ACHTSTE HOOFDSTUK

Er is een klip, wier hoog gebogen top

Verschriklijk hangt naar den afgrond beneden;

Breng mij slechts tot den rand daar op,

Voor al uw lijden stel ik u tevreden.

Shakespeare’s Koning Lear.

Het geluid der stemmen boven hunne hoofden nam weldra toe, en het licht

der fakkels vereenigde zich met de avondschemering, die nog steeds door

de duisternis van den storm flikkerde. De menschen op de hoogte, en de

lijders in de diepte, nog altijd tot hunne gevaarlijke wijkplaats

beperkt, deden eenige pogingen, om zich te doen verstaan; maar het

gehuil der winden maakte het weêrkeerig geroep even onduidelijk en

verward, als het geschreeuw, dat de gevleugelde rotsbewoners,

verschrikt door de herhaalde klanken der menschenstemmen, waaraan zij

weinig gewoon waren, gezamenlijk aanhieven.

Op de kruin der rots had zich nu eene met angst vervulde groep

verzameld. Oldbuck was de eerste en driftigste; hij ijlde met zeldzamen

moed vooruit, tot op den uitersten rand van den afgrond, en keek (met

zijn hoed en pruik onder de kin met een zakdoek vastgebonden,) zoo

onverschrokken van de bedwelmende hoogte naar beneden, dat het de

minder moedige omstanders deed beven.

„Neem u in acht, neem u in acht, Monkbarns!” riep Caxon, terwijl hij

zijn patroon bij de panden van den rok greep, en, zoo veel het zijne

krachten toelieten, van het gevaar terughield; – „in Gods naam, pas op!

– Sir Arthur is reeds verdronken, en als gij mij ook afvalt, dan blijft

er nog maar ééne pruik in de buurt over, en dat is die van den Dominé!”

„Let op de rotspunt daar!” riep Mucklebackit, een oude visscher en

smokkelaar. „Denk aan de spits, Steven! – Steven Wilks! breng het

touwwerk naar boven. Ik sta er reeds voor in, Monkbarns, wij zullen hen

spoedig aan boord hijschen, als gij maar uit den weg wilt gaan!”

„Ik zie hen!” riep Oldbuck, „ik zie hen daar beneden op dien platten

steen! Holla! – Holla hé! – holla hé!”

„Ik zie hen best,” zeide Mucklebackit, „zij zitten daar beneden, als

kraaien in de mot; maar denkt gij hen te helpen met krassen, als eene

oude meeuw voor een slagregen? Steven, jongen, breng den mast naar

boven! Ik haal hen op, even als vroeger de jenever- en

brandewijnsvaten! Breng het houweel; – maak een gat voor den mast; –

bind den stoel aan den ketting vast! – hecht en stevig!”

