ZEVENDE HOOFDSTUK

Een tijdlang schepten zij behagen

Aan d’oever van den oceaan;

De wat’ren weken, en zij zagen

Den weg verbreeden om te gaan;

Totdat het vloedgetij genaakte

En ’t pad al smal en smaller maakte.

Crabbe.

Het bericht van David Dibble, dat te Monkbarns zooveel onrust verspreid

had, bleek volkomen juist te zijn. Sir Arthur en zijne dochter waren

vertrokken, om, overeenkomstig hun eerste voornemen, langs den

straatweg naar Knockwinnock terug te keeren; maar, aan het einde der

groote laan gekomen, die eene soort van allée naar het huis van

Monkbarns vormde, zagen zij Lovel vóór hen uitgaan, die zijne schreden

scheen te vertragen, om hun gelegenheid te geven om hem in te halen.

Isabella Wardour sloeg haren vader dadelijk voor van richting te

veranderen, en daar het weder zeer fraai was, langs het strand te

wandelen, voorbij eene schilderachtige keten van rotsen, die bijna

altijd een veel aangenamer pad tusschen Knockwinnock en Monkbarns, dan

de straatweg opleverde.

Sir Arthur was dadelijk daartoe gereed. „Het zou onaangenaam zijn,”

zeide hij, „door dien jongen, met wien de heer Oldbuck de vrijheid

genomen heeft ons bekend te maken, aangesproken te worden.”

Zijne ouderwetsche beleefdheid had niets van het ongedwongene, waarmede

men heden ten dage iemand, dien men al eene week lang kent, als geheel,

vreemd onopgemerkt laat voorbijgaan, zoodra men zich in omstandigheden

bevindt, of vooronderstelt, welke die onaangenaam maken, hem te

herkennen. Sir Arthur bedong slechts, dat een kleine bedeljongen, wien

hij een stuiver gaf, het rijtuig zou te gemoet loopen, en het naar

Knockwinnock doen terug keeren.

Toen dit beschikt, en de bode vertrokken was, verlieten de Baronet en

zijne dochter den straatweg, en kwamen weldra, langs een kronkelend

voetpad, over zandachtige heuvels, gedeeltelijk heigrond, gedeeltelijk

met lang gras begroeid, aan den oever der zee. Het getij was op verre

na zoo laag niet, als zij berekend hadden; maar dit baardde geene zorg:

zelden toch gebeurde het tien maal in het jaar, dat het water zoo dicht

bij de rotsen kwam, dat men er niet meer voorbij kon. Bij springvloed

echter, of als hevige winden de golven voortstuwden, werd ook deze weg

door de zee bedolven; en men kende bij overlevering verscheidene

noodlottige voorvallen, daaraan toe te schrijven. Maar dergelijke

gevaren beschouwde men als lang geleden en onwaarschijnlijk, en hetgeen

men elkander daarvan verhaalde, diende, even als andere oude

vertelsels, eerder tot tijdkorting in het hoekje van den haard, dan om

iemand af te schrikken, den weg tusschen Knockwinnock en Monkbarns

langs het strand af te leggen. Terwijl nu Sir Arthur en zijne dochter

de aangename wandeling over het koele, zachte, vaste zand genoten, kon

Isabella niet nalaten op te merken, dat de laatste vloed boven het

gewone watermerk gekomen was. Ook Sir Arthur viel dit op; maar geen van

beiden kwam het in de gedachte, om daarover in het minst ongerust te

worden. De zon, tot aan de kim gedaald, toonde nu hare groote schijf

boven de oppervlakte der stille zee en vergulde de opeengestapelde

wolken, waardoor zij den geheelen dag hare baan afgelegd had, en die

thans van alle kanten verzameld waren even als de ongelukken en

rampspoeden van een te grond gaand rijk en van een ongelukkigen vorst.

Voor het laatst nog deelde haar verminderde glans aan de opeengehoopte

massa’s eene sombere pracht mede, en tooverde uit de duistere schimmen

gedaanten van burchten en rotsen, torens en pyramiden, sommigen met

goud omzoomd, anderen met purper, eenigen van eene felle, donker-roode

kleur. In de verte lag de zee onder dezen afwisselenden en trotschen

troonhemel, in onheil voorspellende stilte, en kaatste ter zelfder tijd

de schitterende en schuinsche stralen der dalende zon, en de prachtige

kleuren der wolken, in welker midden zij rustte, terug. Meer van nabij

ruischte de vloed met fonkelende zilveren golven, die ongevoelig maar

snel op het strand inbreuk maakten.

