VIJFDE HOOFDSTUK

Launcelot Gobbo. Geef acht! Nu zal ik een storm opwekken.

De koopman van Venetië.

De voorstellingen in den schouwburg te Fairport waren begonnen; maar er

verscheen geen Lovel op het tooneel; ook was er eigenlijk niets in de

kleeding of in het gedrag van den jongen heer van dien naam, dat den

heer Oldbuck recht gaf te gissen, dat zijn reisgenoot als tooneelspeler

om de volksgunst dingen wilde. De oudheidkenner ondervroeg geregeld een

ouden barbier, die de eenige pruiken, welke nog, in weêrwil van de

belastingen [9] en den heerschenden smaak, in het stadje gekruld en

gepoederd werden, opmaakte, en tot dat einde zijn tijd tusschen de drie

klanten verdeelde, die de mode hem overgelaten had; – geregeld, zeg ik,

vroeg de heer Oldbuck dezen man, wat nieuws het tooneel van Fairport

opleverde? dagelijks verwachtende, dat hij de aanstaande optreding van

den heer Lovel vernemen zou, als wanneer hij besloten had, zich, ter

eere van zijn jongen vriend, op onkosten te jagen, en niet alleen zelf

naar den schouwburg te gaan, maar er zijn zuster en nicht ook heen te

brengen. Doch de oude Jacob Caxon meldde hem niets, wat hem tot den

gewichtigen stap van plaatsen te bespreken, kon verleiden.

Hij berichtte integendeel, dat er zich te Fairport een man ophield, die

een raadsel was voor de gansche stad (waardoor hij de ledigloopers

verstond, die, bij gebrek van eigen bezigheden, zich met die van

anderen bemoeien). Hij zocht geen omgang, maar vermeed veeleer dien,

welke hem, wegens zijn goede manieren, en wellicht ook uit

nieuwsgierigheid, aangeboden werd.

Niets kon geregelder zijn, of geleek minder op een fortuinzoeker, dan

zijn wijze van leven, die zoo eenvoudig, maar tevens zoo geregeld was,

dat allen, met wie hij te doen had, hem als uit één mond prezen.

„Dit zijn geen deugden van een tooneelheld,” dacht Oldbuck bij zich

zelven, en hoewel door gewoonte hardnekkig in zijn eenmaal opgevatte

gevoelens, had hij ze nochtans in dit geval moeten laten varen, zoo

niet Caxon, onder anderen gezegd had dat: „men soms den jongen heer in

zijn eenzaamheid hardop hoorde spreken, en in zijn kamer rondstappen,

juist alsof hij tot den troep behoorde.”

Deze éénige omstandigheid echter uitgezonderd, was er niets, dat den

heer Oldbuck in zijn gevoelen bevestigen kon; en het bleef steeds een

hoogstbelangrijke en raadselachtige vraag, wat een welopgevoed jonkman,

zonder vrienden, zonder betrekkingen, en zonder eenige

beroepsbezigheden, te Fairport te doen had. Hij scheen even weinig

smaak te vinden in het drinken van Portwijn, als in het whist-spelen.

Hij bedankte er voor, aan de tafel der afdeeling vrijwilligers, die

onlangs opgericht was, te eten, en hij weigerde de feesten bij te wonen

der beide partijen, die toen het stadje Fairport, gelijk andere meer

voorname plaatsen, verdeelden. Hij was te weinig aristocraat, om zich

bij het genootschap der Koninklijke Echtblauwen te voegen, en niet

democraat genoeg, om zich met de vereeniging der zich noemende Vrienden

van het Volk te verbroederen, die de stad insgelijks het geluk had in

haar midden te bezitten. Van de koffijhuizen had hij een bepaalden

afkeer, en, ik zeg het met leedwezen, voor de theegezelschappen

gevoelde hij geen grootere sympathie. In het kort: sedert de naam van

Lovel in romans en schouwspelen gebruikt werd, en dit is reeds lang, is

er nooit een heer Lovel geweest, van wien men zoo weinig stelligs wist,

en die zoo algemeen alleen door negatieve hoedanigheden uitmuntte.

