De listige Karel kwam me over de weide
Met buigende groeten eerbiedig ter zijde
En sprak: beste heer! och wees toch zoo goed,
En huisvest eenen armen, ouden bloed.
De oude bedelaar.
Onze beide vrienden gingen langzaam door een kleinen boomgaard, welks
oude, rijk beladen appelboomen bewezen, wat men in de nabijheid der
meeste kloosters gewoonlijk opmerken kan, namelijk dat de monniken hun
tijd niet altijd in ledigheid doorbrachten, maar dikwerf ook aan boom-
en tuinteelt toewijdden. De heer Oldbuck verzuimde niet Lovel te doen
opmerken, hoe de toenmalige planters het hedendaagsch geheim bezaten,
om door het plaatsen van steenen onder den boom, hem te beletten te
diep wortels in den grond te schieten, en ze dus te dwingen, een
zijdelingsche richting te nemen. „Deze oude boom,” zei hij, „die
verleden zomer omver woei, en nog, ofschoon half ter aarde gebogen, met
vruchten bedekt is, heeft, zoo als gij ziet, zulk een steenlaag er
onder. Van dezen anderen boom verhaalt men eene geschiedenis: de vrucht
er van heet de abtsappel, waarin de echtgenoote van een naburigen baron
zoo veel smaak vond, dat ze dikwijls Monkbarns bezocht, om het genoegen
te smaken zelve van die vrucht te plukken. De baron, waarschijnlijk een
ijverzuchtig man, vermoedde, dat een smaak, die zoo veel overeenkomst,
had met dien van moeder Eva, ook een dergelijken val voorspelde. Maar,
de eer van een adellijk geslacht is er in betrokken; en ik zal er dus
niets meer van zeggen, dan dat de goederen van Lochard en Cringlecut
nog jaarlijks een bepaalde schatting in gerst moeten opbrengen, om de
misdaad van hun roekeloozen eigenaar te boeten, die den abt en zijn
biechtdochter met zijn wereldsche vermoedens en hartstochten durfde
lastig vallen. Het kleine klokkenhuisje, dat zich boven het gindsche
met klimop bedekte portaal verheft, verdient uw opmerking; – er was
hier een hospitium, hospitale, of hospitamentum, (want het komt in de
oude geschriften en akten dus verschillend geschreven voor), waarin de
monniken de pelgrims plachten op te nemen. – Ik weet wel, onze dominé
zegt, in zijn „Statistiek bericht,” dat het hospitium gelegen was op de
landerijen van Haltweary, of op die van Halfstarvet; maar dat is niet
juist, want, – maar dit is de poort, die nog steeds de Pelgrimspoort
genoemd wordt, en mijn tuinman vond, toen hij den grond voor de
winterselderij omspitte, nog vele gehouwen steenen, waarvan ik eenige
als proeven gezonden heb aan mijn geleerde vrienden, en aan de
verschillende oudheidkundige genootschappen, van welke ik een onwaardig
lid ben. Maar ik wil daar nu niet verder over uitweiden, ik bewaar iets
voor een volgend bezoek, en wij naderen hier een voorwerp, dat
wezenlijk belangrijk is!”
Terwijl hij dus sprak, gingen ze door een paar schoone weiden naar een
open heidevlakte, en vandaar kwamen zij op den top van een geringe
hoogte. „Dit,” zei hij, „mijnheer Lovel, is een waarlijk merkwaardige
plek.”
„Ze levert een schoon gezicht op, antwoordde zijn makker, in het rond
ziende.
„Dat is zoo: maar daarom was het niet, dat ik u hier heen bracht; ziet
gij niets anders opmerkingswaardigs? – Niets op de oppervlakte van den
grond?”
„Wel ja! ik zie iets, dat half en half op een gracht gelijkt.”
„Half en half! – Vergeef mij, mijnheer, dat moet aan uw oogen liggen, –
niets kan duidelijker zijn! – een echte agger of vallum, met de gracht,
of fossa. Onduidelijk! wel, mijn hemel! die deerne, mijn nicht, zulk
een lichtzinnig gansje als maar alleen onder het vrouwenvolk te vinden
is, heeft dadelijk de sporen der gracht herkend! Onduidelijk! Ja, de
groote legerplaats te Ardoch, of die te Burnswark in Annandale kan men
zonder twijfel duidelijker zien, omdat ze vaste verschansingen zijn,
terwijl deze legerplaats hier slechts tijdelijk was. Onduidelijk! maar
gij dient te begrijpen, dat dwazen, boeren en domkoppen het land
omgeploegd, en als stomme dieren en onbeschaafde wilden twee zijden van
den vierhoek verbroken, en de derde zijde voor een groot gedeelte
beschadigd hebben; maar de vierde zijde, zoo als gij zelf ziet, is nog
volkomen in haar geheel!”