De schippers hadden den mast uit eene boot mede gebracht, en daar thans

bijna al de jonge borsten uit den omtrek, deels uit belangstelling,

deels uit nieuwsgierigheid verschenen waren, stond de mast weldra vast

in den grond. Eene ra, dwars tegen den rechtop staanden mast, en eene

lijn, door katrollen gaande, vormde eene soort van kraan, waarmede men

een welverzorgden en vastgemaakten leuningstoel naar de rots kon laten

zakken, waarop zich de ongelukkigen bevonden. Maar de vreugde, die

dezen bij het ontwaren der toebereidselen ter hunner verlossing

gevoelden, werd merkelijk getemperd, toen zij het gevaarlijke middel

zagen, dat hen naar boven brengen moest. De stoel zwaaide eenige voeten

van de plaats, waar zij zich bevonden, in de ledige luchtruimte, door

den storm in alle richtingen geslingerd, slechts door eene lijn

gehouden, welke de toenemende duisternis bijna onzichtbaar maakte. En

was het gewaagd, op zulk wrak tuig naar boven te stijgen, men liep

daarbij het verschrikkelijke gevaar, van door den wind, of door de

slingeringen van het touw tegen de scherpe rotspunten geslagen te

worden. Maar om dit gevaar zoo veel mogelijk te verminderen, had de

ervaren zeeman tegelijk met den stoel eene andere lijn naar beneden

gelaten, die daaraan vastgemaakt, en beneden vast gehouden, zou kunnen

dienen om de beweging van den stoel eenigzins vaster en meer geregeld

te maken. Evenwel werd er een moed vereischt, dien de wanhoop alleen

geven kon, om zich, onder het gehuil der stormwinden en regenvlagen,

met overhangende steilten boven het hoofd, en een onpeilbaren afgrond

onder de voeten, aan zulk een gevaarte toe te vertrouwen. Hoe

verschrikkelijk groot intusschen het gevaar zich overal aan oog en oor

voordeed; hoe bedenkelijk en gewaagd het middel om zich te redden ook

scheen, besloten nochtans Lovel en de oude bedelaar, na een oogenblik

beraads, om er zich van te bedienen, en, nadat Lovel, niet zonder groot

gevaar, de voldoende sterkte van de lijn beproefd had, vonden zij het

raadzaam Isabella in den stoel te plaatsen, en het aan de

voorzichtigheid en zorg van hunne vrienden toe te vertrouwen om haar

behouden naar de kruin der rots op te hijschen.

„Laat mijn vader eerst gaan!” riep Isabella uit, „om Gods wil, mijne

vrienden, brengt hem eerst in veiligheid!”

„Dat kan niet,” zeide Lovel; „uw leven moet het eerst gered worden; –

de lijn, tegen uw gewicht bestand, zou kunnen –”

„Neen, neen, neen! ik wil naar zulk eene zelfzuchtige reden niet

hooren.”

„Maar gij moet er naar hooren, schoone dame;” sprak Ochiltree; „want

het leven van ons allen hangt er van af. Daarbij, als gij daar op den

top der hoogte gekomen zijt, kunt gij hun een duidelijk bericht geven,

hoe het hier op ons Patmos gesteld is; – en Sir Arthur is niet in staat

om dat te doen, naar het mij voorkomt.”

Getroffen door de juistheid van deze redeneering, riep, Isabella uit:

„Dat is waar – zeer waar! ik ben bereid, om de eerste kans te wagen.

Wat moet ik onze vrienden daar boven zeggen?”

„Goed toe te zien, dat het touw niet tegen de zijden der steilte

wrijft, en dat zij den stoel voorzichtig aflaten en ophalen. – Wij

zullen roepen, als wij klaar zijn!”

Met de zorgvuldige oplettendheid van een vader voor zijn kind, bond

Lovel Isabella, door middel van zijn zakdoek, das en des bedelaars

lederen riem, vast aan den rug en de leuningen van den armstoel,

nauwkeurig de hechtheid van elken knoop beproevende, terwijl Ochiltree

Sir Arthur gerust stelde.

„Wat begint gij met mijne dochter? – Wat voert gij uit? – Men zal haar

niet van mij scheiden. – Isabella! blijf bij mij, ik beveel het u!”

„Om Gods wil, Sir Arthur, houd u stil, en dank den hemel, dat er

wijzere lieden zijn dan gij, om het werk te doen,” riep de bedelaar,

eindelijk door het onredelijk geschreeuw van den armen Baronet

uitgeput.

„Vaarwel, vader!” stamelde Isabella, – „vaarwel mijne – mijne

vrienden!” en de oogen sluitende volgens den raad van den ervaren

Adams, gaf zij het teeken aan Lovel, en deze aan hen die boven waren.

Zij werd naar boven getrokken, terwijl Lovel den stoel in de richting

hield, door de lijn die hij beneden greep. Met een kloppend hart

staarde hij de zwevende, witte gestalte na, tot de stoel den bovensten

rand der steilte bereikt had.

„Moed nu, jongens! moed nu!” riep de oude Mucklebackit, die als

kapitein handelde; „draait de ra een weinig. – Nu, zoo, – daar zit zij

op het drooge!”

