Launcelot Gobbo. Geef acht! Nu zal ik een storm opwekken.
De koopman van Venetië.
De voorstellingen in den schouwburg te Fairport waren begonnen; maar er
verscheen geen Lovel op het tooneel; ook was er eigenlijk niets in de
kleeding of in het gedrag van den jongen heer van dien naam, dat den
heer Oldbuck recht gaf te gissen, dat zijn reisgenoot als tooneelspeler
om de volksgunst dingen wilde. De oudheidkenner ondervroeg geregeld een
ouden barbier, die de eenige pruiken, welke nog, in weêrwil van de
belastingen [9] en den heerschenden smaak, in het stadje gekruld en
gepoederd werden, opmaakte, en tot dat einde zijn tijd tusschen de drie
klanten verdeelde, die de mode hem overgelaten had; – geregeld, zeg ik,
vroeg de heer Oldbuck dezen man, wat nieuws het tooneel van Fairport
opleverde? dagelijks verwachtende, dat hij de aanstaande optreding van
den heer Lovel vernemen zou, als wanneer hij besloten had, zich, ter
eere van zijn jongen vriend, op onkosten te jagen, en niet alleen zelf
naar den schouwburg te gaan, maar er zijn zuster en nicht ook heen te
brengen. Doch de oude Jacob Caxon meldde hem niets, wat hem tot den
gewichtigen stap van plaatsen te bespreken, kon verleiden.
Hij berichtte integendeel, dat er zich te Fairport een man ophield, die
een raadsel was voor de gansche stad (waardoor hij de ledigloopers
verstond, die, bij gebrek van eigen bezigheden, zich met die van
anderen bemoeien). Hij zocht geen omgang, maar vermeed veeleer dien,
welke hem, wegens zijn goede manieren, en wellicht ook uit
nieuwsgierigheid, aangeboden werd.
Niets kon geregelder zijn, of geleek minder op een fortuinzoeker, dan
zijn wijze van leven, die zoo eenvoudig, maar tevens zoo geregeld was,
dat allen, met wie hij te doen had, hem als uit één mond prezen.
„Dit zijn geen deugden van een tooneelheld,” dacht Oldbuck bij zich
zelven, en hoewel door gewoonte hardnekkig in zijn eenmaal opgevatte
gevoelens, had hij ze nochtans in dit geval moeten laten varen, zoo
niet Caxon, onder anderen gezegd had dat: „men soms den jongen heer in
zijn eenzaamheid hardop hoorde spreken, en in zijn kamer rondstappen,
juist alsof hij tot den troep behoorde.”
Deze éénige omstandigheid echter uitgezonderd, was er niets, dat den
heer Oldbuck in zijn gevoelen bevestigen kon; en het bleef steeds een
hoogstbelangrijke en raadselachtige vraag, wat een welopgevoed jonkman,
zonder vrienden, zonder betrekkingen, en zonder eenige
beroepsbezigheden, te Fairport te doen had. Hij scheen even weinig
smaak te vinden in het drinken van Portwijn, als in het whist-spelen.
Hij bedankte er voor, aan de tafel der afdeeling vrijwilligers, die
onlangs opgericht was, te eten, en hij weigerde de feesten bij te wonen
der beide partijen, die toen het stadje Fairport, gelijk andere meer
voorname plaatsen, verdeelden. Hij was te weinig aristocraat, om zich
bij het genootschap der Koninklijke Echtblauwen te voegen, en niet
democraat genoeg, om zich met de vereeniging der zich noemende Vrienden
van het Volk te verbroederen, die de stad insgelijks het geluk had in
haar midden te bezitten. Van de koffijhuizen had hij een bepaalden
afkeer, en, ik zeg het met leedwezen, voor de theegezelschappen
gevoelde hij geen grootere sympathie. In het kort: sedert de naam van
Lovel in romans en schouwspelen gebruikt werd, en dit is reeds lang, is
er nooit een heer Lovel geweest, van wien men zoo weinig stelligs wist,
en die zoo algemeen alleen door negatieve hoedanigheden uitmuntte.
