Nu zweeg men stil. –

„Het is voorwaar een kleine grondslag, om er een stelsel op te bouwen!”

merkte de scheidsman aan.

„Volstrekt niet,” zeide Oldbuck; „men vecht het best in een nauw

strijdperk; – een van een duim breed is zoo goed als een van eene mijl,

om een gezonden steek in toe te brengen!”

„Het is stellig Celtisch,” zei de Baronet; „de namen van alle heuvels

in de Hooglanden beginnen met Ben.”

„Maar wat zegt gij van Val, Sir Arthur? is dat niet stellig het

Saksische Wall?”

„Het is het Romeinsche Vallum,” antwoordde Sir Arthur; „de Picten namen

dat gedeelte van het woord over!”

„Neen, waarachtig niet! Als zij iets overnamen, moet het uw Ben geweest

zijn, dat zij van hunne buren, de Britten van Strath-Cluyd, kunnen

overgenomen hebben.”

„De Piks, of Picten,” zeide Lovel, „moeten eene zeer armoedige taal

gehad hebben, daar er slechts één woord, van niet meer dan twee

lettergrepen overig is, zoo als van weerskanten toegestaan wordt, en

daarvan hebben zij nog ééne lettergreep uit eene andere taal moeten

ontleenen. Het komt mij, mijne heeren, met eerbied gezegd, voor, dat

het geschil zeer veel heeft van dat der twee ridders, die om het schild

streden, waarvan de eene zijde wit, en de andere zwart was. Ieder uwer

maakt aanspraak op de ééne helft van het woord, en schijnt de andere op

te geven. Maar, hetgeen mij het meest bevreemdt, is de armoede van de

taal, die zulke geringe sporen naliet!”

„Gij vergist u,” zeide Sir Arthur; „het was eene rijke taal, en zij

waren een groot en machtig volk; – zij bouwden twee torens; één te

Brechin, en één te Abernethy. De Pictische maagden uit het koninklijk

geslacht werden bewaard in het Kasteel van Edinburg, van daar nog het

Castrum Puellarum genaamd.”

„Eene kinderachtige uitlegging!” hernam Oldbuck, „en alleen

uitgevonden, om dat onnoozele vrouwvolkje eenig gewicht bij te zetten!

Het droeg den naam van Maagdenkasteel, quasi lucus a non lucendo, omdat

het alle aanvallen weêrstond, en de vrouwen dat nooit doen.”

„Er bestaat eene naamlijst der Pictische Koningen,” zei Sir Arthur,

„die voor echt erkend is, van Chrentheminachryme, (van wiens regeering

de dagteekening eenigzins onzeker is) àf, tot Drusterstone, met wiens

dood het geslacht eindigt. De helft er van hebben het Celtische

patronymicon Mac, voor hunne namen – Mac, – id est filius; – wat

antwoordt gij hier op, mijnheer Oldbuck? Er is Drust Macmorachin,

Trynel Maclachlin (de eerste van dien ouden stam, naar men gelooft,) en

Gormach Macdonald, Alpin Mackmetegus, Drust Mactallargam,” – (hier

overviel hem eene hoestbui,) „oegh, oegh, oegh! – Golarge Macchan, –

oegh, oegh, Macchanan – oegh Macchananail – Kenneth – oegh, oegh, –

Macferedith, Eachan Macfungus, – en twintig andere Celtische namen, die

ik u zou kunnen opnoemen, als die verwenschte hoest het mij niet

belette!”

„Neem een glas wijn, Sir Arthur, en spoel die lijst van tandenbrekende

namen af, die den duivel zelven, in de keel zou blijven steken! – Wel,

die laatste vent, dien gij opnoemdet, heeft den éénigen verstaanbaren

naam. – Zij zijn allen van het geslacht van Macfungus – Paddestoelen!

ontstaan uit den mest van bedrog, dwaasheid en valschheid, die in de

hersenpan gistte van den een of anderen waanzinnigen Hooglandschen

zanger!”