In stille bewondering van dit schilderachtig en grootsch tooneel, of

wellicht in minder kalme overpeinzingen, zette Isabella haren weg

zwijgende aan de zijde van haren vader voort, wien het diep besef

zijner kort te voren gekrenkte waardigheid niet toeliet, om eenig

gesprek te beginnen. De kronkelingen van den oever volgende, trokken

zij de eene vooruitstekende rotspunt na de andere voorbij, en bevonden

zich eindelijk onder eene lange, onafgebroken reeks dier steilten,

welke de kust op de meeste plaatsen, als met een ijzeren gordel,

verdedigen. Lange rotsketenen, zich onder het water uitstrekkende, en

slechts kenbaar aan de dorre kruinen, welke zij hier en daar verhieven,

of aan de branding, die over de gedeeltelijk bedekte rotsen schuimend

brak, maakten de Knockwinnocks-baai bij stuurlieden en loodsen geducht.

De klippen, die tusschen den oever en het vaste land, ter hoogte van

twee- of driehonderd voet verrezen, boden, in hare kloven, eene

schuilplaats aan een groot aantal zeevogels, daar de duizelingwekkende

hoogte hen vrij goed verzekerde tegen de roofzucht der menschen. Vele

dezer wilde zwermen, gedreven door het instinct, dat hen het land doet

zoeken eer de storm losbreekt, vlogen nu naar hunne nesten met het

schor en krassend geluid van onrust en vrees. De zonneschijf werd bijna

geheel verdonkerd eer ze nog volledig onder den gezichteinder gedaald

was, en eene vroegtijdige, akelige duisternis verving de helle

schemering van den zomeravond. Straks begon zich de wind te verheffen;

maar zijn woest en klagend gehuil werd eenigen tijd vroeger gehoord,

dan men zijne uitwerking op de oppervlakte der zee bespeurde, of het

waaien op het vaste land voelde. De wateren, nu duister en dreigend,

begonnen in breedere golven te stijgen, en in diepere voren te zinken,

en vormden baren, die hoog schuimend tegen de branding stuwden, of op

het strand braken, met een geluid als dat van een onweder in de verte.

Verschrikt door deze plotselinge verandering van het weder, hield

Isabella zich zoo dicht mogelijk bij haren vader en klemde zich aan

zijn arm. „Ik wenschte,” zeide zij ten laatste, maar bijna fluisterend,

en als schaamde zij zich haren toenemenden angst te uiten, „ik wenschte

wel, dat wij onzen eersten weg vervolgd, of te Monkbarns het rijtuig

afgewacht hadden.”

Sir Arthur keek rond, maar zag niet of wilde geene voorteekens van de

uitbarsting van den storm erkennen. Zij zouden Knockwinnock bereiken,

zeide hij, lang eer het onweder losbrak. Maar den haastigen tred,

waarmede hij voortwandelde, en dien Isabella bezwaarlijk bij kon

houden, toonde hoezeer hij zelf gevoelde, dat er eenige inspanning

noodig was, om deze troostrijke voorzegging te vervullen. Zij bevonden

zich nu nabij het middelpunt van eene diepe maar smalle baai, of inham,

gevormd door twee vooruitstekende, hooge en ongenaakbare rotsen, welker

uiteinden, of kapen, in zee staken, als de twee horens eener wassende

maan; en geen der beide wandelaars durfde den anderen de bezorgdheid

mededeelen, die zij begonnen te koesteren, dat wellicht de buitengewone

vorderingen van den vloed hun de mogelijkheid benemen zouden, om rondom

de kaap, die vóór hen lag, te komen, of langs den weg, welke hen

derwaarts gevoerd had, terug te keeren.

Terwijl zij dus voortijlden, en verlangden om de lichte kronkeling van

den weg, welke de bochten der baai hen noodzaakten te volgen, tegen een

rechter en korter, hoewel minder aangenaam pad te verwisselen, bemerkte

Sir Arthur eene menschelijke gedaante aan den oever, die op hen aan

kwam loopen. „God dank!” riep hij uit, „wij zullen rondom Halket-head

komen! Die mensch moet er voorbij gegaan zijn,” dus gaf hij lucht aan

zijn gevoel van hoop, ofschoon hij dat der vrees onderdrukt had.

„Ja waarlijk, God dank!” herhaalde zijne dochter half luid, half bij

zich zelve, met de uitdrukking eener diep gevoelde dankbaarheid.