Maar er was één zeer gewichtige negatieve hoedanigheid onder: niemand

wist iets ten nadeele van den heer Lovel; want had er het minste

bestaan, dan was het weldra ruchtbaar geworden, daar de natuurlijke

zucht, om kwaad van zijn buren te spreken, in dit geval, niet zou

gematigd zijn geworden door eenig medelijden met zulk een ongezellig

schepsel als hij was. Één omstandigheid maakte hem echter eenigzins

verdacht. Bij zijn eenzame wandelingen werd zijn potlood veel gebruikt,

en uit meer dan één gezichtspunt had hij de haven van Fairport met den

seintoren, ja zelfs met de batterij van vier stukken er bij

afgeteekend, wat van eenige kwaadwilligen het gerucht hadden doen

uitgaan, dat de geheimzinnige vreemdeling zeker een Fransche spion was.

De Sheriff maakte dus bij den heer Lovel zijn opwachting; maar na dit

bezoek scheen deze alle vermoedens bij den overheidspersoon te hebben

doen verdwijnen, daar deze hem niet alleen verder ongestoord liet, maar

ook, zoo als geloofwaardige berichten meldden, tweemaal aan zijn tafel

noodigde, waarvoor Lovel echter telkens beleefd bedankte. Den aard

nochtans van het gehouden gesprek hield de magistraatspersoon geheim,

zoowel voor het publiek in het algemeen, als voor zijn substituut, zijn

klerk, zijn vrouw en zijn twee dochters, die anders zijn geheime raad

uitmaakten in alle zaken, die tot zijn ambt behoorden.

Daar al deze bijzonderheden door Caxon getrouw aan zijn patroon

overgebracht werden, rees Lovel in de achting van zijn voormaligen

reisgenoot. „Een bescheiden, verstandig jongmensch,” zei hij bij

zichzelven, „die het beneden zich acht in de dwaasheden en

ongerijmdheden van het volkje van Fairport te deelen. Ik moet iets voor

hem doen, – ik moet hem ten eten noodigen. – Ik zal Sir Arthur

schrijven op Monkbarns te komen, om kennis met hem te maken; ik moet

dit evenwel met mijn vrouwenvolk overleggen.”

Na gehouden raadsvergadering, werd er een bijzondere bode, namelijk

niemand anders dan Caxon zelf besteld, om naar het Kasteel van

Knockwinnock te gaan, met een brief „voor den Hoogwelgeboren Heer

Arthur Wardour van Knockwinnock, Baronet.” De inhoud daarvan luidde

aldus:

„Mijn waarde Sir Arthur!

„Dinsdag den 17den dezer, s. n. houd ik een Caenobitisch symposion op

Monkbarns, en ik verzoek u, met klokslag van vier, daarbij tegenwoordig

te wezen. Kan en wil mijn schoone vijandin, Freule Isabella, ons de eer

aandoen van u te vergezellen, zoo zal mijn vrouwenvolk maar al te

trotsch zijn op de hulp van zulk een bondgenoote in zaken van weêrstand

tegen wettige tucht en rechtmatig oppergezag. Zoo niet, zend ik mijn

vrouwen dien dag naar de pastorij. Ik heb een jongen vriend, dien ik u

wenschte voor te stellen, wiens aard boven de lichtzinnigheid van dezen

tijd verheven is, – die ouderen van dagen eerbiedigt, en tamelijk wel

bekend is met de klassieke schrijvers. – En daar zulk een jongeling een

natuurlijken afkeer van het volkje te Fairport hebben moet, wenschte ik

hem in eenig niet minder verstandig dan vereerend gezelschap te

brengen. Ik ben, waarde Sir Arthur; enz. enz. enz.”

„Haast u met dezen brief, Caxon!” zei de oude heer, terwijl hij hem het

stuk signatum atque sigillatum voorhield; „spoed u naar Knockwinnock,

en breng antwoord terug. Ga zoo snel, alsof de vergaderde Stads-Raad op

den Provoost, en de Provoost op u en zijn versch gepoederde pruik zat

te wachten.”

„Och, mijnheer,” antwoordde de bode, met een diepen zucht, „die tijden

zijn lang voorbij. Geen Provoost van Fairport heeft een pruik gedragen

na den tijd van den ouden Provoost Jervie, – en die had nog een heks

van een meid, die de pruik opmaakte met behulp van een eindje kaars en

wat meel. Maar mij heugen de dagen, Monkbarns, dat de Stedelijke-Raad

van Fairport veel liever hun stadsschrijver, of hun slokje brandewijn

na de zittingen zou gemist hebben, dan elk hunner een bepoederde, goed

gekrulde eerbiedwaardige pruik op zijn hoofd! Och, mijnheer, geen

wonder, dat de gemeente ontevreden is en zich tegen de wet verzet, als

men de Raadslieden de Baljuwen, de Dekens en de Rechters zelven, met

hoofden ziet, zoo naakt en kaal als mijn pruikebol.”