Lovel trachtte zich te verontschuldigen en zijn eerste gezegde goed te
maken, door gebrek aan ondervinding voor te wenden. Maar hij slaagde
niet dadelijk. Zijn eerste antwoord was te gul en te natuurlijk
geweest, om den oudheidkenner niet te verontrusten, en deze kon niet
zoo spoedig den indruk vergeten, dien het op hem gemaakt had.
„Mijn waarde heer!” vervolgde hij, „uw oogen ontbreekt het niet aan
ondervinding; gij kunt, veronderstel ik, een gracht wel van een vlakte
onderscheiden? Onduidelijk! wel, het gemeene volk, zelfs de kleinste
jongen, die een koe kan hoeden, noemt de plaats Kaim van Kinprunes, en
als Kaim niet kamp beteekent, weet ik het niet.”
Daar Lovel dit toestemde, en eindelijk slaagde om de opgewekte en
achterdochtige ijdelheid van den oudheidkenner in slaap te wiegen,
vatte deze weder zijn taak van Cicerone op. „Onze Schotsche
oudheidkundigen,” zei hij, „moet gij weten, zijn zeer verdeeld geweest
omtrent de plaats van den laatsten veldslag tusschen Agricola en de
Caledoniërs; – eenigen noemen Ardoch in Strathallan, eenigen
Innerpeffrey, eenigen de Raedijken in Mearns, en eenigen brengen het
krijgstooneel zoo ver noordwaarts als Blair, in Athole. En nu, na al
dat onderzoek,” vervolgde de oude heer, terwijl hij een zijner slimste
en meest zelftevreden blikken op Lovel wierp, „wat zoudt gij er van
denken, mijnheer Lovel, – ik zeg, zoudt gij er van denken, – als deze
gedenkwaardige slag voorgevalen ware hier, op deze zelfde plek, het
kamp van Kinprunes genaamd, op de landerijen van den onbekenden,
geringen persoon, die nu tot u spreekt?”
Hij zweeg een oogenblik, om zijn gast gelegenheid te geven, deze
mededeeling in al haar gewicht te beseffen, en vervolgde dan, zijn stem
verheffende: „Ja, mijn goede vriend, ik vergis mij zeer, als deze
plaats niet overeenstemt met al de beschrijvingen van dat beroemde
krijgstooneel. Het was nabij de Grampian-bergen; – eilieve! zie, hoe ze
zich ginds aan den gezichteinder in de wolken verliezen! – het was in
conspectu classis, in het gezicht van de Romeinsche vloot; en kon eenig
vlootvoogd, Romein of Brit, een schoonere baai vinden, om er in te
stevenen, dan die dáár, aan uw rechterhand? Men moet zich verwonderen,
dat wij, oudheidkenners van beroep, soms zoo blind zijn. Sir Robert
Sibbald, Saunders Gorden, de Generaal Roy, Dr. Stukely, wel nu, – het
ontging hun allen! – Ik wilde er geen woord van reppen, vóór ik mij van
den grond verzekerd had; want die behoorde aan den ouden pachter Jan
Howie, hier in de buurt, en het heeft lang geduurd, eer wij het eens
konden worden. Eindelijk, – ik schaam mij haast het te zeggen, –
besloot ik, om akker tegen akker van mijn bouwland voor zijn dorre plek
te geven. Maar het was een nationaal belang; en toen het tooneel van
zulk een beroemde gebeurtenis mijn eigendom werd, was ik meer dan
genoeg betaald. – Wiens vaderlandsliefde, zegt de oude Johnson, zou
niet blaken op de vlakte van Marathon? Ik liet aanvankelijk den grond
omspitten; en den derden dag mijnheer Lovel, vonden wij een steen, dien
ik naar Monkbarns heb laten overbrengen, om er in gips een afgietsel
van te maken. Men ziet er een offervaas op met de letters A. D. L. L.,
die zonder ver te zoeken, beteekenen: Agricola Dicavit Libens Lubens.”