De gedaante, die naar hen toekwam, maakte vele teekens, welke de

betrokken dampkring, thans door wind en stofregen ontroerd, hen belette

duidelijk te onderscheiden; en het was eerst op het oogenblik, dat zij

elkander zouden ontmoeten, dat Sir Arthur den ouden blauwrok, den

bedelaar Adam Ochiltree herkende. Men zegt, dat zelfs de stomme dieren

in het oogenblik van algemeen gevaar hunne vijandschap en afkeer

vergeten. Het strand bij Halket-head, welks breedte door een alles

overweldigenden springvloed en noordwesten wind schielijk afnam, werd

dus een onzijdig gebied, waarop zelfs een vrederechter en een zwervende

bedelaar elkander zonder gevaar naderen konden.

„Terug! Terug!” riep de oude man; „waarom keerdet gij niet om, toen ik

wenkte?”

„Wij dachten,” hernam Sir Arthur in grooten angst, „wij dachten, dat

wij om Halket-head komen konden!”

„Halket-head! De vloed zal er op dit oogenblik als een waterval tegen

aan stormen! Ter nauwer nood kon ik er twintig minuten geleden voorbij!

Drie voet hoog stuwde het op. Misschien kunnen wij nog terug langs

Bally-burg Ness-kaap! God helpe ons! Het is de eenige kans. Wij moeten

die wagen!”

„Mijn God! mijn kind!” „Mijn vader! mijn lieve vader!” riepen vader en

dochter, terwijl de vrees hunne krachten en den spoed verdubbelde,

waarmede zij terugkeerden en de kaap weder trachtten te bereiken, die

den zuidelijken uithoek der baai vormde.

„Ik hoorde van den jongen, dien gij het rijtuig te gemoet zondt, dat

gij hier waart,” zeide de bedelaar, terwijl hij een paar schreden

achter Isabella wakker doorstapte, „en ik kon het gevaar niet vergeten,

waarin zich de lieve jonge dame bevond, die altijd zoo goed is voor

iedere ongelukkige ziel, die haar nadert. Dus keek ik zóó lang, naar

het opkomen en de hoogte van den vloed, tot ik besloot, dat, als ik

maar tijdig genoeg naar beneden kon komen om u te waarschuwen, ik u nog

redden zou. Maar wie zag ooit zulk een vloed als deze? Zie, ginds de

Rattons-klip; – zoo lang ik leef hield die den neus boven water; – maar

nu is hij er onder geraakt!”

Sir Arthur wierp een blik in de richting, in welke de oude man wees.

Eene ongemeen groote rots, die gewoonlijk, zelfs bij springvloeden,

eene gestalte vertoonde als de kiel van een groot schip, was nu geheel

onder water, en de plaats er van was slechts kenbaar aan de branding en

het opstuwen der golven, welke op de ondergeloopene rotsen braken.

„Haast u, haast u,” vervolgde de grijsaard, „haast u, en misschien

halen wij het nog. Neem mijn arm, – nu oud en zwak, maar die zich meer

dan eens uit een even groot gevaar gered heeft! Ziet gij ginds eene

zwarte plek tusschen de schuimende baren? Heden morgen was die zoo

hoog, als de mast van een brik, – nu is ze klein genoeg; – maar, zoo

lang ik slechts zoo veel zwart zie, als de kruin van mijn hoed, twijfel

ik niet, of wij zullen nog om de Ballyburg-kaap komen eer de vloed zoo

ver gestegen is!”

Isabella nam stilzwijgend van den ouden man de hulp aan, die Sir Arthur

haar nu minder goed geven kon. De golven hadden thans reeds zoo veel

van den oever bedekt, dat men het vaste en het effene voetpad, tot nu

toe gehouden, tegen een ruweren weg verwisselen moest, die dicht langs

den voet der rotsen ging, en zelfs op sommige plaatsen over den

ondersten rand daarvan liep. Onmogelijk hadden Sir Arthur Wardour of

zijne dochter den weg langs dit pad kunnen vinden zonder de leiding en

aanmoediging van den bedelaar, die hier vroeger bij hooge vloeden

geweest was, ofschoon nooit, zoo als hij zeide, „in zulk een

verschrikkelijken nacht, als dezen!”