„En van binnen even goed voorzien, Caxon! Maar pak je weg; – gij

doorziet de openbare aangelegenheden zeer goed, en hebt zeker de

oorzaak van onze volksonlusten even juist gevat als de Provoost zelf

het zou kunnen doen. Maar pak je nu weg, Caxon!”

En Caxon vertrok, en begon zijn tocht van ongeveer een uur gaans.

„Hij hompelde – maar ’t hart was koen:

Hij deed zijn best, – kon hij meer doen?”

Terwijl hij den heen- en terugtocht aflegt, zal het niet ongepast zijn,

dat wij den lezer eenigzins bekend maken met den voornamen heer, bij

wien hij als afgezant geaccrediteerd was.

Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat de heer Oldbuck weinig omging met

de edellieden uit den omtrek, één enkel slechts uitgezonderd. Deze was

Sir Artur Wardour, een Baronet van zeer oude afkomst, en van een groot,

maar bezwaard vermogen. Zijn vader, Sir Anthonius, was den huize Stuart

toegedaan, anders gezegd, een Jacobiet geweest, en had de meeste

geestdrift voor die partij aan den dag gelegd, zoo lang deze maar met

woorden te dienen was. Niemand kon een Oranjeappel met zulke

veelbeteekenende gebaren uitpersen, [10] of behendiger een gevaarlijken

toast instellen, zonder vat op zich te geven voor een openlijke

aanklacht, en vooral dronk er niemand met langer en smakelijker teugen

op het welgelukken van de goede zaak. Maar, bij het naderen van het

Hooglandsche leger, in het jaar 1715, scheen het, dat de ijver van den

waardigen Baronet eenigzins begon te bedaren, juist toen zijn vuur zijn

partij het meest te baat zou zijn gekomen. Hij sprak inderdaad zeer

veel van te veld te trekken voor de rechten van Schotland en van Karel

Stuart; maar zijn ruiters zadel paste slechts op één zijner paarden, en

dat paard was bij geen mogelijkheid in het vuur te krijgen. Wellicht

deelde zijn edele meester den angst van het sluwe ros, en begon hij te

bedenken, dat hetgeen het paard zóó afschrikte, den ruiter zeer slecht

zou kunnen bekomen. Hoe het zij, terwijl Sir Anthonius Wardour pochte,

dronk en aarzelde, trok de dappere Provoost van Fairport, (die, zoo als

wij reeds vermeld hebben, de vader van onzen oudheidkenner was,) aan

het hoofd eener bende Whigsgezinde burgers, uit het oude stadje op het

onverwachts op, en maakte zich eensklaps, in naam van Koning George II,

meester van het Kasteel van Knockwinnock, van de zich aldaar bevindende

vier koetspaarden en van den eigenaar zelven. Sir Anthonius werd kort

daarop, benevens zijn zoon Arthur, toen nog een jongeling, op

schriftelijk bevel van het ministerie, naar den Tower te Londen

vervoerd. Vader en zoon herkregen nochtans weldra hun vrijheid, want

niets deed zich tegen hen voor, dat naar een openlijke daad van

hoogverraad geleek, en beiden keerden naar hun Kasteel van Knockwinnock

terug, waar ze op nieuw toasten met volle bekers dronken, en verder den

mond vol hadden van hun lijden voor de koninklijke zaak. Dit werd zulk

een stokpaard van Sir Arthur, dat zelfs, na den dood van zijn vader, de

onbeëedigde [11] huiskapelaan geregeld placht te bidden voor het

herstel van den rechtmatigen souverein, voor den val van den

overweldiger, en voor de verlossing van hun wreede en bloeddorstige

vijanden, hoewel zelfs het denkbeeld van eenig verzet tegen het Huis

van Hannover reeds lang verdwenen was, en dit verraderlijke formulier

eerder uit gewoonte gebezigd werd, dan dat men er eenig bepaald

denkbeeld aan hechtte. Dit was zoo stellig het geval, dat de edele

ridder, omstreeks het jaar 1770, ter gelegenheid van een betwiste

verkiezing in het graafschap, plechtig den eed van getrouwheid aan de

nieuwe dynastie aflegde, om een vriend, waarvoor hij zich in de bres

stelde, te dienen; – verzakende dus den vorst, wiens herstelling hij

wekelijks van den Hemel vroeg, en den overweldiger erkennende, om wiens

onttrooning hij nooit nagelaten had eveneens te smeeken. En om ons dit

droevig voorbeeld van menschelijke omstandigheid nog treffender te