„Het verwondert mij, mijnheer Oldbuck, u dat te hooren zeggen! Gij

weet, of dient te weten, dat de lijst van deze souvereinen afgeschreven

werd door Hendrik Maule van Melgum, uit de kronijken van Loch-Leven en

van St. Andrews, en geplaatst werd vóor zijne korte, maar duidelijke

historie der Picten, door Robert Freebairn te Edinburg gedrukt, en

verkocht in zijn winkel bij het Parlementshuis, in het jaar

zeventienhonderd en vijf, of zes, – welk van beiden weet ik niet zeker;

– maar ik heb er een exemplaar van te huis, dat naast mijne duodecimo

uitgave der Schotsche Parlementsacten staat, en in dezelfde rij

daarmede zeer goed voldoet. Wat zegt gij daarop, mijnheer Oldbuck?”

„Wel ik lach om Hendrik Maule en zijne historie,” antwoordde Oldbuck,

„en voldoe daarbij aan zijn verzoek, om die naar verdiensten te

behandelen.”

„Lach niet om een man, die beter is, dan gij zelf zijt!” antwoordde Sir

Arthur, eenigzins minachtend.

„Ik zie niet in, dat ik dat doe, Sir Arthur, als ik om hem of zijn boek

lach.”

„Hendrik Maule van Melgum was een edelman, mijnheer Oldbuck!”

„Ik begrijp, dat die omstandigheid geen voordeel op mij geeft,” hernam

de oudheidkenner eenigzins bits.

„Met uw verlof, mijnheer Oldbuck! – hij was een edelman uit een zeer

aanzienlijk geslacht en van oude herkomst, en dus –”

„Moet de afstammeling van een Westfaalschen boekdrukker met eerbied van

hem spreken? – Dit is wellicht uw gevoelen, Sir Arthur; – maar het

mijne niet. – Ik begrijp, dat mijne afkomst van dien arbeidzamen,

vlijtigen boekdrukker, Wolf brand Oldenbuck, die in de maand December

1498, onder het patronaat van Sebaldus Scheyter en Sebastian

Kammermeister, zoo als het slot ons meldt, den druk voltooide van de

groote Neurenbergsche kronijk, – ik begrijp, zeg ik, dat mijne afkomst

van dien grooten hersteller der geleerdheid voor mij, als man van

letteren, veel eervoller is, dan wanneer ik op mijn stamboom al de

pochende, stijfhoofdige, Oud-Gotische Barons sedert de dagen van

Crentheminachcryme telde, van wie er, geloof ik, geen één zijn eigen

naam schrijven kon!”

„Als gij met uwe aanmerking den spot wilt drijven met mijne

voorouders,” zei de Baronet op een toon van deftige waardigheid en

meerderheid, „zoo heb ik het genoegen u te berichten, dat de naam van

mijn voorvader, Gamelyn de Guardover, Miles, wel degelijk met zijne

eigene hand in het eerste afschrift van de Ragmanrol geschreven staat.”

„Wat slechts dient, om aan te toonen, dat hij een van de eersten was,

die het verachtelijke voorbeeld gaf van zich aan Koning Eduard I te

onderwerpen. Wat hebt gij in te brengen ten voordeele der vlekkelooze

koningstrouw van uw geslacht, Sir Arthur, na zulk een afval als deze?”

„Genoeg, mijnheer!” zei Sir Arthur, terwijl hij woedend opsprong, en

zijn stoel terugschoof, „ik zal in het vervolg wel vermijden iemand met

mijn gezelschap te vereeren, die zich zoo ondankbaar voor mijne

vriendelijkheid betoont.”

„Hierin moogt gij te werk gaan naar uwe eigene verkiezing, Sir Arthur!

Ik hoop, dat, daar ik niet bekend was met de verplichting, die gij mij

oplegdet door mijn gering huis te bezoeken, die gij verschoonen zult,

dat ik mijne dankbaarheid niet op eene slaafsche wijze heb geuit!”

„Allerbest! – Allerbest, mijnheer Oldbuck! – ik wensch u goeden avond;

– mijnheer a–a–a–Schovel! – ik wensch u goeden avond!”