Het was werkelijk ontzagwekkend weder. Het huilen van den stormwind,

waaronder zich het geschreeuw der zeevogels mengde, klonk als een

doodsklok voor de drie ongelukkigen, die ingesloten waren tusschen de

twee prachtigste, maar tevens twee ontzettendste voorwerpen der natuur

– een woedenden vloed en onbeklimbare hoogten; terwijl zij met veel

moeite zich een weg baanden langs een moeielijk en gevaarlijk pad, en

dikwijls bespat werden door het schuim der reusachtige baren, die, al

hooger en hooger klimmende op den oever braken. Elk oogenblik won hun

vijand zichtbaar veld op hen. In de vrees echter, om de laatste

levenshoop op te geven, hielden zij de oogen steeds gevestigd op de

zwarte rots, door Ochiltree aangewezen. Deze was nog duidelijk te

onderscheiden in de branding, en bleef voor hen zichtbaar, tot zij op

hun kronkelend pad eene wending namen, toen eene vooruitspringende rots

ze aan hunne oogen onttrok. Dus verstoken van het gezicht der baak,

waarop zij al hun vertrouwen stelden, ondervonden zij nu bij den

zielkwellenden angst tevens de pijnlijkste onzekerheid. Zij haastten

zich echter zoo veel mogelijk om verder te komen; maar toen zij de

plaats bereikt hadden, van waar zij de rots hadden moeten zien, was

deze niet meer zichtbaar. Het teeken hunner redding was onder duizende

witte baren verdwenen, die, aan de spits van het voorgebergte, in

onmetelijke hoogte het sneeuwwitte schuim tegen de donkere rotsen

slingerden.

De oude man ontstelde zichtbaar. Isabella gaf een zachten gil, en het

„God erbarme zich onzer!” dat hun gids plechtig uitte, herhaalde Sir

Arthur weemoedig, – met de bijvoeging, „Mijn kind! mijn kind! – zulk

een dood te sterven!”

„Mijn vader! mijn lieve vader!” riep zijne dochter uit, terwijl zij

zich aan hem vasthield; – „en ook gij, die uw leven opoffert, om het

onze te willen redden!”

„Het is niet de moeite waard, daarvan te spreken,” zei de grijsaard;

„ik heb lang genoeg geleefd, om het leven moede te zijn; – en hier of

ginds, – achter een dijk, in eene sneeuwvlaag, of in de golven, wat

licht er aan gelegen, hoe de oude bedelaar sterft?”

„Mijn goede man!” riep Sir Arthur, „kunt gij niets bedenken? – niets,

dat helpen kan? – ik zal u rijk maken; – ik zal u eene pachthoeve

geven, – ik zal –”

„Onze rijkdommen,” antwoordde de bedelaar, „zullen weldra gelijk zijn,”

– naar de schuimende golven ziende, – „ze zijn het ook nu reeds; want

ik heb niets, en gij zoudt gaarne al uwe schoone goederen en uwe

baronie daarbij geven voor één plekje kale rots, dat twaalf uren

watervrij was!”

Onder deze woorden bleven zij op den hoogsten rotsrand staan, dien zij

bereiken konden; want het scheen, dat elke poging, om verder te komen,

slechts hun verschrikkelijk lot verhaasten moest. Hier dan bevonden zij

zich ten naastebij in den toestand der martelaren uit de eerste tijden

der Christen Kerk, die, door heidensche dwingelanden veroordeeld om

door wilde dieren verscheurd te worden, genoodzaakt waren een tijdlang

het ongeduld en de woede aan te zien, waarmede deze het teeken

afwachtten ter opening der hokken, eer zij op hunne slachtoffers

aanvallen konden.

Maar juist dit vreeselijk uitstel gaf Isabella den tijd, om al hare

geestvermogens, die van natuur krachtig en moedig waren, te verzamelen,

en in deze verschrikkelijke omstandigheden vereenigd te laten werken.

„Moeten wij dan,” zeide zij, „ons leven vaarwel zeggen, zonder eenige

poging, om het te redden? Is er geen pad, hoe ijselijk ook, waarlangs

wij misschien de rots zouden kunnen beklimmen, of ten minste eenige

hoogte boven den vloed bereiken, waarop wij tot den morgen kunnen

blijven, of tot er hulp opdaagt? Men moet onzen toestand raden, en de

menschen zullen zich haasten, ons ter hulp te komen!”