Maar er was één zeer gewichtige negatieve hoedanigheid onder: niemand
wist iets ten nadeele van den heer Lovel; want had er het minste
bestaan, dan was het weldra ruchtbaar geworden, daar de natuurlijke
zucht, om kwaad van zijn buren te spreken, in dit geval, niet zou
gematigd zijn geworden door eenig medelijden met zulk een ongezellig
schepsel als hij was. Één omstandigheid maakte hem echter eenigzins
verdacht. Bij zijn eenzame wandelingen werd zijn potlood veel gebruikt,
en uit meer dan één gezichtspunt had hij de haven van Fairport met den
seintoren, ja zelfs met de batterij van vier stukken er bij
afgeteekend, wat van eenige kwaadwilligen het gerucht hadden doen
uitgaan, dat de geheimzinnige vreemdeling zeker een Fransche spion was.
De Sheriff maakte dus bij den heer Lovel zijn opwachting; maar na dit
bezoek scheen deze alle vermoedens bij den overheidspersoon te hebben
doen verdwijnen, daar deze hem niet alleen verder ongestoord liet, maar
ook, zoo als geloofwaardige berichten meldden, tweemaal aan zijn tafel
noodigde, waarvoor Lovel echter telkens beleefd bedankte. Den aard
nochtans van het gehouden gesprek hield de magistraatspersoon geheim,
zoowel voor het publiek in het algemeen, als voor zijn substituut, zijn
klerk, zijn vrouw en zijn twee dochters, die anders zijn geheime raad
uitmaakten in alle zaken, die tot zijn ambt behoorden.
Daar al deze bijzonderheden door Caxon getrouw aan zijn patroon
overgebracht werden, rees Lovel in de achting van zijn voormaligen
reisgenoot. „Een bescheiden, verstandig jongmensch,” zei hij bij
zichzelven, „die het beneden zich acht in de dwaasheden en
ongerijmdheden van het volkje van Fairport te deelen. Ik moet iets voor
hem doen, – ik moet hem ten eten noodigen. – Ik zal Sir Arthur
schrijven op Monkbarns te komen, om kennis met hem te maken; ik moet
dit evenwel met mijn vrouwenvolk overleggen.”
Na gehouden raadsvergadering, werd er een bijzondere bode, namelijk
niemand anders dan Caxon zelf besteld, om naar het Kasteel van
Knockwinnock te gaan, met een brief „voor den Hoogwelgeboren Heer
Arthur Wardour van Knockwinnock, Baronet.” De inhoud daarvan luidde
aldus:
„Mijn waarde Sir Arthur!
„Dinsdag den 17den dezer, s. n. houd ik een Caenobitisch symposion op
Monkbarns, en ik verzoek u, met klokslag van vier, daarbij tegenwoordig
te wezen. Kan en wil mijn schoone vijandin, Freule Isabella, ons de eer
aandoen van u te vergezellen, zoo zal mijn vrouwenvolk maar al te
trotsch zijn op de hulp van zulk een bondgenoote in zaken van weêrstand
tegen wettige tucht en rechtmatig oppergezag. Zoo niet, zend ik mijn
vrouwen dien dag naar de pastorij. Ik heb een jongen vriend, dien ik u
wenschte voor te stellen, wiens aard boven de lichtzinnigheid van dezen
tijd verheven is, – die ouderen van dagen eerbiedigt, en tamelijk wel
bekend is met de klassieke schrijvers. – En daar zulk een jongeling een
natuurlijken afkeer van het volkje te Fairport hebben moet, wenschte ik
hem in eenig niet minder verstandig dan vereerend gezelschap te
brengen. Ik ben, waarde Sir Arthur; enz. enz. enz.”
„Haast u met dezen brief, Caxon!” zei de oude heer, terwijl hij hem het
stuk signatum atque sigillatum voorhield; „spoed u naar Knockwinnock,
en breng antwoord terug. Ga zoo snel, alsof de vergaderde Stads-Raad op
den Provoost, en de Provoost op u en zijn versch gepoederde pruik zat
te wachten.”
„Och, mijnheer,” antwoordde de bode, met een diepen zucht, „die tijden
zijn lang voorbij. Geen Provoost van Fairport heeft een pruik gedragen
na den tijd van den ouden Provoost Jervie, – en die had nog een heks
van een meid, die de pruik opmaakte met behulp van een eindje kaars en
wat meel. Maar mij heugen de dagen, Monkbarns, dat de Stedelijke-Raad
van Fairport veel liever hun stadsschrijver, of hun slokje brandewijn
na de zittingen zou gemist hebben, dan elk hunner een bepoederde, goed
gekrulde eerbiedwaardige pruik op zijn hoofd! Och, mijnheer, geen
wonder, dat de gemeente ontevreden is en zich tegen de wet verzet, als
men de Raadslieden de Baljuwen, de Dekens en de Rechters zelven, met
hoofden ziet, zoo naakt en kaal als mijn pruikebol.”
