ZESDE HOOFDSTUK

Bij Wodan, bij der Saksen God,

Van waar de Woensdag komt, – dat is de Wodansdag, –

Trouw is een deugd, die ’k altijd aan zal kleven

Tot aan den laatsten dag, dat ik ten grave daal! –

Cartwright.

Onze jonge vriend Lovel, die eene dergelijke uitnoodiging ontvangen

had, nam het bepaalde uur nauwkeurig in acht en kwam den 17den Juli

ongeveer vijf minuten voor vier, te Monkbarns aan. Het was zeer zoel in

de lucht, en van tijd tot tijd waren er groote regendruppels gevallen,

ofschoon het dreigende onweder thans overgetrokken was.

De heer Oldbuck ontving hem bij de Palmerspoort, in zijne bruin

lakensche kleeding, grijze zijden kousen, en eene gepoederde pruik,

waaraan de oude Caxon, die het middagmaal geroken had, al zijne

behendigheid had besteed, terwijl hij wel zorg gedragen had om zijne

taak niet te voleindigen, eer het etensuur gekomen was.

„Welkom in mijn huis, mijnheer Lovel! Laat ik u nu mijne Clogdogdo’s,

zoo als Thomas Otter haar noemt, mijn ongelukkig en tot niets nuttig

vrouwvolkje voorstellen, – maliae bestiae, mijnheer Lovel!”

„Ik zal zeer teleurgesteld zijn, mijnheer, als ik niet bevind, dat de

dames uwe spotredenen niet verdienen.”

„Praatjes, mijnheer Lovel, praatjes zeg ik; geene beleefdheden! Gij

zult haar slechts zeer alledaagsche vrouwen vinden. – Maar hier zijn

zij, mijnheer Lovel! Ik stel u dus, in behoorlijken vorm, mijne zeer

bescheidene zuster Grizelda voor, die de eenvoudigheid zoowel als het

geduld versmaadt, welke deugden anders met den goeden naam van Grizelda

gepaard gaan; en mijne zeer voortreffelijke nicht Maria, – wier moeder

Mary, soms ook Molly genaamd werd.”

De oudste dame ruischte in zijden en satijnen stoffen, en droeg op het

hoofd een maaksel, naar het fatsoen van het modejournaal van het jaar

1770, – een prachtstuk der bouwkunst, – niet veel kleiner dan een

hedendaagsch Gothisch kasteel, terwijl de haarlokken de torens, de

zwarte haarspelden de Chevaux de Frise, en de strooken de banieren

voorstellen konden. Haar gezicht, even als dat van de oude Vestabeelden

met torens bekroond, was breed en lang, met spitsen neus en kin, en

geleek overigens zoo sterk op de gelaatstrekken van den heer Jonathan

Oldbuck, dat Lovel, als zij niet even als Sebastiaan en Viola, in het

laatste tooneel van Shakespeare’s „Twelfth Night” beide te gelijk

verschenen waren, wellicht de gedaante, die hij zag voor zijn vriend in

vrouwenkleederen zou gehouden hebben. Een ouderwetsch gebloemd zijden

kleedje versierde de gestalte van het zonderling wezen, dat den

hoofdtooi droeg, die, naar het gevoelen van haren broeder, eerder

geschikt was tot tulband voor een Mahomedaan, dan om door een redelijk

schepsel, of eene fatsoenlijke Christenvrouw gedragen te worden. Twee

lange, schrale armen waren op de hoogte der ellebogen door driedubbele

kanten randen omgeven, en geleken, kruislings over elkander geslagen,

en met lange schitterend vermiljoenkleurige handschoenen uitgedost,

eenigzins op een paar zeekreeften. Schoenen met hooge hakken, en een

kort zijden manteltje, losjes, over hare schouders geslagen, voltooiden

het uiterlijk van mejufvrouw Grizelda Oldbuck.

Hare nicht, dezelfde die Lovel bij zijn eerste bezoek in het

voorbijgaan, gezien had, was een mooi jong meisje, bevallig naar den

smaak van den dag gekleed; zij had iets schalkachtigs in den blik, dat

haar zeer goed stond, en misschien zijn oorsprong ontleende aan de

spotachtige luim, die het geslacht van haren oom bijzonder eigen, maar

bij overgang, in haar getemperd was.

De heer Lovel maakte zijn compliment bij de dames, en werd door de

oudste beantwoord met de langdradige en statige hoffelijkheid van het

jaar 1760, het rechtschapen tijdperk,

„Toen ’t volkje een half uur lang

Met bidden zich verheugde,

Eer de vrijdagsche kapoen

Vermeerderde ieders vreugde,”

door de jongste met eene buiging naar den nieuwen smaak, die, zoo

tafelgebed der hedendaagsche geestelijken, veel korter duurde.