Sir Arthur, die de vraag van zijne dochter hoorde, maar nauwelijks in

staat was ze te verstaan, wendde zich nochtans onwillekeurig naar den

grijsaard, alsof hun leven in zijne handen ware. Ochiltree zweeg een

tijd lang, eer hij antwoordde. „Ik was,” zeide hij, „eens een stoute

klimmer, en heb menig nest op deze zwarte rotsen uitgehaald; maar het

is lang, lang geleden, en niemand kan ze bestijgen zonder touw, – en al

had ik er een, mijne oogen, voeten en handen zijn reeds lang niet meer,

wat zij waren; – en dan, hoe zou ik u helpen kunnen? – Maar er was hier

eens een pad, – en toch geloof ik, als wij het zien konden, dat gij

verkiezen zoudt te blijven, waar wij zijn! – God zegene hem!” riep hij

eensklaps, „daar komt juist iemand de rots afklimmen!”

Daarop de stem verheffende, gaf hij den stouten waaghals schreeuwende

de aanwijzingen, welke hem zijne vroegere oefening en de herinnering

der plaatselijke omstandigheden oogenblikkelijk te binnen brachten. –

„Goed zoo! – goed zoo! – dien weg, dien weg! – maak het touw vast om de

Crummikpunt, om dien grooten zwarten steen! – leg twee slagen, – zoo, –

ja zoo, – nu richt u wat oostwaarts, – nog wat meer, – naar die andere

rots, wij noemden die de Kattebel; – dáár was vroeger de wortel van een

ouden eik, – dat zal gaan! voorzichtig nu, jongen! – houd moed! – neem

wat tijd! – God zegene u! neem wat tijd! – Zeer goed! – Nu moet gij

gaan naar Lijsjes Schoot, – dat is de breede, vlakke steen, – en dan

denk ik, dat wij met uwe hulp en met die van het touw, de jonge dame en

Sir Arthur naar boven zullen krijgen!”

De waaghals, de aanwijzingen van den ouden Adam volgende, smeet hem het

eind van het touw toe, dat deze zorgvuldig om het lijf van Isabella

bond, na haar vooraf in zijn eigen blauwen rok gewikkeld te hebben, om

haar zoo veel mogelijk te beveiligen. Toen, zelf het touw grijpende,

dat boven vastgemaakt was, begon hij tegen de steile rots op te

klouteren, – eene zeer gewaagde, duizelingwekkende onderneming, in

welke hij nochtans, na twee gevaarlijke oogenblikken, slaagde, en

behouden op den breeden, vlakken steen naast onzen vriend Lovel plaats

nam. Hunne vereenigde krachten stelden hen ook dadelijk in staat,

Isabella in veiligheid naar boven te trekken. Daarop liet Lovel zich

naar beneden, om Sir Arthur bij te staan, wond het touw onder zijne

schouders, en toen naar hunne wijkplaats terug klimmende, haalde hij,

met den bijstand van den ouden Ochiltree, en zulke hulp als Sir Arthur

zelf verleenen kon, ook dezen buiten het bereik der baren.

De bewustheid van een naderenden en oogenschijnlijk onvermijdelijken

dood verlost te zijn, had de gewone uitwerking. Vader en dochter

wierpen zich elkaâr in de armen, kusten elkander en weenden van

vreugde, ofschoon hunne bevrijding verbonden was met het vooruitzicht

van een stormachtigen nacht door te brengen op eene steile rots,

nauwelijks breed genoeg voor de vier rillende wezens, die, gelijk de

zeevogels om hen heen, zich daar te zamen drongen, in de hoop van

eenige bescherming te vinden tegen het verslindend element, dat onder

hen woedde. Het schuim der baren, die, steeds elkander vervangende, den

voet der steilte bereikten, terwijl zij het strand overstroomden, waar

zij nog zoo kortelings stonden, vloog tot aan hunne tegenwoordige

wijkplaats; en het bedwelmend geluid, waarmede zij onder tegen de

rotsen sloegen, scheen nog altijd met eene donderende stem de

gevluchten, als eene rechtmatige prooi terug te eischen. Het was, wel

is waar een zomernacht, maar nochtans weinig waarschijnlijk, dat een

gestel zoo tenger als dat van Isabella, tot aan den morgen zulk een

grooten angst zou kunnen doorstaan; en de stortregens, die nu met

geweld losbraken, vergezeld van lange, hevige windvlagen, vermeerderden

hun nood en gevaar.

„Die lieve jonge dame, dat arme meisje!” zei de oude man; „menigen

nacht van dien aard heb ik in en buiten mijn vaderland onder den

blooten hemel doorgebracht; maar, God help ons, – hoe zal zij het

uithouden?”