„En van binnen even goed voorzien, Caxon! Maar pak je weg; – gij
doorziet de openbare aangelegenheden zeer goed, en hebt zeker de
oorzaak van onze volksonlusten even juist gevat als de Provoost zelf
het zou kunnen doen. Maar pak je nu weg, Caxon!”
En Caxon vertrok, en begon zijn tocht van ongeveer een uur gaans.
„Hij hompelde – maar ’t hart was koen:
Hij deed zijn best, – kon hij meer doen?”
Terwijl hij den heen- en terugtocht aflegt, zal het niet ongepast zijn,
dat wij den lezer eenigzins bekend maken met den voornamen heer, bij
wien hij als afgezant geaccrediteerd was.
Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat de heer Oldbuck weinig omging met
de edellieden uit den omtrek, één enkel slechts uitgezonderd. Deze was
Sir Artur Wardour, een Baronet van zeer oude afkomst, en van een groot,
maar bezwaard vermogen. Zijn vader, Sir Anthonius, was den huize Stuart
toegedaan, anders gezegd, een Jacobiet geweest, en had de meeste
geestdrift voor die partij aan den dag gelegd, zoo lang deze maar met
woorden te dienen was. Niemand kon een Oranjeappel met zulke
veelbeteekenende gebaren uitpersen, [10] of behendiger een gevaarlijken
toast instellen, zonder vat op zich te geven voor een openlijke
aanklacht, en vooral dronk er niemand met langer en smakelijker teugen
op het welgelukken van de goede zaak. Maar, bij het naderen van het
Hooglandsche leger, in het jaar 1715, scheen het, dat de ijver van den
waardigen Baronet eenigzins begon te bedaren, juist toen zijn vuur zijn
partij het meest te baat zou zijn gekomen. Hij sprak inderdaad zeer
veel van te veld te trekken voor de rechten van Schotland en van Karel
Stuart; maar zijn ruiters zadel paste slechts op één zijner paarden, en
dat paard was bij geen mogelijkheid in het vuur te krijgen. Wellicht
deelde zijn edele meester den angst van het sluwe ros, en begon hij te
bedenken, dat hetgeen het paard zóó afschrikte, den ruiter zeer slecht
zou kunnen bekomen. Hoe het zij, terwijl Sir Anthonius Wardour pochte,
dronk en aarzelde, trok de dappere Provoost van Fairport, (die, zoo als
wij reeds vermeld hebben, de vader van onzen oudheidkenner was,) aan
het hoofd eener bende Whigsgezinde burgers, uit het oude stadje op het
onverwachts op, en maakte zich eensklaps, in naam van Koning George II,
meester van het Kasteel van Knockwinnock, van de zich aldaar bevindende
vier koetspaarden en van den eigenaar zelven. Sir Anthonius werd kort
daarop, benevens zijn zoon Arthur, toen nog een jongeling, op
schriftelijk bevel van het ministerie, naar den Tower te Londen
vervoerd. Vader en zoon herkregen nochtans weldra hun vrijheid, want
niets deed zich tegen hen voor, dat naar een openlijke daad van
hoogverraad geleek, en beiden keerden naar hun Kasteel van Knockwinnock
terug, waar ze op nieuw toasten met volle bekers dronken, en verder den
mond vol hadden van hun lijden voor de koninklijke zaak. Dit werd zulk
een stokpaard van Sir Arthur, dat zelfs, na den dood van zijn vader, de
onbeëedigde [11] huiskapelaan geregeld placht te bidden voor het
herstel van den rechtmatigen souverein, voor den val van den
overweldiger, en voor de verlossing van hun wreede en bloeddorstige
vijanden, hoewel zelfs het denkbeeld van eenig verzet tegen het Huis
van Hannover reeds lang verdwenen was, en dit verraderlijke formulier
eerder uit gewoonte gebezigd werd, dan dat men er eenig bepaald
denkbeeld aan hechtte. Dit was zoo stellig het geval, dat de edele
ridder, omstreeks het jaar 1770, ter gelegenheid van een betwiste
verkiezing in het graafschap, plechtig den eed van getrouwheid aan de
nieuwe dynastie aflegde, om een vriend, waarvoor hij zich in de bres
stelde, te dienen; – verzakende dus den vorst, wiens herstelling hij
wekelijks van den Hemel vroeg, en den overweldiger erkennende, om wiens
onttrooning hij nooit nagelaten had eveneens te smeeken. En om ons dit
droevig voorbeeld van menschelijke omstandigheid nog treffender te
maken, ging Sir Arthur voort met voor het huis van Stuart te bidden,
zelfs nadat het geslacht uitgestorven was, en terwijl hij, hoezeer hij
het in zijn theoretische koningstrouw als nog aanwezig beschouwde, zich
overigens in al zijn daden en bedrijven wezenlijk een allerijverigst en
toegenegen onderdaan van George III betoonde.