Onder dit weêrkeerig groeten, verscheen de Baronet, die zijn rijtuig

weggezonden had, met zijne schoone dochter onder den arm, aan de

tuinpoort, en begroette de dames plechtig.

„Sir Arthur;” riep de oudheidkenner, „en gij mijne schoone vijandin,

vergunt mij, dat ik u bekend make met mijn jongen vriend, den heer

Lovel, een jongen heer, die bij de besmettelijke scharlakenkoorts,

welke thans in ons eiland heerscht, den moed en de bescheidenheid

heeft, om in een rok van deftige kleur te verschijnen. Maar de

modeverw, die gij in de kleeding mist, ziet gij daarentegen op zijne

wangen. Sir Arthur, vergun mij, dat ik u een jongen heer voorstelle,

dien gij, bij nadere kennismaking, zult bevinden ernstig, verstandig,

beleefd te zijn; een vriend der geleerdheid, zeer fatsoenlijk, door en

door belezen, grondig bekend met al de verborgene geheimen der

coulisses en van het tooneel, van David Lindsay’s tijden af, tot die

van Dibdin; – hij bloost op nieuw, wat mijn gezegde staaft!”

„Mijn broeder,” zeide mejufvrouw Grizelda, zich tot den heer Lovel

wendende, „heeft eene luimige wijze van zich uit te drukken, mijnheer!

niemand gelooft iets van hetgeen Monkbarns zegt; – dus bid ik u, niet

verlegen te wezen over zijne ongerijmdheden. Maar gij zult het zeer

warm gehad hebben bij deze brandende zonnehitte, – zult gij niets

gebruiken? – een enkel glaasje bessenwijn?”

Nog eer Lovel antwoorden kon, kwam de oudheidkenner tusschenbeide: „Pak

u weg, heks! wilt gij mijne gasten vergeven met uwe helsche kooksels?

Herinnert gij u niet, hoe het dien geestelijke ging, dien gij verleidde

om dezen bedriegelijken drank te proeven?”

„O foei, foei, broeder! – Sir Arthur, hebt gij ooit iets dergelijks

gehoord? – Alles moet naar zijn zin gaan, of hij bedenkt zulke

histories! – Maar daar begint Jenny aan de oude klok te trekken, om ons

te waarschuwen, dat het eten op tafel is.”

De heer Oldbuck, die zeer zuinig in zijne huishouding was, had geene

mannelijke dienstboden. Dit verontschuldigde hij onder het voorwendsel,

dat het mannelijke geslacht te edel was, om gebezigd te worden tot

dergelijke werken van persoonlijke dienstbaarheid. „Waarom,” zeide hij

gewoonlijk, „plunderde de jonge Thomas Rintherout, – dien ik, op den

wijzen raad van mijne zuster, even wijs als zij zelve, op de proef nam,

– waarom plunderde hij de appelboomen, en waarom haalde hij vogelnesten

uit, brak hij glazen, en stal hij eindelijk mijn bril, dan omdat hij de

edele eerzucht gevoelde, die in ’t hart van het mannelijk geslacht

gloeit, – die hem, het geweer op schouder, naar Vlaanderen deed

trekken, en buiten twijfel hem tot den roemrijken hellebaard van den

sergeant, of wel aan de galg zal brengen? En waarom verricht die

deerne, zijne eigene zuster, hetzelfde werk met behoedzamen en

bedaarden tred, – geschoeid of barrevoets, – zacht als de stappen van

eene kat, en daarbij volgzaam als een jachthond; – waarom? Alleen omdat

zij hare bestemming volgt. Dat zij ons dan bediene, Sir Arthur! – Laat

de vrouwen dienen, zeg ik; – het is het eenigste, waartoe zij geschikt

zijn. Alle oude wetgevers, van Lycurgus af tot Mohammed, bij

verbastering Mahomet genoemd, komen overeen, om haar in dien

eigenaardigen en ondergeschikten rang te plaatsen, en het zijn slechts

de verwarde hersens onzer ridderlijke voorvaderen geweest, die hunne

Dulcinea’s tot den rang van despotieke meesteressen verhieven.”

Freule Wardour verzette zich luide tegen deze onhoffelijke leer; maar

nu riep de klok tot den maaltijd.