„Gewis, mijnheer, want de Nederlandsche oudheidkenners verklaren
Caligula voor den stichter van een vuurtoren, enkel op het gezag der
letters C. C. P. F., welke zij uitleggen: Cajus Caligula Pharum Fecit.
„Zeer juist, en men heeft het altijd voor de juiste uitlegging
gehouden. Ik zie wel dat wij iets van u zullen maken, zelfs eer ge nog
een bril draagt ofschoon gij de sporen van het schoone kamp, op het
eerste gezicht eenigzins onduidelijk vondt.”
„Door den tijd, mijnheer, en met goed onderricht. –”
„Zult gij leeren? – Daar twijfel ik niet aan. Bij uw eerst volgende
bezoek op Monkbarns, zal ik u iets ter lezing geven; mijn kleine
verhandeling „over de Kunst van Legerplaatsen aan te leggen,” met
eenige bijzondere „Aanmerkingen over de sporen van oude Verschansingen,
onlangs door den Schrijver ontdekt in het kamp van Kinprunes. Ik geloof
den onmiskenbaren toetssteen daarin aangewezen te hebben van hetgene
men voor oudheden houdt. Ik stel vooraf eenige algemeene regels over
den aard, van wat men in dergelijke gevallen als beslissend kan
aannemen. Gelieve intusschen, bij voorbeeld, op te merken, dat ik mij
zou kunnen bedienen van den beroemden dichtregel van Claudianus.
„Ille Caledoniis posuit qui castra pruinis.”
Want pruinis, ofschoon uitgelegd als rijp te bedoelen, waaraan ik
beken, dat wij op deze noordoostelijke zeekust eenigzins onderhevig
zijn, kan eveneens een plaatselijke benaming wezen, te weten; prunes;
het castra Pruinis positum zou dan zijn het kamp van Kinprunes. Maar ik
laat dat daar, uit vrees, dat de woordenvitters daarin gelegenheid
mochten vinden, om mijn Castra te doen neêrdalen tot den zoo veel
lateren tijd van Theodosius, die eerst in 367, of daar omstreeks, door
Valentinianus naar Brittanië gezonden werd. Neen, mijn lieve vriend, ik
beroep mij op het oog der menschen; – is hier niet de Decumaansche
poort? en daar zou, zonder de verwoesting van den noodlottigen ploeg,
zoo als mijn geleerde vriend het uitdrukt, de Praetoriaansche poort
zijn. – Aan uw linker hand kunt gij eenige sporen van de porta sinistra
zien, en aan de rechter, één zijde van de porta dextra, bijna
onverminkt! – Hier dan zullen wij ons plaatsen, op dezen tumulus, die
de grondslagen bevat van verstoorde gebouwen, – het middelpunt, –
zonder twijfel, het Praetorium van het kamp. Van deze plaats, nu
slechts van het overige der verschansing te onderscheiden door haar
geringe verhevenheid en groenere zoden, mogen wij veronderstellen, dat
Agricola het onmetelijke leger der Caledoniërs heeft aanschouwd, dat de
helling van genen tegenoverliggenden heuvel bezette, terwijl het
voetvolk, op de hoogte verschijnende, in rijen achter elkander, hun
slagorde op het voordeeligste uitbreidde, volgens het terrein, en het
paardevolk en de covinnarrii, waardoor ik versta die in de strijdwagens
waren, een geheel andere soort van menschen dan de hedendaagsche
Britsche Wagenmenners met hun vier paarden, – zich in de vlakte aan den
voet van den berg bevonden.
– Zie dan, Lovel, – zie –
Zie, hoe die heerdrom ginds komt van ’t gebergte zinken!
De gulden rustingen als drakenschelpen blinken;
Hun tocht schijnt donderstorm, die alles stelt ter neêr –
Zie en aanschouw, en dan zie Rome nimmer weêr! –
„Ja, waarde vriend, van deze standplaats is het waarschijnlijk, – zelfs
bijna zeker, – dat Agrippa gadesloeg, hetgeen onze Beaumont [7] zoo
voortreffelijk schildert! – Van dit zelfde Praetorium. –”
Een stem achter hem, brak eensklaps deze hoogdravende beschrijving af.
– „Praetorium hier, Praetorium daar: mij heugt, dat men er aan werkte!”