maken, ging Sir Arthur voort met voor het huis van Stuart te bidden,

zelfs nadat het geslacht uitgestorven was, en terwijl hij, hoezeer hij

het in zijn theoretische koningstrouw als nog aanwezig beschouwde, zich

overigens in al zijn daden en bedrijven wezenlijk een allerijverigst en

toegenegen onderdaan van George III betoonde.

In andere opzichten leefde Sir Arthur, zoo als de meeste landedellieden

in Schotland; – hij jaagde en vischte, – gaf en bezocht maaltijden, –

woonde wedrennen en kiesverzamelingen bij, – was vice-gouverneur van de

graafschap en koninklijke commissaris voor de straatwegen. Maar toen

hij, bij toenemende jaren, te traag of te onbehendig werd voor de jacht

en andere dergelijke vermaken, verving hij die door nu en dan in de

Schotsche geschiedenis te lezen, en na langzamerhand eenigen smaak voor

oudheden verkregen te hebben, die echter niet zeer gevormd, noch zeer

fijn was, werd hij gemeenzaam met den heer Oldbuck van Monkbarns, en

diens medehelper in zijn oudheidkundige navorschingen.

Er bestonden nochtans tusschen deze twee zonderlingen eenige punten van

verschil die soms aanleiding gaven tot oneenigheden. Het geloof van Sir

Arthur, als oudheidkundige, was onbegrensd, terwijl de heer Oldbuck (in

weêrwil van het geval het Praetorium in het kamp van Kinprunes), veel

huiveriger was om oude overleveringen voor echte, gangbare munt aan te

nemen. Sir Arthur zou zich schuldig gevoeld hebben aan de misdaad van

hoogverraad, als hij het bestaan wezenlijk betwijfeld had van één der

honderd en vier koningen van Schotland, wier beeltenissen noch steeds

in de galerij van Holyrood grimmig van de muren staren en welke de

geduchte lijst vullen, (door Boethius aangenomen en door Buchanan

klassiek gemaakt,) waarop Jacobus VI de aanspraak grondde, om over zijn

aloud koningrijk te heerschen. Oldbuck echter, een slim en

achterdochtig man, en geenzins een eerbiediger van het goddelijke

erfrecht, was geneigd om op die gewijde lijst te vitten, en te

verzekeren, dat de optocht van het nageslacht van Fergus in de

Schotsche geschiedrol even onecht en verdicht was, als de reeks van

Banquo’s nakomelingen, die in den heksenspelonk, in Macbeth optreden.

Een ander teeder punt was de goede naam van Maria Stuart welken de

baronet op het ridderlijkst handhaafde, terwijl de heer Oldbuck dien,

in weêrwil van Maria’s schoonheid en wederwaardigheden, hevig bestreed.

En kwamen ze ongelukkig op de gebeurtenissen van nog latere tijden, dan

leverde bijna elk blad der geschiedenis stof op tot oneenigheid.

Oldbuck was, uit grondbeginsel, een echte Presbyteriaan, een ouderling

van de kerk, de beginselen der omwenteling en der protestantsche

erfopvolging genegen; Sir Arthur, daarentegen, juist het

tegenovergestelde. Zij stemden, wel is waar, overeen, in plichtmatige

liefde en trouw voor den souverein, die nu den troon bekleedde; maar

dit was ook het eenige punt van overeenstemming. Er ontstond dus

dikwijls een woordenstrijd tusschen de heeren, en dan kon Oldbuck niet

altijd zijn scherpen, spotachtigen luim bedwingen; terwijl het den

baronet soms toescheen, dat de afstammeling van een Duitschen

boekdrukker, wiens voorouders verachtelijken omgang met geringe burgers

hadden, te ver ging, en zich te veel vrijheid in het redetwisten

veroorloofde tegenover iemand van zijn rang en van zijne afkomst. Dit

en de vroeger gepleegde vijandelijkheden met de koetspaarden, en het

gewelddadig innemen van zijne residentie en burg, door den vader van

den heer Oldbuck kwamen wel eens bij hem op, en deden ter zelfder tijd

zijne wangen en sluitredenen gloeien. De heer Oldbuck eindelijk,

beschouwde zijn waardigen vriend en makker, in sommige opzichten, als

niet veel beter dan een dwaas, en gaf hem deze ongunstige gedachte wel

eens duidelijker te kennen, dan de regels der hedendaagsche beleefdheid

gedoogen. Bij zulke gelegenheden, scheidden zij dikwijls hevig

verbitterd, en met het besluit, om voortaan elkanders omgang te mijden:

„Maar de morgendauw bracht kalmte in de ziel;”

en daar beiden gevoelden, dat het gezelschap van den andere, door

gewoonte hem onmisbaar was geworden, herstelde zich de vrede weldra. In

zulke gevallen toonde Oldbuck, die de ontevredenheid van den Baronet

even als het pruttelen van een kind opnam, gewoonlijk zijn meerder

gezond verstand, en deed mededoogend de eerste stappen ter verzoening.

Maar een paar maal was het gebeurd, dat de aristocratische trots van

den oudadellijken ridder het eergevoel van des boekdrukkers naneef diep

beleedigd had; en toen zou misschien de vredebreuk tusschen deze twee

zonderlingen onherstelbaar geworden zijn, zonder de vriendelijke

pogingen en de tusschenkomst van des Baronets dochter, Isabella

Wardour, die, benevens een zoon, thans buitenslands in krijgsdienst, de

eenige overblijvende spruiten van zijn geslacht waren. Zij wist zeer

goed, hoe onmisbaar de heer Oldbuck voor haren vader was, en zelden

mislukten hare pogingen, als hare tusschenkomst noodzakelijk geworden

was door de spottende schalkachtigheid van den een, en de aangematigde

meerderheid van den andere. Onder Isabella’s zachten invloed, werd het

onrecht Koningin Maria aangedaan, door haren vader vergeten, en de heer

Oldbuck vergat de lastertaal, die de nagedachtenis van Koning Willem

beleedigde. Maar daar zij bij dergelijke geschillen steeds lachende de

partij van haren vader nam, placht de heer Oldbuck Isabella zijne

„schoone vijandin” te noemen; ofschoon hij inderdaad meer werk van haar

maakte, dan van iemand anders van hare sekse, die, zoo als wij zagen,

hij niet uitermate vereerde.

Nog eene andere betrekking vereenigde en verwijderde beurtelings de

vrienden. Sir Arthur wenschte altijd geld op te nemen; de heer Oldbuck

was niet altijd geneigd te leen te geven. De heer Oldbuck, daarentegen,

wenschte steeds geregeld betaald te worden; Sir Arthur was niet altijd,

en zelfs niet dikwijls, in staat, om aan dit rechtmatig verlangen te

voldoen; en bij het regelen van zulke verschillende belangen,

ontstonden er nu en dan kleine twisten. Over het geheel nochtans,

heerschte er tusschen hen een geest van onderlinge verdraagzaamheid, en

zij gingen hun weg, even als gekoppelde honden, eenigzins lastig, soms

knorrende, maar zonder tot een bepaalden stilstand te komen, of

elkander te worgen.

Een klein misverstand van dezen aard, aan geldzaken of staatkundige

twisten toe te schrijven, had juist tusschen de geslachten van

Knockwinnock en Monkbarns plaats gehad, toen de bode van den

laatstgemelde aankwam, om zijn last op Knockwinnock te volbrengen.

Hier, in zijne oude Gothische huiskamer, welker vensters aan den eenen

kant op den golvenden oceaan, en aan den anderen op de lange, rechte

laan van het kasteel uitzagen, zat de Baronet, nu eens in een foliant

te bladeren, en dan eens droevig de zonnestralen waar te nemen,

schitterende op het loof en de stammen der breedgetakte lindebomen,

waarmede de weg bepoot was; toen hij eindelijk, tot zijne vreugde, een

levend wezen ontdekte, dat tot de gewone vragen noopte „Wie is dat? en

wat mag hij te doen hebben?” – De oude, witachtig grijze rok, de

strompelende gang, de half in de oogen gedrukte schuinstaande hoed,

kondigden den eenigen pruikmaker aan, en liet slechts de tweede vraag

ter beantwoording over. Deze werd dan ook weldra opgelost door een

knecht, die de kamer binnentrad met de woorden: „Een brief van

Monkbarns, mijnheer!”