En zoo stoof de vergramde Sir Arthur de eetzaal uit, alsof de geest van

de geheele Tafel Ronde hem ontvlamde, en doorkruiste met groote stappen

den doolhof van gangen, die naar de huiskamer voerde.

„Zaagt gij ooit zulk een kwaadaardigen ouden ezel?” zeide Oldbuck, het

woord tot Lovel richtende; „maar ik moet hem toch in deze dolle

stemming niet laten heen gaan.” Dit zeggende, liep hij den Baronet na,

wiens spoor hij volgde op het geluid van het toeslaan van

onderscheidene deuren, die deze opende, om naar de huiskamer te zoeken,

en die hij bij elke mistasting met geweld achter zich toesloeg.

„Gij zult een ongeluk krijgen!” schreeuwde de oudheidkenner; „qui

ambulat in tenebris nescit quo vadit: – die in het duister wandelt,

weet niet, waarheen hij gaat; – gij valt nog van den achtertrap!”

De duisternis zelve, welker bedarende kracht op eigenzinnige kinderen,

maar al te bekend is, had intusschen de schreden van den vertoornden

Baronet doen bedaren, zoo ze al niet zijne gramschap verminderde, en de

heer Oldbuck, beter bekend met de plaats, haalde in, juist toen hij de

kruk van de deur der huiskamer in de hand had. „Wacht een oogenblik,

Sir Arthur!” zeide Oldbuck, terwijl hij hem tegenhield; „niet zoo

driftig, mijn goede, oude vriend! – ik tastte u, in onzen strijd, over

Sir Gamelyn wat hard aan; – wel, man, hij is een mijner oude kennissen,

en mijn lieveling; – hij was de wapenbroeder van Bruce en Wallace; – ik

geloof, en wil het op een Bijbel met Gotische letters gedrukt,

bezweren, dat hij de Ragmanrol, alleen onderteekende met het eerlijke

en prijzenswaardige oogmerk, om den valschen Engelschman in zijne

strikken te lokken. Het was eene opoffering, – eene echt Schotsche

list, mijn waarde Baronet! – honderden deden hetzelfde! kom, kom,

vergeet en vergeef! – Niet waar? wij gaven dien jongen heer daar het

recht, om ons voor een paar knorrige oude dwazen te houden!”

„Spreek voor u zelven, mijnheer Jonathan Oldbuck!” zeide Sir Arthur met

groote deftigheid.

„Wel, wel – den eigenzinnigen man moet men zijn zin geven!”

En dit zeggende opende hij de kamerdeur en de lange magere gestalte van

Sir Arthur trad binnen, gevolgd door Lovel en den heer Oldbuck, alle

drie een weinig onthutst.

„Ik heb op u gewacht, lieve vader!” zeide Isabella Wardour, „om u voor

te slaan, het rijtuig te gemoet te wandelen, daar het zulk een mooie

avond is.”

Sir Arthur stemde gereedelijk in een voorslag toe, die zoo zeer

strookte met de knorrige stemming, waarin hij zich bevond; en na

beleefd voor de thee en koffij bedankt te hebben, volgens zijne

aangenomen gewoonte, als hij driftig was, nam hij zijne dochter onder

den arm, waarna hij, met een plechtig afscheid van de dames, en een

zeer droog woordje tegen den heer Oldbuck, vertrok.

„Ik geloof,” zeide jufvrouw Oldbuck, „dat Sir Arthur weêr kwaad is!”

„Kwaad! – de drommel! hij is nog gekker dan het vrouwvolk! – Wat zegt

gij, Lovel? – Hoe? de jongen is ook weg?”

„Hij nam afscheid, oom, terwijl Isabella Wardour zich gereed maakte;

maar ik geloof niet, dat gij het gemerkt hebt.”