„Laat mij al de plichten der hoffelijkheid vervullen jegens zulk eene

schoone tegenpartij,” zei de oude heer, haar den arm aanbiedende. „Ik

herinner mij, Freule Wardour, dat Mohammed (gemeenlijk Mahomet)

eenigzins aarzelde omtrent de wijze, om zijne volgelingen tot het gebed

op te roepen. Hij verwierp de klokken, omdat de Christenen er zich van

bedienden, de trompetten, als het sein gevende aan de Perzische

Guebres, en bepaalde zich eindelijk tot de menschelijke stem. Ik heb

eveneens rijp nagedacht over mijne oproeping ter maaltijd. De horens,

nu werkelijk in gebruik, schenen mij eene nieuwigheid en van heidensche

uitvinding, en de stem van het vrouwvolkje verwierp ik, als te scherp

en wanluidend; ik heb mij dus, in tegenoverstelling van gezegden

Mohammed, of Mahomet, weêr tot de klok bepaald. Zij is plaatselijk

eigenaardig, daar zij het kloosterteeken gaf te dekken in de

spijskamer, en zij heeft dit vooruit boven de tong van den eersten

minister mijner zuster, Jenny, dat het gelui, ofschoon minder schel en

scherp, ophoudt, zoodra men het touw loslaat; terwijl wij bij droevige

ondervinding weten, dat elke poging, om Jenny te doen zwijgen, slechts

het overeenstemmend klokkenspel van Mejufvrouw Oldbuck en van Mary Mac

Intyre in beweging brengt, om zich daarmede te vereenigen.”

Met deze woorden geleidde hij het gezelschap in de eetkamer, welke

Lovel nog niet gezien had. Ze was met hout beschoten, en versierd door

eenige zeldzame schilderijen. De tafel werd door Jenny bediend; maar

eene oude huishoudster, eene soort van hofmeesteres, stond aan de

schenktafel, en moest menige scherpe berisping van den heer Oldbuck, en

niet minder bijtende woorden van zijne zuster verduren.

Het middagmaal was zoo als het een oudheidkenner van beroep voegde, en

leverde menig hartelijk gerecht der oude Schotsche tafel op, dat thans

in onbruik is bij diegenen, die op grootere weelde aanspraak maken. Men

vond er de smakelijke Solangans, zoo sterkriekend, dat men die nimmer

binnenshuis toebereidt. Deze werd niet eens half gaar op tafel gezet,

zoodat Oldbuck dreigde, den vetten vogel naar het hoofd der nalatige

huishoudster te werpen, die als bedienende priesteres optrad, om het

geurige offer aan te bieden. Maar, gelukkig was de hutspot beter

uitgevallen, en werd eenparig voor overheerlijk verklaard. „Hierin,”

zeide Oldbuck verrukt, „wist ik, dat wij slagen zouden; want David

Dibble, de tuinman (een oude vrijer even als ik), draagt zorg, dat de

schelmsche vrouwen onze groenten in eer houden. En hier is visch en

saus, en groenten; ik beken, dat ons vrouwvolkje in dien schotel

uitmunt. Die geeft haar het vermaak van tweemaal ’s weeks een half uur

lang met Maggie Mucklebackit, ons vischwijf, te kijven. – De

kippenpastei, mijnheer Lovel, is naar een recept vervaardigd, dat mijne

overleden grootmoeder mij naliet. – En als gij het wagen wilt, een glas

wijn te nemen, zult gij dien den man waardig vinden, die den stelregel

van Koning Alfonso van Kastilië naleeft: „oud hout om te branden, –

oude boeken om te lezen, – oude wijn om te drinken, – en oude vrienden,

Sir Arthur, – (Ei ja, mijnheer Lovel; en jonge vrienden er bij,) om meê

te verkeeren!””

„En wat nieuws brengt gij mede uit Edinburg, Monkbarns?” zeide Sir

Arthur, „hoe maken het de menschen in de oude stad?”

„Zij zijn dol, Sir Arthur, dol, – onherstelbaar waanzinnig; – noch

zeebaden, noch kruinscheren, noch nieskruid zou hen helpen. De ergste

soort van waanzin, een krijgszuchtige waanzin heeft mannen, vrouwen en

kinderen aangetast.”

„En te rechter tijd, dunkt me,” zeide Isabella Wardour, „daar wij met

inval van buiten en opstand van binnen bedreigd worden.”

„O, daar twijfelde ik niet aan, dat gij u met de roodrokken tegen mij

vereenigen zoudt. Vrouwen en kalkoenen laten zich altijd door een rood

lapje vangen! – Maar wat zegt Sir Arthur, die van staande legers en

Duitsche onderdrukking droomt?”