Beiden keken te gelijk om, Lovel niet zonder verwondering, en Oldbuck
met een mengeling van verrassing en verontwaardiging over zulk een
onbeleefde stoornis. Een toehoorder was, ongezien en ongehoord,
genaderd, terwijl de oudheidkenner in het midden zijner vurige
beschrijving was, en Lovel beleefd en oplettend toeluisterde. Hij had
het uiterlijk van een bedelaar; – een in de oogen gedrukten hoed met
breeden rand; een langen witten baard, die zich met zijn grijze haren
vereenigde; door den ouderdom sterk geteekende, maar krachtige en
sprekende gelaatstrekken, die door weêr en wind donker bruin geverwd
waren; een langen blauwen rok, met een blikken plaatje op den rechter
arm; een paar zakken, dwars over den schouder geslagen, om de
onderscheidene etenswaren te bergen, als hij liefdegiften ontving van
hen, die weinig rijker dan hij zelf waren, – dit alles kondigde
dadelijk den bedelaar van beroep aan, en een van die bevoorrechte
klasse, welke men in Schotland „’s Konings genadelieden,” of wel eens
Blauwrokken noemt.
„Wat zegt gij; Adam?” vroeg Oldbuck, in de hoop dat hem zijn ooren
bedrogen hadden: „waar spreekt gij van?”
„Van dit werk, mijnheer!” antwoordde de onverschrokken Adam; „mij
heugt, dat het aangelegd werd.”
„Dat het aangelegd werd? Oude gek! het was al klaar eer gij geboren
waart, en het zal er wezen nadat gij gehangen zijt, man!”
„Gehangen of verzopen, hier of daar, levend of dood, – mij heugt, dat
het aangelegd werd.”
„Gij, – gij,” – stamelde de oudheidkenner, even verlegen als vergramd,
„gij zwervende landlooper, wat duivel weet gij er van?”
„Wel, ik weet er dit van, Monkbarns; en waarom zou ik u een leugen
vertellen? – Ik weet er juist dit van, dat voor ongeveer twintig jaren,
ik en een paar andere vlugge kerels en de metselaarsknechts, die den
langen dijk dáár aanlegden, en een stuk of wat koeherders, ons aan het
werk zetten, en dat kleine ding hier maakten, dat gij het, – het
Praetorium noemt, en wel voor een feest bij de bruiloft van den ouden
Aiken Drum, – en een lief werkje was het bij guur en regenachtig weêr!
En ik weet er nog dit van; als gij den omtrek opgraaft, zoo als het
schijnt, dat gij reeds begonnen zijt te doen, zult gij een steen
vinden, als gij hem niet al gevonden hebt, waarop een der
metselaarsgezellen een lepel sneed, en om den ouden bruidegom te
plagen, zette hij er vier letters op: A. D. L. L., dat is Aiken Drum’s
Lange Lepel, want Aiken kwam uit Fife en was een baas in het eten.”
Lovel waagde het heimelijk een blik op onzen oudheidkenner te werpen;
maar wendde dien snel af, met een gevoel van diep medelijden. Want, zoo
iemand onzer lezers ooit een jong meisje van zestien jaren gadesloeg,
wier droomen van trouwe liefde, bij een onverwachte ontdekking, in
duigen vallen, of een knaapje, dat zijn kaartenhuisje door een
kwaadwilligen makker ziet omver blazen, – wij kunnen hem gerust
verzekeren, dat Jonathan Oldbuck van Monkbarns, zich even onnoozel
voordeed, en niet minder verslagen daar stond.
„Er heeft hier een misverstand plaats,” zei hij, terwijl hij zich
ijlings van den bedelaar afwendde.
„Volstrekt niet van mijn kant,” antwoordde de stugge bedelaar; „ik
handel nooit in misverstanden; want die geven misrekeningen. – Nu,
Monkbarns, deze jonge heer, – met uw verlof, bekommert zich weinig om
een kerel als ik, en evenwel wed ik, dat ik hem zeggen zal, waar hij
gisteren avond tusschen licht en donker geweest is, of hij moest liever
niet hebben, dat ik in gezelschap van anderen daar over spreek.”
Het bloed vloog Lovel naar het gezicht, en hij bloosde als een
jongeling van twee en twintig jaren.