„De duivel steekt in het volk! Dat is alles, wat men wint met zich af

te tobben en zich van stuk te brengen, met maaltijden te geven, –

zonder van de kosten te spreken. – O Seged, Keizer van Ethiopië!” riep

hij, met de eene hand een kop thee en met de andere een deel van The

Rambler [12] opnemende; want het was zijne vaste gewoonte, onder het

eten of drinken, in tegenwoordigheid van zijne zuster te lezen,

waardoor hij terzelfder tijd zijne minachting te kennen gaf voor

vrouwelijk gezelschap, en zijn besluit volvoerde, om geen oogenblik

ongebruikt te laten voorbij gaan; – „o Seged, Keizer van Ethiopië! hoe

waar zijn uwe woorden: – „Niemand wage het te zeggen: dit zal een

gelukkige dag zijn!””

Oldbuck zette zijne studiën bijna een uur voort, zonder door de dames

gestoord te worden, die, in diep stilzwijgen, eenig vrouwelijk handwerk

verrichtten. Eindelijk hoorde men een zachten, zedigen tik aan de

kamerdeur. „Zijt gij het, Caxon: kom binnen!”

De oude man opende eventjes de deur; en zijn mager gezicht, omringd

door eenige dunne grijze haarlokken, benevens eene der mouwen van zijn

grijze jas in de kamer stekende, zeide hij op onderdanigen en

geheimzinnigen toon: „ik wilde u eventjes spreken, mijnheer!”

„Kom binnen dan, oude gek! en zeg wat gij te zeggen hebt.”

„Ik ben bang, dat de dames schrikken zullen.”

„Schrikken! wat zou dat? – bekommer u niet om de dames. Hebt gij weêr

een spook gezien?”

„Neen, mijnheer, ditmaal is het geen spook; – maar ik heb geen rust.”

„Hebt gij ooit van iemand gehoord die rust had?” antwoordde Oldbuck;

„waarom zou een oude versleten poederkwast als gij, meer rust hebben,

dan alle overige menschen?”

„Het is niet om mij zelven, mijnheer, maar ik vrees, dat het een

verschrikkelijk weêr zal worden, en Sir Arthur en Freule Wardour, dat

arme meisje –”

„Wel, man! die moeten het rijtuig aan het einde der laan, of daar

omstreeks, ontmoet hebben, en reeds lang te huis zijn!”

„Neen, mijnheer, zij zijn niet door het hek gegaan, maar sloegen den

weg in naar het strand.”

Dit woord was een donderslag in de ooren van Oldbuck. „Naar het strand!

onmogelijk!”

„Ja, mijnheer, dat zei ik ook tegen den tuinman; maar hij zeide, dat

hij hen bij de Mosselklip had zien omkeeren – ja, zei ik tegen hem, als

dat zoo is, David, dan vrees ik –”

„Een almanak! een almanak!” riep Oldbuck, in groote verwarring

opstaande. – „Neen, dat ding niet!” een kleinen zakalmanak, dien hem

zijne nicht aanbood, wegwerpende. – „Groote God! mijne arme, lieve

Isabella! – haal mij dadelijk een grooten almanak!” Deze werd gebracht,

geraadpleegd, en vermeerderde zeer zijne ontroering. „Ik zal zelf gaan;

– roep den tuinman en zijn knecht; – laat hen touwen en ladders

brengen; – en onderweg meer hulp zoeken; – klimt op de toppen der

rotsen en roept hun toe; – ik zal zelf gaan!”

„Wat is er te doen?” vroegen zijne zuster en nicht.

„De vloed! de vloed!” antwoordde de verschrikte oudheidkenner.

„Was het niet beter, dat Jenny – maar neen, ik zal zelve gaan,” zei de

jongste der dames, even verschrikt als haar oom; – „ik zal zelve naar

Saunders Mucklebackit loopen, en hem de boot doen uitzetten.”

„Dank, mijne lieve! dat is het verstandigste woord, dat er nog

gesproken is; – loop! loop! – Langs het strand te gaan!” terwijl hij

zijn hoed en stok greep; „heeft men ooit iets dollers gehoord!”

De oudheidkenner · 第 10 / 54 题