„Wel, ik zeg, mijnheer Oldbuck, dat, voor zoo ver ik in staat ben er

over te oordeelen, wij ons verzetten moeten cum toto corpore regni, –

zoo als het heet, als ik niet al mijn Latijn vergeten heb, – tegen een

vijand, die ons eene soort van Whig-bestuur, een republikeinsch stelsel

wil opdringen, en die geholpen en aangezet wordt door dweepers van den

ergsten aard in ons eigen vaderland. Ik heb eenige maatregelen genomen,

dat beloof ik u, zoo als die aan mijn rang in de maatschappij voegen;

ik heb de dienders bevolen, den schelmschen ouden bedelaar, Adam

Ochiltree aan te houden, omdat hij door de geheele gemeente misnoegen

tegen kerk en staat verspreidt. Hij zeide ronduit tegen den ouden

Caxon, dat de Schotsche pet van William Howie meer gezond verstand

bedekte, dan de drie pruiken in de plaats, bij elkander! – Die

toespeling is gemakkelijk te begrijpen! – Maar men zal den schelm

betere manieren leeren.”

„O neen, lieve vader!” riep Isabella, „niet den ouden Adam, dien wij

zoo lang gekend hebben! – Ik verzeker u, dat ik het den diender nooit

vergeven zal, die zulk een bevel uitvoert.”

„Ei! daar hebt gij ’t,” zei de oudheidkenner: „gij, Sir Arthur, een

onverzettelijke Tory, hebt eene fraaie spruit der Whigs in uw boezem

opgekweekt. – Wel uwe dochter is alleen in staat, om eene geheele

rechtbank werk te geven! Ja, zij is eene Boadicea, – eene Amazone –

eene Zenobia!”

„En toch, met al mijn moed, mijnheer Oldbuck, ben ik blijde te

vernemen, dat het volk naar de wapens grijpt.”

„Naar de wapens – de Heere zij u genadig! Hebt gij nooit de

geschiedenis van zuster Margaretha gelezen, die uit een hoofd

voortvloeide, dat ofschoon nu oud en grijs, meer gezond verstand en

wereldkennis bevat, dan men heden ten dage in eene geheele Synode

aantreft? Heugt u, uit dat uitnemend werk, de droom der min, dien zij

met zulken doodsangst aan Hubble-Bubble verhaalt? – Wanneer zij in den

droom een stuk linnen aanraakte, goede God! dan gaf het een slag als

een kanonschot. Wanneer zij de hand aan den haspel bracht, richtte die

zich tegen haar op in de gedaante van een pistool. Het ging mij te

Edinburg, ten naasten bij, even zoo. – Ik liet mij bij een

rechtsgeleerde aanmelden; ik vond hem in dragonders uniform, met helm

en sabel, gelaarsd en gespoord, op het punt van zijn strijdros te

bestijgen, dat zijn klerk (als scherpschutter gekleed) heen en weêr

leidde voor de huisdeur. – Ik ging naar mijn zaakwaarnemer om hem te

vragen, waarom hij mij bij een waanzinnigen rechtsgeleerde om raad

gezonden had; hij had de veder, die in stillere dagen tusschen zijne

vingers speelde, op den hoed gestoken en vertoonde zich als

artillerie-officier. – Mijn lakenkooper stond met de piek in de hand,

als moest ze hem tot el dienen. De bankiersklerk, die mij een wissel

uitbetalen moest, telde het geld tot driemaal toe verkeerd, daar hij

slechts om de tempo’s-tellingen van de morgenexercitie dacht. Ik werd

ziek, en zond om een heelmeester:

„Hij kwam, – maar was omgord met een zoo groot rapier,

Hij zag zoo barsch, en had een’ blik zoo grimmig fier,

Dat ik den wondarts gansch vergat,

En nedrig om mijn leven bad!”

„Ik nam mijne toevlugt tot den geneesheer; maar ook deze scheen eene

grootscher manier van doodslaan te willen uitoefenen, dan die waartoe

zijn eigenlijk beroep hem den weg opende. En nu, sedert ik terug ben,

zijn onze wijze buren te Fairport even dapper geworden. Ik haat een

snaphaan, even als een aangeschoten eendvogel, en de trom als een

Kwaker; – en ze donderen en ratelen ginds op de gemeenteheide, dat mij

ieder schot en elke roffel aan het hart gaan.”

„Lieve broeder, spreek toch zoo niet van de heeren vrijwilligers! – De

uniform, die zij dragen, staat hun zeer goed. Ik wil wedden, dat zij

verleden week tweemaal tot op het lijf toe nat zijn geweest; – ik zag

hen binnentrekken onder een verschrikkelijken stortregen, en er waren

er onder, die een leelijken hoest hadden. – En de moeite, die zij zich

geven, eischt onze dankbaarheid.”