„Stoor u niet aan den ouden schelm,” zei Oldbuck; „geloof niet, dat ik
slechte gedachten van u heb, uithoofde van uw beroep; het zijn alleen
vooringenomene dwazen en lafbekken, die daaraan onderhevig zijn. Gij
herinnert u wat de oude Cicero, in zijn redevoering pro Archia poeta,
van een uwer broederschap zeide. „Quis nostrum tam animo agresti acduro
fuit, – ut – ut –” het latijn is mij ontschoten, ziehier, waar het op
neêrkomt „wie onzer was zoo woest en onbeschaafd, dat hij niet
aangedaan werd bij den dood van den grooten Roscius, wiens gevorderde
leeftijd, ver van ons op zijn afsterven voor te bereiden, veeleer deed
hopen, dat een zoo bevallige, zoo voortreffelijke man in zijn kunst van
het algemeene lot der sterfelijken bevrijd zou blijven.” Dus sprak de
Vorst der Redenaren van het tooneel en van hen, die het beoefenen.”
De woorden van den ouden heer troffen Lovels oor zonder eenigen
bepaalden indruk op zijn geest te maken, daar hem de gedachte bezig
hield, hoe of de oude bedelaar, die hem steeds met een tergende houding
en een doordringend oog bleef aanzien, iets van hetgeen hem betrof, was
te weten gekomen. Hij stak de hand in den zak, als het gereedste
middel, om hem zijn verlangen te kennen te geven dat hij zwijgen moest,
en terwijl hij hem een aalmoes gaf, eerder afgeperst door vrees dan
door liefdadigheid, keek hij hem nadrukkelijk aan; hetgeen de bedelaar,
die van beroep een gelaatkundige was, zeer goed scheen te verstaan.
„Zijt onbezorgd, mijnheer! ik ben geen praatjesmaker; maar er zijn meer
oogen in de wereld, dan de mijne,” zei hij, terwijl hij Lovels gift in
den zak stak, met zulk een zachte stem dat hij alleen het hooren kon,
en met een blik die duidelijk te kennen gaf wat hij verder verzweeg.
Toen zich naar Oldbuck wendende: – „Ik ga naar de pastorij, mijnheer.
Heeft mijnheer daar iets te bestellen, of aan sir Arthur, want ik ga
ook tegen den avond naar het kasteel van Knockwinnock?”
Oldbuck ontwaakte als uit een droom, en zei, terwijl hij zijn aalmoes
in Adams slappen, smerigen en gehavenden hoed legde, op een toon waarin
hij zijn misnoegen trachtte te verbergen: „Ga, ga naar Monkbarns – laat
men u daar iets te eten geven, – of wacht, – als gij naar de pastorij,
of naar Knockwinnock gaat, behoeft gij niet te spreken van uw malle
historie!”
„Hoe, ik? – God beware mij daarvoor, mijnheer! niemand zal daarvan iets
uit mijn mond hooren, niet meer, dan of de kleine wal daar sedert
Noachs zondvloed gestaan had. Maar, mijnheer, men zegt, dat gij aan Jan
Howie akker tegen akker van uw best bouwland voor dit lapje heigrond
gegeven hebt! Nu, als hij u wezenlijk het walletje voor een oud werk
aangepraat heeft, dan geloof ik nooit, dat de koop gehandhaafd zal
worden, als gij het voor den rechter wilt brengen, en zeggen dat hij u
om den tuin geleid heeft.”
„Tergende schurk!” mompelde de verontwaardigde oudheidkenner in zich
zelven, „ik wilde, dat ge onder beulshanden waart, dat uw rug er voor
boette!” – en dan op zachteren toon, – „praat er niet meer van, Adam! –
het is alles een misverstand!”
„Waarlijk, dat geloof ik ook,” vervolgde zijn plaaggeest, die vermaak
scheen te scheppen om de smartelijke wonde meer en meer te vergrooten,
„waarlijk, dat geloof ik ook, en niet lang geleden nog zei ik tegen de
oude Gemmels: geloof nooit, vrouwtje, zei ik, dat Monkbarns zulk een
domme streek zou begaan hebben, om een grond, die wel vijftig shillings
den bunder waard is, voor iets te geven, dat geen halve shilling gelden
zou. Neen, neen, zei ik, reken er op, dat de heer van Monkbarns gefopt
is door dien schelm van een Jan Howie. „Maar, goede hemel, hoe kan dat
wezen,” zei zij, „daar de heer van Monkbarns zoo geleerd in de boeken
is, dat hij zijns gelijken niet in den omtrek heeft, en Jan Howie
nauwelijks verstand genoeg heeft, om zijn koeien uit zijn moestuin te
houden?” – Wel, zei ik, gij zult zien, dat hij misleid is door het een
of ander van zijn oude vertelsels; – want gij weet wel, mijnheer,
verleden nog met dat koperen Schotsche muntje, dat ge voor een ouden
penning hieldt. –”
„Loop naar den duivel!” riep Oldbuck; maar voegde er toen, als iemand,
die bewust is dat hij zich in de macht van zijn vijand bevindt,
vriendelijk bij: „pak je weg naar Monkbarns; en als ik terug kom, zal
ik u een flesch bier in de keuken zenden.”