Met halve woorden gaf hij zijne bezorgdheid aan Lovel te kennen; want

met die eigenaardige vlugheid, waarmede stoute en moedige zielen

elkander in oogenblikken van gevaar dadelijk verstaan en herkennen,

bestond er reeds een onderling vertrouwen tusschen hen. – „Ik zal de

rots weêr opklimmen,” zeide Lovel; „er is eene schemering genoeg, om te

zien waar ik den voet zet; ik zal weêr naar boven klimmen en hulp

halen.”

„Doe dat, doe dat, om ’s Hemels wil!” riep Sir Arthur gretig.

„Zijt gij razend?” zei de bedelaar. „Frans van Fowlsheugh (en hij was

de stoutste en beste klimmer, die ooit geleefd heeft; – hij brak dan

ook den hals op de Dunbuyrotsen,) zou het op de Halket-head klippen na

zonsondergang niet gewaagd hebben. – Het is door Gods goedheid alleen,

en een groot wonder er bij, dat gij niet in ’t midden van de holle zee

daar onder ons ligt, na hetgeen gij reeds gedaan hebt! Ik dacht niet,

dat er één man leefde, die de klippen zou kunnen afkomen, zoo als gij

dat gedaan hebt. Ik zelf, geloof ik, zou het niet klaar gespeeld hebben

op dit uur en in dit weêr, toen ik nog jong en sterk was. Maar om het

nog eens te wagen – dat is te veel, dat is de Voorzienigheid tarten!”

„Ik heb dienaangaande geene vrees,” zeide Lovel; „ik nam alles goed op,

toen ik naar beneden kwam, en het is nog licht genoeg, om alles te

onderscheiden; – ik ben zeker, dat ik het zonder gevaar doen kan. Blijf

hier, mijn goede vriend, bij Sir Arthur en de jonge dame!”

„Dan zal mij de duivel terughouden,” antwoordde de bedelaar kortaf;

„als gij gaat, ga ik meê; want zijn we met ons beiden, dan zal het ons

toch zwaar genoeg vallen om den top der hoogte te bereiken!”

„Neen, neen! – blijf hier, en pas op de jonge dame; – gij ziet, dat Sir

Arthur bijna uitgeput is!”

„Blijf gij zelf dan, en ik zal gaan,” hernam de oude man; „laat de dood

het groene koren sparen en het rijpe nemen.”

„Blijft beiden hier, ik beveel het u!” sprak Isabella met zwakke stem.

„Ik ben wèl, en kan den nacht zeer goed hier doorbrengen; – ik gevoel

mij geheel hersteld” en met deze woorden begaf haar de stem; zij zeeg

neêr, en zou van de klip gevallen zijn, als Lovel en Ochiltree haar

niet ondersteund hadden. Zij plaatsten haar half zittende, half

achterover liggende, naast haar vader, die, uitgeput door de overgroote

en ongewone inspanning van geest en lichaam, zich reeds in een half

wezenloozen toestand neêrgezet had op den steen.

„Wij kunnen hen onmogelijk aan zich zelven overlaten,” zeide Lovel; –

„Wat nu te doen? – Maar stil! stil! ik hoor roepen?”

„Het geschreeuw van een zeevogel!” antwoordde Ochiltree, „ik ken het

geluid zeer goed.”

„Neen, bij den hemel!” hernam Lovel, „het was eene menschelijke stem!”

Het roepen werd in de verte herhaald, en het geluid was duidelijk te

onderscheiden van dat der twistende elementen, en der in de nabijheid

krijschende zeemeeuwen. De bedelaar en Lovel verhieven nu hunne stemmen

terwijl de eerste den zakdoek van Isabella aan het einde van zijn stok

zwaaide, om van boven de aandacht te trekken. Ofschoon het roepen

herhaald werd, duurde het echter eenigen tijd, eer het in antwoord op

hunne stemmen was, en de ongelukkige lijders bleven zoolang in het

onzekere, of zij, bij de duistere schemering en bij het toenemen van

den storm, de lieden, die waarschijnlijk de toppen der steilten

overtrokken om hun hulp toe te brengen, de plaats zouden kunnen kenbaar

maken, waar zij eene toevlucht gevonden hadden. Eindelijk werden hunne

„Holla’s!” geregeld en duidelijk beantwoord, en hun moed werd gesterkt

door de zekerheid, dat zij zich binnen het gehoor, zoo al niet binnen

het bereik van menschlijken bijstand bevonden.

De oudheidkenner · 第 11 / 54 题