Sir Arthur nam den brief met gemaakte deftigheid aan.

„Breng den ouden man in de keuken en geef hem eenige verfrissching,”

zei Isabella, wier deelnemend oog reeds het grijze haar en den

vermoeiden gang opgemerkt had.

„De heer Oldbuck, mijne lieve, verzoekt ons te eten, op Dinsdag den

17den,” zei de Baronet na een kort stilzwijgen; – „waarlijk! hij

schijnt te vergeten, dat hij zich laatst niet zoo beleefd jegens mij

gedragen heeft, als men wel zou hebben mogen verwachten.”

„Gij hebt, lieve vader,” antwoordde zijne dochter, „zoo veel vooruit op

den goeden heer Oldbuck, dat het niet te verwonderen is, zoo het hem

tusschenbeiden eenigzins verdrietig maakt; maar ik weet, dat hij uw

persoon en uw omgang zeer hoog schat; niets zou hem meer grieven, dan

wanneer hij in wezenlijke beleefdheid ten uwen opzichte te kort

schoot.”

„Dat is waar, Isabella, en men moet toegeeflijk zijn wegens zijne

afkomst. Er stroomt nog steeds in zijn bloed iets van de Duitsche

lompheid; iets van van de Whigsche, stijfhoofdige tegenkanting tegen

erfelijken stand en voorrechten. Gij zult opgemerkt hebben, dat hij, in

onze twisten, nooit eenig voordeel op mij behaalt, dan wanneer hij zich

bedient van zijne nietsbeduidende kennis van dagteekeningen, namen en

beuzelachtige daadzaken; een vervelend, ijdel, kleingeestig en

werktuigelijk geheugenwerk, enkel de vrucht van zijne gemeene afkomst!”

„Hij moet ze toch zeker nuttig vinden in zijne historische

navorschingen, vader!”

„Het brengt hem tot eene onbeleefde en beslissende wijze van

redetwisten, en niets komt mij onredelijker voor, dan hem zelfs

Bellenden’s kostelijke overzetting van Hector Boecius, die ik bezit, –

een foliant met Gothische letter van zeer groote waarde, te hooren

afkeuren, op het gezag van een oud perkament, dat hij onttrok aan zijne

bestemming, toen het tot een kleêrmakers maat stukgesneden zou worden.

En, buitendien, die lastige nauwkeurigheid in kleinigheden geeft hem de

gewoonte, om alle zaken op zijn koopmans te behandelen, wat beneden de

waardigheid is van een landeigenaar, wiens familie reeds sedert twee of

drie geslachten hier gevestigd is. – Ik twijfel zeer, of er wel één

winkelier te Fairport is, die beter eene interestrekening kan opmaken,

dan Monkbarns.”

„Maar gij zult zijne uitnoodiging toch aannemen, vader?”

„Wel ja – ja! wij hebben toch nergens anders ons woord gegeven, voor

zoo ver ik weet. Maar wie kan die jonkman zijn, van wien hij spreekt?

Hij maakt zelden nieuwe kennissen: en ik hoorde nooit, dat hij eenige

bloedverwanten had.”

„Waarschijnlijk een naastbestaande van zijn zwager, kapitein Mac

Intyre.”

„Zeer mogelijk! Ja, wij zullen de uitnoodiging aannemen; de Mac Intyres

zijn van een zeer oud Hooglandsch geslacht. Gij kunt de uitnoodiging

aannemen, Isabella! Ik zelf heb geen tijd, om „waarde vriend enz.” te

schrijven.”

Deze gewichtige zaak dus geregeld zijnde, berichtte Freule Wardour, met

hare eigene en Sir Arthurs groeten, dat zij de eer zouden hebben den

heer Oldbuck volgens zijne uitnoodiging te bezoeken. Zij voegde er

schertsende, bij, dat zij zich van deze gelegenheid zou bedienen, om

hare vijandelijkheden met den heer Oldbuck te hervatten, uithoofde

zijner lange afwezigheid van Knockwinnock, waar zijne bezoeken zoo

aangenaam waren. Met dit placebo besloot zij haar briefje, en de oude

Caxon, thans uitgerust en verkwikt, begon daarmede zijn terugtocht naar

het Hospitium van den oudheidkenner.

De oudheidkenner · 第 8 / 54 题