In andere opzichten leefde Sir Arthur, zoo als de meeste landedellieden
in Schotland; – hij jaagde en vischte, – gaf en bezocht maaltijden, –
woonde wedrennen en kiesverzamelingen bij, – was vice-gouverneur van de
graafschap en koninklijke commissaris voor de straatwegen. Maar toen
hij, bij toenemende jaren, te traag of te onbehendig werd voor de jacht
en andere dergelijke vermaken, verving hij die door nu en dan in de
Schotsche geschiedenis te lezen, en na langzamerhand eenigen smaak voor
oudheden verkregen te hebben, die echter niet zeer gevormd, noch zeer
fijn was, werd hij gemeenzaam met den heer Oldbuck van Monkbarns, en
diens medehelper in zijn oudheidkundige navorschingen.
Er bestonden nochtans tusschen deze twee zonderlingen eenige punten van
verschil die soms aanleiding gaven tot oneenigheden. Het geloof van Sir
Arthur, als oudheidkundige, was onbegrensd, terwijl de heer Oldbuck (in
weêrwil van het geval het Praetorium in het kamp van Kinprunes), veel
huiveriger was om oude overleveringen voor echte, gangbare munt aan te
nemen. Sir Arthur zou zich schuldig gevoeld hebben aan de misdaad van
hoogverraad, als hij het bestaan wezenlijk betwijfeld had van één der
honderd en vier koningen van Schotland, wier beeltenissen noch steeds
in de galerij van Holyrood grimmig van de muren staren en welke de
geduchte lijst vullen, (door Boethius aangenomen en door Buchanan
klassiek gemaakt,) waarop Jacobus VI de aanspraak grondde, om over zijn
aloud koningrijk te heerschen. Oldbuck echter, een slim en
achterdochtig man, en geenzins een eerbiediger van het goddelijke
erfrecht, was geneigd om op die gewijde lijst te vitten, en te
verzekeren, dat de optocht van het nageslacht van Fergus in de
Schotsche geschiedrol even onecht en verdicht was, als de reeks van
Banquo’s nakomelingen, die in den heksenspelonk, in Macbeth optreden.
Een ander teeder punt was de goede naam van Maria Stuart welken de
baronet op het ridderlijkst handhaafde, terwijl de heer Oldbuck dien,
in weêrwil van Maria’s schoonheid en wederwaardigheden, hevig bestreed.
En kwamen ze ongelukkig op de gebeurtenissen van nog latere tijden, dan
leverde bijna elk blad der geschiedenis stof op tot oneenigheid.