Een luid hoezee! kondigde den gelukkigen uitslag aan hare vrienden

beneden, die ook dadelijk met een hartelijk hoezee! antwoordden. In

zijne verrukking, ontdeed Monkbarns zich van zijn overrok, om er de

jonge dame in te hullen, en zou daarbij mede zijn jas en vest

uitgetrokken hebben, als hem de zorgvuldige Caxon niet weêrhouden had.

„Voorzichtig! voorzichtig, mijnheer! Gij zult u een doodelijke hoest op

den hals halen! – in veertien dagen zijt gij de koû niet kwijt, die gij

van nacht opdoet, – en dat zou ons slecht aanstaan. – Neen, neen! –

daar staat het rijtuig dicht bij; laten twee van ons de jonge dame daar

naar toe brengen!”

„Gij hebt gelijk,” zei de oudheidkenner, terwijl hij de mouwen en de

kraag van zijn rok weêr toemaakte; „gij hebt gelijk, Caxon, dit is een

ellendige nacht, om in te zwemmen! – Isabella, sta toe, dat ik u naar

het rijtuig geleide!”

„Om alles ter wereld niet, eer ik mijn vader in veiligheid zie!”

Met weinige, duidelijke woorden, die te kennen gaven, hoezeer haar moed

de natuurlijke vrees bij zulk een ontzettend gevaar overwonnen had,

beschreef zij hoe het beneden gesteld was, en welke de wenschen van

Lovel en Ochiltree waren.

„Gij hebt gelijk, – groot gelijk! – ik zou zelf den zoon van Gamelyn

van Guardover op droog land willen zien. Mij dunkt, hij zou den eed van

afzwering onderteekenen, en de Ragmanrol op den koop toe, en erkennen,

dat Koningin Maria niet beter was dan zij behoorde te zijn, om bij

mijne flesch ouden Portwijn te zitten, die hij versmaadde eer ze half

leêg was. – Maar hij is nu behouden, en daar komt hij aan,” – (want de

stoel was weêr naar beneden gelaten, en Sir Arthur, zich zelven haast

onbewust, daarin vastgemaakt,) „daar komt hij; – haalt op, jongens! –

voorzichtig! – een stamboom met honderd takken hangt aan een

tienstuivers touw; – de geheele baronie van Knockwinnock aan drie

slagen hennep; – respice finem, respice finem; – zie naar het einde; –

zie naar het touweinde! – Welkom, welkom, mijn goede oude vriend, op

vast land, ofschoon ik niet zeggen kan op warm en droog land!”

Terwijl Oldbuck naar gewoonte verder doordraafde, bevond zich Sir

Arthur behouden in de armen zijner dochter, die zich met de teederste

aandoening aan hem vasthield en daarna, zich een gezag aanmatigende,

dat de omstandigheden schenen te vorderen, aan eenigen der omstanders

opdroeg, om hem naar het rijtuig te brengen, terwijl zij beloofde

weldra zelve te volgen. Aan den arm van een ouden landman, begaf zij

zich toen weêr naar den rand der rots, waarschijnlijk om ooggetuige te

zijn van het behoud van hen, die het gevaar met haar gedeeld hadden.

„Wie komt daar aan?” zeide Oldbuck, toen de stoel nog eenmaal naar

boven steeg. „Wat drommel is dat voor een zeevisch?” En toen de fakkels

de ruwe gelaatstrekken en de grijze haren van den ouden Ochiltree

verlichtten, – „hoe! zijt gij het? – Kom, oude spotboef, ik moet, of ik

wil of niet, vriend met u zijn; – maar wie duivel is uw makker daar

beneden?”

„Iemand, die alléén wel twee van ons waard is, Monkbarns! Het is de

jonge vreemdeling, dien men Lovel noemt, – en hij gedroeg zich heden

nacht, alsof hij tien levens te verliezen had en die allen op het spel

wilde zetten, liever dan dat iemand anders gevaar zou loopen! –

Voorzichtig, heeren! als gij hebben wilt, dat een oude man u zegene; –

denkt, dat er niemand beneden is, om den stoel te bestieren! – Past op

den hoek van de Kattebel! – let op den Crummicks-hoorn!”