„De Hemel beloone u, edele heer!” antwoordde Adam met de echte,
nederige, klagende stem van een bedelaar, en terwijl hij zijn stok
weder opnam, sloeg hij den weg in naar Monkbarns, maar zich omkeerende,
zei hij: „Hebt gij ooit het geld weêrgekregen, dat gij den marskramer
voor dat driestuiversstukje gaaft?”
„Verwenschte kerel! pak je weg!”
„Wel, wel, heer! God zegen ons! – Ik hoop, dat gij het ook van Jan
Howie winnen zult, en dat ik het nog beleven en zien mag!” Met deze
woorden verwijderde zich de oude bedelaar, den heer Oldbuck van
herinneringen bevrijdende, die hem niets minder dan aangenaam waren.
„Wie is die praatzieke oude?” vroeg Lovel, zoodra de bedelaar hen niet
meer hooren kon.
„O, een der plagen van het land. – Ik ben altijd tegen armgestichten en
werkhuizen geweest; – ik geloof echter, dat ik er nu vóór zal stemmen,
om dezen schurk opgesloten te krijgen. O, zulk een oude bedelaar leert
u even goed kennen, als zijn tafel, – wordt zoo gemeenzaam als zeker
beestje, dat, volgens Shakespeare, liefde beteekent [8], – waarmede
zijn beroep hem wel eens in aanraking brengt. Wie hij is? – wel, hij is
overal te huis; – hij is soldaat, liedjeszanger, en reizende
ketellapper geweest, en nu is hij bedelaar. Ons dwaas volkje in de
buurt bedierf hem, door om zijn grappen te lachen en steeds de
kwinkslagen van Adam Ochiltree in den mond te hebben.”
„Hij is zonder twijfel zeer vrijmoedig, en dat is toch de ziel van de
geestigheid.”
„O ja, vrijmoedig genoeg; hij bedenkt altijd de een of ander
verwenschte, onwaarschijnlijke leugen, om iemand te sarren, zoo als die
wartaal, welke hij zoo even uitsloeg; – niet, dat ik mijn verhandeling
in het licht zal geven, eer ik de zaak grondig onderzocht heb.”
„In Engeland,” zei Lovel, „zou men zulk een bedelaar weldra den mond
stoppen.”
„Ja, uw diakens en dienders met hun geesel, zouden weinig
toegeeflijkheid voor zijn luimen toonen. Maar hier, waarachtig, is hij
een soort van bevoorrechte kwelgeest; een der laatste staaltjes van den
voormaligen Schotschen bedelaar, die zich tot een bepaalde streek
beperkte, en de nieuwskramer, de liedjeszanger, en soms de
geschiedkundige van het land was. Die schelm daar, kent meer oude
balladen en overleveringen, dan eenig ander mensch in dit of de vier
omliggende gemeenten. En, alles samengenomen,” vervolgde hij,
bedarende, bij de opsomming van Adams goede eigenschappen, „de kerel
heeft toch ook iets goeds. Hij droeg zijn hard lot steeds met frisschen
moed, en het zou wreed zijn hem den troost te misgunnen van zich over
zijn meer gelukkige medemenschen vroolijk te maken. Het genoegen om mij
voor het lapje gehouden te hebben, zoo als gij jonge heeren het noemen
zoudt, zal voor hem een paar dagen lang zoo goed als spijs en drank
zijn. Maar ik moet terugkeeren, om hem op te zoeken, of hij zal zijn
vervloekte praatjes het halve land door verspreiden.”
Met dit gezegde namen de twee vrienden afscheid van elkander; de heer
Oldbuck ging naar zijn hospitium te Monkbarns, en Lovel vervolgde zijn
weg naar Fairport, waar hij, zonder eenige verdere ontmoeting, aankwam.