Oldbuck was, uit grondbeginsel, een echte Presbyteriaan, een ouderling
van de kerk, de beginselen der omwenteling en der protestantsche
erfopvolging genegen; Sir Arthur, daarentegen, juist het
tegenovergestelde. Zij stemden, wel is waar, overeen, in plichtmatige
liefde en trouw voor den souverein, die nu den troon bekleedde; maar
dit was ook het eenige punt van overeenstemming. Er ontstond dus
dikwijls een woordenstrijd tusschen de heeren, en dan kon Oldbuck niet
altijd zijn scherpen, spotachtigen luim bedwingen; terwijl het den
baronet soms toescheen, dat de afstammeling van een Duitschen
boekdrukker, wiens voorouders verachtelijken omgang met geringe burgers
hadden, te ver ging, en zich te veel vrijheid in het redetwisten
veroorloofde tegenover iemand van zijn rang en van zijne afkomst. Dit
en de vroeger gepleegde vijandelijkheden met de koetspaarden, en het
gewelddadig innemen van zijne residentie en burg, door den vader van
den heer Oldbuck kwamen wel eens bij hem op, en deden ter zelfder tijd
zijne wangen en sluitredenen gloeien. De heer Oldbuck eindelijk,
beschouwde zijn waardigen vriend en makker, in sommige opzichten, als
niet veel beter dan een dwaas, en gaf hem deze ongunstige gedachte wel
eens duidelijker te kennen, dan de regels der hedendaagsche beleefdheid
gedoogen. Bij zulke gelegenheden, scheidden zij dikwijls hevig
verbitterd, en met het besluit, om voortaan elkanders omgang te mijden:
„Maar de morgendauw bracht kalmte in de ziel;”
en daar beiden gevoelden, dat het gezelschap van den andere, door
gewoonte hem onmisbaar was geworden, herstelde zich de vrede weldra. In
zulke gevallen toonde Oldbuck, die de ontevredenheid van den Baronet
even als het pruttelen van een kind opnam, gewoonlijk zijn meerder
gezond verstand, en deed mededoogend de eerste stappen ter verzoening.
Maar een paar maal was het gebeurd, dat de aristocratische trots van
den oudadellijken ridder het eergevoel van des boekdrukkers naneef diep
beleedigd had; en toen zou misschien de vredebreuk tusschen deze twee
zonderlingen onherstelbaar geworden zijn, zonder de vriendelijke
pogingen en de tusschenkomst van des Baronets dochter, Isabella
Wardour, die, benevens een zoon, thans buitenslands in krijgsdienst, de
eenige overblijvende spruiten van zijn geslacht waren. Zij wist zeer
goed, hoe onmisbaar de heer Oldbuck voor haren vader was, en zelden
mislukten hare pogingen, als hare tusschenkomst noodzakelijk geworden
was door de spottende schalkachtigheid van den een, en de aangematigde
meerderheid van den andere. Onder Isabella’s zachten invloed, werd het
onrecht Koningin Maria aangedaan, door haren vader vergeten, en de heer
Oldbuck vergat de lastertaal, die de nagedachtenis van Koning Willem
beleedigde. Maar daar zij bij dergelijke geschillen steeds lachende de
partij van haren vader nam, placht de heer Oldbuck Isabella zijne
„schoone vijandin” te noemen; ofschoon hij inderdaad meer werk van haar
maakte, dan van iemand anders van hare sekse, die, zoo als wij zagen,
hij niet uitermate vereerde.
Nog eene andere betrekking vereenigde en verwijderde beurtelings de
vrienden. Sir Arthur wenschte altijd geld op te nemen; de heer Oldbuck
was niet altijd geneigd te leen te geven. De heer Oldbuck, daarentegen,
wenschte steeds geregeld betaald te worden; Sir Arthur was niet altijd,
en zelfs niet dikwijls, in staat, om aan dit rechtmatig verlangen te
voldoen; en bij het regelen van zulke verschillende belangen,
ontstonden er nu en dan kleine twisten. Over het geheel nochtans,
heerschte er tusschen hen een geest van onderlinge verdraagzaamheid, en
zij gingen hun weg, even als gekoppelde honden, eenigzins lastig, soms
knorrende, maar zonder tot een bepaalden stilstand te komen, of
elkander te worgen.
Een klein misverstand van dezen aard, aan geldzaken of staatkundige
twisten toe te schrijven, had juist tusschen de geslachten van
Knockwinnock en Monkbarns plaats gehad, toen de bode van den
laatstgemelde aankwam, om zijn last op Knockwinnock te volbrengen.
Hier, in zijne oude Gothische huiskamer, welker vensters aan den eenen
kant op den golvenden oceaan, en aan den anderen op de lange, rechte
laan van het kasteel uitzagen, zat de Baronet, nu eens in een foliant
te bladeren, en dan eens droevig de zonnestralen waar te nemen,
schitterende op het loof en de stammen der breedgetakte lindebomen,
waarmede de weg bepoot was; toen hij eindelijk, tot zijne vreugde, een
levend wezen ontdekte, dat tot de gewone vragen noopte „Wie is dat? en
wat mag hij te doen hebben?” – De oude, witachtig grijze rok, de
strompelende gang, de half in de oogen gedrukte schuinstaande hoed,
kondigden den eenigen pruikmaker aan, en liet slechts de tweede vraag
ter beantwoording over. Deze werd dan ook weldra opgelost door een
knecht, die de kamer binnentrad met de woorden: „Een brief van
Monkbarns, mijnheer!”