„Ja, ja, voorzichtig!” herhaalde Oldbuck; „het is mijn rara avis – mijn

zwarte zwaan! – mijn phenix der medereizigers; – draag zorg voor hem,

Mucklebackit!”

„Zoo veel alsof hij een anker brandewijn was, meer kan ik niet doen! –

Ho! ho, vrienden! naar boven met hem!”

Lovel liep inderdaad veel meer gevaar, dan zijne voorgangers. Hij woog

niet zwaar genoeg, om zijn opstijgen te midden van zulk een stormwind

veilig te maken, en de slingerende beweging bracht hem telkens in het

doodsgevaar van tegen de rotsen verpletterd te worden. Maar hij was

jong, stout, en vlug, en slaagde, met behulp van des bedelaars stevigen

met ijzer beslagen staf, dien hij volgens den raad van den eigenaar bij

zich gehouden had, om zich voor de zijden der steilten en van de nog

veel gevaarlijker rotspunten te beveiligen, welke hem telkens

bedreigden. Als eene lichte veder in de ledige ruimte gedreven, met

eene beweging, die tegelijk de hersenen met schrik vervulde en

bedwelmde, behield hij nochtans zijn moed, zijne behendigheid en

tegenwoordigheid van geest, en eerst toen hij behouden op de kruin der

klip aangeland was, gevoelde hij zich een oogenblik ontsteld. Toen hij

uit eene soort van onmacht bijkwam, keek hij angstig in het rond. Het

voorwerp, dat hij het meeste wenschte te zien, was reeds in de verte.

Nog even kon hij de witte kleeding van Isabella onderscheiden, terwijl

zij het pad volgde, dat haar vader gegaan was. Zij had getoefd, tot zij

den laatste van het gezelschap buiten gevaar gezien en door de schorre

stem van Mucklebackit de verzekering bekomen had, dat „de klant er met

heele beenderen afgekomen, en alleen wat van streek was.” Maar Lovel

wist niet, dat zij te zijnen opzichte eene deelnemende belangstelling

getoond had, die hij, hoezeer ze niets meer te kennen gaf dan wat zij

een vreemdeling, die in zulk een tijdstip van nood haar hulp verleend

had, verschuldigd was, nochtans blijmoedig gekocht zou hebben, door het

trotseeren van nog veel grootere gevaren, dan die waaraan hij dien

avond was blootgesteld geweest. Den bedelaar had zij reeds gevraagd, om

den nacht op Knockwinnock te komen doorbrengen. Hij verontschuldigde

zich. – „Dan moet ik u morgen bij mij zien!”

De oude man beloofde te gehoorzamen. – Oldbuck stopte hem iets in de

hand. Ochiltree bekeek het bij het fakkellicht, en gaf het terug.

„Neen, neen! ik neem nooit goud aan; – en behalve dat, Monkbarns, zoudt

gij er morgen vroeg berouw over hebben. Toen zich naar de groep

visschers en boeren wendende: „Nu, heeren! wie wil mij een avondmaal

geven en wat zuiver stroo om op te liggen?”

„Ik!” „en ik!” „en ik!” antwoordden vele vriendelijke stemmen.

„Wel, nu ik dat zie, en ik maar in één schuur te gelijk slapen kan, wil

ik mij bij Saunders Mucklebackit neêrleggen. Hij heeft altijd een

droppeltje van iets versterkends in huis, – en, kinderen, ik hoop het

te beleven om u allen te herinneren, dat gij mij huisvesting en een

aalmoes beloofd hebt!” – Dit zeggende, vertrok hij met den visscher.

Oldbuck maakte zich meester van Lovel. – „Geene schrede verder van

nacht naar Fairport! – gij moet met mij huiswaarts, naar Monkbarns.

