visch in een mand, weggezonden en met een
verzoek van Monkbarns er bij om dien voor ’t middagmaal gereed te
maken. – „Het zou lang geduurd hebben,” zeide Oldbuck met zeer veel
zelfbehagen, „eer mijn vrouwvolkje zulk een redelijken koop met de oude
heks getroffen had; ofschoon zij dikwijls een uur lang, onder het
venster van mijne studeerkamer, met haar vieren staan te kibbelen, en
schreeuwen en vechten als meeuwen in een stormwind. – Maar, kom, laten
wij onzen weg naar Knockwinnock vervolgen.”