Sir Arthur nam den brief met gemaakte deftigheid aan.
„Breng den ouden man in de keuken en geef hem eenige verfrissching,”
zei Isabella, wier deelnemend oog reeds het grijze haar en den
vermoeiden gang opgemerkt had.
„De heer Oldbuck, mijne lieve, verzoekt ons te eten, op Dinsdag den
17den,” zei de Baronet na een kort stilzwijgen; – „waarlijk! hij
schijnt te vergeten, dat hij zich laatst niet zoo beleefd jegens mij
gedragen heeft, als men wel zou hebben mogen verwachten.”
„Gij hebt, lieve vader,” antwoordde zijne dochter, „zoo veel vooruit op
den goeden heer Oldbuck, dat het niet te verwonderen is, zoo het hem
tusschenbeiden eenigzins verdrietig maakt; maar ik weet, dat hij uw
persoon en uw omgang zeer hoog schat; niets zou hem meer grieven, dan
wanneer hij in wezenlijke beleefdheid ten uwen opzichte te kort
schoot.”
„Dat is waar, Isabella, en men moet toegeeflijk zijn wegens zijne
afkomst. Er stroomt nog steeds in zijn bloed iets van de Duitsche
lompheid; iets van van de Whigsche, stijfhoofdige tegenkanting tegen
erfelijken stand en voorrechten. Gij zult opgemerkt hebben, dat hij, in
onze twisten, nooit eenig voordeel op mij behaalt, dan wanneer hij zich
bedient van zijne nietsbeduidende kennis van dagteekeningen, namen en
beuzelachtige daadzaken; een vervelend, ijdel, kleingeestig en
werktuigelijk geheugenwerk, enkel de vrucht van zijne gemeene afkomst!”
„Hij moet ze toch zeker nuttig vinden in zijne historische
navorschingen, vader!”
„Het brengt hem tot eene onbeleefde en beslissende wijze van
redetwisten, en niets komt mij onredelijker voor, dan hem zelfs
Bellenden’s kostelijke overzetting van Hector Boecius, die ik bezit, –
een foliant met Gothische letter van zeer groote waarde, te hooren
afkeuren, op het gezag van een oud perkament, dat hij onttrok aan zijne
bestemming, toen het tot een kleêrmakers maat stukgesneden zou worden.
En, buitendien, die lastige nauwkeurigheid in kleinigheden geeft hem de
gewoonte, om alle zaken op zijn koopmans te behandelen, wat beneden de
waardigheid is van een landeigenaar, wiens familie reeds sedert twee of
drie geslachten hier gevestigd is. – Ik twijfel zeer, of er wel één
winkelier te Fairport is, die beter eene interestrekening kan opmaken,
dan Monkbarns.”
„Maar gij zult zijne uitnoodiging toch aannemen, vader?”
„Wel ja – ja! wij hebben toch nergens anders ons woord gegeven, voor
zoo ver ik weet. Maar wie kan die jonkman zijn, van wien hij spreekt?
Hij maakt zelden nieuwe kennissen: en ik hoorde nooit, dat hij eenige
bloedverwanten had.”
„Waarschijnlijk een naastbestaande van zijn zwager, kapitein Mac
Intyre.”
„Zeer mogelijk! Ja, wij zullen de uitnoodiging aannemen; de Mac Intyres
zijn van een zeer oud Hooglandsch geslacht. Gij kunt de uitnoodiging
aannemen, Isabella! Ik zelf heb geen tijd, om „waarde vriend enz.” te
schrijven.”
Deze gewichtige zaak dus geregeld zijnde, berichtte Freule Wardour, met
hare eigene en Sir Arthurs groeten, dat zij de eer zouden hebben den
heer Oldbuck volgens zijne uitnoodiging te bezoeken. Zij voegde er
schertsende, bij, dat zij zich van deze gelegenheid zou bedienen, om
hare vijandelijkheden met den heer Oldbuck te hervatten, uithoofde
zijner lange afwezigheid van Knockwinnock, waar zijne bezoeken zoo
aangenaam waren. Met dit placebo besloot zij haar briefje, en de oude
Caxon, thans uitgerust en verkwikt, begon daarmede zijn terugtocht naar
het Hospitium van den oudheidkenner.