Wel, man! gij zijt een held geweest, – een volmaakte Sir William

Wallace, in alle opzichten! Kom, mijn goede jongen! neem mijn arm; – ik

ben niet al te vast ter been in zulk een wind; maar Caxon zal ons

helpen. Hier, gij oude suffert! Kom aan de andere zijde! – En hoe

drommel kwaamt gij daaronder op die helsche Lijsje’s Schoot, zoo als ze

het noemen? Lijs, zeggen zij, – vervloekte heks! – Zij spreidt haar

voddig vaandeltje of vrouwenbanier uit, gelijk al de overigen van hare

sekse, om hare aanbidders in dood en verderf te storten.”

„Ik ben tamelijk aan het klimmen gewend, en heb lang de vogelaars

nagegaan, hoe zij het maken bij het bestijgen der klippen.”

„Maar hoe kwaamt gij er toe, in Gods naam, om het gevaar van den

knorrigen Baronet en van zijne veel beminnelijker dochter te

ontdekken?”

„Ik zag hen van den rand der steilte.”

„Van den rand! – ei zoo! – en wat dreef u dumosa pendere procul de

rupe? – ofschoon dumosa niet de gepaste benaming is; – wat duivel lokte

u naar den rand van de klip?”

„Wel! – ik zie gaarne het samenpakken van een opkomenden storm; – of,

om in uwe klassieke taal te spreken, mijnheer Oldbuck, suave est mari

magno, en zoo voorts; – maar hier zijn wij aan den weg naar Fairport.

Ik moet u goeden nacht wenschen!”

„Geene schrede verder, geen voet, geen duim en, als Antiquarius

gesproken, geene shathmont, over de beteekenis van welk woord menigeen,

die tot ons vak wil behooren, zich het hoofd heeft gebroken. Het is mij

duidelijk, dat men lezen moet salmont’s-lengte, in plaats van

shatmont’s-lengte. Gij weet, dat de ruimte die men voor den doortocht

van een zalm door eene sluis, een dijk of een vijver laten moet,

volgens de wet, de lengte is, binnen welke een volwassen varken zich

kan omkeeren; – nu heb ik plan, te bewijzen, dat, daar men op het land

levende wezens dus gebruikte, om de maat onder water te bepalen, men

ook veronderstellen kan, dat de waterbewoners gebruikt werden als

maatstaf om de uitgestrektheid van het land te meten, shathmont, –

salmont; [13] – gij ziet de nauwe overeenstemming der klanken; twee hh

en eene t weggelaten, en eene l aangenomen, dat maakt al het verschil!

Gave God, dat geene oudheidkundige afleiding ooit grootere afwijkingen

gevorderd had!”

„Maar, mijn goede heer, ik moet waarlijk naar huis gaan, ik ben door en

door nat.”

„Gij zult mijn kamerjapon hebben, man! en mijne pantoffels, en u de

antiquarische koorts op den hals halen, zoo als men de pest krijgt,

door het dragen van besmette kleederen; – maar ik weet, waaraan het

hapert; – gij vreest den ouden vrijer lastig te vallen. Maar zijn er

niet de overgeschotene brokken van die kostelijke kippenpastei, die,

meo arbitrio, beter koud is dan warm; – en die flesch van mijn ouden

Port, waarvan de malle, waanzinnige Baronet (wien ik het niet vergeven

kan, nu hij den hals niet gebroken heeft,) juist één glaasje gebruikt

had, toen zijn zwak brein op hol gebracht werd door Gamelyn van

Guardover?”

Met deze woorden, sleepte hij Lovel voort, tot zij binnen de

Pelgrimspoort te Monkbarns kwamen. Nimmer, misschien, trokken er twee

voetgangers door, die meer de rust behoefden; want de uitgestane

vermoeienissen waren voor Monkbarns rechtstreeks in strijd met zijne

dagelijksche gewoonten; en zijn jonger en sterker metgezel had dien

avond zielsaandoeningen ondergaan, die hem veel meer geschokt en

afgemat hadden, dan de buitengewone inspanning zijner lichaamskrachten.

De oudheidkenner · 第 12 / 54 题