„En ik weet zeker,” zeide Mary, „dat mijn oom twintig guinjes zond, om

hen te helpen uitrusten.”

„Dat was om drop en kandijsuiker te koopen,” antwoordde de Cynicus, „om

den handel van Fairport te bevorderen, en om de keelen der officieren

te verfrisschen, die zich schor geschreeuwd hadden in den dienst van

het vaderland.”

„Pas op, Monkbarns!” viel de Baronet hem in de rede, „dat wij u niet

onder de verdachten plaatsen.”

„Neen, Sir Arthur, ik doe niets dan knorren. Ik eisch alleen het recht

om hier in mijn eigen hoek te kwaken, zonder mijne stem te voegen bij

het groote koor der broeders in het moeras. – Ni quito Rey, ni pongo

Rey. – „Ik maak, noch benadeel Koningen,” zoo als Sancho zegt, maar bid

hartelijk voor onzen Souverein, betaal mijne belastingen, en knor op de

commiezen. – Maar de schapenkaas komt daar juist van pas; ze is beter

voor de spijsvertering, dan de staatkunde.”

Toen het eten gedaan was en de wijnflesschen op tafel geplaatst waren,

stelde de heer Oldbuck voor een beker op het welzijn van den Koning te

ledigen, wat èn Lovel èn de Baronet gaarne deden, – daar de oppositie

van den laatste nog slechts in zijne verbeelding bestond, – en

inderdaad niets meer was, dan de schim van eene schim.

Nadat de dames zich verwijderd hadden, traden de gastheer en Sir Arthur

in onderscheidene hevige discussiën, – navorschingen, waaraan de

jongere gast, het zij om de diepe geleerdheid, die ze vereischten, of

om eenige andere reden, slechts zeer weinig deel nam, zoodat hij ten

laatste als uit een diepen droom plotseling opgewekt werd door een

onverwacht beroep op zijn oordeel.

„Ik laat het aan de beslissing van den heer Lovel over; hij werd in het

noorden van Engeland geboren, en kent wellicht de plaats zelve.”

Sir Arthur geloofde niet, dat zulk een jong heer zich veel met

dergelijke dingen zou hebben bemoeid.

„Ik ben van het tegendeel overtuigd,” zeide Oldbuck. – „Wat zegt gij er

van, mijnheer Lovel? Spreek op, man, voor uw eigene eer!”

Lovel was in het moeielijk geval van te moeten bekennen, dat hij

volstrekt niet wist, over welk onderwerp het gesprek en verschil liep,

dat de heeren reeds een uur bezig gehouden had.

„God help den jongen! Hij heeft het hoofd vol muizennesten! – Hoe zou

het ook anders kunnen zijn, als het vrouwvolkje toegelaten wordt? – Het

duurt wel zes uren lang eer een jongen in staat is een verstandig woord

te spreken! Wel man! er was eens een volk, genaamd de Piks –”

„Juister Picten,” viel de Baronet in.

„Ik zeg de Pikar, Pihar, Piochtar, Piaghter of Peugtar,” schreeuwde

Oldbuck; „zij gebruikten een Gothischen tongval.”

„Echt Celtisch,” hervatte de Baronet.

„Gothisch! Gothisch! daar wil ik op sterven!” hield Monkbarns vol.

„Ik begrijp, mijne heeren,” zei Lovel, „dat dit verschil gemakkelijk

door de taalkenners te beslissen is, als er maar eenige sporen van die

taal over zijn.”

„Er is slechts één woord overgebleven,” zei de Baronet; „dat echter, in

weêrwil van de stijfhoofdigheid van den heer Oldbuck, het geschil

beslist.”

„Ja, in mijn voordeel!” riep Oldbuck; „gij, mijnheer Lovel, zult

uitspraak doen. – Ik heb den geleerden Pinkerton op mijne zijde!”

„Ik, den onvermoeiden en geleerden Chalmers, op de mijne.”

„Gordon kleeft mijn gevoelen aan!”

„Sir Robert Sibbald het mijne!”

„Innes is met mij!” schreeuwde Oldbuck.

„Ritson voelt geen twijfel!” juichte de Baronet.

„Inderdaad, mijne heeren, eer gij uwe krachten monstert, en mij met

aanhalingen overlaadt, wenschte ik het betwistte woord te kennen.”

„Benval,” luidde het ter zelfder tijd uit beider mond.

„Dat heet caput valli,” zei de Baronet.

„De kruin van den wal,” vertolkte Monkbarns.

De oudheidkenner · 第 9 / 54 题